Leesfragment: Jonge schrijversavond

| | | |

Maak 17 december kennis met de literatuur van de toekomst. Korte verhalen, gedichten, columns en Q&A's met acht jonge auteurs: Thijs de Boer, Anna Drijver, Iris Koppe, Olga Kortz, Ernst-Jan Pfauth, Sterre van Rossem, Martijn Simons en Rachel Visscher. De presentatie is in handen van schrijver Maurice Seleky.

Vanavond bij Athenaeum: een proeve van de bundels en romans van Thijs de Boer, Sterre van Rossem, Martijn Simons en Rachel Visser. Van die laatste verschijnt de roman pas medio januari.

Plaats: CREA Theater
Toegang: gratis voor studenten, € 5,- alle anderen
Reserveren: 020 525 1400.

Foto's, van boven naar onder: Thijs de Boer (© Jikke van Loon), Martijn Simons (© Giuliyani), Sterre van Rossem (© Bob Bronshoff)

De boekverkoper

Sterre van Rossem, uit Een smaak van liefde

‘Meneer! Nee! Laat liggen!’
Ik stond verbluft met het in leer gebonden boekje in mijn handen toe te kijken hoe een kleine man zich van zijn stoel achter het grote mahoniehouten bureau liet glijden en zich een weg baande door de stapels met oude boeken. Sommige van die stapels stegen een halve meter boven hem uit. De kleine man rende op me af en rukte het boekje uit mijn handen. Ik keek van mijn lege handen neer op zijn gelige schedel. Hij had zijn weinige zwarte haar spiegelglad op zijn hoofd geplakt. Hij drukte met zijn ene hand het boekje tegen zijn morsige geruite hemd en duwde met zijn andere hand in een routineus gebaar zijn veel te grote bril wat omhoog.
‘Dit boekje mag onder geen beding worden ingekeken, meneer! Het móet daar liggen, maar mag niet worden ingekeken.’
Hij sprak met een typische platgeslagen r, alsof zijn tong te lui was om te rollen en liever tegen zijn verhemelte bleef leunen. Iets wat in vreemd contrast stond met de drukke energie waarmee hij nu ziedend voor mij stond. ‘Kunt u misschien niet lezen?’ Met een uitgestrekte arm en een trillende vinger wees hij op een piepklein vergeeld kaartje dat onder de standaard hing waar het boekje op had gestaan.
Ik bukte me en herkende hetzelfde kinderlijke handschrift van de sticker op de voorruit. no touch stond er. De boekverkoper, een kleine Chinese man, nam me met smeulende ogen in stilte op. Zijn ogen leken alleen uit pupil te bestaan, zo klein en donker waren ze. Ik voelde me uiterst ongemakkelijk en stak mijn handen verontschuldigend de lucht in.
Sinds de twee jaar dat ik in deze buurt woon, loop ik iedere zondagochtend van mijn huis naar de Pakistaan op de hoek voor koffie, zoete broodjes en de krant. Afhankelijk van de nacht ervoor, en wie er bij me in mijn bed is geëindigd, haal ik twee koffie en meer zoete broodjes, en dan vaak ook een pakje sigaretten. Mijn buurt is stil en sloom op zondag, en het ritueel naar de Pakistaan heeft me vanaf het begin met diepe tevredenheid weten te vullen. Hoewel ik de route voor mijn wandeling altijd op exact dezelfde manier kies, was het vergeelde uithangbord van de boekwinkel, dat ik nu op de terugweg ontdekte, me nooit eerder opgevallen. Het bord las: tweedehands boeken, alles in de uitverkoop.
Ik was niet werkelijk van plan geweest binnen te stappen. Zelfs de vriendelijk openstaande deur, of de verleidelijke geur van oude boeken die de straat in dreef, waren niet voldoende om me over te halen naar binnen te gaan. Ik voelde een vreemde drang om door te lopen. Toch was er ook iets wat me enorm fascineerde, en ik besloot in de zon voor de winkel mijn koffie op te drinken en vanaf de stoep de winkel te bekijken.
Het was de provisorische sticker op het raam – waar mijn oog onbewust op was gevallen – die ik uiteindelijk niet kon weerstaan. De sticker liet me in sierlijke, halfvergane letters weten dat ‘iedere Jan of Pieter extra korting’ kreeg. Daaronder had iemand in een kinderlijk handschrift geschreven: ‘vooral op biogemische naslagwerken’. ‘Biochemisch’ was verkeerd gespeld. Ik leegde mijn beker koffie, en alsof ik niet betrapt wilde worden had ik om me heen gekeken voordat ik de winkel binnenstapte.

[...]

© 2010 Sterre van Rossem

Het kleine ding

Thijs de Boer, uit Vogels die vlees eten

Soms liep ik over de straten met de baby hangend op mijn buik en dan legde ik mijn rechterhand op het hoofdje van het kleine ding en raakte ik de zachte plek aan boven op het kleine hoofd. Met mijn vingers ging ik dan over de plek heen en weer en voelde waar de schedel eindigde en het gat begon. En dan, op van die momenten dat ik gewoon even helemaal geen gedachten had en even helemaal niets voelde, hield ik mijn vingers stil boven op de zachte plek en duwde ik er zachtjes op. En daarna duwde ik er weer op, maar dan net iets harder. En daarna weer, harder weer, totdat ik van mezelf schrok.

Ik volgde een vrouw met een kinderwagen. Ze was langs me gelopen in het park. Ze zag de baby hangend voor mijn buik en ze had geglimlacht en me gegroet zoals mensen elkaar groeten als ze zien dat ze iets gemeen hebben. Ze was iets ouder dan ik. Ze had al wat lijnen in haar gezicht. Ze had de leeftijd van mensen die eerst een leven hebben opgebouwd voordat ze ervoor kiezen om kinderen te krijgen. Het was zomer en de zon was net onder, maar de lucht was nog warm. En ik volgde haar het park uit, een woonwijk in.
Ik wilde mijn leven beteren voor het kleine ding en ik was clean. Behalve wanneer ik af en toe wat pijnstillers nam om de laatste ontwenningsverschijnselen tegen te gaan. Ook trilden mijn handen soms nog en ik had pukkels gekregen in mijn gezicht en op de onderkant van mijn bovenarmen. En sinds ik gestopt was bloedde mijn neus een paar keer per dag. Maar ondanks dat alles voelde ik mijn lichaam elke dag een beetje sterker worden. Maar ook voelde ik elke dag weer meer en meer al die lege gaten in mij, waarvan ik vergeten was dat ik ze had.
Het was die avond rustig op straat. En ik ging wat verder achter haar lopen omdat de straatlantaarns aangingen. Geen enkele keer keek ze om. Ze was een silhouet in de verte die bij elke lantaarn even een kleur leek te krijgen. Totdat ze opeens de straat overstak en naar een huis toe liep en de voordeur opende. En toen de lichten binnen aangingen dacht ik heel even dat ik haar leven begreep. Het huis was vrijstaand, maar niet heel groot. Het was van hout en witgeschilderd. Ik dacht dat ze er best alleen zou kunnen wonen. De tuin was bijna alleen maar gazon en het gras liep vanaf de voorkant via de zijkanten naar achteren. Aan beide zijden van het huis stond een schutting. En door het zien van al die huiselijkheid verlangde ik ernaar om ergens binnen te zijn en even dacht ik erover om weer terug naar huis te gaan. Maar het was ver lopen en de baby op mijn buik sliep nog en ik had geen verse melk meer, ook thuis niet, behalve de halve fles in mijn jaszak. En het was al donker en de gedachte om het kleine ding iets anders te geven dan echte moedermelk maakte me misselijk en ik besloot te wachten en hoopte dat de vrouw vroeg naar bed zou gaan. Om daarna zoals bijna elke avond eerst het kleine ding nog wat eten te geven zodat het zeker stil bleef en om daarna in te breken en te hopen op echte moedermelk in de koelkast. En elke keer voelde het als wijwater stelen uit een kerk. Maar wanneer we weer thuis waren in mijn kleine eenkamerwoning en ik de melk had opgewarmd en het kleine ding die echte moedermelk in mijn armen begon te drinken, voelde dat echt geweldig. Het voelde alsof alle mensen die dood waren en die ooit van me hadden gehouden voor heel even niet vanuit de hemel naar me keken en zich voor me schaamden.
Ik was eerst nog doorgelopen de straat uit, maar keerde om en liep terug naar het huis. En ik kon nergens echt goed onopvallend wachten. Ik keek om me heen of niemand me zag en ik wilde om het huis heen lopen naar de achtertuin om daar te wachten totdat de vrouw zou gaan slapen. Ik liep naar de zijkant van het huis en een raam verlichtte een deel van het gras. In het donker liep ik naar het verlichte gras en toen ik vlak bij het raam was zat de vrouw daar achter het raam op een stoel en haar baby lag in haar armen. Een van haar borsten was bloot en haar baby dronk eruit.
Ze zat daar en ik keek naar haar. Haar gezicht was vriendelijk. Haar blote borst was groot en leek een beetje te hangen. De tepel was ook groot en onder haar huid kon je een blauwe ader over haar borst zien lopen. Het was spannend om zo naar haar te kijken. Ik voelde me uitgekozen. Ze had iets maagdelijks, ondanks het bewijs van seks in haar armen. Ze staarde voor zich uit, naar de grond voor haar voeten, en ze dacht aan iets heel ver weg. Ik fantaseerde dat ze aan mij dacht. De belofte mij te ontmoeten. En ik wilde ook haar andere borst zien. Ik wilde haar baby ook uit de andere borst zien drinken. Ik wilde haar naakt zien. Ik wilde dat ze daar met beide borsten ontbloot zou zitten en haar baby zou voeden en het voelde allemaal zo voorbestemd dat ik zelfs even de gedachte had om uit het donker te komen en op het raam te kloppen en aan haar te vragen of ze zich wilde uitkleden. En het voelde alsof ze dat niet eens raar zou hebben gevonden en het misschien wel gewoon voor me zou hebben gedaan. Misschien wachtte ze er zelfs op. Ik voelde me eenzaam en fantastisch.
Het was bijna hetzelfde gevoel als toen ik voor het eerst het kleine ding zag. Ik weet nog dat ik het zag liggen en dacht: waarom worden zulke mooie dingen nog gemaakt in deze tijden, vlak voordat de wereld vergaat? Ik zag het en opeens was de toekomst niet zo’n donkere en duistere plek meer. En ik dacht: dit kleine ding kan me redden. Het had diezelfde hoop over zich als wakker worden na een drugs- en alcoholgolf van enkele dagen. Dat moment dat je wakker wordt en in heel je lichaam die overwinning voelt dat je nog leeft en dat er dan dat hele korte moment is dat je denkt dat je misschien – heel misschien – iemand anders bent geworden. En diezelfde nacht vertrok ik met het kleine ding naar een andere stad. En ik weet ook wel dat ik weinig goede eigenschappen heb, maar ik ben toch nog altijd wel trots op hoe makkelijk ik altijd alles achter me kan laten en naar een nieuwe plek kan gaan.

[...]

© Thijs de Boer 2010

1

Martijn Simons, uit Zomerslaap

De molen stond op een heuvel midden in het dorp. De wieken bewogen niet en de vlag boven de ingang hing recht naar beneden. Geen zuchtje wind. Er liep een kronkelpad met ongelijke stenen naartoe, ze glommen in de zon. Toen ik er bijna was, stapte ik in een stuk kauwgom, kleverig en zacht. Je kon de lucht boven de huizen in de verte zien trillen.
In de hal, bij de ingang van het restaurant, hing een banier. hulde aan het zilveren bruidspaar. Wie zou het ding zo scheef hebben opgehangen?
Ik was hier één keer eerder geweest, om een lijst met bestellingen die mijn moeder had ingevuld af te geven. Er stonden namen van gerechten op en hoeveelheden, en onderaan stond de prijs. Goed voor een paar maanden kamerhuur in de stad. Had ik helemaal niet, een kamer, en in de stad was ik nog niet eens geweest. Over een paar weken zou ik gaan, dan was de introductie. Ik ademde diep in en duwde de zware deur open.
Binnen rook het precies zoals ik me van de vorige keer herinnerde, muf en naar stro, maar nu vermengd met een walm van etensgeuren uit de keuken. Aan het plafond hing een koelinstallatie die een zacht zoemend geluid maakte, maar het apparaat leek niet te functioneren.
Aan de muren van het restaurant hingen antieke keukenattributen, koperen pannen waarin ik mezelf weerspiegeld zag. Lepels in alle soorten en maten en een schuimspaan. Op iedere tafel stond een bloemstukje.

Mijn moeder liep met korte passen door de ruimte, de warmte leek haar niet te raken. Ze had haar haar opgestoken en het stond haar goed, ik wilde er wel met mijn hand doorheen, maar dan zou ze vast boos worden. Ze droeg een donker jurkje dat haar jong maakte, en ze had felrode lippenstift op. Haar hakken klikten op de tegels.
De koffiekopjes stonden in hoge stapels op een tafel. Op elk schoteltje lag een chocolaatje, die waren natuurlijk allang gesmolten.
Mijn broertje droeg een pak, zwart, waarvan het jasje getailleerd was en de broek smalle pijpen had. Hij had een roze overhemd aan en zag er ouder uit dan zestien, met dat gemillimeterde haar en die bruine kop van weken achter elkaar op het grasveld van het zwembad liggen. Je zou vast niet zeggen dat ik een jaar ouder was.
Hoe hij daar stond, met zijn handen in zijn zakken, te kijken naar de bediening. Alle drie waren ze even blond, de dochters van de gastvrouw, en ze droegen een schort met een geborduurde molen erop. De gastvrouw was ook blond, maar geverfd, dat zag ik toen ze zich bukte en je haar kruin kon zien. Ik zuchtte.
‘Aardig tegen iedereen doen, hè?’ Mijn moeder liep langs zonder me aan te kijken. Ze was bruin geworden, haar ogen en haar en huid leken haast dezelfde kleur te hebben, maar dan niet zoals bij die ordinaire vrouwen die je zo vaak op het strand zag. Het was meer alsof ze altijd al zo was geweest.
Aan de bar stond mijn vader met de gastvrouw te praten, hij zag er netjes uit, maar zijn schouders hingen. Toen ik vanochtend de huiskamer in liep, was mijn moeder bezig zijn schoenen te poetsen. Mijn vader had zijn voet op een houten krukje gezet en mijn moeder wreef met een oude doek een dot schoensmeer op het leer, ze haalde met snelle bewegingen een borstel over de punt van de schoen. Ik hoorde ze praten over mijn grootmoeder, mijn vader was eerder op de ochtend nog in het ziekenhuis geweest. ‘Ik zou het liefst het hele feest afblazen als dat nog zou kunnen,’ zei hij, en legde een hand op haar schouder. Ik zag dat die hand daar even bleef liggen. Toen trok mijn moeder haar schouder weg en zei: ‘Andere voet.’ Mijn vader zette zijn andere voet hard op het krukje, mijn moeder keek hem even aan en trok een wenkbrauw op. Ineens schopte hij het doosje met schoensmeer weg, het schoof over het parket en knalde tegen een plint. ‘Ik doe het zelf wel,’ zei hij.

[...]

Copyright © 2010 Martijn Simons

De hemel

Rachel Visscher, uit Zwarte dauw, dat 16 januari 2010 verschijnt

De baretjes op de hoofden van de tweeling zijn wit. Hun laarsjes zijn wit, net als hun rokken en hun vesten. Alles is wit en schoon. Op hun schoot liggen bijbeltjes, aandachtig luisteren de meisjes naar het Woord.
Esther en Jannegje van Velden zijn een eeneiige tweeling. De meisjes zitten in de vierde klas. Iedere dag moeten ze driekwartier fietsen naar de reformatorische middelbare school in een andere plaats.
School dient eigenlijk nergens voor. Later willen Esther en Jannegje moeder worden. Leren heb je daar niet voor nodig. Een goede man, dat is belangrijk. Voor die man moet je lief zijn en goed zorgen. Een goede moeder moet je ook zijn voor de kinderen die daarna komen.
Vanachter de spreekstoel loert de dominee naar de gemeente. Zijn stem klinkt bars. ‘De wereld lacht, zingt, geniet,’ zegt hij, ‘maar het is verkeerd. De mensen die leven zonder God zullen verbrand worden. Wie een vriend van de wereld is, is een vijand van God. Oh gemeente, luister toch.’
De tweeling slikt. Nerveus schuift Jannegje het baretje rechter op haar hoofd. De wereld trekt, ook aan haar. Laatst nog werd ze verleid in het postkantoor. Ze kwam er om een christelijke krant te kopen, maar haar hart ging algauw uit naar modeblaadjes. Ze liep langs de schrappen vol tijdschriften en kon haar ogen niet van de glimmende blaadjes losmaken. De vrouwen op de foto’s droegen mooie jurken met ontwerpen die ze nog nooit in een gereformeerde kledingwinkel had gezien. Verlangend had ze ernaar gekeken. Ze stelde zich voor dat ze net als de vrouwen op de foto haar lichaam soepel voor een camera bewoog. Vlug duwde ze die gedachten weer van zich af. Dat ze zich zoiets voorstelt is eigenlijk nog zotter dan naar tijdschriften kijken.
Esther bladert in haar bijbeltje. Verschrikt kijkt Jannegje op. Ze let weer eens niet op. Ze spiekt bij haar zuster waar ze zijn: Johannes 21 vers 7. Razendsnel zoekt ze de juiste pagina’s op.
In de kerk rijst de stem van de dominee. Hij zegt: ‘Jezus ging met Zijn discipelen naar de zee van Tiberias. In de nacht gingen ze vissen, uitgerekend in de nacht. Het was stikdonker op zee en de discipelen vingen niets. Ze wisten hoe het kwam, de netten waren verkeerd geworpen. Nogmaals wierpen ze de netten en vroegen Hem om de vissen toe te laten stromen. Die vissen zijn het geloof. Zo moeten wij als gemeente ook zijn. Wij moeten Jezus vragen om een visje uit de zee. Dat visje is heerlijk. Het is toespijs, een kruimeltje geloof.’
Jannegje knikt. Dat kruimeltje, daar gaat het om. Zelf zou ze willen dat ze vuriger geloofde, maar het is moeilijk. Ze kijkt naar haar zus, die begerig naar de dominee luistert. Esther is serieuzer als het om het geloof gaat. Jannegje gaat rechtop zitten. Ze zou net als Esther willen zijn. Toegewijd en gefocust, precies zoals het hoort.
De stem van de dominee wordt luider. Jannegje weet wat er nu gaat komen. Het is tijd voor de donderpreek. De dominee haalt met harde stem uit naar de ongelovigen, de domoren die niets willen weten van schuld en zonde. Jannegje kijkt uit de smalle ramen van de kerk. Opnieuw denkt ze aan de modeblaadjes in het postkantoor. In gedachten ziet ze de modellen met hun flinterdunne rokjes, mooie meisjes die wandelen op exotische stranden. In hun handen houden ze drankjes waar parasolletjes ingestoken zijn. Mannen met gewelfde buiken slaan hun armen om de meisjes heen, lachen verleidelijk. Jannegje zucht, naast haar geeft Esther haar een por. ‘Psalm 43,’ fluistert ze.
Vlug bladert Jannegje door haar bijbel. Als ze later in de hemel mag komen, dan hoopt ze dat het er daar uitziet als in die tijdschriften op het postkantoor.

© Rachel Visscher

Uitgeverij Prometheus
Uitgeverij Nieuw Amsterdam
Uitgeverij Augustus
Uitgeverij De Bezige Bij

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum