Leesfragment: Het open gordijn

27 november 2015 , door John Biguenet
| | |

Deze week verscheen John Biguenet, Het open gordijn (The Torturer's Apprentice), in de vertaling van Laura van Campenhout, bij Ailantus. Vannacht kunt u er enkele pagina's uit lezen, en uw exemplaar reserveren of bestellen.

Wie houdt er niet van om vanuit het donker door open gordijnen een huiskamer in te kijken? John Biguenet helpt je door zijn verhalen midden in een scène te laten beginnen en je zodoende meteen het verhaal in te slepen. In het titelverhaal observeert een man ’s avonds zijn eigen gezin. Het leidt tot een wonderlijke verandering in zijn leven. De verhalen verschillen totaal van elkaar, ze gaan over een slavin, een paddenplaag of een miskraam. Ze geven je allemaal hetzelfde gevoel van nieuwsgierigheid, verwachting en menselijke bevreemding dat ervoor zorgt dat je steeds doorleest.

De ongemakkelijke wereld van John Biguenet

John Biguenet schrijft verhalen die je bijblijven. Dat weet je natuurlijk niet voordat je ze gaat lezen, dat weet je niet als je in de winkel staat met deze bundel en je afvraagt of die de aanschaf waard is. En daarom vertel ik het nu maar alvast: deze verhalen zullen je bijblijven.
Ze maken zo’n indruk omdat ze ongemakkelijk zijn. Als je de inhoudsopgave bekijkt, springen er twee verhalen uit:
‘Ik ben geen Jood’ en ‘Mijn slavin’. Ook zonder de inhoud ervan te kennen, krijg je bij deze titels een gevoel in je onderbuik dat erop wijst dat het wellicht geen frisse verhalen zijn, dat ze niet politiek correct zijn. En als je ze gaat lezen, blijkt je onderbuik een goede raadgever te zijn.
In ‘Ik ben geen Jood’ wordt een Amerikaanse toerist in Duitsland tijdens een avondlijke wandeling over een joodse begraafplaats bedreigd door skinheads. Hij doet het letterlijk in zijn broek en weet zich uiteindelijk te redden door te verklaren dat hij geen Jood is. ‘Ich non Juden. Ich nicht Juden.’ Je begrijpt deze man ergens wel, maar als hij in de tweede helft van het verhaal verkeerde denkbeelden ontwikkelt, zit je flink in je maag met je aanvankelijke begrip.
Ook in ‘Mijn slavin’ maakt Biguenet het je niet makkelijk. Als je alleen op de titel afgaat, zou het om een sm-verhaal kunnen gaan, misschien wel een verhaal dat koketteert met opgeklopte erotische spanning. Maar het blijkt geen smverhaal, de slavin is een echte slavin, een gekochte vrouw, en het verhaal klopt niets op, koketteert niet, het is vooral ontluisterend. Daarbij komt nog dat er in ‘Mijn slavin’ een ik-verteller is, en die ik is niet de onderdrukte, zodat je veilig aan háár kant had kunnen staan. Nee, Biguenet plaatst je aan de kant van de koper. Die koper is niet botter dan de vermogende mannen in zijn omgeving, en hij denkt naar eer en geweten te handelen. Stel je voor dat hij een hond had gekocht en die hond zo had behandeld: dan had je de hoofdpersoon een niet al te slechte baas gevonden. Maar het is geen hond, het is een vrouw van vlees en bloed, hij behandelt haar als een hond. Je bent getuige van dichtbij en staat aan de kant van de dader. Dat is geen gemakkelijke positie.
En eerlijk gezegd: dat ongemakkelijke bevalt me wel. Er gebeurt iets met je als je de verhalen van Biguenet leest. Dat zou niet op deze manier met je gebeuren als hij een journalist was die verslaat wat ándere mensen elkaar aandoen, of een psycholoog die analyseert wat er allemaal niet goed is in iemands bovenkamer. Want in beide gevallen zouden we afstand kunnen nemen: of omdat het om iemand anders gaat, of omdat we vinden dat bij ons alles wel goed van boven is. Zo niet bij Biguenet: met hem kruipen we in de huid van mensen die soms dingen doen die we veroordelen, zonder dat we comfortabel aan de zijlijn staan.

[...]

Ton Rozeman, ShortStory.nu

Roos


‘Twee jaar na de ontvoering, zei ze geloof ik. Toen is uw vrouw hier voor het eerst geweest.’ De stem aan de telefoon klonk jong. ‘Dat moet dus in ’83, ’84 zijn geweest.’
‘Ontvoering?’
‘Ja, ze heeft me het hele verhaal verteld, dat hij voor de privédetective was die jullie in de arm hadden genomen toen de politie de zaak sloot.’
‘De foto, bedoelt u?’
‘Klopt, de verouderingsfoto.’
‘Kon u dat toen al?’
‘Het was een regelrechte ramp. Je moest het programmeren allemaal zelf doen. Maar toen er eenmaal algoritmen waren voor hoe het gebit de stand van de lippen beïnvloedt, kraakbeenvorming in neus en oren, dat soort dingen hè, hoefde je er alleen maar de vet-weefselfactor die bij de leeftijd hoort aan toe te voegen en dan kreeg je al een heel acceptabele foto van hoe het gezicht er vermoedelijk uit zou hebben gezien. Nádat je een paar verschillende kapsels had geprobeerd, hè, en alle ruis uit het beeld had verwijderd. De printers waren hopeloos indertijd.’
‘En u werkte Kevins…’ Weifelend probeerde hij de term terug te halen. ‘Kevins verouderingsfoto telkens bij.’
‘Elk jaar op 20 oktober, vaste prik. Je moet ze natuurlijk niet met de nieuwe vergelijken. Op het beeldscherm werken we nu in 3D, het hele hoofd kan draaien. En als u een opname hebt waarop het kind praat of zingt, is er zelfs een programma dat de stem ouder maakt en synchroniseert met de lippen. Je leert het hoofd praten, zeg maar, en dan kun je het laten zeggen wat je maar wilt.’
De stem wachtte tot hij iets zei.
‘Ik bedoel, wij vonden het knap, meneer Grierson, zoals u geen van beiden de hoop liet varen dat u op zekere dag uw zoon weer zou vinden. Zelfs nog na al die tijd.’
Hij hing op terwijl de man nog aan het praten was. Op de keukentafel lag het album waar Emily de foto’s, de serie verouderingen, had ingeplakt, opengeslagen bij een afdruk waarop aan de rand logo en telefoonnummer van Crescent CompuGraphics waren meegedrukt. Op de foto zag zijn zoon eruit als iemand van een jaar of vijftien, zestien.
Hij had het rode album gisteravond gevonden, na de begrafenis van zijn vrouw. Na de trieste uitvaart en de benepen samenkomst met chips en frisdrank in het huis van haar zus had hij zijn verdriet de ruimte gegeven en zich bij Emily’s uitzetkist aan het voeteneinde van hun bed op zijn knieën laten zakken. Met zijn armen diep weggestoken in al dat liefdevol opgevouwen fluweel en satijn had hij het zijden negligé betast waar bruine plekken van ouderdom op zaten en de vage gardeniageur opgesnoven die in het lijfje van een oude avondjurk was blijven zitten. Op de bodem van de kist had zijn woelende hand het album ontdekt.
Eerst wist hij niet wie het gezicht was dat op elke bladzijde jonger werd, maar al snel had hij zo zijn vermoedens. En op de pagina die helemaal achter in de rode ringband zat herkende hij ten slotte het gekamde haar en het breekbare glimlachje van het jongetje dat hem vanaf een schoolfoto aankeek.
Bij de gedachte aan Emily die heimelijk de serie verouderingsfoto’s doorbladerde en elk jaar op Kevins verjaardag een nieuw portret in de map deed, boven op dat van het jaar ervoor, voelde hij zich misselijk worden en hij haalde diep adem. Het is gewoon een andere manier van herinneren, redeneerde hij, om haar te verdedigen.
Zelf kon hij bijvoorbeeld nog steeds de groene klok aan de keukenmuur niet vergeten, die hem er als eerste op had geattendeerd dat zijn zoon al thuis had moeten zijn van school. Wat hij ook niet kon vergeten was de meedogenloze klak van het slot toen hij de deur had opengedaan om te kijken of de jongen nog op het trottoir rondhing. En hij zou zich altijd herinneren dat hij de veranda voor het huis op liep en in zijn ene ooghoek de eerste glimp opving van het rode zwaailicht, net een bloem die telkens even uit de schaduw tevoorschijn kwam.
Zo had hij het licht trouwens ook geïnterpreteerd, toen hij er in dat korte moment van onzekerheid zijn hoofd naartoe draaide, als een rode roos die plagerig werd beschenen door de late namiddagzon terwijl de lange schaduwlijnen van de rij schilferende iepen op straat er al overheen vielen. En hij wist nog dat hij toen hij zich naar het zwaailicht toe draaide en zijn blik over het latwerk met de rozen langs de omheining liet gaan — de hybride Blue Girl, die nog dit seizoen zou sterven en die zich had verstrengeld met de dikke stelen en fluwelen bloembladeren van de Don Juan — en ook nog toen hij op weg naar het voortuinhekje de houten treden af liep, langzaam en bedachtzaam, alsof de mensen die op het huis af kwamen rennen en zijn naam riepen, niets met hem te maken hadden, dat hij telkens weer dacht: roos, roos, roos.

Copyright © 2003 John Biguenet. In overeenstemming met Sterling Lord Literistic, Inc.
Copyright Nederlandse vertaling © 2010 Laura van Campenhout
Copyright aanbeveling © 2010 Ton Rozeman

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum