Leesfragment: Narcissus

27 november 2015 , door Maarten Schinkel
|

Deze week verschijnt de nieuwe roman van Maarten Schinkel, Narcissus, zijn eerste roman na Drie, waarvoor hij in 2008 de Selexyz Debuutprijs won. Hoofdpersoon in Narcissus is David Stresemann, die om niet te falen in zijn nieuwe baan zijn toevlucht neemt tot een medicijn dat hem belooft intelligenter te maken. Vanavond kunt u alvast een fragment lezen uit Narcissus.

 

Uit: Hoofdstuk 1

Stresemann was er eenmaal geweest, bij zijn sollicitatie. Zwartleren bank. Zwart bureau. Zwarte stoelen. Voor de rest chroom en glas. Hilferding had zijn smaak kennelijk ontwikkeld in de jaren tachtig en was daarna stil blijven staan. Stresemann had onmiddellijk de stijl herkend van zijn eigen moeder. Maar anders dan in haar ascetische praktijk, waar hij als kind zelden naar binnen mocht, was Hilferdings onderkomen behangen met foto’s van hemzelf en de topmannen uit de wereld van het grote geld. Heel Amerikaans, dacht Stresemann, die schaamteloosheid. Schaamte bestaat niet zonder publiek. Het kan alleen ontstaan als je in staat bent jezelf te zien door de ogen van anderen. Maar als die anderen je nu weinig interesseerden, hun signalen niet binnenkwamen?
      Kennelijk kwam je er in het leven ver mee door slechts te zenden, niet te ontvangen. Misschien hadden alle succesvolle mannen dat wel. Geen zelfreflectie, zo weinig mogelijk empathie, geen al te grote gevoeligheid voor de buitenwereld. Autisme, had zijn moeder hem voorgehouden, was geen aandoening die aan of uit stond. Het was een glijdende schaal. Hilferding moest ergens halverwege zitten. Keihard als het moest, joviaal en meelevend als het nodig was, maar altijd op die mechanische, ingestudeerde manier. Alsof hij had afgekeken hoe het moest, maar die vaardigheid niet van nature bezat. Egocentrisch tot aan de grens van het toelaatbare.
      ‘Ga zitten, David.’
      Stresemann zette zich schrap voor een uitbrander. Hilferding zette een vriendelijk gezicht op. Dat zei, vermoedde Stresemann, vrij weinig.
      ‘Hoe lang ben je nu hier?’
      ‘Een maand, iets meer.’
      ‘En, bevalt het je?’
      ‘Heel erg. Echt.’
      Hilferding drukte een toets in op zijn telefoon. ‘Leonie?’
      Leonie meldde zich.
      ‘Twee cappuccino.’
      Dat bedoelde Stresemann nou. Ofwel Hilferding wist dat Stresemann zijn koffie zo dronk, of de man ging er zonder nadenken van uit dat zijn gesprekspartner hetzelfde nam als hij. Stresemann gokte op het laatste.
      Toen hij nog studeerde, was hij een keer als assistent van zijn hoogleraar naar een congres geweest in York. De man was aardig, dat zeker, maar zodanig op zichzelf gericht dat hij Stresemanns bestaan soms leek te ontkennen. Als ze samen over straat liepen en zich op de weg van Stresemann een obstakel voordeed, een vuilnisbak of lantaarnpaal, dan ging de hoogleraar niet automatisch aan de kant om hem de ruimte te geven erlangs te lopen. De man hield gewoon zijn pad aan, zodat Stresemann telkens moest inhouden, om hem vervolgens op een holletje achterna te gaan.
      Hilferding rommelde wat door zijn papieren. Leonie kwam binnen met de koffie. Niet iedereen bij Hades bleek te moeten drinken uit plastic bekertjes. Toen ze verdwenen was, herhaalde Hilferding bijna mechanisch zijn introductie.
      ‘Dus je hebt het naar je zin hier?’
      ‘Zeker, meneer Hilferding. Inspirerende collega’s, spannend werk. Het is nog beter dan ik me had voorgesteld.’
      ‘Mooi, mooi. En heb je al resultaten gehaald?’
      Waarom vroeg hij dat? Hilferding kende de resultaten van elk van zijn handelaren op ieder moment van de dag.
      O, god. De Duits-Italiaanse strategie.
      ‘Het gaat. Ik moest er even in komen. De Duits-Italiaanse opzet…’ begon Stresemann, maar Hilferding onderbrak hem.
      ‘Dat komt wel goed, geloof me. Het idee klopt, en af en toe sta je gewoon even onder water. Niet erg.’
      Niet erg. Een golf van opluchting ging door Stresemann heen. Dat was het dus niet.
      ‘Dat zei Henry ook al,’ zei hij.
      Stom, om Henry erbij te halen. Onnodig ook. Zo gaf hij de indruk een beginneling te zijn die de autoriteit van anderen nodig had.
      ‘Goed,’ zei Hilferding. ‘Je bent ook nog maar net begonnen. Je bent hier omdat het tijd is om wat meer te leren over dit bedrijf.’
      Hij leunde naar achteren, zijn gezicht uitdrukkingsloos.
      ‘We zijn hier om geld te verdienen met geld. Om veel geld te verdienen met geld. En de enige manier waarop we dat kunnen, is slimmer te zijn, en creatiever, dan de concurrenten. Betere ideeën. Eerdere ideeën. Beter uitgevoerd dan de anderen doen.’
      Stresemann knikte. Standaard-Amerikaanse peptalk. Alsof andere bedrijven er anders over dachten.
      Hilferding had zijn cappuccino nog niet aangeraakt, en dat weerhield hem ervan zelf naar zijn kopje te reiken. Macht. Wonderlijk.
      ‘Je bent econometrist,’ zei Hilferding. ‘Ik hou van econometristen.’
      Stresemann was op de hoogte van die voorkeur. De helft van de jongens hier bleek het te hebben gestudeerd. Hijzelf was er laat aan begonnen. Aanvankelijk had hij gekozen voor scheikunde. Maar naarmate hem duidelijk werd wat daar later mee te verdienen viel woog de studielast steeds minder op tegen de magere beloning die de toekomst zou bieden. Stresemann hield van het vak, maar het vooruitzicht zijn verdere leven te moeten slijten in een laboratorium stond hem tegen.
      Hij stapte over naar economie, en later econometrie toen hij las over de wiskundige eihoofden die een fortuin konden verdienen in de beleggingswereld. ‘Quants’ werden ze genoemd, omdat ze kunstjes konden die niemand anders onder de knie had. Ingewikkelde formules, kansrekening. Een bèta zou het nergens zo goed hebben als op de beurzen. En je kon er ook zo fijn bij wegdromen.
      Hij schrok op en zag dat Hilferding hem al een tijdlang met interesse gadesloeg.
      ‘Vind je jezelf intelligent?’ vroeg de man.
      ‘Ja.’
      Hij kon er bescheiden over doen, maar daar kwam hij hier toch niet mee weg. Beter maar naar waarheid antwoorden. Ja, hij was intelligent. Zeer intelligent zelfs, als hij de cijfers moest geloven. Een mathematische geest én een goed gevoel voor taal. Als je dat allebei had scoorde je belachelijk hoog op alle tests. David Stresemann scoorde belachelijk hoog.
      ‘Briljanter dan de rest hier?’
      ‘Ik heb nog een hoop te leren.’
      Valse bescheidenheid. Maar Hilferding zou het herkennen als valse bescheidenheid, en ervan uitgaan dat David dat weer van hem wist. Zodat het maken van de opmerking alsnog ootmoedig zou overkomen.
      ‘Dat heb je zeker.’
      Hilferding had gelijk. Dit was de eerste omgeving waarin Stresemann zich niet van meet af aan superieur voelde, en dat was wennen. Hij realiseerde zich dat hij zich in een nieuwe fase bevond, de volgende trede op een trap die hem steeds dichter bij zijn gelijken bracht. Daar waar hij echt thuishoorde. Kop en schouders op de basisschool, duimendraaiend op het gymnasium, wat meer moeite bij scheikunde en af en toe blokkend op de faculteit econometrie.
      Hades was anders. De mannen en vrouwen tussen wie hij hier vertoefde, waren vooralsnog zijn meerderen, en Stresemann wist nog niet of dat kwam doordat ze simpelweg meer kennis en ervaring hadden, of dat ze hem werkelijk overklasten. Het had hem de afgelopen maand onzeker gemaakt over zijn vermogens, en dat gevoel was nieuw.
      Hilferding reikte naar zijn cappuccino, Stresemann deed onwillekeurig hetzelfde.
      ‘David, jongen. Ik ben niet snel van iemand onder de indruk,’ zei de man tegenover hem, terwijl hij over zijn kopje keek.
      Stresemanns pols versnelde in verwachting van het compliment.
      ‘En dat geldt helaas ook voor jou.’
      Dat kwam aan.
      ‘Wat je hebt uitgedacht, is aardig.’ ging Hilferding verder. ‘Meer niet. Het kan werken, en kan ook mislukken. Je moet beter, Stresemann. Ik heb hoge verwachtingen van je, en ik word niet graag teleurgesteld.’
      Stresemanns hand bevroor terwijl het kopje zich op tien centimeter van zijn mond bevond.
      Tóch.

 

 

Henry keek glimlachend opzij toen Stresemann zich in de stoel naast hem liet zakken.
      ‘Overleefd?’
      ‘Nauwelijks,’ zei Stresemann. Hij had zich graag grootgehouden, maar hij was nooit goed in staat geweest zijn emoties te verbergen. Uiterlijke onbewogenheid was een eigenschap die hij graag van zijn moeder had geërfd, maar tot zijn spijt was hij net als zijn vader een open boek. Bovendien gaf Henry, de adjudant van Hilferding, de indruk al lang op de hoogte te zijn.
      ‘Geen nood,’ zei Henry, met een half oog op de schermen vóór hem. ‘Dit doet hij met iedereen als ze er een maand zijn. Het houdt ze scherp.’
      ‘Ik vond het heftig.’
      ‘Wat zei hij precies?’
      ‘Dat ik beter moet. Dat hij niet onder de indruk is. Geen concrete suggesties.’
      Henry’s gezicht betrok.
      ‘Biertje, na het werk?’
      Stresemann knikte dankbaar.

 

Twee roodomrande ogen keken terug toen David Stresemann voor de spiegel op het toilet van café Schindler met beide handen een plas water in zijn gezicht kletste. Hij was áf. Wall Street was bij opening totaal de andere kant op gegaan dan de Europese handel had gesuggereerd, en ze hadden hun posities eerst paniekerig op orde moeten brengen voordat ze weg konden. Het was half tien, de werkdag had meer dan veertien uur geduurd.
      Hij nam een stap terug, bekeek zijn spiegelbeeld en zag het wonderlijke wezen dat David Stresemann heette. Lang, op het slungelige af, met een open, vriendelijk gezicht en een slag in het zwarte haar. Hoewel hij de dertig gepasseerd was, zag hij er nog steeds uit als een puber in een trouwpak, met een slimme blik, waarover nu een waas van vermoeidheid lag. Goddank begon het weekend.
      Henry wachtte aan het tafeltje dat ze hadden weten te bemachtigen. Stresemann haalde op de terugweg twee bier en zette ze naast de viltjes. Henry zette ze erop.
      ‘Je hebt gelijk. Het is heftig. Meestal is Hilferding wat minder direct.’
      Stresemanns hart sloeg over. Niet trots zijn nu.
      ‘Hoe ging dat bij jou destijds?’
      ‘Hetzelfde. Maar als ik eerlijk ben, was hij toen wel milder.’
      ‘Hoe lang is dat geleden?’
      ‘Drie jaar, op de kop af. Hilferding was net begonnen. Hij had ontslag genomen bij een Amerikaanse zakenbank waar hij helemaal was binnengelopen op een grote deal. Zo gaat het vaker. Zulke mannen nemen een aantal grote klanten mee, ook al verbiedt hun contract dat, en starten een hedgefonds voor zichzelf.’
      Henry rekte zich uit.
      ‘Ik was de eerste die hij aannam.’
      Misschien was Hilferding toen minder kritisch, bedacht Stresemann, maar dat hield hij voor zich. Henry kwam het dichtst in de buurt van wat hij een vriend zou kunnen noemen bij Hades.
      ‘Wat denk je dat hij van me verwacht?’ vroeg Stresemann.
      ‘Een briljant idee. Iets wat we hier nog niet verzonnen hebben en wat Hades heel veel geld oplevert.’ Henry zuchtte. ‘Ik geef toe, dat is lastig.’
      Henry tikte zijn glas tegen dat van Stresemann en nam een teug.
      ‘Vraag je je nooit af hoe we het allemaal volhouden, dag in dag uit?’
      Stresemann glimlachte. ‘Ik geef toe dat ik na een maand de uitputting al zo’n beetje nabij ben.’
      Henry trok een welwillende grimas terug. ‘Zeg dat nooit, ik bedoel: nooit, tegen iemand anders. En eigenlijk al helemaal niet tegen mij. Oprechtheid is een goede eigenschap, maar niet hier. Je bent sterk, er is geen probleem. Begrijp je dat?’
      Stresemann haalde diep adem. ‘Misschien ben ik wel niet hard genoeg voor dit beroep.’
      ‘Dat ben je wel, Stresemann. Of laat ik het omdraaien. Wij zijn allemaal ook maar mensen. Als je hier veertig wordt, dan ben je stokoud.’
      Stresemann keek naar de bronzen kop van Henry. De zoon van, zo wist hij van de schaarse persoonlijke details die hij tot nu toe had opgevangen, een Antilliaanse vader en een Nederlandse moeder. Uiterlijk onbewogen, alsof dat in deze handel een eigenschap was die je na verloop van tijd vanzelf kreeg. Onberispelijk en verzorgd, tot aan zijn gemanicuurde nagels toe. Hij vroeg zich af waar Henry zijn ongenaakbare, geordende karakter vandaan had. Stresemann was op het slordige af, behalve waar het zijn werk betrof.
      Henry ging naar achteren zitten.
      ‘Ik zal je twee dingen vertellen die je gerust zullen stellen, en één waar je je zorgen over moet maken. Voorkeur?’
      ‘Doe het slechte nieuws maar eerst.’
      ‘Oké. Je zult binnen een week met een idee moeten komen, een laaiend goed, ongekend briljant idee waar zelfs Hilferding van onder de indruk is.’
      ‘En het goede nieuws?’
      ‘Het was voor iedereen zwaar in de eerste maanden. Ook voor mij. Sport veel, slaap acht uur, ook al betekent dit dat je om tien uur ’s avonds naar bed moet. Dan maar even geen bruisend privéleven. Als deze baan je dat waard is.’
      ‘Dat is hij, weet dat. Dit is de kans van mijn leven.’
      Henry zweeg.
      Stresemann keek hem verwachtingsvol aan. ‘En het andere goede nieuws?’
      ‘Kun je een geheim bewaren?’
      ‘Natuurlijk.’
      ‘Ik bedoel écht. Iets wat je aan werkelijk niemand mag doorvertellen, ook niet aan je lief, je boezemvriend, je maîtresse, je arts of je psycholoog?’
      ‘Die laatste heb ik niet, maar: ja. Mijn lippen zijn verzegeld.’
      ‘Zeker?’ zei Henry.
      ‘Erewoord.’
      Henry haalde diep adem, als om tijd te winnen en zijn formulering zo accuraat mogelijk te kiezen.
      ‘Heb je wel eens gehoord over het gebruik van studieverbeterende medicijnen op Amerikaanse universiteiten?’
      Stresemann haalde zijn schouders op. ‘Ik heb zat vrienden die een jaar in de Verenigde Staten gestudeerd hebben en terugkwamen met verhalen over het massale gebruik van speed om de hele nacht te kunnen doorstuderen.’
      ‘Gebeurt in ons vak ook. Speed, cocaïne, noem het maar. Wel eens gehoord van geheugenverbeterende medicijnen?’
      ‘Vaag. Ik betwijfel trouwens of dat wel werkt.’
      ‘Er geloven veel mensen in. Er zijn volksstammen die ze slikken, en al helemaal in onze bedrijfstak.’
      ‘Gebeurt dat allemaal ook bij Hades?’
      Henry trok een afkeurend gezicht. ‘Ben je gek? Speed en coke zijn verslavend en misleidend. Ze maken overmoedig, verminderen de zelfkritiek. Veel te riskant. Als Hilferding het van iemand zou merken, dan staat die een kwartier later op straat.’
      ‘En die geheugenverbeteraars?’
      ‘Zinloos. Als je een studieboek in je hoofd moet stampen, dan hebben ze in theorie wel nut, áls ze al werken. Maar bij ons gaat het daar niet om. Onze voorsprong halen we ergens anders vandaan.’
      Stresemann dacht aan Hilferdings afgezaagde woorden. ‘Slimmer zijn dan de anderen?’
      ‘Exact. In onze handel gaat het erom de anderen vóór te zijn, nét iets eerder op het idee te komen dan de rest.’
      ‘Jammer dat daar nog niets voor is uitgevonden,’ zei Stresemann.
      Henry ontblootte zijn tanden in een glimlach en bracht zijn hand naar de binnenzak van zijn colbert. Hij boog zich naar Stresemann tot hun neuzen elkaar bijna raakten.
      ‘Als je hier iemand ook maar één woord over vertelt, dan komt Hilferding je persoonlijk een bijzonder onaangenaam einde bezorgen. Begrijp je dat?’
      Zelfs zijn adem rook onberispelijk. Stresemann knikte zwijgend. Sterven door de hand van Hilferding moest bijzonder onprettig zijn. Onder tafel drukte Henry hem een plastic strip in de hand.
      ‘Welkom bij Hades, David Stresemann. De slimste jongetjes van de klas.’
      Henry stond op en trok zijn jas aan.
      ‘Het is er één. Morgen innemen voor het avondeten. En je weet het, hè?’
      Stresemann knikte. Hij hield de strip zo stevig omklemd dat de scherpe plastic rand zich in zijn handpalm boorde. De man die zojuist nog tegenover hem had gezeten begon zich een weg door de menigte naar buiten te banen.
      ‘Wacht even! Hoe werkt het? En hoe snel?’
      Henry keek om. ‘Dat merk je vanzelf.’

© Maarten Schinkel, 2010
© Auteursfoto: Martijn de Vries

Uitgeverij Meulenhoff

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum