Leesfragment: Mark Boog en Hélène Gelèns presenteren elkaars nieuwe bundels

27 november 2015 , door Hélène Gelèns, Mark Boog
| |

Aanstaande donderdag 28 januari, Gedichtendag, presenteren Hélène Gelèns en Mark Boog bij Athenaeum Boekhandel elkaars nieuwe bundels, zet af en zweef en Er moet sprake zijn van een misverstand. Vannacht nemen ze een voorschot op de avond en presenteren hun favoriete gedichten uit de bundel van de ander.

Je hebt het al maar het is nieuw

Hélène Gelèns over Mark Boog

‘Welaan, weer buiten.’ Zoiets zeg of denk je alleen bij grote opluchting. Je hebt een zware beproeving achter de rug. Daarbinnen verging het je absoluut niet goed. Was je binnen gebleven, zou het je zeker slecht zijn vergaan. Maar je staat weer buiten. Het is weer goed. Bijna. Je zegt het als je jezelf bij elkaar raapt. Je bent niet meer binnen, dus kop op. Je kunt door. Je moet door. ‘Welaan, weer buiten.’

Met die drie woorden opent het gedicht ‘Veel’ van Mark Boog. De lezer belandt in een keer midden in de situatie. Er is geen ontkomen aan. In de regels die volgen, ontvouwt de situatie zich stap voor stap. Voor de lezer, maar ook voor het lyrisch ik. De ik-figuur is weer buiten, maar de geuren van het ziekbed zijn nog niet vervlogen. De regels ontwikkelen zich in een dwingend ritme dat gedicteerd wordt door de uitspraken die we dan plegen te doen (‘Wees dankbaar’) en door de neiging om wat we zeggen dan te herhalen, te parafraseren, bij te stellen. ‘Het is een voorrecht, / een voorrecht zeg ik, om te leven’. Alsof dergelijke uitspraken pas bij herhaling waar worden. Zoals ook het leven pas echt waar lijkt te zijn, als het je opnieuw gegeven wordt.

Veel

Welaan, weer buiten. Er is veel buiten.
Ziekbedgeuren hangen aan, vervliegen
maar langzaam. Ik ben door en door verrot.

De lucht is geluk, en er is veel van. Veel
is ook verdwenen, ongemerkt en -herroepelijk.
Ik zeg het anders: er is weg. Er is terug.

Het drukt op de ogen, het zware licht,
de wind doet rillen, het is een voorrecht,
een voorrecht zeg ik, om te leven. Wees

dankbaar, zeggen ze. De verjaardag,
de verre tante, het cadeau. Wees dankbaar.
Het kan stuk gaan maar het is nu nog nieuw,

je hebt het al maar het is nieuw. Mompel van
schoonheid en van vreugde, zeg: ‘het is te veel’.

Ode aan de roes

Mark Boog over Hélène Gelèns

Als ik van rennen zou houden, zou ik houden van het rennen dat Hélène Gelèns beschrijft in 'niet wij rennen', vooral in het eerste gedicht van het tweetal dat samen die titel draagt. Van niet rennen dus, dat volgens mij (ik ren niet), vergelijkbaar is met het niet fietsen dat fietsen wordt als het heel goed gaat, met het niet voetballen dat de voetballer in vorm ervaart. Het rennen zoals kinderen dat kunnen doen: zomaar, met volle overgave, helemaal van school naar huis, de vermoeidheid moeiteloos voor zich uit jagend, de vermoeidheid ontkennend. Rennen zonder reden behalve dat het kan, dat het moet. Rennen voor het zweven tussen de passen, rennen als op de maan, met bij elke pas de kleine maar aanlokkelijke kans dat het zweven zich verlengt en vliegen wordt. Landen is voor later.

Doelloos en ongeremd, heet het in het gedicht. Het lijf wordt een pijl die per definitie in de juiste richting wijst, alles gaat vanzelf, het doet geen pijn zelfs als het pijn doet. Roes. Het ritme brengt de trance teweeg die de loper nodig heeft (zoals, voeg ik toe, de dichter, die zichzelf evenzeer zoekt te verliezen, om de eigen beperkingen en tekortkomingen te kunnen overstijgen). zet af zweef en land, en naarmate het rennen vordert, beter gaat, verlengt zich het ritme: zet af zweef en land zet af en zweef, daarna zelfs zet af zweef en land zet af en zweef land zet af.

Na voldoende herhalingen vervloeien de klanken en ontstaat zoiets als 'zweefland' — wat wel de meest aanlokkelijke vakantiebestemming moet zijn die denkbaar is. Alleen te voet bereikbaar, of per pen.

In het tweede gedicht van niet wij rennen wordt nog altijd gerend, maar begint de buitenwereld al binnen te dringen, in de vorm van loopschoenen, voetballen, honden en gedachten. Dat suggereert dat de roes niet eindeloos kan duren, dat zweefland uiteindelijk onbereikbaar zal blijken. Maar de hoop die het eerste gedicht bood, verliest haar kracht niet.

niet wij rennen

I

we denken aan doelloos aan ongeremd rennen
we rennen en rennen vertragen het beeld
zet af zweef en land

elke pas rolt van de hak
naar de bal van de voet naar de grote teen
elke afzet vol kracht elke pas wordt een sprong
zet af zweef en land zet af en zweef

we zweven en zweven in ongeremd rennen
we luchtklieven meer dan we grond raken
zet af zweef en land zet af en zweef land zet af

we denken ons doelloos ons ongeremd rennend
we lopen ons leeg het lijf tot een pijl
moeiteloos rennen we niets doet nog pijn

niet wij rennen
het pad rent

 

II

we dragen nu loopschoenen rennen langs moeder rots
langs vondel we rennen door bosplantsoen rozentuin
knerpen op schelpgruis — we denken ons doelloos

we ploeteren doelloos het paardenpad af
met opstuivend zand — ook het pad rent

we rennen en denken ons ongeremd rennend
we punteren een voetbal terug naar het veld
of een boom in — we denken ons ongeremd rennend

we rennen ons een langharig mormel in de kuit
rennen ons het getier van zijn baas in het oor
want wij zijn het wij rennen een hond weet niet beter

niet wij rennen
het park rent

Utgeverij Cossee

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum