Leesfragment: Memoires van een slecht mens

27 november 2015 , door Theo Kars

Het behoort tot de beste Nederlandse literatuur van 2010 volgens de boekverkopers in Haarlem: Theo Kars' Memoires van een slecht mens I. Vanavond kunt u een fragment uit het boek lezen en uw exemplaar aanschaffen.

Theo Kars is een slecht mens. Hij heeft zich nooit iets aan zijn ouders of docenten gelegen laten liggen, zat ooit geruime tijd in de gevangenis wegens oplichting van een staatsbedrijf, financierde met het wederrechtelijk verkregen geld een polemisch tegendraads literair tijdschrift (waarvan W.F. Hermans een van de eerste abonnees was), simuleerde heimwee om onder militaire dienstplicht uit te komen, woonde acht jaar samen met twee meisjes, en wijdde de tijd die hij niet aan lezen, schrijven en vertalen besteedde, aan de jacht op erotische en andere zinnelijke genoegens. Kars’ persoonlijke levenscode, hedonisme en non-conformistische instelling brachten hem voortdurend in botsing met de buitenwereld,een prijs die hij zonder morren betaalde. Tijdens zijn zelfgekozen levenslange isolement stelde hij een uniek vertaaloeuvre samen en publiceerde vele romans. Wie is Theo Kars?

In twee dikke delen beschrijft Theo Kars de geschiedenis van zijn leven of beter: van zijn individu. Zijn bedoeling is niet te vertellen wat hij allemaal heeft meegemaakt, maar te bepalen hoe hij heeft kunnen worden wie hij nu is. Aan de hand van zijn levensloop gaat Kars na wat het DNA van zijn persoonlijkheid is. Het resultaat is een meedogenloos zelfportret, omringd door een groot aantal even onbarmhartig geschilderde miniaturen van de mensen die voor hem van belang waren.

Voorwoord

Je karakter en aard bepalen je leven. Dat betekent niet dat je geen invloed hebt op je lot. Hoe gelukkig of ongelukkig je leven verloopt, hangt af van het zelfinzicht dat je verwerft en de bereidheid te leren van je fouten.
Watmij bezielt mijn leven chronologisch en onverhuld (dat wil zeggen: in de ik-vorm, en niet in de derde persoon enkelvoud van een autobiografische romanfiguur) te beschrijven, is voornamelijk mijn verlangen vast te stellen en uit te leggen wat mij altijd heeft gedreven en zal blijven drijven. Het gaat er mij, in tegenstelling tot Casanova, niet zozeer om te vertellen wat ik allemaal heb meegemaakt (veel minder dan hij) en de tijd te verdrijven door mijn belevenissen opnieuw mee te maken, als wel om de ontwikkeling van mijn persoonlijkheid weer te geven. Ik wil niet ‘de geschiedenis van mijn leven’ schrijven zoals hij zijn memoires noemde, maar ‘de geschiedenis van mijn individu’.1 Mijn voornemen is na te gaan hoe ik ben geworden wat ik nu op zevenenzestigjarige leeftijd ben, en te onderzoeken in welke mate ik ben gevormd of beïnvloed door niet door mij geschapen omstandigheden als afkomst, lichaamsgestel en uiterlijk voorkomen. Als ik van huis uit rijk was geweest, zou ik dan op vierentwintigjarige leeftijd wegens een vermogensdelict in de gevangenis zijn terechtgekomen? Ik denk het niet,maar ik vermoed wel dat ik door de combinatie van mijn jeugdige overmoed en ongezeglijke non-conformistische instelling op een andere wijze tussen de raderen van de maatschappij zou zijn beland. Ik wil nagaan wat het dna van mijn persoonlijkheid is, bepalen wat de eigenaardigheden zijn waardoor ik mij van alle andere mensen onderscheid.
Wie memoires schrijft, geeft een ooggetuigenverslag van zijn eigen leven. Iedere rechter en advocaat weet hoe onbetrouwbaar ooggetuigenissen zijn, vooral als ze betrekking hebben op gebeurtenissen die lang geleden hebben plaatsgevonden. Ik heb tot mijn zestigste jaar steeds gedacht dat ik een uitzonderlijk betrouwbaar geheugen bezat, en baseerde dit op de vele kleine details die ik mij nog uitmijn prille jeugd herinnerde: op vierjarige leeftijd de aanraking en de geur van de zwarte, grove juchtleren handschoen van de Duitse soldaat die mij troostend over mijn hoofd aaide toen mijn vader bij een razzia werd weggevoerd; de stroken zilverpapier die uit de laagvliegende bommenwerpers van de geallieerden werden gegooid omde radar van de Duitsers te misleiden; en de blauwe suikerbietenpap en witte gekookte bloembollen die tijdens de hongerwinter in mijn ouderlijk huis als gerecht werden opgediend. Als ik anderen over mijn kinderjaren vertelde, placht ik uit te leggen dat ik totmijn dertiende een gehoorzaam jongetje was geweest dat veel las en zelden vocht. Toen mijn oudste zuster mij acht jaar geleden een reeks foto’s uit mijn kindertijd toonde, zag ik dat ik op drie schoolfoto’s, die elk in een ander jaar waren genomen, onmiskenbaar een blauw oog had. Dit zette mij aan het denken. Ik herinnerde mij toen pas allerlei voorvallen die aantoonden dat ik als kind lang niet zo gedwee en gezeglijk was geweest als ik, geheel te goeder trouw, mijzelf en anderen had wijsgemaakt. Door deze ontdekking besefte ik dat ik elke herinnering moest controleren door mij weer de gehele periode waaruit zij dateerde voor de geest te halen.
Ik heb mij bovendien gerealiseerd dat mijn herinnering wordt vertroebeld door de autobiografische romans en verhalen die ik heb geschreven. Vrijwel niets in het leven verloopt zo rechttoe rechtaan dat een weergave daarvan op papier een aaneengesloten geschiedenis oplevert. Ik heb daarom als romanschrijver van de dichterlijke vrijheid gebruik gemaakt gebeurtenissen te rangschikken en te vervormen in het belang van de overzichtelijkheid van de geschiedenis. Verder heb ik bepaalde karaktertrekken van mijzelf en andere figuren geaccentueerd of uitvergroot omdat ik daardoor in staat was een scherper inzicht in die eigenaardigheden te geven. In de loop der jaren ben ik die werken als documenten van mijn leven gaan zien. Door de waarachtigheid ervan werden ze voor mij langzamerhand onwillekeurig de feitelijke waarheid. Ik moet nu proberen de feiten weer van de fictie te scheiden en te achterhalen wat er werkelijk is gebeurd.
Ik weet dat mijn geheugen mij vaak zal bedriegen, en besef dat ik mijn getuigenverslag onwillekeurig zal kleuren. Het enige wat ik daarover kan zeggen is dat ik ernaar streef waarachtig te zijn en niets bewust zal vertekenen. Als ik dialogen weergeef, pretendeer ik niet dat het om een letterlijk verslag van een gesprek gaat. Ik sta alleen in voor de teneur ervan en, soms, voor de echtheid van bepaalde bewoordingen.
Alles wat mij is overkomen, zowel het goede als het slechte, dank ik volgens mij direct of indirect aan mijzelf. Dat geldt ook voor de schade diemij is toegebracht door mijn vijanden. Je kiest namelijk je vijanden, net als je vrienden, zelf uit. Door de levenshouding waartoe je besluit, bepaal je ook wie je vijandig gezind zullen zijn. Als gevolg daarvan heeft de tegenwerking die ik van mijn vijanden heb ondervonden mij nooit met verontwaardiging of haat vervuld. Ik heb geen rekeningen met hen te vereffenen en zal niet uitgebreider op hen ingaan dan voor een goed begrip van mijn leven nodig is.
Over de titel Memoires van een slecht mens hoefde ik niet lang na te denken. Ik was al op negentienjarige leeftijd iemand die van vrienden te horen kreeg dat zij van hun ouders niet met mij mochten omgaan omdat ik ‘verkeerde’ ideeën had. Boudewijn van Houten zou in zijn in 1970 verschenen roman Onze hoogmoed mij als model gebruiken voor het portret van een innemendemaar duivelse leidersfiguur wiens individualistische, antisociale levenshouding velen in zijn omgeving verderf bracht.
Mijn slechtheid moet ook fysiek bij mij waarneembaar zijn, want mensen die mij in het geheel niet kennen, zoals douanebeambten en politieagenten, blijken erop gebrand te zijn mij staande te houden. Ik heb daar tientallen voorbeelden van. Zo werd ik in Ibiza-stad ooit op straat door een politieagent aangesproken met de vraag of ik tien jaar eerder in de Via Púnica had gewoond met tweemeisjes. Na mijn bevestigende antwoord zei hij: ‘Dan wil ik uw papieren zien. Volgens mij is er een bevel tot opsporing en aanhouding van u uitgevaardigd.’ Hij belde mijn personalia door, kreeg te horen dat hij zich vergiste, en liet mij daarna met tegenzin gaan. Een inspecteur van politie in Valencia ging nog verder. Ik bracht door zijn toedoen vijf uur in een politiebureau door omdat hij ervan overtuigd was dat ik een drugshandelaar/smokkelaar was. ‘Zelfs als ik het niet kan bewijzen, zal ik ervoor zorgen dat u Spanje wordt uitgezet,’ verklaarde hij. Ook dit liep goed af, maar alleen omdat ik twee Valenciaanse meisjes kende wier oom commissaris van politie was.
Wie nu denkt dat ik met deze voorbeelden wil suggereren dat ik alleen de schijn tegen mij heb en eigenlijk wel deug, vergist zich. Ik heb altijd een voorliefde voor personen gehad over wie iedereen schande sprak, voor spelers en overspeligen, voor schrijvers als Casanova en Multatuli, en tegelijkertijd een instinctieve antipathie gevoeld voor hele en halve heiligen als moeder Teresa, majoor Bosshardt en de Dalai Lama, het soort figuren dat door iedereen wordt geroemd om hun belangeloosheid en idealisme. Wel, dat bewijst dat ik niet deug. Ik kan dit zo gemakkelijk beweren omdat de ethische kwalificaties ‘goed’ en ‘slecht’ net als de esthetische kwalificaties ‘mooi’ en ‘lelijk’ volslagen subjectief zijn: holle woorden die de mensen in staat stellen in het dagelijks leven zonder uitleg iemand of iets af te keuren of juist te roemen.
Ik heb altijd volgens een zelfontwikkelde code geleefd en mij er nooit om bekommerd hoe anderen, of beter: vreemden, over mij oordeelden. ‘Goed’ volgens mijn eigen code betekende heel vaak ‘slecht’ volgens die van anderen, en andersom. Het interesseert mij daarom niet wat voor zedelijk oordeel de lezer over mij velt. Ik ben geen politicus en heb er geen enkel belang bij onbekenden voor mij in te nemen.
Toen ik nadacht over een titel voor dezememoires herinnerde ik mij dat in de jaren zeventig iemand op een receptie bij een uitgeverij mij had verteld dat een bepaalde schrijver (die ik niet kende) enkeleminuten eerder tegen hem had gezegd dat ik ‘een slecht mens’ was. Meteen besefte ik dat die schrijver mij onbedoeld een uitstekende titel had geleverd: zijn morele oordeel over mij zou mijn geuzennaam worden.

1

Mijn eerste herinneringen. Het huis op de Bergweg. De achtergrond van mijn ouders. De houten stengun. De buurjongens. De knikkerdiefstal. Ik begin te lezen. De hut.

(1943) Het eerste voorval dat ik mij uit mijn prille kindertijd herinner, staat onwaarschijnlijk scherp in mijn geheugen gegrift. Ik moet toen niet veel ouder dan drie jaar zijn geweest, want mijn grootvader hield mij op zijn arm. Wij stonden in de deuropening van de bijkeuken van het huis van mijn ouders. Mijn grootvader had een grijze gleufhoed op. Opeens, in een opwelling van baldadigheid, sloeg ik de hoed van zijn hoofd. Ik deed dit niet om hem te plagen, maar uitsluitend voor mijn eigen vermaak, en schaterde het uit toen de hoed door de lucht vloog en een paar meter verder op de betonnen vloer belandde. Ik was verrast door de geërgerde reactie van mijn hevig geschrokken grootvader, wiens keurige, door een middenscheiding in twee symmetrische helften verdeelde dunne, grijze haardos opeens tot enkele slordige slierten was herleid. Hij zette mij op de grond en sprak mij daarna op boze toon toe, daarin bijgevallen door mijn moeder, die was toegesneld. Ik weet niet meer wat zij zeiden, maar nog wel dat ik begreep dat ik onnadenkend had gehandeld en onbedoeld iemand op wie ik dol was een onaangename sensatie had bezorgd. Dit voorval is mij vermoedelijk zo duidelijk bijgebleven omdat ik mij toen voor het eerst bewust werd van mijn verantwoordelijkheid voor mijn doen en laten.
Mijn ouders, die beiden uit Rotterdam afkomstig waren, woonden in Bergschenhoek op Bergweg nr. 1, het eerste huis na de stadsgrens bij Hillegersberg. Deze grens liep enkele honderden meters midden over de Bergweg, waardoor de huizen aan de ene zijde van de weg nog tot de gemeente Rotterdambehoorden en die aan de overzijde deel uitmaakten van Bergschenhoek. Deze topografische eigenaardigheid zou niet vermeldenswaard zijn als zij aan het eind van de oorlog niet tot een wrange situatie had geleid die grote verontwaardiging teweegbracht in mijn ouderlijk huis. Toen de geallieerden in het voorjaar van 1945 voedsel dropten voor de hongerige bevolking van Rotterdam, werd dit uitsluitend onder de hongerige burgers van deze stad verspreid. Als gevolg daarvan kregen de bewoners van de huizen aan de Rotterdamse zijde van de Bergweg extra voedsel,maar werd aan de niet minder hongerige bewoners aan de overzijde niets uitgereikt. Iedereen in mijn omgeving was erg verontwaardigd hierover, vooral mijn grootvader, die in die tijd met zijn vrouw bij mijn ouders woonde, en verzot was op eten. Mijn vader placht minachtend over hem te zeggen dat hij ‘van zijn buik zijn God maakte’. Ik herinner mij dat ik mij verbaasde over de algemene verontwaardiging, en dacht: het is vervelend dat Rotterdam net bij ons huis ophoudt,maar dat is niemands schuld. Op wie is iedereen nu zo kwaad?
Mijn ouders waren afkomstig uit de één na laagste bevolkingsklasse, die van de kleine neringdoenden. Mijn grootvader van moederszijde had een margarinefabriekje gehad, dat failliet was gegaan, die van vaderszijde een klein transportbedrijf, dat op dezelfde wijze was geëindigd. Het gezin waarin mijn moeder was opgegroeid had zich nooit van deze slag hersteld en leefde in armoede op een etage in een Rotterdamse volksbuurt. Het bestond in de tijd dat ik het heb gekend uit de meer dan tachtigjarige vader, van wie ik mij niets anders herinner dan het opschrift op het koperen pijpenrekje boven de leunstoel waarin hij altijd zat: ‘Een tevreden roker is geen onruststoker’, een ongetrouwde kwezelachtige vijftigjarige dochter die zo lelijk was dat ik van haar griezelde (zo had zij een zwarte behaarde wrat op haar kin, en stak, als bij een narwal, een van haar grote bruingele snijtanden bijna horizontaal uit haar mond) en een eveneens ongetrouwde zoon die iets ouder of jonger was dan zij, en minder afzichtelijk moet zijn geweest, want ik herinner mij alleen van hem dat hij ongewoon klein was. De grootvader vegeteerde in zijn leunstoel bij het raam, de tante zorgde voor de huishouding, en de oom die als nachtwaker werkte, bracht het geld binnen voor hun levensonderhoud.
De opleiding van mijn moeder bestond uit vier jaar lagere school. Volgens mijn oudste zuster, die zes jaar jonger is dan ik, heeft zij de lagere school wel voltooid, al had zij in de vierde klas onoverkomelijke ‘problemen met breuken’. Nu kan iemand met een laag iq op grond daarvan nog niet als domworden aangemerkt. Het knapste jongetje van de klas is niet automatisch ook het wijste jongetje van de klas. Er bestaan hooggeleerde dwazen en wijze analfabeten. Mijn moeder behoorde tot een andere categoriemensen: zij was zowel domals leep. Hoewel ik uit haar mond nooit iets anders dan banaliteiten, domheden en platheden heb gehoord, en zij zich uitsluitend interesseerde voor haar gezin en de indruk die dit op de buitenwereld maakte, beschikte zij over een zekere sluwheid, waardoor zij in staat was mijn naïeve vader te manipuleren, die veel intelligenter was dan zij.
De ouders van mijn vader hadden ondanks hun kleinburgerlijke afkomst een zekere allure. Ik zal hen in het vervolg alleen nog als ‘mijn grootouders’ aanduiden, omdat de ouders van mijn moeder geen invloed opmijn leven hebben gehad; de een was voor mijn geboorte al gestorven, de ander overleed toen ik zeven jaar was.
Mijn grootvader was een bon vivant, die zich met allerlei duistere ondernemingen had ingelaten – hoe onoorbaar wilde mijn vader niet zeggen. Ik weet alleen zeker dat hij agent van een verzekeringsmaatschappij is geweest, een tijd in de gevangenis heeft gezeten, enkele jaren in een Utrechts dorp heeft gewoond, en op hoge leeftijd in zijn inkomen voorzag door klanten voor stuwadoorsbedrijven in de Rotterdamse haven te werven. Zijn vrouw en hij hadden met enkele onderbrekingen altijd royaal geleefd en volgens mijn moeder ‘schandalig’ veel geld aan eten en kleding uitgegeven. Hun uiterlijk weerspiegelde hun levensinstelling. Mijn grootmoeder was een keurig, meestal in het zwart gekleed oud dametje dat vaak een hoed met voile droeg, mijn grootvader een rijzige, in een driedelig pak geklede heer met een kogelbuikje. Volgens mijn vader was mijn grootvader intellectueel een absolute nul die zijn betrekkelijke succes in zaken alleen aan zijn imposante voorkomen en innemende optreden dankte. ‘Hij leest alleen de krant en de enige muziek waar hij van houdt, is marsmuziek,’ heb ik mijn vader herhaaldelijk over hem horen zeggen. Hij had gelijk, maar dit heeft nooit iets afgedaan aan de instinctieve sympathie die ik voor mijn grootvader en zijn even onontwikkelde vrouw heb gevoeld.
Het gezin waarin mijn moeder was opgegroeid, was na het faillissement van het margarinefabriekje afgezakt tot de arbeidersklasse. De ouders van mijn vader daarentegen hadden ondanks hun materiële tegenslagen maatschappelijk enig succes gehad. Zo hadden zij ervoor gezorgd dat hun enige zoon naar de mulo ging en muziekles kreeg. Hoemijn ouders elkaar hebben leren kennen kan ik niet met zekerheid zeggen. ‘Op straat, toen zij nog heel jong waren,’ werd mij verteld. Ik geloof het laatste, maar betwijfel het eerste, omdat ik mij herinner dat ik ook heb gehoord dat mijn moeder werkster in het ouderlijk huis van mijn vader is geweest. Daarom vermoed ik dat zij elkaar daar, en niet op straat hebben leren kennen.
Mijn ouders waren elf jaar verloofd geweest, op hun dertigste getrouwd en toen in het huis op de Bergweg gaan wonen. Het was een groot hoekhuis in een rij van zes, die van de weg werden gescheiden door een brede poldervaart. Een gemeenschappelijke brug gaf de bewoners van de zes huizen toegang tot de Bergweg. Aan weerszijden van de Bergweg strekten zich achter de huizen zover het oog reikte weilanden en tuinderijen uit.
In de winter van 1944 hielden de Duitsers een razzia die ten doel had Nederlandse mannen te verzamelen om als dwangarbeiders in hun land te werken. Er kwam op een dag over de Bergweg een colonne bijeengedreven Nederlandsemannen aangesjokt, geflankeerd door Duitse soldaten. Zij liepen naar alle huizen die zij passeerden omdaar te zoeken naar jonge volwassen mannen. Ik herinner mij hoe mijn vader in paniek door de achterdeur wegvluchtte. Er lag een dikke laag sneeuw. De soldaten, die ons huis binnendrongen, kwamen tot mijn verbazing al na een minuut met mijn vader terug. Toen hij was weggevoerd, hoorde ik dat hij zich in het kippenhok van de buren had verborgen, waar de soldaten hem zonder moeite hadden gevonden doordat zijn voetstappen in de sneeuw hen erheen hadden geleid. Ik herinner mij dat ik dit dom van hem vond, maar begreep dat hij geen andere keuze had gehad. Waar had hij zich anders moeten verstoppen? In de kelder? In het bezemhok in de bijkeuken? Hij zou ook daar zijn ontdekt. Nu weet ik beter: hij had eenvoudig over de weilanden kunnen wegvluchten en al honderden meters van de soldaten verwijderd kunnen zijn voor zij hem hadden gezien. Zij zouden hem nooit achtervolgd hebben omdat dit hun te veel oponthoud zou hebben bezorgd. Deze vlucht naar het kippenhok was tekenend voor mijn vader, realiseerde ik mij later: belangrijke zaken pakte hij altijd averechts aan. Hij deed precies datgene wat hij niet moest doen.
Hij kwam na een dag al terug. Doordat hij op zeventienjarige leeftijd tuberculose had gehad en daarvoor een jaar in een sanatorium in Laren had verbleven, werd hij dankzij de hulp van een welwillende Nederlandse arts afgekeurd als dwangarbeider.
Mijn vader, die niet in het verzet had gezeten, had zich na de capitulatie van de Duitsers aangemeld bij de Binnenlandse Strijdkrachten, een soort tijdelijke ordedienst. Deze strijders na de strijd droegen geen uniform, maar alleen een band met de letters ‘b.s.’ omhun bovenarm. Ik herinner mij een lachwekkende scène uit die tijd. Mijn vader, die net was teruggekomen van een rudimentaire gevechtstraining stond met zijn b.s.-band om de arm en een houten stengun in de hand in de bijkeuken en vertelde mijn grootouders, mijn moeder en mij wat hij had geleerd. ‘Als je een stengun gebruikt, moet je al schietend een sprong van een halve cirkel omje as maken. Kijk, zo!’ zei hij en maakte met de houten stengun een sprong op de plaats van links naar rechts. ‘Je moet sproeien!’ Ik zei niets. Ik was niet onder de indruk van zijn vertoning, voornamelijk omdat hij geen echte, maar een houten stengun in zijn hand had. Wat heb je daar nu aan? dacht ik. Je kunt er helemaal niets mee doen. Met het houten zwaard dat ik heb, kun je in ieder geval nog echte klappen geven. Ik vond hem een beetje belachelijk en voelde een ogenblik geen respect voor hem.
In de twee huizen naast het onze woonden grote gezinnen: het ene was katholiek en telde negen kinderen, het andere gereformeerd (maar van een andere richting dan die waartoe mijn ouders behoorden) met zes kinderen. Mijn ouders hadden weinig contact met hun buren. Vermoedelijk als gevolg daarvan trokken ook de kinderen van de andere gezinnen bij voorkeur met elkaar op. Hierbij kwam nog dat ik geen interessante speelkameraad voor hen was, omdat zij vaak naar een stuk braakliggend terrein aan de overzijde van de weg trokken en ik van mijn moeder de weg niet mocht oversteken. Ik liep met hen mee tot het eind van de brug en bleef daar staan terwijl zij doorliepen. Ik herinner mij dat ik het weliswaar jammer vond dat ik niet met hen mee kon gaan, maar gemakkelijk in mijn situatie berustte omdat ik wist dat deze van tijdelijke aard was en ik moest wachten tot ik wat ouder was. Zo leerde ik al op heel jonge leeftijd geduld te oefenen, een vermogen waar ik later in mijn leven nog veel baat bij heb gehad.
Toen ik na verloop van tijd toestemming kreeg de weg over te steken, en ik met de zes tot acht buurjongens kon spelen, had ik vaak ruziemet hen – waarover precies weet ik niet meer. Zij zagen mij als een buitenstaander. Ik was het enige kind uit het hoekhuis, had geen broers die voor mij konden opkomen, en stond voor hen onderaan in de pikorde. Omdat ik mij daar niet bij wilde neerleggen worstelde ik als krachtmeting met de zwaksten, en slaagde erin mij omhoog te werken tot halverwege de ladder. Als er een legertje werd gevormd, was ik niet meer de enige soldaat, maar kreeg een rang – niet die van generaal of kapitein, waar de oudste jongens steeds beslag op legden, maar die van sergeant of luitenant. Hoewel ik er dus in slaagde mijn positie in het groepje te versterken, voelde ik er mij niet op mijn gemak. Ik merkte steeds weer dat de anderen mij niet als één van hen zagen. Ik heb lang aangenomen dat dit het gevolg was van de uitzonderingspositie die het gezin van mijn ouders innam, maar vermoed nu dat de oorzaak ervan voornamelijk mijn eigen gedrag was. Zo kwam ik iedere keer weer in opstand tegen de onlogische samenstelling van onze legers: een echt leger, zo legde ik uit, telde meer soldaten dan officieren, maar bij ons was dit andersom. Dit soort gezagsondermijnende kritiek ergerde de andere jongens. Zij gingen er niet op in en maakten nietszeggende smalende opmerkingen. Een ervan was ‘Theo Kars, poppenkast!’, een kreupel rijmpje dat door de stompzinnigheid ervan het vage besef in mij versterkte dat ik superieur aan hen was.
Er was één spel waaraan ik, terecht, van de anderen nooit mee mocht doen: kogelknikkeren. Er werd daarbij met een stalen kogel naar een richel met stuiters gegooid die door de deelnemers waren ingelegd. Iedere speler mocht steeds één keer werpen, en als hij raak gooide zich de stuiters toe-eigenen die daarbij uit de richel sprongen. Ik werd niet als speler toegelaten omdat ik alleen over een minderwaardig soort door een gekleurde schil omhulde kalken knikkers beschikte, diemeestal uiteenspatten als ze door de stalen kogel werden getroffen. Ze waren daardoor waardeloos bij het kogelknikkeren. Ik kon ze alleen gebruiken voor het soort spel waarbij de knikkers over de grond in de richel moesten worden gerold. Ook daarbij waren mijn knikkers niet erg gewild; één knikker van de anderen was bij dit spel evenveel waard als twee van de mijne.
Voor de aanschaf van knikkers was ik afhankelijk van mijn moeder, die alle huishoudelijke inkopen deed. Ik legde haar uit waaromde kalken knikkers die zij uit zuinigheid voor mij had gekocht voor mij vrijwel onbruikbaar waren. Hoe ik ook aandrong, zij bleek onvermurwbaar: zij peinsde er niet over glazen knikkers voor mij te gaan kopen. Ik trok mij haar weigering aan omdat ik begreep dat deze niet door geldgebrek werd ingegeven, maar voortkwamuit misplaatste zuinigheid. Aan knikkers besteed geld vond zij eigenlijk verspild geld. Ik besefte toen voor het eerst dat ik een hekel aan haar had.
Mijn wens glazen knikkers te bezitten obsedeerde mij. Toen mijn ouders op een zondagmorgen na de kerkdienst met mij op koffiebezoek gingen bij geloofsgenoten die twee zoons van ongeveer mijn leeftijd hadden, toonden deze jongens mij een grote baal stuiters. Al deze stuiters waren van hen. Zij merkten dat ik onder de indruk was van hun rijkdom en stortten om mijn bewondering te vergroten de knikkers over de vloer uit. Het waren er tientallen, misschien wel meer dan honderd, allemet een verschillend, bloemkelkachtig hart. Ik zag niet alleen kleine stuiters, maar ook grote die twee- of driemaal zo veel waard waren als de kleine. Ik raakte in een roes van afgunst bij dit tafereel, en besloot mij een knikker toe te eigenen. Terwijl ik de jongens hielp bij het oprapen van de knikkers, stak ik ongemerkt een grote stuiter in het borstzakje van mijn bloes. De roes van afgunst sloeg toen om in euforie: eindelijk bezat ik een zeldzaam mooie, grote gave stuiter.
Tien minuten later stonden wij op om weg te gaan. Ik zag opeens een knikker liggen die wij bij het oprapen niet hadden opgemerkt. Toen ik bukte om hem op te pakken en aan de jongens te geven, viel de grote stuiter die ik had gestolen uit mijn borstzakje, en rolde voor ieders ogen een paar meter over de vloer. Het bloed steeg mij naar het hoofd. Hoe had ik zo onnadenkend kunnen zijn? Ik besefte niet alleen dat ik was betrapt en daarvoor zou worden gestraft, maar ook dat ik afstand zoumoeten doen van de stuiter. Ik raapte hem op en gaf hem met de andere knikker aan een van de jongens. Tot mijn verbazing reageerde het gezelschap in het geheel niet op dit voorval. Kennelijk vroeg niemand zich af wat mij ertoe had gedreven de stuiter in mijn borstzak te steken. Het enige waar de anderen vluchtig nota van namen, was het onbelangrijke feit dat er nog twee knikkers waren gevonden.
Ik voelde geen enkele wroeging over mijn daad. Ik had dan wel een kleur gekregen van schaamte, maar dat was niet vanwege mijn poging tot diefstal. Waar ik mij voor schaamde was de mislukking daarvan.

[...]

1 Een naschrift als voetnoot: Een voorwoord voor de lezer wordt gewoonlijk door de auteur achteraf geschreven. Dit voorwoord is daar een uitzondering op. Toen ik het schreef wist ik nog niet dat ik ertoe zou besluiten Casanova’s ‘technische’ aanpak over te nemen: de indeling in hoofdstukken die beginnen met een summiere aankondiging van de inhoud ervan.

Copyright © 2010 Theo Kars

Athenaeum - Polak & Van Gennep

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum