Leesfragment: Ik vervloek de rivier des tijds

27 november 2015 , door Per Petterson

22 maart verschijnt de nieuwe roman van Per Petterson, Ik vervloek de rivier des tijds, in de vertaling van Paula Stevens. Diezelfde dag gaat hij in gesprek met Kester Freriks in Spui25. Vanavond kunt u al de eerste pagina's lezen en uw exemplaar reserveren of bestellen.

Het is 1989, de Muur valt en de wereld is voorgoed veranderd. Arvid probeert in zijn bestaan krampachtig een nieuw houvast te vinden, een gevoel van geborgenheid, maar hij beseft dat hij de tijd door zijn vingers heeft laten glippen en dat het misschien wel te laat is …
Deze roman gaat over het zoeken naar een thuis, de wens je naasten te vertellen hoeveel je van ze houdt, en over de poging de persoon te worden die je wilt zijn. Een schitterend verhaal, prachtig verstild beschreven met zeer herkenbare thema’s, zoals de eenzaamheid in intieme relaties, de sterfelijkheid van ouders en het gevoel dat je leven je ontglipt. Een boek dat je raakt tot op het bot. Een boek ook met veel (zwarte) humor, zoals in de beschrijving van Arvids moeder, die als kettingrookster altijd bang was om longkanker te krijgen en zich boos maakt dat het uiteindelijk maagkanker is geworden.

[1]

Dit alles gebeurde een flink aantal jaren geleden. Mijn moeder voelde zich al een poosje beroerd. Om een einde te maken aan het gezeur van de mensen om haar heen die zich zorgen maakten, met name mijn broers en mijn vader, ging ze uiteindelijk naar de dokter waar ze altijd naartoe ging, waar mijn familie al sinds het begin der tijden naartoe ging. Hij moet toen ontzettend oud geweest zijn, want ik kan me niet herinneren dat we ooit niet naar hem toe waren gegaan, en ik kan me ook niet herinneren dat hij ooit jong was geweest. Ik ging zelf ook naar hem toe, al woonde ik tientallen kilometers verderop.
Na haar kort onderzocht te hebben, stuurde deze oude familiedokter haar meteen door naar het Akerziekenhuis voor verder onderzoek. Nadat ze een aantal misschien wel pijnlijke onderzoeken had ondergaan in witgeschilderde kamers of kamers die lichtgroen, appelgroen waren geverfd, in het grote ziekenhuis dat bij het Sinsenkruispunt lag, aan die kant van Oslo die ik graag als onze kant beschouwde, de oostkant dus, werd ze naar huis gestuurd met de mededeling dat ze twee weken op de uitslag moest wachten. Toen die eindelijk kwam, bleek ze maagkanker te hebben. Haar eerste reactie was: heb ik jarenlang’s nachts wakker gelegen, vooral toen de kinderen nog klein waren, doodsbang dat ik aan longkanker zou doodgaan, en dan krijg ik maagkanker. Wat zonde van de tijd!
Zo was mijn moeder. En ze was een roker, net als ik mijn hele volwassen leven al ben. Ik ken die nachtelijke toestand heel goed, als je verstijfd onder je dekbed in de duisternis ligt te staren, met droge, schrijnende ogen, en je voelt hoe het leven letterlijk naar as smaakt, ook al maakte ik me eigenlijk meer zorgen over mijn eigen leven dan over het feit dat mijn kinderen vaderloos zouden kunnen worden.
Ze bleef een poosje gewoon aan de keukentafel zitten, met de envelop in haar hand, en staarde door het raam naar hetzelfde grasveld, hetzelfde witgeverfde tuinhek, dezelfde droogrekken en dezelfde volkomen identieke grauwe rijtjeshuizen die ze al zoveel jaren zag en dacht wat ze al bijna evenveel jaren dacht, namelijk dat ze het hier eigenlijk helemaal niet naar haar zin had. Ze hield niet van al het graniet in dit land, hield niet van de dennenbossen en de hoogvlaktes, hield niet van de bergen. Ze kon de bergen niet zien, maar ze wist dat ze overal waren en dat ze elke dag hun stempel drukten op de mensen die in Noorwegen woonden.
Ze stond op, liep naar de gang en pleegde een telefoontje, hing na een kort gesprek op, liep terug en ging weer aan tafel zitten om op mijn vader te wachten. Mijn vader was allang met pensioen, zij werkte nog, was veertien jaar jonger dan hij, maar vandaag had ze vrij. Of ze had vrij genomen.
Mijn vader was veel weg, had altijd wel iets te doen, dingen waarvan mijn moeder zelden begreep wat ze inhielden en waarvan ze nooit enig resultaat had gezien, maar alle onenigheid die er ooit tussen hen had bestaan, was al lang geleden verstomd, er heerste nu wapenstilstand. Zolang hij niet probeerde haar leven te sturen, mocht hij ongestoord zíjn gang gaan. Tegenwoordig verdedigde en beschermde ze hem zelfs. Als ik iets kritisch zei, haar kant koos in een verkeerd begrepen poging de vrouwen te steunen, kreeg ik te horen dat ik me met mijn eigen zaken moest bemoeien. ‘Voor jou is het gemakkelijk om kritiek te hebben,’ zei ze, ‘jij hebt alles in de schoot geworpen gekregen. Kriel.’
Alsof mijn leven zo op rolletjes liep. Ik stevende in volle vaart af op een echtscheiding. Het was mijn eerste, ik dacht dat mijn leven ten einde was. Er waren dagen dat ik niet eens van de keuken naar de badkamer kon lopen zonder minstens één keer door mijn knieën te zakken voordat ik het weer kon opbrengen verder te gaan.

Toen mijn vader eindelijk thuiskwam van het project dat volgens hem op dat moment het dringendst was, waarschijnlijk iets in Vålerenga, de wijk waar hij oorspronkelijk vandaan kwam en waar ikzelf zeven jaar na de Oorlog was geboren, de plek waar hij vaak naartoe ging om met mannen van zijn eigen leeftijd en met dezelfde achtergrond te praten, de ‘oudeknarrenclub’, zoals het heette, zat mijn moeder nog steeds aan de keukentafel. Ze had nu een sigaret in haar mond, een Salem waarschijnlijk, of misschien een Cooly; er waren veel mentholsmaken voor wie bang was voor longkanker.
Mijn vader stond in de deuropening met in zijn hand een aftandse tas die veel leek op de tas die ik in de zesde en zevende klas gebruikte, iedereen had toen zo’n tas, misschien was het hem wel, wie weet. Dat zou dan betekenen dat die tas op dat moment meer dan vijfentwintig jaar oud was.
‘Ik ga vandaag op reis’, zei mijn moeder.
‘Waarheen?’ vroeg mijn vader.
‘Naar huis.’
‘Naar huis’, zei hij. ‘Vandaag? Moeten we daar niet eerst over praten? Ik moet toch tijd hebben om daar even over na te denken?’
‘Er valt niks te praten’, zei mijn moeder. ‘Ik heb mijn ticket al besteld. Ik heb net een brief van het ziekenhuis gekregen. Ik heb kanker.’
‘Heb je kanker?’
‘Ja. Ik heb maagkanker. Dus moet ik even naar huis.’
Ze zei nog steeds ‘naar huis’ als ze het over Denemarken had, met name over het plaatsje waar ze vandaan kwam, helemaal in het noorden van dat kleine land, hoewel ze nu al bijna op de kop af veertig jaar in Noorwegen, in Oslo woonde.
‘Maar, wil je dan alleen gaan?’ vroeg hij.
‘Ja,’ zei mijn moeder, ‘dat wil ik’, en ze wist dat mijn vader zich gekwetst en teleurgesteld voelde als ze dat zo zei, en dat deed haar geen genoegen, integendeel, hij heeft beter verdiend, dacht ze, na zo’n lang leven, maar ze voelde dat ze geen keus had. Ze moest alleen gaan.
‘Ik blijf waarschijnlijk niet lang weg’, zei ze. ‘Een paar dagen maar, dan kom ik weer terug. Ik moet tenslotte naar het ziekenhuis. Ze zullen me wel opereren. Dat hoop ik tenminste. Hoe dan ook, ik neem vanavond de boot.’
Ze keek op haar horloge.
‘Dat wil zeggen, over drie uur. Ik kan maar beter naar boven gaan om te pakken.’
Ze woonden in een rijtjeshuis met de keuken en de woonkamer op de begane grond en drie slaapkamertjes en een piepkleine badkamer boven. Ik ben opgegroeid in dat huis. Ik kende elke rimpel in het tapijt, elke kier in de vloer, elke angstaanjagende hoek van de kelder. Het was een Selvaaghuis, een houten prefabwoning. Als je hard genoeg tegen de wand schopte, kwam je voet bij de buurman uit.
Ze drukte haar sigaret uit in de asbak op tafel en stond op. Mijn vader had zich niet bewogen, stond nog in de deuropening met de tas in zijn ene hand. Met de andere maakte hij een vaag, onzeker gebaar in haar richting. Hij was nooit een held geweest wat fysiek contact betrof, althans, niet buiten de boksring, en het was waarschijnlijk ook niet haar sterkste kant, maar nu schoof ze mijn vader voorzichtig, bijna teder opzij zodat ze erlangs kon.
Hij liet haar begaan, maar met zo veel tegenzin, met zo veel weerstand en zo langzaam dat ze begreep dat hij haar iets tastbaars wilde geven, een teken, zonder dat onder woorden te hoeven brengen. Maar dat is nu te laat, zei ze bij zichzelf, dat is veel te laat, zei ze, maar hij hoorde haar niet. Toch liet ze zich gewillig zo lang door mijn vader tegenhouden, dat hij begreep dat er na veertig jaar huwelijk en vier zonen, ook al was een van hen al dood, nog zo veel tussen hen was dat ze zich in hetzelfde huis, in dezelfde woning konden bevinden en op elkaar konden zitten wachten in plaats van gewoon halsoverkop te vertrekken, als er iets belangrijks was gebeurd.

[...]

Copyright © Per Petterson
Copyright © vertaling Paula Stevens en Uitgeverij De Geus
Copyright © foto ANP / Roald Berit

Uitgeverij De Geus

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum