Leesfragment: In wonderland

27 november 2015 , door Christine Otten

Op 8 januari 2010 verschijnt In wonderland, de nieuwe roman van Christine Otten, bij Uitgeverij Atlas. Het is het verhaal van een jong echtpaar dat verdacht wordt van betrokkenheid bij terroristische aanslagen. In wonderland is geïnspireerd op persoonlijke ervaringen van de auteur, die in het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw (tegen haar zin en ten onrechte) betrokken raakte bij de zogenaamde RaRa-zaak, toen twee journalisten verdacht werden van betrokkenheid bij RaRa. RaRa pleegde aanslagen op o.a. het huis van staatssecretaris Kosto en het Ministerie van Sociale Zaken, uit protest tegen het vreemdelingenbeleid van de regering. In wonderland is een fictief verhaal, dat zich voor het grootste deel in het heden afspeelt.

Vanavond kunt u de proloog lezen en het boek vast reserveren.

Proloog

Augustus 1994
In de verte zag hij het hoofd van zijn vrouw als een speldenprik opduiken uit het witte schuim. Ze riep iets, maar haar woorden losten op in het geraas van de golven.
Het was een uur of vijf in de middag. Ze waren in een baai niet ver van hun vakantiehuis in Mumbles aan de kust van Zuid-Wales. Hij keek uit over het brede strand, de donkergrijze rotspartijen die als vriendelijke reuzen uit het water opdoemden, de glinsterende zee, de lucht, waterig blauw, doorschijnend, naar de horizon toe oranje roze indigo. Het landschap was gehuld in mistige lome sluimer. Alsof God een laagje zijde over de aarde had gelegd.
Hij wilde zijn hand opsteken en zwaaien maar zijn vrouw was alweer uit zijn blikveld verdwenen. Ze was een vis.
Het kon haar niet schelen dat het water ijskoud was.

Herman Catz staart naar de woorden op zijn beeldscherm. Ongemerkt is het donker geworden in zijn werkkamer. Hij knipt de bureaulamp aan en leest voor de zoveelste keer: Augustus 1994 In de verte zag hij het hoofd van zijn vrouw als een speldenprik opduiken… Stop. Zijn kop bonkt. Zijn nek en schouders voelen als steen. Hij staat op, beent door de kamer en gaat weer zitten. Het is over twaalven. Hij zou allang thuis moeten zijn. De hele week al is hij niet voor twee uur ’s nachts thuis. Hij brengt zijn avonden door achter zijn computer in zijn glazen kantoor dat aan drie kanten uitkijkt over het water van het IJ. Het water ruikt naar staal. Door de kieren van de glazen wanden kruipt de lucht het kantoor binnen, doet hem in de verte aan de zee denken, aan die week in augustus 1994.
En toch lukt het hem niet om aan het simpele verzoek van de filmregisseur te voldoen. Schrijf op hoe en waar en wanneer het allemaal begon, je persoonlijke herinneringen, in je eigen woorden. De feiten kon de filmmaker zelf wel nazoeken in de politiedossiers en de verslagen van de advocaten, de artikelen die destijds in alle kranten en weekbladen waren verschenen. ‘Het is belangwekkend dat deze film er komt,’ had de man gezegd en Herman kon het alleen maar beamen. ‘Zeker in het licht van wat er nu gebeurt met terrorismeverdachten. Ik bedoel, toen was justitie eigenlijk nog vriendelijk.’
‘Vriendelijk?’ Herman kende het werk van de filmmaker, de sfeervolle lowbudgetdocumentaires over mensen en landschappen in vervallen industriegebieden in Europa. De Borinage, de mijnwerkers in Yorkshire, de steenfabrieken in Brabant. Hij had er belangrijke prijzen mee gewonnen. Nu wilde hij een speelfilm maken. Over Hermans zaak.
‘Vriendelijk, zei je,’ herhaalde Herman toen de filmregisseur niet reageerde.
‘Je begrijpt wel wat ik bedoel.’
‘Het had nog erger gekund?’
‘Ja. Daarom is deze film zo belangrijk. Jij en ik kunnen een belangrijk politiek statement maken. Jouw verhaal moet een keer goed verteld worden.’
Toen de regisseur voorstelde om, ter voorbereiding van het scenario, Herman uitgebreid te interviewen, in een paar sessies, zodat hij een beter beeld kreeg van de persoonlijke gevolgen van de affaire voor Herman en zijn gezin, zodat hij, met andere woorden, in Hermans huid kon kruipen en door zijn ogen leerde kijken, had Herman meteen voorgesteld het verhaal op te schrijven in plaats van te vertellen. Vertellen ging hem veel te snel. Eerst zelf eens kijken, dacht hij.
‘Wat je wilt,’ zei de regisseur. ‘Maar je moet me wel vertrouwen. Anders is het project gedoemd tot mislukken.’

Nu zit hij al zes avonden achter elkaar te schrijven. Of in ieder geval, hij zit achter zijn beeldscherm en probeert te beginnen bij het begin, de zomer van 1994, de vakantie in Zuid-Wales, het strand bij Three Cliffs Bay, het zinderende mistige licht, het kasteel boven op de heuvel, de plotselinge warmte wanneer om een uur of drie de zon ineens door de wolken breekt, de leegte van het landschap; hij en zijn vrouw zijn iedere middag de enige mensen op het uitgestrekte gele zandstrand, alsof ze de eerste mensen op aarde zijn, zo voelt het, hij leunt tegen een rots, met zijn vinger volgt hij de scherpe contouren van het steen, ziet de eindeloze schakeringen rood bruin groen geel paars grijs die als jaarringen van een boom zijn. Alsof hij de tijd zelf aanraakt.
‘Kom nou, Herman,’ hoort hij Caroline vanuit het water roepen. ‘Je bent er zo door. Kom nou. Het is geweldig. Stel je niet zo aan.’
Hij schudt van nee. Lacht naar haar. Van een afstand lijkt ze een jongen. Smalle heupen, kleine borsten, brede schouders, kortgeknipt zwart krulhaar. Weg is ze. Verdwenen in de branding. Hoe langer hij nadenkt over die vakantie, nu veertien jaar geleden, hoe minder de filmmaker met zijn filmplan hem kan schelen. Hij zoekt iets. Alsof er een of ander geheim verborgen ligt in zijn herinneringen aan die week in Zuid-Wales, alsof hij iets belangrijks over het hoofd ziet, vergeten is.
De muren in hun huisje waren wel veertig centimeter dik, de plafonds zo laag dat hij de hele tijd moest bukken. De bbc herhaalde iedere avond een oude Supermanfilm met Christopher Reeve in de hoofdrol. Ze zaten op de verschoten groene bank voor de televisie en dronken whisky. Caroline nipte van haar glas. Kroop tegen hem aan.
‘Je wilt toch een kind?’
‘Ik denk het.’
‘Dylan. Dat betekent zoon van de zee in het Welsh. Zo noemen we hem. Ik wil dat deze plek doorklinkt in zijn naam. De schoonheid. Het zal hem geluk brengen. Wist je dat Dylan Thomas hier vandaan komt, de dichter, uit Swansea…’
‘Je bent nog niet eens zwanger.’
‘Straks wel. Morgen, overmorgen.’
‘En als het een meisje wordt?’
Ze schoot in de lach. Nestelde zich dieper in de bank en staarde gebiologeerd naar de tv, alsof ze alweer vergeten was wat voor belangrijks ze daarnet had gezegd.
Soms ergerde die kwikzilverachtigheid van zijn vrouw hem, dat van de hak op de tak springen in haar gedachten en gedrag, waardoor hij zich een soort jojo voelde, maar nu niet.
Hij herinnert zich vooral de stilte. Een diepe, droge stilte die hij met de woestijn associeert, of met sneeuw, maar niet met een schiereiland aan de kust van Wales. Hij staat boven op een heuvel, hij is van zijn mountainbike afgestapt om naar het landschap te kijken, de bossen op de heuvels in de verte doen hem aan broccoli denken. Hij hoort niets, zelfs de zee niet, het geruis van de golven dat hij vanochtend, direct na het ontwaken, verwarde met het geluid van auto’s op een snelweg. Het is bijna alsof hij doof is. Het is bloedheet. Hij kijkt over een veld met koren, knijpt zijn ogen dicht en kijkt door zijn oogharen. Alles is geel, goud. De glinstering van de zon schittert op zijn netvlies. Als in een reflex houdt hij zijn adem in. Geen gedachten. Hij ziet hoe het koren zacht buigt in de wind, hoort het, het enige geluid dat tot hem doordringt.
Ze wisten van niets. Dat niet-weten was hun redding geweest. Anders hadden ze Zoe nooit verwekt.
Herman leunt achterover in zijn bureaustoel. Masseert de pijnlijke spieren in zijn nek. Toch zit juist dat nietweten hem dwars. Alsof zijn herinneringen niet kloppen. Alsof hun geluk, dat zich destijds als een roerloze zekerheid in zijn binnenste nestelde, ongeveer op hetzelfde moment dat hun cellen met elkaar versmolten, niet meer dan een grap was. Alsof zelfs het landschap, de natuur, de schoonheid ervan, in stilte tegen hem samenspande. Het was een decor om hem te misleiden, af te leiden, terwijl in werkelijkheid de voorbereidingen voor zijn val in volle gang waren. Hun telefoons werden al maanden afgetapt. Waarschijnlijk wist justitie precies waar ze op vakantie waren.
‘Waar denk je aan?’ Ze lagen in bed, op de dikke matras in de slaapkamer van hun vakantiehuisje.
‘Nergens aan.’
‘Je liegt. Je denkt altijd wel ergens aan.’
‘Zie je mij als vader?’
‘Waarom niet?’
‘Ik weet niet. Ik kan me gewoon geen voorstelling maken van hoe het is, vader zijn.’
‘Hoeft ook niet.’
‘Ik keek vroeger altijd naar vaders van vriendjes. Vanaf het moment dat mijn vader dat ongeluk kreeg. Ik bedoel, ik heb niet echt een voorbeeld gehad, ik was zo’n beetje mijn eigen vader. Hoe moet ik weten wat ik straks moet doen, hoe ik me moet gedragen? Moet ik streng zijn? Een maatje? Misschien moeten we met ons tweeën blijven, Caroline, misschien is dat veiliger. We hebben het toch goed?’
‘Herman toch,’ fluisterde ze liefkozend. ‘Kom hier.’
Hij rolde naar haar toe, duwde haar t-shirt omhoog en kuste haar buik. ‘Hou je van me?’
‘Ik wil een kind van je.’
‘Ik wil dat je zegt dat je van me houdt.’
Lachend duwde ze hem van zich af, sprong overeind en ging boven op hem zitten. Keek hem recht aan. ‘Eerst een kind.’

[...]

© 2010 Christine Otten

Uitgeverij Atlas

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum