Leesfragment: Hier woont een NSB'er

27 november 2015 , door Josje Damsma en Erik Schumacher

Deze week verscheen Josje Damsma en Erik Schumacher, Hier woont een nsb’er. Nationaalsocialisten in bezet Amsterdam. Vanavond kunt u voorwoord, inleiding en de eerste pagina's van het eerste hoofdstuk lezen, én uw exemplaar reserveren of bestellen.

Tienduizend Amsterdammers waren tijdens de Tweede Wereldoorlog lid van de nsb. Over de Amsterdamse nationaalsocialisten is eigenlijk weinig bekend. Wat betekende het om in oorlogstijd lid te zijn van de partij die met de bezetter heulde? Hoe reageerden familieleden, vrienden en buren? En hoe was de sfeer binnen de beweging?

Hier woont een nsb’er gaat over het dagelijks leven van gewone Amsterdamse nsb’ers tijdens de oorlog. Het levert een beeld op van een beweging waarbinnen gezelligheid een belangrijke rol speelde. Tegelijkertijd waren veel nsb’ers overtuigde nationaalsocialisten en werkten ze mee aan de Jodenvervolging. Op straat kwamen ze regelmatig in botsing met hun tegenstanders. Toch betekende hun politieke keuze lang niet altijd het einde van hun vriendschappen en familiebanden. Aan de hand van persoonlijke verhalen, politierapporten en dagboekfragmenten werpen Josje Damsma en Erik Schumacher nieuw licht op de geschiedenis van het Nederlandse nationaalsocialisme.

Voorwoord

Als burgemeester van Amsterdam heb ik met veel plekken in de stad een bijzondere band gekregen. Mijn werkkamer kijkt uit op het Waterlooplein. Elk jaar vindt de traditionele nieuwjaarsreceptie plaats in het Concertgebouw en ben ik aanwezig bij de nationale herdenking op de Dam. Jaarlijks bezoek ik op Koninginnedag het feest op het Museumplein.
In dit boek spelen diezelfde plaatsen een hoofdrol. Maar Josje Damsma en Erik Schumacher tonen ze in een totaal ander perspectief. Zij gaan terug naar de jaren ’40-’45, toen gewelddadige nsb’ers op het Waterlooplein het gevecht met hun Joodse stadgenoten zochten. In het Concertgebouw luisterden duizenden nsb’ers geboeid naar uitvoeringen van het Jeugdstormorkest. Bij toespraken van Anton Mussert stroomde de Dam vol met enthousiaste aanhangers. In de hoofdkantoren aan het Museumplein werkten de functionarissen van de Amsterdamse nsb aan de verspreiding van het nationaalsocialisme.
Amsterdam was tijdens de oorlog het toneel van geweld en intimidatie, van nationaalsocialistische propaganda en van de Jodenvervolging. Amsterdamse nsb’ers waren prominent aanwezig. Het is wrang om je te realiseren dat nsb’ers en hun tegenstanders in bezettingstijd om de toekomst van hun stad streden op plaatsen waar de vrijheid nu vanzelfsprekend lijkt. Dit boek verandert daardoor onze kijk op Amsterdam.

Job Cohen
Burgemeester van Amsterdam
1 maart 2010

Inleiding

De nsb werd in 1945 verboden, maar in het huidige taalgebruik is de term ‘nsb’er’ nog springlevend. Een Utrechtse kroegbaas die onlangs betrapt werd op een overtreding van het rookverbod vertelde een journalist dat hij was verlinkt door ‘de nsb’ers onder ons’.1 In Breda werd een negentienjarige jongen tijdens zijn stapavond aangehouden nadat hij agenten en een portier voor ‘vuile nsb’ers’ had uitgescholden. Theo van Gogh noemde Job Cohen zelfs een ‘nsb’er van nature’. Toen repetitiebeelden uitlekten waarin sportpresentator Wilfred Genee grappen maakte over de ‘dikke kop’ van collega Jack van Gelder, beklaagde Genee zich er in een column over ‘dat er een nsb’er rondloopt die zoiets opneemt en het op het internet plaatst’.4
Vijfenzestig jaar na de Tweede Wereldoorlog is ‘nsb’er’ nog altijd een populair scheldwoord. Maar wat weten we eigenlijk van de gemiddelde nsb’er? Gek genoeg niet veel. In vergelijking met andere onderwerpen uit de oorlog is er naar de Nationaal-Socialistische Beweging in bezettingstijd vrij weinig historisch onderzoek gedaan. En dat spaarzame onderzoek richtte zich voornamelijk op de top van de beweging. Van de meeste prominente nsb’ers bestaan wel biografieën, maar de gewone leden komen er bekaaid af. Hun opvattingen en belevenissen worden in veel boeken in een enkele passage afgehandeld — alsof die er niet toe deden. Maar de gewone nsb’ers vormden juist een belangrijke en interessante groep. Alleen al hun grote aantal maakte hen een factor van betekenis.
Op haar hoogtepunt telde de beweging van Anton Mussert meer dan honderdduizend leden. Bovendien namen de nsb’ers als aanhangers van een radicale ideologie in de Nederlandse samenleving en haar politieke cultuur een bijzondere plaats in. Dat had voor hun dagelijks leven de nodige gevolgen. Wie een politieke beweging wil duiden, moet ten slotte niet alleen de ideologie doorgronden, maar ook de activiteiten van de leden kennen.
Met name in oorlogstijd is de rol van gewone nsb’ers interessant. De positie van de nsb veranderde drastisch onder de Duitse overheersing. De beweging transformeerde van een radicale partij in de politieke marge in een — in ieder geval in eigen ogen — serieuze kandidaat voor de macht. De nsb’ers vonden dat ze een voorkeursbehandeling verdienden. Uiteindelijk kregen ze onder andere banen in het gemeentebestuur en de politie toegespeeld. De Duitsers verwachtten daar wel iets voor terug: ze zaten te springen om Nederlandse handlangers die de taal spraken en de weg kenden. De nieuwe positie van de nsb zette de verhouding tussen de nsb’ers en hun tegenstanders op scherp. Tegelijkertijd bracht ze een enorme toestroom van nieuwe leden met zich mee. Hierdoor kon de organisatie van de nsb zich lokaal snel uitbreiden. Het succes hield geen stand. Tegen het einde van de oorlog rolde de nsb van haar hoogtijdagen haar diepste crisis in. De nsb’ers moesten steeds meer gaan vrezen voor een Duits verlies. Het leidde uiteindelijk tot chaos en tot de ontbinding van de beweging. De vijf oorlogsjaren waren voor de nsb’ers kortom een turbulente periode waarin ze meer dan ooit werden gedwongen om hun overtuigingen in daden te vertalen. De gewone nsb’ers waren ‘gewoon’ omdat ze geen machtspositie hadden, maar tegelijkertijd bijzonder omdat ze in oorlogstijd lid waren van een beweging die met de vijand sympathiseerde.
Dit boek beschrijft hoe het was om tijdens de bezetting een nsb’er te zijn in Amsterdam. Hoe verhielden de Amsterdamse nsb’ers zich tot elkaar, tot hun leiding, tot de andere Amsterdammers en tot de bezetter? In de afbakening van ons onderwerp hebben we twee belangrijke keuzes gemaakt. Ten eerste hebben we besloten om ons alleen op Amsterdam te richten. De tegenstellingen waren hier bijzonder hevig. In de hoofdstad woonden relatief veel nsb’ers, maar ook communisten en andere felle antifascisten waren ruim vertegenwoordigd. Dat leidde in vergelijking met de rest van het land tot veel confrontaties op straat. Amsterdam was bovendien het brandpunt van de Jodenvervolging in Nederland. Deze omstandigheden maakten dat op de Amsterdamse nsb’ers een relatief groot beroep werd gedaan om hun lidmaatschap in daden te vertalen. Ten tweede hebben we besloten om de leden van de Nederlandse ss buiten beschouwing te laten. De Nederlandse ss was een organisatie die officieel onder de nsb viel. Tijdens de bezetting groeiden de Nederlandse ss en de nsb echter ver uit elkaar. In feite vormden ze toen twee afzonderlijke nationaalsocialistische organisaties, die alleen nog organisatorisch aan elkaar gebonden waren door de Duitse bepaling dat de nsb de enig toegestane politieke organisatie in Nederland was. Officieel bleef de veel radicalere Nederlandse ss daarom een tijd lang onder nsb-leider Mussert ressorteren. Maar in de praktijk waren de Nederlandse ss’ers slechts verantwoording verschuldigd aan Heinrich Himmler, de Reichsführer-ss in Berlijn. Tijdens de oorlog vertrokken de Nederlandse ss’ers al snel massaal naar het Oostfront. Hierdoor waren zij het grootste deel van de bezetting geen belangrijke nationaalsocialistische groep binnen de stadsgrenzen.
Voor de bestudering van de Amsterdamse nsb hebben we verschillende bronnen ingezien. Naast dagboeken en memoires van Amsterdamse nsb’ers en niet-nsb’ers bekeken we uiteenlopende documenten uit de archieven van de beweging, waaronder bijvoorbeeld de rapporten die het Algemeen Toezicht Leden (atl) van de nsb zelf over haar Amsterdamse leden schreef, en archiefmateriaal van nevenorganisaties van de nsb. Ook gebruikten we het Amsterdamse politiearchief. Twee bronnen waren voor dit onderzoek van buitengewoon belang. Ten eerste De Daad, het nsb-ledenblad voor de regio Amsterdam. In tegenstelling tot het nationale nsb-blad Volk en Vaderland (VoVa), dat nadrukkelijk ook voor niet-leden bedoeld was, had De Daad vooral als opzet om de leden op de hoogte te brengen van elkaars activiteiten. De redactie zag het als haar opdracht om te melden ‘hoe de kameraden hun taak opvatten; hoe zij samenwerken; hoe zij vechten en hoe zij bouwen’. Voor naar buiten gerichte propaganda was dan ook geen plaats: ‘In “De Daad” wordt ten eenen male geen politiek bedreven zoals in “VoVa”.’6 Deze eigenschappen maken De Daad geschikt als bron bij onderzoek naar de activiteiten van de gewone leden en de sfeer waarin ze terechtkwamen. Toch moeten we ook bij De Daad waakzaam zijn voor verdraaiingen van de waarheid. De krant diende om de leden te mobiliseren en was dus wel een vorm van interne propaganda.

De voorpagina van De Daad van 26 juli 1940.
De voorpagina van De Daad van 26 juli 1940.

Daarnaast hebben we gebruikgemaakt van zestig willekeurig gekozen persoonsdossiers van Amsterdamse nsb’ers, afkomstig uit het Centraal Archief van Bijzondere Rechtspleging (cabr). Deze dossiers bevatten persoonlijke gegevens van nsb-leden die werden verzameld voor de vervolging van politieke delinquenten na de oorlog. Ze zijn samengesteld uit brieven, belastende documenten en getuigenissen van de verdachte en mensen uit zijn of haar omgeving. Dat ze met het oog op strafvervolging zijn gemaakt, betekent dat ze niet alle vragen beantwoorden die voor een historicus interessant zijn. Wel wilden de betrokken rechercheurs de werkelijke gebeurtenissen achterhalen, en zijn de dossiers daarom nuttig als bron voor dit onderzoek. De dossiers zijn pas sinds tien jaar makkelijk toegankelijk en bevatten daardoor vaak onbekende informatie. Het aantal van zestig personen is uiteraard een beperkte steekproef van de tienduizend Amsterdamse nsb’ers. Toch bieden de dossiers nieuwe inzichten in het lokale partijleven.
We hebben gekozen voor een deels chronologische, deels thematische indeling. In hoofdstuk 1 beschrijven we de ideologie en de vooroorlogse geschiedenis van de nsb. In hoofdstuk 2 komen een aantal thema’s uit de eerste jaren van de oorlog aan bod: de toestroom van nieuwe leden, de toegenomen assertiviteit van de nsb’ers en de confrontaties tussen de nationaalsocialisten en hun tegenstanders. Hoofdstuk 3 gaat dieper in op de manier waarop de Amsterdamse nsb’ers zich tot hun beweging verhielden. We schetsen de wederzijdse verwachtingen van de leiding en de leden en de sfeer die onder de kameraden heerste. In hoofdstuk 4 geven we een overzicht van de activiteiten die Amsterdamse nsb’ers in dienst van de bezetter ontplooiden in het kader van de Jodenvervolging, de jacht op het verzet en de strijd aan het Oostfront. In hoofdstuk 5 beschrijven we de laatste oorlogsjaren, waarin de berichten van het front hun impact op de nsb niet misten.
De geschiedenis van de Amsterdamse nsb’ers in bezettingstijd leent zich goed voor een populairwetenschappelijke aanpak. In de bronnen zijn veel persoonlijke verhalen te vinden die een rijk beeld schetsen van het leven in de hoofdstad. Ook zijn er veel bijzondere foto’s van gebeurtenissen uit het leven van de Amsterdamse nsb’ers bewaard gebleven. Ze zijn voor een groot deel nog nooit gepubliceerd en brengen de geschiedenis nog dichterbij. Bij het schrijven van dit boek hadden we steeds een breed publiek van geïnteresseerden voor ogen. Hopelijk weet de volgende driftkop die iemand voor ‘nsb’er’ uitmaakt precies waar hij het over heeft.

1
Begin en beginselen

Op het moment dat Duitsland Nederland binnenviel, had de nsb al een roerige geschiedenis achter de rug. De beweging had zich sinds haar oprichting op 14 december 1931 binnen luttele jaren ontwikkeld van splinterpartijtje tot de belangrijkste vaandeldrager van het Nederlandse fascisme. In 1935 bereikte de beweging een ledental van vijftigduizend. Bij de Provinciale Statenverkiezingen van dat jaar haalde de nsb landelijk 7,9 procent van de stemmen. Dat was gezien de normaal gesproken stabiele politieke verhoudingen in het vooroorlogse Nederland een regelrechte sensatie. In Amsterdam was de aanhang van de nsb van begin af aan relatief groot. De Amsterdamse afdeling, die in de winter van 1932 op 1933 was opgericht, telde in 1934 vijfduizend leden. Bij de Provinciale Statenverkiezingen scoorde de nsb in de hoofdstad met 10,8 procent ruim boven het landelijk gemiddelde. Vooral in de rijkere buurten behaalden de nationaalsocialisten goede resultaten.
De nsb maakte een stormachtige entree in de Nederlandse en Amsterdamse politiek. Maar wat wilden de nsb’ers eigenlijk, en wat deden ze om die idealen te verwezenlijken? Die twee vragen zijn moeilijk los van elkaar te zien. Anders dan in het communisme en het liberalisme speelden theoretische beginselen in het fascisme namelijk een kleine rol. Fascisten hekelden de ‘statische dogmatiek’ van het geschreven woord. Geloofsartikelen waren voor hen minder belangrijk dan energie en spontaniteit. Pas door te doen, niet door te denken, kon je in hun ogen een echte fascist zijn. Zo stonden ook de beginselen van de nsb niet in steen gebeiteld. Dat betekende natuurlijk niet dat er geen ideologische richting was, maar wel dat het geloof van de nsb’ers vaak meer uit hun daden dan uit hun woorden bleek. In dit hoofdstuk, waarin duidelijk wordt waar de Amsterdamse nsb’ers ten tijde van de Duitse inval in geloofden en welke weg ze in de jaren dertig hadden bewandeld, lopen ideologie en praktijk dan ook voortdurend door elkaar.

Gemeenschap en hiërarchie

De nsb beschouwde zichzelf als de specifiek Nederlandse vertegenwoordiger van een bredere Europese stroming. De ideologen van de beweging verwezen in bewondering naar zowel Mussolini als Hitler en gebruikten de termen ‘fascisme’ en ‘nationaalsocialisme’ door elkaar. Formeel was de nsb een onafhankelijke organisatie, maar het was duidelijk dat het gevoel van verbondenheid met de buitenlandse zusterpartijen groot was. In 1934 ontmoette Mussert Mussolini, en in 1936 bracht hij voor het eerst een bezoek aan Hitler. Wie de nsb in de jaren dertig observeert, ziet inderdaad dat Mussert en zijn volgelingen de kernwaarden van het Italiaanse fascisme en — in de loop der jaren steeds meer — het Duitse nationaalsocialisme hooghielden.

In 1937 voert de NSB campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen.
In 1937 voert de NSB campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen.

Een van die kernwaarden was de gemeenschap. De nsb werd opgericht in een tijd waarin de Nederlandse samenleving verzuild was. De nsb hekelde die ‘schotjesgeest’ en stelde daar als alternatief de volksgemeenschap tegenover. Alle Nederlanders moesten zich eendrachtig inzetten voor hun gezamenlijke toekomst. Arbeiders, boeren, winkeliers, leraren en directeuren dienden zich allemaal te verenigen rond één belang: dat van de volksgemeenschap. Die gemeenschap hield in de ogen van de nsb overigens niet op bij de Nederlandse grenzen, maar omvatte alle Nederlandstaligen — dus ook Vlamingen en Zuid- Afrikanen. Samen vormden zij de ‘Dietse’ taal- en volksgemeenschap. Het gemeenschapsgevoel werd ook binnen de nsb bevorderd. De leiding van de beweging wilde dat de nsb’er zich lid van een grote familie zou voelen. Voor dat doel dienden nationale bijeenkomsten, de zogenaamde landdagen, maar ook tal van kleinere samenkomsten voor de leden. Het was de bedoeling dat de ‘kameraden’ en ‘kameraadskes’ — zo moesten de leden elkaar noemen — hier een gevoel van sterke onderlinge verbondenheid opdeden. Daarnaast hadden de massale bijeenkomsten het doel om indruk te maken op buitenstaanders. De nsb’ers hielden ook erg van insignes, uniformen en marsen. Daarmee konden ze iedereen laten zien dat ze gezamenlijk optrokken.
Gemeenschapszin en eendracht vloeiden in het denken van de nsb over in een andere fascistische kernwaarde: strenge hiërarchie. ‘Natuurlijke leiders’ moesten het voortouw nemen. Het landsbestuur moest worden overgelaten aan de bekwaamste en deskundigste figuren. Maar ook de beweging zelf was intern volgens autoritaire principes georganiseerd. De nsb had een piramidestructuur, met aan het hoofd de Leider — Mussert — en daaronder steeds meer kleine eenheden. Binnen Nederland was Amsterdam een district, het district Amsterdam was onderverdeeld in verschillende kringen, de kringen waren onderverdeeld in groepen, en deze waren weer onderverdeeld in de kleinste eenheden: de blokken. Een van die blokken was zo klein dat het maar uit twee leden bestond. De districten, kringen, groepen en blokken waren op hun beurt ook weer hiërarchisch georganiseerd, en hadden dus allemaal hun eigen leider. Zelfs in het blok dat maar uit twee leden bestond, werd een blokleider aangewezen. De vele functies moesten bijdragen aan het idee dat het lidmaatschap iets heel bijzonders was. De leden moesten zich uitverkoren en belangrijk voelen.
Het hiërarchische denken besloeg ook het economische leven. De nationaalsocialisten waren tegen het communistische ideaal van omverwerping van de klassenmaatschappij en gelijkheid voor iedereen. Maar ook de vrije markt van de liberalen stond hen niet aan. Daarom bepleitten ze een derde weg: het corporatistische stelsel. Dat hield in dat iedereen een vaste plaats moest hebben in het economische systeem. De traditionele rolverdeling tussen werkgever en werknemer moest in stand blijven, net als die tussen man en vrouw in het huishouden. Onderling moesten de arbeiders en directeuren overleggen in beroepsorganisaties, de corporaties. Op deze manier lagen er zowel voor de werkgever als voor de werknemer voordelen in het verschiet. De werknemer werd inspraak beloofd, een deel van de winst, een ziektekostenverzekering en, afhankelijk van zijn be roep, een pensioen vanaf zijn vijftigste of zestigste; de werkgever kreeg rust in zijn bedrijf, omdat hij verlost was van stakingen en morrende werknemers. Er was dus geen sprake van gelijkheid, maar evenmin van een ongeleide markt. De overheid moest de ‘natuurlijke hiërarchie’ bewaken en kreeg daarom een flinke vinger in de pap bij alle grote bedrijven.
Het nationaalsocialisme ging uit van fumdamentele ongelijkheid. Dit hiërarchische denken werkte ook door in de ideeën over ras. Daarbij hadden de sterksten het recht om de anderen te overheersen. Het West-Europese ras was volgens de nationaalsocialisten cultureel verheven boven de andere rassen. Dit denken uitte zich bijvoorbeeld in het standpunt van de nsb over Nederlands-Indië. De Indonesische bevolking was in de ogen van de beweging vanuit een raciaal perspectief minderwaardig. Ze moest dus met strakke hand door het superieure Nederlandse koloniale bestuur geleid worden. Het geld dat in de kolonie werd verdiend, kon goed worden gebruikt in het moederland. Indië was immers van het grootste belang om de Nederlandse natie een zo sterk mogelijke positie op het wereldtoneel te garanderen.
De Joden vormden een andere groep die volgens de nsb minderwaardig was. Aanvankelijk was het programma van de beweging niet antisemitisch. Toch bestond achter de schermen en bij de gewone leden al volop Jodenhaat. Het was vooral een tactische keuze van de nsb-leiding om dat antisemitisme in de beginjaren nog niet overal openlijk te tonen. Met name bij Mussert bleven uitingen van antisemitisme vaak impliciet. Wel verkondigde hij begin 1933 in Amsterdam bijvoorbeeld dat ‘Amerikaansche Joden’ een wig wilden drijven tussen Nederland en Duitsland. Via andere kanalen van de nsb werd de Jodenhaat in de beginjaren al wel ongereserveerd beleden. Vooral De Daad was vanaf het begin fel antisemitisch. Gedurende de tweede helft van de jaren dertig drong het antisemitisme ook door tot de officiële partijlijn. In 1938 werd het Joden verboden om lid te worden van de nsb.17
Waar de top van de nsb aanvankelijk geen uitgesproken antisemitische koers voer, uitten veel Amsterdamse leden van de beweging hun Jodenhaat vanaf het begin openlijk. Vanwege de grote toestroom van Joodse vluchtelingen uit Duitsland liepen anti-Joodse sentimenten in Amsterdam hoog op. Op straat was het antisemitisme van de nsb in Amsterdam goed zichtbaar. Nationaalsocialistische vechtjassen zochten regelmatig ruzie in de Jodenbuurten. Uit kiezersonderzoek is gebleken dat de nsb in de eerste jaren van haar bestaan relatief populair was in de Amsterdamse buurten waar veel Joden woonden. We mogen ervan uitgaan dat dit niet kwam doordat de nsb onder Joden zo populair was. Toch was in de beginjaren een klein aantal Joodse Amsterdammers lid van de beweging. In 1935 waren tien van de zeshonderd lagere nsb-functionarissen Joods. Onder hen bestond wel enige twijfel. Halverwege 1935 stuurde een Joodse winkelier in vleeswaren een brief aan Mussert om te vragen hoe de nsb tegenover de Joden stond. ‘Ofschoon mij meermalen gezegd is, dat de N.S.B. niet anti-semietisch is, stel ik er prijs op persoonlijk van U te vernemen het antwoord op deze door mij gestelde vraag.’ Het antwoord luidde dat de nsb in principe niet antisemitisch was, maar dat Joden wel duidelijk voor het Nederlandse volk moesten kiezen.

[...]

© Josje Damsma en Erik Schumacher

Uitgeverij Boom

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum