Leesfragment: KortVerhaal

27 november 2015 , door Philip Snijder, L.H. Wiener e.a.
| | | | | | | | | | | | | | | | |

25 maart verschijnt het nieuwe tijdschrift KortVerhaal, de opvolger van De Tweede Ronde, met verhalen van T.C. Boyle, Hugo Brandt Corstius, Raymond Carver, John Cheever, Anton Dautzenberg, Inez van Eijk, Jonathan Safran Foer, debutante Mariska Hammerstein, Willem Jardin, Carson McCullers, Philip Snijder, A.L. Snijders, James Thurber, Thomas Verbogt en L.H. Wiener, en poëzie van Charles Bukowski. Vanavond kunt u al het verhaal van Philip Snijder, 'De genezing', en een eerste deel van L.H. Wieners bijdrage, 'Compulatio', lezen, en uw exemplaar reserveren of bestellen.

De genezing

Philip Snijder

Weer of geen weer, altijd stonden tegen de gevel buiten, als vreemdsoortige paleiswachten in een slordig gelid, schouder aan schouder de hasjdealers. Geen decimeter als handelsplek te gebruiken muur van het blokvormige gebouw lieten ze onbenut. Hun klanten schuifelden als schichtige prostituanten langs ze heen, stelden binnensmonds korte vragen, tuurden even snel naar wat een halfopen hand toonde achter het naar voren gehouden pand van een Afghaanse bontjas. Alles verliep hier in collectief gerespecteerde heimelijkheid. Niet zozeer omdat het gevaar van een onverwachte razzia van de allang blasé geworden Amsterdamse politie reëel was. Meer omdat de transacties die hier beklonken werden door een dergelijke sfeer een sluier van romantiek en verboden decadentie omgelegd kregen - wat voor veel klanten waarschijnlijk opwindender was dan de consumptie van de aangekochte handelswaar erna.
Een paar maanden geleden, bij een van mijn eerste bezoeken aan Paradiso, had ook ík me met gejaagd pompend hart in die langzaam voortkruipende rij van marktbezoekers gewaagd. Na de samen met mijn grotere neef bij het open raam van zijn zolderkamer opgedane ervaringen met nederwiet - voorzichtig getrek aan wat hoofdzakelijk een leeg vloeitje was -, moest dit mijn eerste officiële drugsdeal worden. Honend werd ik weggestuurd door de bebaarde Amerikaan met leren hoed en wollen poncho tegen wie ik na een paar keer heen en weer sjokken had durven mompelen hoeveel geld ik te spenderen had.
I don’t sell for one lousy gram, kid… Go to your mother.’
Toch was het me diezelfde avond nog gelukt om, met een van trots en opwinding bijna exploderende borstkas, mijn ineengefrommelde briefje van vijf gulden in een hand te duwen, en een tumtummetje van roodbruinig zandsteen toegestopt te krijgen. Binnen Paradiso was dealen streng verboden, dat stond in grote geschilderde letters te lezen op borden boven de ingang. Maar halverwege de trap naar de bovenetage bereikte mij toch het bekende gesis - ‘Hasjieeesjjj…?’ -, dit keer met een onmiskenbaar Duits accent. Een oudere man met ronde brillenglaasjes en een dunne paardenstaart was opgestaan van zijn traptrede en had mijn gehakkelde wensen aangehoord. Ook híj had even geërgerd gekeken, maar was toen toch in de donkere diepte van zijn tafelkleedtas gaan zoeken en peuteren, om weer boven te komen met een miniem stukje geestverruimend materiaal.
Zo was ‘Joachim op de rechtertrap’ de man geworden bij wie ik elke zaterdagavond na binnenkomst mijn zakgeld ging inleveren.

Secundaire effecten, daarop was ik uit als ik hasj kocht en rookte. Op verheffing uit mijn beschamende puberale status, op geïmponeerd ontzag bij groepjes op het schoolplein, op vanzelfsprekende assimilatie met het zoveel oudere en zelfbewustere Paradisopubliek: de officiële, gewaarmerkte hippies. Mijn hasjconsumptie had niets te maken met een lichamelijke of mentale behoefte, met genotzucht, met het zoeken van een roes. Want van een benevelend of weldadig effect op mijn geest of gemoed had ik in de maanden dat ik nu wekelijks rookte, nooit iets ervaren. De rook brandde mijn longen kapot (vooral ook omdat ik gebruik maakte van de in Paradiso voorgeschreven techniek, die de hoeveelheid rook per inhalering enorm vergrootte: de onderkant van de joint tussen wijs- en middelvinger laten uitkomen in een zo goed mogelijk afgesloten kommetje gevormd van de bijeengevoegde handen, en dan hard lurken aan een kleine opening bij de duim), mijn ogen schoten vol tranen, en ik had soms even een korte duizeling. Maar als ik die ongemakken had weten weg te drukken, was ik weer even nuchter als daarvoor en bleek er verder nooit iets in mijn hoofd of lijf te zijn achtergebleven, hoezeer ik ook probeerde mezelf dat wijs te maken. Het plotseling toeschietende luie welbehagen in heel het lichaam, de niet te onderdrukken, objectloze slappe lach, de spontane heftige bewondering voor de onnavolgbare banen beschreven door een vlieg of voor de volmaakte rondingen van de wc-pot: het waren effecten die ik vaak beschreven had gehoord, maar die mij persoonlijk volstrekt onbekend waren. Om niet betrapt te worden op ondeskundig of onvolwassen drugsgebruik, deed ik natuurlijk wél - zeker in Paradiso - of ik die effecten voelde.

Die schijn zou ik zeker ook deze zaterdagavond weer ophouden, nu ik in het gezelschap was van Dirk Groen, een zomer en winter in een vettig legerjack gestoken, rijk bepukkelde schoolgenoot, die uit half dichtgeknepen oogjes boven een nooit wijkende grijns smalend de wereld in keek.
Deze keer hoefden we geen gebruik te maken van Joachim’s diensten. Het was Dirk Groen gelukt, zo vertelde hij me in de hal, om een stevig stuk glimmend zwarte hasj te verwerven bij een van de dealers tegen de buitenmuur. Als ik hem vijf gulden gaf, mocht ik de hele avond meeroken. Hij toonde me het rechthoekige blokje, en liet me het kruidige aroma insnuiven. ‘Pakistan, man…’ zei hij, in de slepende, lijzige spreektrant waarmee je te kennen kon geven deel uit te maken van de tegencultuur, ook al was je nog maar zestien.
We zegen neer in het midden van de overvolle grote zaal. Als pompende gemalen spoten de manshoge speakerboxen hun geluidsvloed over ons heen. De bas probeerde mijn borstbeen achterlangs te verpulveren. Dirk Groen legde vloeitjes, shag en het stukje Pakistan op zijn samengevouwen benen en begon in de beschutting van zijn neerhangende haren te knutselen.

Bij mijn tweede inhalering gebeurde het. Vanuit mijn onderlichaam rolde een golf vloeibare nachtmerrie in mij omhoog. Een dikke stroom angstige energie die alle uithoeken van mijn borstkas vulde, mijn hart deed ontploffen, door mijn hals in mijn hoofd kroop, en na het stuiten tegen mijn schedeldak als een vuurwerk van paniekvonken in mijn hersenen uit elkaar spatte. In ongeloof en bewegingloze verstarring bleef ik zitten, blind starend langs de gloeiende punt van de joint, die vlak voor mijn gezicht nog uit het rookhol van mijn samengevouwen handen stak. Totdat, na niet meer dan vijf seconden, een tweede angstvloed aan mijn buik ontsprong en zich even allesverzengend een weg baande naar mijn hoofd. Toen ook die op het hoogste punt was uiteengevallen, voelde en zag ik dat er zich een geleiachtig cocon tussen mij en mijn omgeving had gevormd. Door de doorzichtige maar troebele wand ervan keek ik in een vertraagd bewegende wereld waarin alle contouren met elkaar vervloeiden. Alles om mij heen - de loeiende uithalen van de gitaren, het langzaam heen en weer deinende legerjack van Dirk Groen, de constant wisselende vormen van de lichtshow - was geheel onwerkelijk en ongeloofwaardig geworden. Bovendien leek het alsof mijn persoonlijkheid aan het ineenschrompelen was, alsof die zich steeds verder terugtrok in mijn lijf. Op het moment dat voor de derde keer het springtij kwam opwellen uit mijn maag, voelde ik dat ik de joint liet vallen en in één beweging mijn handen uitstrekte naar - rechts - de epaulet op de schouder van Dirk Groen, en links de dikke haarbos van het onbekende meisje dat daar naast me zat. Ik moest me absoluut verzekeren van het tastbaar stoffelijke van hun aanwezigheid, waarin ik in de afgelopen minuut alle geloof verloren had. Aan beide kanten greep ik me krampachtig vast. Zo wilde ik me omhoog trekken uit dat zuigende drijfzand van onwerkelijkheid, dat giftige moeras van waanzin, waarin ik me met elke seconde verder voelde wegzinken.
Geschrokken en verontwaardigd opzij kijkend, duwde het meisje mijn hand weg van haar hoofd. Ook Dirk Groen had zijn gezicht naar mij toegedraaid. Toen ik er wanhopig hulp in probeerde te zoeken, zag ik dat het volkomen blank en glad was geworden: ogen, neus en mond waren verdwenen. Steunend op zijn schouder hees ik me omhoog tot ik wankelend op mijn benen stond. De angstexplosies dreunden nu om de paar seconden door me heen, mijn hart probeerde zich door mijn ribben te hameren. Toen ik me naar het oor van Dirk Groen boog, had ik de gewaarwording dat ik meebewoog met een door een ander bestuurd lichaam, waarin ik als een verstekeling zat weggeborgen. Toch scheen hem uit mijn mond informatie te bereiken, want plotseling stonden we samen weer buiten de zaal, in het tl-licht van de hal. De onderdelen van zijn gezicht bleken tijdens onze verplaatsing weer te zijn aangegroeid.
‘Wat héb je dan?’
Boven het geraas uit van de massa die zich om ons heen naar de zaal probeerde te dringen, werd een holle stem hoorbaar, die vanonder de vloer leek te komen. De stem vertelde dat hij zich ‘heel beroerd’ voelde, dat ‘alles heel vreemd’ was. Vanuit mijn cocon luisterde ik mee naar de taalproductie die daarbuiten kennelijk door mijzelf, of iets wat zich daarvoor uitgaf, werd verricht. In een impuls greep ik weer Dirk Groens legerjack vast, en maakte aanstalten om me als een angstig kind aan zijn lange lichaam te klampen, maar hij week achteruit. ‘Het komt er weer aan!’ hoorde ik de stem nu in paniek roepen. Dirk Groen begon me voor zich uit te duwen, tegen de mensenstroom in, naar de linkertrap.
‘Jij moet naar het kantoortje…’

Door een medewerker van Paradiso werd ik per bestelauto naar huis gebracht. Tussen de stoep van het gebouw en de plaats waar de geribbelde Citroënbus geparkeerd stond, naast hem lopend in de wind en de motregen, had ik even gedacht dat ik op weg was weer naar mezelf terug te keren. Mijn hartslag was rustiger geworden, en herkenbare sensaties drongen weer door tot mijn zintuigen: de kou van de avondlucht, het geluid van het verkeer op de Weteringschans, het gekriebel van het regenwater dat uit mijn haar in mijn ogen sijpelde. Maar nu ik bij hem in de auto zat, merkte ik dat zijn aanwezigheid zo dichtbij, in een afgesloten ruimte, me allesbehalve goed deed. Mijn chauffeur had het uiterlijk van de klassieke hippie: ongekamd dik haar dat op zijn smalle, opgetrokken schouders uiteenviel en tot ver op zijn rug en borst reikte. Een vormeloos roze T-shirt met ingebleekte vlekken, een met vele stoplappen versierde, uitgerafelde spijkerbroek, sandalen waaruit blote tenen met lange nagels staken. Ik merkte dat zijn uiterlijk, zijn langzame spreektrant, zijn geforceerd ontspannen motoriek, mij juist weer terugvoerden naar mijn toestand van kort geleden. Met zijn verschijning riep hij de atmosfeer op waarin mijn problemen zich voor het eerst hadden voorgedaan: de psychedelische tussenwereld van Paradiso op zaterdagavond. Zoals hij daar kromgebogen naast me zat achter het hoge stuur, deed hij de geestelijke chaos, waarvan ik even had gedacht dat ik die weer onder controle had, opnieuw onstuitbaar in mij opstijgen. De cocon tussen mij en de buitenwereld hersloot zich, de angstaanvallen trokken weer om de paar seconden door me heen. Van het donker glimmende Amsterdam, dat steeds even opdoemde na het voorbijkomen van de ruitenwisser, herkende ik kruispunten, lichtreclames, trams. Maar de vanzelfsprekendheid van de wereld om mij heen, die tijdens onze wandeling door de regen even leek te zijn teruggekomen, was weer volkomen verloren. Zowel buiten als binnen mij vond ik niets dat ik als echt en waarachtig durfde te vertrouwen.
In het hoekje van mijn hoofd dat nog enigszins gehoorzaamde, probeerde ik uit alle macht beelden op te roepen die zo ver mogelijk af stonden van de sfeer die de man aan het stuur opriep. Beelden waaraan ik me hoopte terug te kunnen trekken naar een vertrouwde werkelijkheid. Mijn dikke invalide opoe op het Bickerseiland, gepijnigd spiedend door haar matglazen bril om iets te ontwaren van de aardappel die ze probeerde te schillen. De gekookte varkenspoten met in je tong prikkende haartjes, die mijn moeder elke zaterdagmiddag als traktatie meebracht na het boodschappen doen op de Lindengrachtmarkt. De uiteengevallen nummers van Chick, Candy en Tuk die ik tussen de bladzijden van mijn schoolboeken verstopt hield. Maar geen enkel beeld beklijfde lang genoeg om uit te kunnen groeien tot reddingsboei. Alles wat ik even voor me wist te zien, werd meteen uiteengeblazen door wat de man aan het stuur naar me toe wasemde uit zijn haardos en kleren. Het was een even weeë als sterke geur, waarvan ik wist dat die het product was van een olieachtig soort parfum genaamd patchouli, maar die voor mij nu angstaanjagend veel leek op het sinds een uur zo vijandige aroma van smeulende hasj.
Ik praatte, maar niet omdat ik graag met mijn begeleider wilde converseren. Ik praatte om met mijn woordenstroom door de cocon heen te breken waarin ik gevangen zat, om aan een touw van gesproken taal omhoog te klimmen uit de angstput waarin ik gevallen was. Ik probeerde voor de man naast mij weer te geven wat ik beleefde, maar kwam niet verder dan nietszeggend gestamel.
‘Ik denk dat je gewoon voor het eerst in je leven echt stoned bent geworden,’ zei hij. Onder het woord ‘stoned’ plaatste hij een voetstukje door het extra langgerekt uit te spreken. Een verse stoot angst vonkte door mij heen. Toen die was weggetrokken, merkte ik dat de auto stilstond.

Al op de trap naar onze huisdeur besefte ik het: ik was alleen thuis vannacht. Mijn ouders en zusje waren vroeg in de avond, toen ik op mijn brommer richting Paradiso ging, uit Amsterdam weggereden, en logeerden bij een broer van mijn vader, ergens hoog in de provincie, tussen de weilanden. En dat terwijl me net, toen de Paradisoman me had afgezet op de hoek van onze straat met de Haarlemmerdijk, de enige met zekerheid werkzame therapie voor mijn kwaal was te binnen geschoten: mijn zusje. Thuisgekomen - het was inmiddels na half elf geworden, had ik onderweg op een klok gezien - zou ik met een vaag geroep (‘Gaannabèhed…!’) naar mijn in de huiskamer televisiekijkende ouders meteen doorlopen naar de enige slaapkamer die onze woning rijk was. Daar stond tegen de ene muur mijn bed, met in een ludiek patroon bij elkaar geplakte foto’s uit Aloha erboven, en tegen de andere het tweepersoonsbed van mijn ouders, met daartegenaan geschoven het bed van mijn vijfjarige zusje. Bij het uitstappen uit de Citroënbus was het verlangen in mij opgekomen om zo snel mogelijk naast haar slapende lijfje te duiken en haar zo dicht mogelijk tegen mij aan te trekken, om haar kleverige warmte te voelen, de nachtgeur van haar haren diep in te snuiven. Die lijfelijke, vertrouwde sensaties zouden me ongetwijfeld meteen weer terugplaatsen in de persoon die ik een paar uur geleden nog was geweest.
Het gebeurde wel vaker dat wij bij elkaar in bed lagen. Ik - tien jaar ouder dan zij - ging naar bed als zij al sliep. Soms werd ze van mijn gestommel bij het aantrekken van mijn pyjama, of van het minuscule lichtje waarbij ik nog even wat las, half wakker, en vroeg dan vanachter de duim in haar mond of ik bij haar kwam liggen. Meestal deed ik dat, en sliep ze, met haar rug en billen in de kom van mijn lichaam genesteld, licht snurkend verder. Ook gebeurde het wel dat ik in mijn eigen bed wakker werd van het trage gepluk van haar vingers in mijn haar, als ze ’s nachts ongemerkt bij me was geschoven. Als onze ouders ons morgen samen in één bed zouden aantreffen, zouden ze dus niet vreemd opkijken.
Nog even volhouden, had ik mezelf voorgehouden, terwijl ik naar ons portiek liep. Door de angstaanvallen heen probeerde ik de intimiteit en de koestering die boven, onder de dekens, op mij lagen te wachten, alvast op te roepen.
Maar toen ik de deur achter me in het slot had geduwd, stond ik naast een lege kapstok in een donker en zwijgend huis. Om de gedachte aan een lange nacht zonder zusje niet toe te laten, begon ik meteen rond te lopen om lichten aan te doen; alle lichten in huiskamer, slaapkamer, gang en keuken.
Door de onwerkelijkheid waarmee alles om mij heen, ook hier in mijn eigen huis, nog steeds omgeven was, had ik de neiging om alle objecten waar mijn blik op viel onmiddellijk aan te raken of op te tillen, om zo hun koelte, ruwheid of gewicht te kunnen voelen. Het werd een panische manuele inspectie, een frenetiek betasten van huisraad en voorwerpen die me beangstigden juist omdat ze me zo bekend waren; ook zij hadden hun vanzelfsprekendheid volstrekt verloren. Mijn handen gleden langs muren, deurkrukken, tafeltjes, fotolijsten. Als een blinde met ziende ogen liep ik door ons huis. Bij de deur naar de slaapkamer pakte ik een pantoffel van mijn vader op, stak mijn neus erin en snoof. Ik liep verder, deed de wc open en spoelde door, alleen maar om de vettige gladheid van het koordhandvat te voelen, de opwaartse tegendruk te ervaren bij het naar beneden trekken ervan, en bevestigd te zien dat er een gorgelend gebruis losbrak in de stortbak en het water daarna door de schone pot kwam razen.
In de huiskamer deed ik de gordijnen dicht en zette ik de televisie aan. Toen het toestel bijna was opgewarmd, en ik de eerste menselijke geluiden hoorde - ik herkende, terwijl het scherm nog donker was, de zelfingenomen stem van presentator Fred Oster, gevolgd door het gelach van een zaal vol publiek - zette ik het meteen weer uit. Opeens was ik er zeker van dat het kijken naar die stompzinnige Avro’s Wiekentkwis me niet zou afleiden van mijn problemen, maar me nog meer in verwarring zou brengen; dat als ik met de deelnemende echtparen zou gaan meespelen en zou proberen de quizvragen eerder dan zij te beantwoorden, zou blijken dat mijn geest zelfs dat allerlaagst denkbare intellectuele niveau niet meer aankon. Die confrontatie met het definitieve besef dat ik nooit meer als een normaal mens zou kunnen denken, durfde ik niet aan. Ik liep naar het telefoontafeltje, pakte de klapper met nummers op, legde die weer neer en ging voor het aan de muur hangende glazen kastje met sierservies staan.
Er was nog geen enkele verbetering in mijn toestand te bemerken. Nog steeds zat ik als een wanhopig roepende, maar door niemand gehoorde gevangene gekerkerd in een cel binnen mijn eigen geest. Ik had gehoopt dat de vertrouwde saaiheid van de huiselijke omgeving, de overbekende lelijkheid van meubels, bazaarschilderijen en dikke glazen asbakken, mij goed zouden hebben gedaan en een bevrijdend effect op me zouden hebben gehad. Maar daarvan was geen enkele sprake, ook niet nu ik al een kwartier binnen was.  
Hoezeer het idee de telefoon te hanteren me ook afschrikte, ik voelde een ongekend sterk verlangen de stem van een van mijn ouders te horen. Toen ik me al half van het glazen kastje had weggedraaid om weer terug te lopen naar het telefoontafeltje, drong opeens tot me door dat, behalve de kopjes, schoteltjes en andere serviesonderdelen, er nog een serie andere kleine siervoorwerpen in het kastje stond, keurig op een rij, op het glazen tableautje één niveau hoger. Ik draaide me weer terug en overzag de door mijn moeder bijeengespaarde verzameling miniflesjes sterke drank in vele kleuren: cognac, gin, wodka, citroenbrandewijn, bessenjenever, whisky en meer.
De bevrijding die dronkenschap kan bieden had ik op dit punt van mijn leven al drie keer ervaren. En nu, kijkend naar de in het gelid wachtende flesjes, was me volkomen duidelijk wat me te doen stond: ik moest me met alcohol zó sterk verdoven, dat ik niet meer in staat was de angsten en vervreemdende gewaarwordingen, die me nog steeds onverminderd bestookten, tot mijn bewustzijn te laten doordringen. Een alcoholroes als beschermend schild, daaraan moest ik onmiddellijk gaan werken. Na wat gemorrel aan de glazen deur van het kastje, lukte het me die los te krijgen.
Ik nam de flesjes bessenjenever, Tip van Bootz, en citroenbrandewijn uit de rij, haastte me ermee naar de keuken en pakte daar een bierglas. Toen ik bij het eerste flesje het dunne metalen wikkel van de bovenkant had gepeuterd, bleek geen schroefdop, maar een onmogelijk te verwijderen minuscuul stukje kurk of ander materiaal de schenkopening af te sluiten. Bij de andere flesjes was dat ook zo, constateerde ik na wat wanhopig gepulk. Met de Tip van Bootz liep ik naar de deurpost, duwde het halsje in de gleuf van de deursluiting en brak het met kracht open. Er sprongen glassplinters tegen mijn hand aan en er liep wat likeur langs het hout naar beneden. Maar het meeste zat er nog in. Ik deed hetzelfde met de twee andere flesjes, en schonk toen alles bij elkaar in het bierglas. De drank was nog transparant, maar had een lichtbruine kleur, als van dunne jus. Toen ik het glas tegen het licht van de tl-buizen hield, zag ik een sneeuwbui van scherpe deeltjes neerkomen.
Nu zou ik dus moeten wachten met drinken tot al het ronddwarrelende glas op de bodem lag. Maar ik voelde dat ik niet langer kón wachten op verlossing uit mijn toestand. Steeds dichterbij leek het moment te komen dat ik ook het laatste stukje controle over mijn geest zou kwijtraken, en mijn denkende persoon voor eens en voor altijd uiteen zou vloeien in een oceaan van angst en chaos.
Ik haastte me terug naar de kapstok en greep een van de naar haarlak ruikende hoofdsjaaltjes van mijn moeder. In de keuken probeerde ik dit als een zeef over het glas te spannen door mijn hand stevig om het afhangende nylon heen te leggen. Toen ik het zo naar mijn lippen wilde brengen om de drank door het sjaaltje heen in mijn mond te laten vloeien, gleed mijn hand weg over de gladde stof. Op het zeil voor mijn voeten spatte het glas kapot. Er vormde zich een grauwe natte vlek.
Ik liep de gang weer in en probeerde na te denken. Maar telkens als ik halverwege een gedachte of redenering was, werd die verpulverd door een nieuwe angstaanval. Toch kwam ik tot de slotsom dat, als de dronkenschap dus afgeschreven moest worden, ik op welke manier dan ook mezelf een ándere overweldigende sensatie moest opdwingen, een door mijzelf opgeroepen gevoel dat zo hevig en vervullend was, dat het geen plaats meer liet voor de angsten en de waanzin. De gedachte kwam bij me op me te laten meeslepen door pijn. Ik kon gloeiend heet water over mijn handen laten stromen, een zo groot mogelijk aantal spelden uit de naaidoos in mijn huid steken, een wasknijper op mijn tong zetten. Maar nu ik weer bij de slaapkamer was gekomen, kwam vanuit de deuropening een veel eenvoudiger oplossing mij als vanzelfsprekend tegemoet waaien. Ik liep naar binnen.
De gordijnen waren al gesloten. Ongetwijfeld had mijn moeder dat gedaan voordat zij het huis verliet om naar Wieringen te rijden. De rode kap van de plafondlamp wierp over de sprei op het bed van mijn ouders het vale boudoirlicht dat ik zo goed kende van andere avonden dat ik alleen thuis was geweest. Ik keek naar de midden in de sprei ingeweven afbeelding van een merrie met haar veulen en nam me voor om, ook al was dit dan een heel andere avond, alles precies zo te doen als bij die talrijke eerdere solitaire sessies in de slaapkamer. Misschien dat ik door een reeks zo vertrouwde, halfmechanische handelingen te verrichten mezelf ongemerkt - per ongeluk als het ware - weer in een normale geestestoestand kon laten terugstruikelen.
Ik liep naar mijn eigen bed en pakte van het Tomadoplankje daarboven Getal en Ruimte, La plus belle langue en Hettema’s Historische Schoolatlas. Ik merkte dat ik haastig en ongeduldig bewoog om zo snel mogelijk het gevecht voor mijn bevrijding te kunnen beginnen. Het leek of mijn toestand in plaats van te verbeteren, met elke minuut verergerde. Steeds dieper zakte ik in mezelf weg, steeds snijdender waren de angstaanvallen, steeds harder en sneller bonkte mijn hart. Na de drie boeken op mijn bed te hebben gelegd, kleedde ik me geheel uit.
Ik liet mijn kleren liggen waar ik ze had uitgetrokken, liep met de drie boeken naar het bed van mijn ouders en ging in kleermakerszit in het midden van de sprei zitten - op de kop van de merrie. Pas toen trok ik tussen de bladzijden van Getal en Ruimte een platgedrukt nummer van het seksblad Chick vandaan. Uit het Franse leerboek haalde ik een Tuk tevoorschijn, en uit Hettema schudde ik een langwerpige Candy.    Ook nu wilde ik me zo gedisciplineerd mogelijk houden aan de historisch gegroeide volgorde waarin het ritueel zich diende te ontrollen. Dus ging ik languit liggen, steunend op mijn linkerelleboog en begon mijn favoriete pagina’s te bekijken van het blad waarmee ik altijd startte: de Tuk. Alle seksbladen werden gedrukt op een gladde, stugge papiersoort, en om de Tuk in liggende positie te kunnen inzien, moest ik het blad met mijn linkerhand op de sprei duwen, omdat het anders steeds dichtsprong. Met mijn rechterhand sloeg ik af en toe door naar de volgende geschikte foto, of het volgende al ontelbare malen met razendsnel langs de woorden jagende ogen herlezen stukje van een ingezonden brief. Maar op deze korte excursies na, gebruikte ik mijn rechterhand om te werken aan mijn genezing.
Op alle voorgaande avonden was ik bij het van het plankje nemen van de schoolboeken en het me installeren op het bed van mijn ouders al in staat van opwinding geweest. Daarna was ik dan vooral bezig me in te houden, omdat ik anders de Chick en Candy niet eens haalde. Maar vanavond merkte ik dat de foto’s en teksten in de Tuk mij net zo onwerkelijk en net zo beangstigend tegemoetkwamen als al het andere in de stoffelijke wereld. De vele wijd opengetrokken vrouwendelen waartussen ik heen en weer bladerde, zogen mijn blik niet, zoals anders, met onontkoombare kracht naar binnen, maar schrikten die juist af, joegen die steeds weer op de vlucht, de sprei op, naar het weke oog van het veulentje bij mijn elleboog, of de uitwaaierende staart van de merrie bij mijn knie. En de passages in brieven en verhalen die ik probeerde te lezen brachten niet de bekende gloeiing in mijn lijf teweeg die ik nu zo goed kon gebruiken. Vanavond leken die teksten geschreven in een soort ziedende heksentaal, waarvan ik voelde dat die mijn geest, met elke woord dat ik tot mij nam, nog verder ontregelde. Dwars door de voortdurende angstontladingen heen bleef ik met mijn rechterhand druk in de weer om de uiterst geringe verstijving tussen mijn benen in stand te houden of, liever, die op te voeren. Maar telkens als het me met inzet van al mijn wilskracht lukte om wat lauw genot uit mijn lendenen omhoog te werken, joeg er weer - als straf, leek het wel - een stroom angst door me heen die alle aandacht opeiste, die al het bloed uit mijn onderbuik wegtrok en het meezoog naar mijn wild kloppende hart en razende brein.
Ik moest overgaan op een andere strategie, begreep ik. Uit de afzonderlijke foto’s en teksten leek ik niet een vervoering te kunnen opwekken die sterk genoeg was om me naar mezelf terug te brengen. Aan het blok angst in mijn borst en het weke vlees in mijn rechterhand voelde ik hoe waar dat was. Het was beter meteen rechtop te komen en op het bed de entourage te creëren waarin ik deze sessies altijd afsloot. In die grote finale probeerde ik, voor het allemaal was afgelopen, de opwinding nog zo hoog mogelijk op te stuwen, en mochten alle remmen los. Ik wipte van het bed af, pakte uit de badcel mijn handdoek, haastte me terug en drapeerde de ruwe blauwe lap over de kop van de merrie. Op mijn knieën schuifelde ik er bovenop.
Toen pakte ik de Candy, vouwde die open op de bladzij met de meest werkzame foto, en schoof het blad in die stand een klein stukje onder mijn linkerknie. Zo had ik goed zicht op de afbeelding, terwijl ik tegelijkertijd voorkwam dat de stugge, onwillige bladen weer tegen elkaar aan klapten. Eenzelfde operatie voerde ik uit met de Tuk en mijn rechterknie. Toen ik tenslotte precies midden tussen mijn knieën, en op één lijn met de andere twee bladen, onder mijn linkerhand de openliggende Chick in bedwang hield, was ik op orde. Met mijn blik continu tussen de glimmende foto’s heen en weer springend, ging ik met mijn rechterhand opnieuw op zoek naar genezing.
Maar ook na vele minuten van kunstmatig opgevoerd gehijg, schokkende bewegingen met mijn heupen, en naar de foto’s gesiste obsceniteiten, weigerde mijn vlees genot te produceren. En intussen volgden de angstgolven elkaar sneller op dan ooit. Het leek nu wel of ik die, met de steeds woestere bewegingen van mijn hand, zelf uit mijn lichaam omhoog pompte.
Ik liet los, klom van de sprei af en vluchtte impulsief van het grote bed weg. Bij mijn eigen bed gekomen kon ik niet verder, maar de drang om aan dit alles te ontsnappen, om er uit weg te rennen, was nog even sterk. Ik keerde om.
Zo bleef ik, naakt en in gejaagd tempo, over het zeil tussen de bedden heen en weer lopen. Drie kletsende passen heen, drie kletsende passen terug.

Onze oude huisarts Burema bleek met zijn tijd te zijn meegegaan.
‘O ja, hasjiesj… Nou, dat kan ábsoluut geen kwaad, hoor,’ verzekerde hij mijn moeder, die hem op maandagochtend mijn sidderende lijf kwam voorhouden. Hij luisterde glimlachend naar mijn ‘hartkloppingen’, mat mijn bloeddruk en liet me tien diepe kniebuigingen maken.
‘Niks aan de hand, jongen, gaat vanzelf over.’
In de maanden die volgden werd de taaie cocon om mij heen dunner, maar wilde mij niet geheel verlaten. Wel leerde ik dat die cocon tijdelijk was weg te wassen met Coebergh bessenjenever, waarvan ik dan ook in het weekend, bij de jeugdsociëteit tegenover mijn school, een gedreven afnemer werd. De angstbommen in mijn lijf ontploften allengs minder vaak uit zichzelf, maar gingen ondergronds, namen de vorm aan van verraderlijke landmijnen, waar ik op onbewaakte momenten zomaar op kon stappen. Lange tijd moest ik de gang van mijn puberale gedachten dan ook onder strakke controle houden en mezelf opleggen niet te denken aan wat me die zaterdagavond was overkomen. Als me dat per ongeluk toch iets te scherp in herinnering kwam, was dat genoeg om me weer even terug te laten vallen in mijn geestestoestand van toen. Op een dinsdagochtend maanden later overkwam me dat bij de les Bedrijfsrekenen, waarop de angst weer zo volledig bezit van me nam dat ik mijn vinger moest opsteken om aan de leraar te vragen of ik naar huis mocht omdat ik me ‘helemaal niet goed’ voelde. In blinde paniek rondrennend door mijn eigen geest pakte ik, onder verkrampt stilzwijgen van de klas en de leraar, mijn tas in.
Hoe lang heeft het geduurd, dat ‘vanzelf overgaan’? Wanneer was de genezing volledig? In elk geval is het gebruik van het tegen mijn kwaal werkzame medicijn in de loop der tijd alleen maar intensiever geworden: van een paar glazen ‘bessen met ijs’ op zaterdag, vijfendertig jaar geleden, tot de dagelijkse sloot witte wijn nu. Op dat mijnenveld van angst en chaos loop je alleen maar gevaar - heb ik gelukkigerwijs ontdekt - in heldere, niet-benevelde toestand.

 

Compulatio

L.H. Wiener

Ondanks het feit dat zij geheel overeenkomstig de in alle rust en vrede gemaakte afspraak mijn huis inmiddels al geruime tijd verlaten heeft, om als een speelse raaf op eigen wieken woeste hoogten te bereiken, kon ik vannacht de slaap niet vatten en de slaap niet mij (denkend aan haar schoonheid kan ik niet slapen en niet slapend denk ik aan haar jeugd) waarbij het mij plotseling te binnen schoot dat de naam Bovary misschien wel eens op een woordspeling zou kunnen berusten, daar zie ik Flaubert best toe in staat, een combinatie van ‘bos’ of ‘bovis’, os dus, en ‘ovarium’, ik bedoel, waarom niet, en met zo’n naam moet je welhaast belanden in een overspelig bed. Ik lees de brieven van Flaubert, beide delen: Haat is een deugd en Geluk bestaat niet. Ik lees ze koortsachtig, uren achtereen, om mijn gedachten te verzetten en me te laven aan zijn verlatenheid en hunkering, die ook de mijne is, sedert 1 oktober jongstleden om precies te zijn.

En toen ik in de nacht van 1 januari 2010 om drie uur ‘s nachts nog geen antwoord van haar had ontvangen op de door mijn dochter Hannah om precies 00.10 ingetikte nieuwjaarswens richting het grote feest in een Groninger studentenhuis, kon ik heel in de verte het zware guillotinemes in zijn houten sleuven horen suizen, richting mijn nek, al kwam het toen nog in het geheel niet bij mij op dat mijn schone vriendin, gelijk de eerste nacht reeds, de jongeman van haar keuze eerst langdurig zou pijpen, om vervolgens ook maar meteen zijn zaad in te slikken, ‘omdat je dan het minste geklieder kreeg’. Modern times. Of zouden de studenten in het oude Griekenland zoiets ook al geflikt hebben? Ik weet het niet, want ik heb geen gymnasium. SOA was in die Groninger ambiance kennelijk de afkorting van Seksueel Onverwijld Aanpakken.

Een en ander bracht zij mij negen dagen later mondeling over, op de tiende januari dus, bij mij thuis, onopgesmukt en in het volledige bezit van haar verstandelijke vermogens. Bij het aanhoren van zoveel realiteit begonnen, ter begeleiding van mijn uitvaart, de klokken van zowel de kathedraal van Reims, de Sint Pieter te Rome en de Bavo te Haarlem door mijn hoofd te galmen.
‘Godverdomme!’, dacht ik, driemaal achtereen, maar ik merkte zo droog mogelijk op: ‘Wist je dat er ook zoiets bestaat als mannelijke intuïtie?’
‘Wat bedoel je?’
‘Nou, ik voelde het, ik vóelde het gewoon.’
Er viel een korte stilte.
Reeds voor kerstmis had ze aangekondigd oud en nieuw in Groningen te gaan vieren, ‘met een paar vrienden’ en op mijn nogal ouderwets klinkende vraag waar ze dan wel zou slapen, had ik als laconiek antwoord gekregen dat ze dat nog wel zou zien.
‘Ik heb donderdag een date met hem.’
Daten is maten, ging mij nu door het hoofd.
‘Ga je weer naar Groningen?’
‘Nee, hij woont in Haarlem.’
Hier moest ik even over nadenken.
‘Hoorde hij bij het groepje?’
Ze knikte.
De vraag of er daarvoor al iets tussen hen gaande was, hield ik voor me.
Het kwam er nu op aan mij ‘goed te houden’, besliste ik, nonchalant te reageren en vooral niet cynies te worden.
Eigenlijk had ik toen op neutrale toon moeten vragen hoe oud hij was, maar ik was te laat.
‘Hij is vijfentwintig’, zei ze.
Negenendertig jaar jonger dan ik, rekende ik uit en twee jaar ouder dan zij.
Rustig naar zijn naam informeren zou nu aan de orde zijn, maar ik vergat het.
‘Hij heet Pieter Bas’, kreeg ik toen te horen.
‘Pieter Bas…’, herhaalde ik. ‘Is Bas zijn achternaam?’
‘Nee, dat geloof ik niet… Iedereen noemde hem steeds Pieter Bas.’
‘Pieter Bas is de titel van een boek’, zei ik mat.
En even probeerde ik mezelf nog wijs te maken dat het allemaal niet waar was, dat ik op de proef werd gesteld, als geintje, om te zien hoe ik me hield bij deze eerste keer, maar het was wel degelijk menens.
Ik keek haar aan en zag voor de duizendste keer hoe mooi ze was: haar Griekse neus, waarmee alleen de eveneens beeldschone nieuwslezeres Sacha de Boer zich zou kunnen meten, haar puntgave gebit, het dikke haar, haar mooie mond met de in volmaakt evenwicht gewelfde lippen, haar grijsblauwe ogen, waarmee ze alles zag.
‘Het is wel even wennen’, bracht ik uit.
Ze liet nu een geamuseerd giecheltje horen.
Het zelfkwellen was begonnen, merkte ik. En na mijn misantropie is zelfkwelling, gevoed door vernederende paranoia, mijn meest virtuoze kant.
Zo snel mogelijk verdwijnen was het enige dat er nu nog voor mij op zat, zo snel mogelijk ten ondergaan in een fictionele wereld vol duivels en demonen, zodat de werkelijkheid, vergelijkenderwijs, nog zou kunnen meevallen.
‘Vertel het me van het begin tot het eind, langzaam en met alle details, want dat windt me op’, nodigde ik haar uit, terwijl er tegelijkertijd een heet Japans mes dwars door mijn darmen sneed.

*

‘Beschreven levens zijn vele malen interessanter dan levende lijven’, had ik ooit met overmoedig literair aplomb beweerd, alsmede: ‘Porn has always been good to me’, een zinnetje dat ik mijn alter ego Victor van Gigch in de mond had gelegd en waarmee hij bedoelde dat er van pornofilms een zekere heilzame verdoving kon uitgaan, beelden zo sterk dat zij andere in hun opdoemen verdrongen. Maar voorlopig, onder het aanhoren van haar minutieus verslag, moest ik er nog in trachten te slagen onze ontmoeting tot een stijlvol, althans aanvaardbaar einde te brengen. Ergerlijk daarbij was dat zich in mijn brein al een continu doorlopende pornofilm was begonnen af te spelen, die haar oraal onvermoeibaar in beeld bracht in gezelschap van een met volle teugen genietende Pieter Bas, een student met een hele grote vleeslul die breeduit grijnsde en af en toe grinnikte, terwijl hij liggend op zijn rug, verdiept was in een boek van Godfried Bomans.

*

Een goede methode om over een verbroken verhouding heen te komen is afvallen. Niet eten, flink drinken en dan afvallen, al het kwade vet verbranden en een andere man zien te worden. En een andere man worden was soms zo aanlokkelijk dat men er wel een verhouding voor zou willen opofferen. Het liefst eigenlijk zou ik Victor van Gigch weer willen worden om mijn vernedering op hem af te kunnen wentelen. Hij zou dit nu moeten afmaken, niet ik. Zij was ooit op hem afgekomen en niet op mij. Vier jaar geleden, toen ik nog als leraar actief was, kwam ze aan het eind van de dag glimlachend lokaal 6 binnen, waar Victor zat te werken. Ze was achter hem gaan staan, had langzaam zijn hoofd achterover getrokken en het laten rusten tegen haar ronde veerkracht. Dat was weliswaar een fantasie van mij geweest, akkoord, maar daarom was het nog niet minder waar. Ik bedoel, we zijn nadien wel meer dan drie jaar samen geweest, in een werkelijkheid die ik tot de gelukkigste van mijn leven reken.

*

Dit alles is wel erg persoonlijk. Ik heb een alter ego nodig om door te gaan. Een nieuw alter ego, sinds Victor van Gigch mij de rug heeft toegekeerd. Alter ego’s genoeg, net als vrouwen. Alter ego’s die geen zin hebben zijn zinloos, net als vrouwen. Sorry, daar ga ik weer. Maar dan… en toch… je bent aan het ene alter ego meer verknocht dan aan het andere, zoals dat ook geldt voor sommige vrouwen. Neem nu bijvoorbeeld MaMa, een wel zeer fraai exemplaar van de soort en de moeder mijner kinderen, zijnde Nathan en Hannah. MaMa, ook al een vroegere leerlinge van mij en vierentwintig jaar jonger dan ik, die aan het begin van onze omgang, instemmend knikte bij alles wat ik zei, maar later altijd alles beter wist dan ik. Geen geliefde heeft mijn hoofd er zo vakkundig afgedraaid als zij. In drie maanden tijd viel ik bijna zeven kilo af.

*

Een dagboekaantekening van 14 januari 2010, 07.56 a.m, vier dagen na dato:
De kinderen zijn zojuist naar school gegaan in een zwarte en kille ochtend, met overal vastgevroren sneeuw op de straten, althans hier rondom het plantsoen. Ik heb met ze te doen, maar zij voelen dat gelukkig niet zo. Het is eerder mijn eigen ontregeling, als gevolg van het meedogenloze Koningswater. Wat steeds blijft terugkomen is een radeloos gevoel van verlatenheid, deels, grotendeels, veroorzaakt door de uitwerking van de drank en met als blootgezopen oorzaak het gapende zwarte gat. Ik moet mijn ziedende emoties in een literair kader vorm geven en zichtbaar maken en laten stollen op de tijdbalk van mijn leven. Ik moet die verlammende verhitting in een getransformeerde en gefixeerde vorm (let op de alliteratie) een plaats geven binnen mijn literaire werk, mijn feitelijke leven dus, zodat niet alles zomaar voor altijd teloor gaat en zonder tegenstribbelen wegstroomt in de stortkoker der zinloosheid. Amen, maar dit lucht niet op, niet genoeg nog, er is nog te veel gevoel, gefnuikt of niet (ik schijn graag op de letter f te allitereren, de f van fuck en frenzy) Flauberts gefnuikt gevoel valt feilloos te verifiëren.

[...]

Kort Verhaal

Uitgeverij Mouria

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum