Leesfragment: ‘Ik benader mijn eigen poëzie graag met ironie’

20 november 2010 , door Lieke Marsman, Marleen Louter
| | |

Lieke Marsman, negentien jaar, publiceerde al in Tirade, werd omhooggeschreven door critici als Arjan Peters en debuteert dit najaar bij Uitgeverij Van Oorschot met haar bundel Wat ik mijzelf graag voorhoud (reserveren kan al). Ze staat op de drempel van het dichterschap, maar een dichteres is ze al. Zo denkt ze, zo schrijft ze. En zo trekt ze haar eigen poëzie voortdurend in twijfel. ‘Ik vind het moeilijk mezelf niet met al te veel ironie te benaderen. Ik moet uitkijken dat ik daar niet in doorsla.’

‘[…]
Toen ik vijf was, droomde ik dat het sneeuwde, terwijl niemand me had verteld dat er een kans bestond dat er die nacht daadwerkelijk sneeuw zou vallen. Het had de hele nacht kunnen regenen. Ik werd wakker en de wereld was zo wit als mijn vijf jaar oude huid.
[…]’

Het ging bijna ongemerkt: zo rond haar veertiende bewoog wat Lieke Marsman in dagboeken en op kladblaadjes schreef zich in de richting van poëzie. ‘Daar ben ik nooit echt mee begonnen volgens mij. Het ging min of meer vanzelf. Pas later begon ik zelf meer poëzie te lezen, wilde ik schrijven zoals de dichters die ik bewonderde. Ik kreeg de motivatie dingen zo mooi mogelijk op te schrijven. En die is nooit meer weggegaan.’ Er volgden een eerste positieve reactie, een optreden bij Doe Maar Dicht Maar. ‘Daarna droeg ik af en toe nog eens voor, en langzamerhand merkte ik dat ik poëzie zo leuk vond dat ik er misschien mee door wilde. Maar veel verder kwam ik nog niet.’

Tot die ene lamlendige zondagmiddag, waarop ze een aantal gedichten naar Tirade stuurde. ‘Ik dacht een beetje: nou ja, doe ook maar. Ik verwachtte er helemaal niets van. Maar na een maand kreeg ik een positieve reactie. Dat was het eerste moment van erkenning van een kant die er voor mij echt toe deed. Tirade was een tijdschrift voor in mijn ogen gearriveerde dichters.’ Haar prille carrière nam vervolgens meteen een bescheiden vlucht. Arjan Peters betitelde haar in zijn column in de Volkskrant als ‘wonderkind Marsman’ en na nog een aantal publicaties in Tirade bood Van Oorschot haar een contract aan voor een debuutbundel.

‘Echt heel erg gaaf,’ aldus Marsman, die eerder publiceerde op het Tirade-weblog. Want een bundel is volgens haar nog steeds een ideaal. ‘Ik denk wel dat ik het meest met nieuwe poëzie in aanraking kom via internet, maar een boek bereikt mensen toch op een hele andere manier. Minder vluchtig. Als een gedicht op internet mij aanspreekt, wil ik een bundel hebben omdat dat een beter inzicht geeft in de dichter die iemand is.’

Maar hoe begin je aan zoiets, als je negentien bent, en onervaren? ‘Ik heb eigenlijk geen idee hoe het precies werkt. Je let op zaken als volgorde, of het allemaal een beetje op elkaar aansluit, maar dat gaat voor mij vooral gevoelsmatig. Er komen in Wat ik mijzelf graag voorhoud vrij veel onderwerpen aan bod, maar uiteindelijk gaan veel van mijn gedichten over hetzelfde. Sinds ik die thematische lijn heb ontwaard, probeer ik hem ook een beetje te sturen. De toon van mijn gedichten ontwikkelt zich op een ander niveau, en vind ik zelf moeilijker in te schatten. Ik ben blij dat mijn redacteur overeenkomsten ziet tussen de manier waarop ik drie jaar geleden schreef en nu. Zelf heb ik soms het idee dat mijn poëzie voortdurend verandert, omdat ieder nieuw gedicht een nieuw schrijfproces met zich meebrengt. Maar dat schijnt dus wel mee te vallen.’ 

Ontdekkingstocht

Het ontwikkelen van haar poëzie is voor een jonge dichteres als Marsman nog een ontdekkingstocht, zo beseft ze ook zelf. ‘Aan de ene kant zoek ik nog heel erg naar houvast, aan de andere kant hoop ik nooit houvast te vinden. Wel vind ik het bijvoorbeeld fijn om in reeksen te werken. Als ik dan in het ene gedicht wat verander, ga ik ergens anders ook nog sleutelen. Uiteindelijk steekt het dan beter in elkaar, is het poëzie waar ik me zekerder over voel. Het is ook wat subtieler. Gedichten die op zichzelf staan hebben vaak een nadrukkelijker omslagpunt. Soms is dat trouwens niet erg: ik wil geen geschaafde poëzie maken waar geen enkel randje meer aan zit.’

Ook het vertalen van poëzie helpt Marsman haar stijl te ontwikkelen. Dit voorjaar hield ze twee maanden lang een weblog bij op Tirade.nu en greep de gelegenheid aan enkele geliefde hedendaagse dichters uit de VS voor het voetlicht te brengen, zoals Ada Limón, Brenda Shaughnessy en Ellen Bass. ‘Dat is wat op internet heel goed kan: nieuwe dingen uitproberen. Ik kom veel hedendaagse Amerikaanse poëzie tegen die ik bewonder. Als ik dat werk vertaal, merk ik dat er een toon ontstaat waarmee een bepaalde afstand gecreëerd wordt. Dat vind ik heel mooi, het is iets wat ik in mijn eigen poëzie ook probeer.’ De dichters op wier poëzie ze in haar blog reageerde, zijn stuk voor stuk dichters met een heldere vertelstem, vrij toegankelijk op het eerste gezicht. Dat is volgens Marsman geen toeval: ‘Ik houd niet van poëzie die ook na tien keer lezen nog niet binnenkomt. Gedichten die ik mooi vind, zijn vaak opgebouwd uit elementen die houvast en herkenning bieden. Dat betekent niet dat zo’n gedicht als geheel meteen te begrijpen is. Ik vind het knap als een gedicht gelijkmatig en begrijpelijk overkomt en dat er dan een einde is waarin alles samenkomt. Het heeft veel met timing te maken, denk ik. Het is knap als je dingen op elkaar kunt laten volgen die niet per se iets met elkaar te maken hebben, maar die op een bepaalde manier toch hetzelfde opwekken.’

Zo schrijven, het is iets dat ze zelf ook nastreeft. ‘Maar dichten is ook gewoon hard werken, tenminste: ik moet er veel tijd voor uittrekken. Vaak schrijf ik op een hele avond onder de noemer van “ik blijf thuis, ik schrijf” nog geen drie regels. Maar ik ben vrij trouw en ik vind het erg om deadlines te missen. Als ik iets moet schrijven, dan komt het uiteindelijk wel. Dat klinkt een beetje onromantisch, maar dat is wel hoe het werkt voor mij.’

Ironie

Wat ik mijzelf graag voorhoud is een titel die de thematiek van haar debuutbundel aardig weergeeft, denkt Marsman. ‘Het vat samen hoe ik naar poëzie kijk. Het is een raar soort tegenstelling: mijn gedichten gaan voor een groot deel over dingen mooier laten lijken dan ze zijn, maar tegelijkertijd ben ik dat dan ook aan het doen: dingen mooi verwoorden die misschien helemaal niet mooi zijn. Die titel komt in zekere zin dus voort uit zelfspot. Niet omdat ik er zelf echt in geloof, want ik weet ook wel dat poëzie zo niet werkt, maar even vaak merk ik: ik werk wel zo. Het is een waarheid, ook al is het dan niet de hele.’
Dat is ook waar een van haar gedichten over gaat, ‘Ondertussen’:

‘Soms denk ik alleen maar dat ik
zo snel mogelijk een verhaal over een sneeuwlandschap
moet schrijven. Op maanschoenen tot het gras zakken
en lege lawines uitgraven. Als ik er opkijk ken ik
de namen van alle planten van buiten, over hen
zal ik zingen in dwarrelende tonen
totdat ze niet langer bedekt zijn. Flarden

van mijn huig laat ik achter
in de lucht, leeg mijn keel. Langzaam
verkreukelt mijn stem deze muren
van sneeuw totdat het tussen het blad
zo drassig wordt dat we er niet meer
kunnen lopen, traag

meestromen met de rotsen
en de muizen, de sparren en
velden, kapellen, de Mariabeelden
die hun altaar gebruiken als schip.

Ik zal zo hard zingen
dat het mos ontdooit.
 
Ik zal zo hard zingen
dat de berg smelt.

Ik zal zo hard zingen
dat er weer paarden kunnen verdrinken
in het moeras aan mijn voeten.’

Marsman: ‘Het is inderdaad niet voor niks dat ik hier als decor een leeg landschap kies, je zou het kunnen lezen als een soort poëticaal gedicht. Maar tegelijkertijd neem ik hier even afstand van mijn eigen poëzie. Het heeft namelijk iets nutteloos, een lyrisch gedicht over een landschap waarin niets te vinden is, waar niemand je hoort. Alsof ik tegen mezelf zeg: je kunt beter iets anders doen. Niet dat ik dat meen hoor, maar ik vind het wel leuk om het op die manier op te schrijven, om tegen mezelf te zeggen: “Je hebt geen idee. Je houdt jezelf voor de gek.” Dat is sowieso iets wat ik moeilijk vind: ik benader mijn eigen poëzie graag met ironie, maar ik moet uitkijken dat ik daar dan niet in doorsla.’

Het voelt voor Marsman sowieso nog wat onwennig, praten over haar poëtische standpunten. ‘Ik heb daar ook nog niet echt over nagedacht, ik denk dat een poëtica al schrijvende moet ontstaan. Ik zou mezelf ook niet serieus kunnen nemen als ik nu allerlei definitieve schrijfstandpunten aan zou dragen, want ik weet dat ik een dag later van standpunt veranderd zou zijn. En het is ook gewoon heel lastig om iets over poëzie te zeggen buiten de poëzie om: ik weet wel ongeveer wat ik dacht toen ik een bepaald gedicht schreef, maar ik kan niet meer van ieder woord de betekenis achterhalen, en of het op dat moment direct naar mijn eigen leven verwees. Sowieso gaat een gedicht van mij niet per se over mij. Het beginpunt van een gedicht ben ikzelf, maar ik vergroot dingen uit, schrijf over anderen vanuit mijn perspectief, en dan is het soms moeilijk om een grens te trekken tussen wat nog met mezelf te maken heeft en wat niet.’ Het is zelfs een van de ontwikkelingen die haar poëzie in de afgelopen jaren heeft doorgemaakt, denkt ze, dat de ‘ik’ niet altijd meer de belangrijkste is. Dat spreekt ze ook uit in haar bundel:

We zijn heel stil terwijl ik haast voor het eerst een gedicht schrijf
waarin ik niet begin met enkel 'ik' – in het gedicht is plaats voor
iemand anders. Hij is stil. Dan zegt hij dat onze lieve heer
vreemde kostgangers heeft en begrijp ik dit maar al te goed.
De stad, bijvoorbeeld, is als het ware een kind aan huis,
staat iedere ochtend voor mijn deur. De keuken van de heer
krijgt het nog druk vandaag, geeft schone borden aan de obers mee.
En ook de taal is vreemd wreed, zegt dingen als: wanneer je je
alleen voelt, kun je wachten tot je een ons weegt.

Marsman: ‘Ook dit was weer een manier om in mijn poëzie commentaar te leveren op de manier waarop ik poëzie schrijf. Al is “ik” gebruiken natuurlijk niet per se erg. Als het, in mijn geval, maar niet de “ik” is van vijf jaar geleden. Er staan een aantal gedichten in de bundel die op mijn eigen herinneringen zijn gebaseerd, gedichten waar ik overigens volkomen achter sta, maar in dit gedicht zegt de “ik” als het ware tegen zichzelf dat ze niet zo moet blijven hangen in haar eigen alledaagse belevingen.’

 

Betekenis

In zijn bespreking van het Tirade-nummer waarin Marsman debuteerde, tekende Arjan Peeters toen waarschuwend aan dat 'een wonderkind ouder wordt en de tijd genadeloos kan zijn'. Maar last van zenuwen voor haar aanstaande debuut heeft Marsman vooralsnog allerminst. ‘Het is niet zo dat ik niet bezig ben met de lezer. Ik wil heel graag dat mensen mijn bundel gaan lezen. Maar hoe hij ontvangen wordt, daar heb ik, als het eenmaal af is, toch geen invloed op. Als ik maar zorg dat ik zelf iets maak waar ik helemaal achter sta.’

Daarna wachten voor Marsman, die vorig jaar vanuit Zaltbommel naar Amsterdam verhuisde en nu Filosofie studeert in de hoofdstad, weer nieuwe uitdagingen. 'Ik wil blijven schrijven, blijven optreden en in de toekomst nog een bundel uitbrengen. Maar dat zijn dezelfde dromen als drie jaar geleden, daar verandert een debuut niet zoveel aan. Ook wil ik proberen om proza te schrijven. Ik doe dat al wel, maar heb het gevoel dat de discipline of concentratie me ervoor ontbreekt en dat ik vaak te veel in te korte tijd wil zeggen. Ik zou af moeten stappen van het idee dat ieder woord betekenis moet hebben.’

Uitgeverij Van Oorschot

MINDBOOKSATH : athenaeum