Leesfragment: Nero, de bloedige dichter

27 november 2015 , door Dezso Kosztolányi

Begin maart verschijnt de vertaling (door Rogier van der Wal) van Dezso Kosztolányi, Nero, de bloedige dichter, een historische roman van de auteur van Anna, Kornél Esti en Leeuwerik. Vandaag kunt u al de eerste pagina's lezen.

Nero, de bloedige dichter (oorspronkelijk uit 1924) is Kosztolányi’s meesterlijke psychologische portret van de Romeinse keizer Nero, waarin de klassieke Hongaarse schrijver het bekende verhaal van het gemankeerde kunstenaarschap op originele en sprankelende wijze verbeeldt.

I
Drukkende hitte

Er was alleen een slaperige stem te horen.
‘Kersen,’ klonk het onvermoeibaar, ‘kersen.’
De straathandelaar, die in zijn kleine kraam op de fruitmarkt stond, probeerde al sinds de vroege ochtend tevergeefs zijn kersen aan de man te brengen.
Het was zo warm dat er zelfs hier, op het Forum Cupidinis, een geliefde plaats voor snoepers en fijnproevers, nauwelijks mensen liepen. Het plein was helemaal uitgestorven.
Een huursoldaat, die toevallig voorbijkwam, wierp een blik op het wormstekige fruit en slenterde lusteloos verder. Een paar stappen verderop bleef hij staan bij een kraam waar water met honing werd verkocht. Hij telde wat kopergeld neer en slurpte op zijn gemak van de verkwikkende drank.
Nergens was een draagstoel te zien.
Even later verschenen er een jongen en een meisje die dit verstikkende uur hadden uitgekozen voor een afspraakje. Ze pakten elkaars hand en renden in liefdevolle verstrengeling in het zonlicht naar nog uitgestorvener straten waar niemand wakker was.
Nadat de aedilis de prijzen had geïnspecteerd en was vertrokken, ging de koopman, een oude slaaf, op de grond liggen. Hij keek naar de gele koeken en zoete broodjes die waren overgebleven. Daarna wierp hij een vermoeide blik op de heuvel vóór hem, waar hij de tempels van Augustus en Bacchus zag, de kazerne van de lijfwachten en enkele soldaten die rondliepen bij het vroegere paleis van Tiberius, waarin nu de oude Claudius woonde, en hij bedacht dat die het nu in elk geval niet zo warm zou hebben als hij. Zo was het nu eenmaal, alleen de keizer had het goed voor elkaar. En de bedelaars. De keizer rustte uit in zijn koele vertrekken; de bedelaars lagen met wijd open mond te snurken onder een palmboom.
Deze zomer was het waterpeil in de Tiber flink gedaald. Tussen de steile oevers was de met steentjes bedekte bedding zichtbaar, het modderige water zocht zich snel en onrustig een weg. De hitte nam nog verder toe. Nevel zweefde boven de heuvels, er was geen zuchtje wind. Sommige steegjes stonken door alle vuil en viezigheid als het hol van een leeuw.
Het weinige geluid dat er was — het knarsen van wielen of, in de verte, de schorre blaf van een hond — ging op in de stilte en maakte de vroege namiddag alleen maar nog lomer.

II
Het wonder

Hoog op de Palatijn stond het keizerlijk paleis in de gloed van de brandende zon.
In het dormitorium lag de oude keizer Claudius. Zijn hals was bloot, zijn haar lag slordig over zijn voorhoofd. Ook hij was door slaap overmand. De laatste tijd kon hij zelfs het einde van de middagmaaltijd niet halen. Aan tafel werd het eten in zijn hand koud en vielen zijn ogen dicht. Een poosje maakten zijn tafelgenoten zich vrolijk over hem, gooiden met olijven en dadelpitten. Daarna brachten ze hem naar zijn slaapkamer.
Nu was hij wakker aan het worden.
Er liep wat speeksel uit zijn mond na het aangename dutje. ‘Dat was een mooie droom,’ zei hij en hij keek om zich heen. In de kamer was verder niemand. Alleen een vlieg vloog zoemend heen en weer en landde toen op zijn tunica.
De vlieg kroop over zijn arm en ging op zijn neus zitten. Hij joeg hem niet weg, maar mompelde iets, waarbij zijn lippen een smakkend geluid maakten. Het beviel hem wel dat dit brutale vliegje durfde neer te strijken op het keizertje.
Hij voelde dat hij dorst had gekregen.
‘Hé,’ riep hij, ‘water, geef me water,’ en hij gaapte.
Hij wachtte een tijdje, geduldig. Er kwam niemand.
Even later, luider: ‘Water, geef me eindelijk water!’
Ook daarna kwam er niemand in beweging.
Slaven had hij niet meer. Zijn vrouw Agrippina had hem de laatste jaren geleidelijk zijn lijfwachten, zijn troepen en zijn persoonlijke bewaking afgenomen, zo geleidelijk dat hij het niet had gemerkt. Claudius berustte in de nieuwe situatie. In zijn eentje slenterde hij door zijn paleis, hij was niet eens ontevreden. Het enige wat hem nog bezighield, was wat hij voor zich zag. Zijn geheugen was zozeer verzwakt dat hij alles wat er gebeurde meteen weer vergat.
Toen zich na zijn geroep nog steeds niemand vertoonde, was hij al vergeten waar hij om had gevraagd. Hij keek naar de muur, de draperieën en de vloer. Daarna dacht hij aan pasteitjes en aan wijn, aan Lybische vijgen en fazanten, aan koetsiers en zwepen. Hij lachte inwendig, goed gehumeurd, zoals gewoonlijk. Later, toen hij ook hier genoeg van kreeg en hem helemaal niets meer inviel, riep hij uit: ‘Ik heb dorst’, en hij zong ‘do-horst’.
Er kwam een jonge, slanke knaap binnen, nauwelijks zeventien jaar oud. Zijn roze gezicht straalde rust uit en werd omlijst door blond haar, dat hij op jongensachtige wijze over zijn voorhoofd had gekamd. Hij kwam van buiten, uit het zonlicht en werd verblind door het donker. Bovendien was hij bijziend, zodat hij onzeker naar voren schuifelde. In zijn blauwe ogen lag een dromerige waas.
‘Hebt u om water gevraagd?’ vroeg hij, terwijl hij met zijn ogen knipperde.
‘Ja, mijn jongen,’ zei Claudius en hij keek hem aan, ‘een beetje water.’
Claudius zag nu pas dat het zijn adoptiefzoon was die voor hem stond, de jonge prins. Dat deed hem goed.
De jongen was in het paleis eigenlijk de enige met wie hij nog kon spreken, de anderen namen geen notie van hem. Maar Nero had medelijden met de grijsaard en omringde hem demonstratief met zijn liefde, omdat het hem edelmoedig voorkwam om zich te verzetten tegen de spot waarmee de anderen de afgeleefde oude man gewoonlijk bejegenden. Bovendien hoorde hij van Claudius allerlei interessante dingen over de Etruskische geschiedenis, waarover de keizer ooit een boek had geschreven. Daar luisterde hij graag naar.
Claudius pakte de hand van de jongen en trok hem naast zich op de slaapbank. Hij prees zijn haar, dat in krullende en weelderige lokken naar beneden viel, prees zijn toga en zijn spieren. Hij betastte ook zijn arm, maar niet onbetamelijk, want de keizer viel niet op jongens. Hij sprak voortdurend alleen maar over Nero, hij zei onzinnige dingen, van de hak op de tak, wat er maar in zijn hoofd opkwam. Hij beloofde hem van alles en prees hem de hemel in.
Toen verscheen van achter een gordijn de keizerin. Zij dook vaak onverwacht op in allerlei uithoeken van het paleis, alsof ze altijd en overal aanwezig was. Voor het bed bleef ze staan.
Agrippina was ook nu nog een prachtige vrouw. Rijzig en sierlijk. In haar blik lagen de zoete zonden van haar hartstochtelijke jaren. Ze had een koene, enigszins mannelijke mond. Haar gezicht was bleek.
‘Zijn jullie hier?’ vroeg ze verrast, en geprikkeld keek ze hen beiden indringend aan.
Claudius en Nero wisten wat dat betekende: de keizerin zag hen niet graag samen. Met moeite had ze weten te bereiken dat Claudius zijn zoon Britannicus onterfde en Nero adopteerde, en de drie jaren die sindsdien waren verstreken, waren een en al strijd geweest. Britannicus’ entourage roerde zich. Agrippina vreesde dat Claudius spijt zou krijgen van zijn belofte en die op enig moment zou intrekken.
Op dit ogenblik overwoog ze dat alles. Waarover konden die twee spreken? Ze kende haar zoon. Hij was ongevoelig voor macht, was liever met boeken in de weer. Haar mond bewoog van opwinding, ze keek hem streng aan. Hij zou alles nog bederven.
Het moment leek geschikt. Er was niemand in het paleis. Narcissus, de favoriete vrijgelatene van de keizer, die steeds in zijn buurt rondhing, was naar Sinuessa gegaan; Polybus, Felix en Posides, de mannen van de tegenpartij, waren niet hier. Dit was geen moment om te talmen.
Ze deed een stap dichterbij.
Claudius sprong op. Hij liep heen en weer alsof hij zich ergens wilde verstoppen. Nero, die zijn verwarring bemerkte, wendde zich tot de lijfwachten die de keizerin vergezelden.
‘De keizer vroeg iets te drinken,’ zei hij.
Een van de lijfwachten wilde al gaan, toen Agrippina hem een wenk gaf.
‘Laat mij maar,’ zei ze en ze kwam snel weer terug.
Ze bracht water in een pompoenschil en reikte het haar man aan. Claudius had de drank nauwelijks naar zijn mond gebracht of hij viel languit neer op de marmeren vloer.
‘Wat gebeurt hier?’ vroeg Nero.
‘Niets,’ zei Agrippina kalm.
Nero keek naar de pompoenschil die op de grond lag. Daarna keek hij weer naar zijn moeder, met stille afschuw.
‘Maar... hij gaat dood!’ zei hij.
‘Laat hem maar,’ zei zijn moeder en ze greep de hand van haar zoon.
Claudius bleef liggen en stond niet meer op. Zijn dikke rode nek was wit geworden, zijn mond hapte naar lucht. Zijn haar was doorweekt van zweet.
Nero boog zich haastig over hem heen, om tenminste met zijn lippen Claudius’ laatste adem op te kunnen vangen, de adem die stokte, de ziel die wegvloog.
‘Ave!’ schreeuwde hij, volgens de rite. ‘Ave!’ riep hij nogmaals, als tegen iemand die vertrekt.
‘Ave!’ zei zijn moeder kalm, spottend.
Het lichaam bewoog niet meer. Nero wachtte even. Daarna sloeg hij beide handen voor zijn gezicht en wilde naar buiten rennen.
‘Blijf hier,’ zei zijn moeder, die nu overeind kwam. Zij was ook bleek, net als de dode.
‘Was hij ziek?’ vroeg Nero.
‘Weet ik veel.’
‘Ik denk dat hij ziek was,’ stamelde de jongen, alsof hij een verklaring zocht voor wat hij had gezien.
Agrippina was al bezig maatregelen te treffen. Haar stem was op de gang te horen: ‘Sluit alle deuren. Waar zijn Britannicus en Octavia? Waar zitten ze?’
Soldaten liepen alle kanten op, zwaarden rammelden. De keizerin liet Octavia, die al een jaar Nero’s vrouw was, en prins Britannicus naar een zaal brengen en gaf bevel hen daar op te sluiten.
Nero bleef in de kamer.
Hij keek naar de dood, in al zijn eenvoud.
Het lichaam bewoog niet meer. Het werd bij wijze van spreken één met de aarde, met alles eromheen. Het gezicht was verbleekt, misschien wel van schrik, de oren waren marmerachtig geworden, de neus puntig. Alleen het haar, de grote grijze haardos, was de oude gebleven, en de wenkbrauwen die zich onheilspellend rustig en onaangedaan welfden boven zoiets geheimzinnigs als hier was gebeurd.
Lange tijd bewoog ook Nero zich niet. Hij had nog nooit iemand zien sterven. Alleen in boeken had hij erover gelezen.
Hij was verbijsterd, alsof hij een wonder had gezien. Het enige wonder dat nog onbegrijpelijker was dan een geboorte.
Hij week niet van het lichaam, ook niet toen de afleggers kwamen, die het wasten, met olie en zalven insmeerden en het een linnen gewaad aantrokken. Een beeldhouwer goot hete was over het koude gezicht om het dodenmasker te prepareren.
Het paleis werd al verduisterd met dennentakken. Cipressenloof bedekte de vestibule. Lictoren stonden op wacht, met gouden bijlen en roedenbundels, de muren werden snel met zwart bekleed. De meest bedreven mensen van de begrafenisonderneming waren aan het werk. Van achter elke deur was rouwbeklag te horen, gezucht en gefluister. Priesteressen baden tot de godin van de dood, Venus Libitina.
De dode lag opgebaard.
‘Waar kijk je nog naar?’ zei zijn moeder tegen Nero. ‘Hij is dood, klaar.’
Agrippina greep zijn beide armen stevig vast en keek hem doordringend aan. ‘Jij moet de grafrede uitspreken.’
‘Ik?’ zuchtte hij.
‘Vanaf het Forum.’
‘Maar. . .’
‘Seneca zal hem wel schrijven.’
‘Maar ik kan niet spreken.’
‘Je draagt hem voor. Mooi, met luide stem. Heb je me begrepen?’
Nero’s adem stokte in zijn keel.
Op de dag van de begrafenis werd de dode naar het Forum gebracht. Daar droeg Nero vanaf de rostra geroerd de grafrede voor. De troepen van de lijfwachten defileerden driemaal voor de baar langs.
Vijfduizend wagens deden wolken stof opwaaien. De stoet was zo lang dat men het eind ervan niet kon zien. Paarden hinnikten, voetgangers schuifelden, klaagvrouwen jammerden en krabden hun gezichten tot bloedens toe, vrijgelaten slaven droegen hoog boven hun hoofd standbeelden en afbeeldingen van de overledene, acteurs imiteerden zijn doodskreet, terwijl de bij de rouwplechtigheid horende clowns de dood verzinnebeeldden, tot vermaak van de menigte, loensend en grimassend, zodat er in hun kielzog een luid lachsalvo losbarstte, en alle instrumenten klonken: hoorns, trommels, harpen en duizenden fluiten, die de lucht deden zinderen van een onverdraaglijk lawaai. Daarna besprenkelden de priesters de menigte met water en deelden olijftakken uit als teken van vrede.
Keizer Claudius werd onmiddellijk tot god verklaard.

III
De jonge keizer

De volgende morgen, toen hij nog nauwelijks aangekleed was, hoorde de prins rumoer op de paleistrappen. Soldaten stroomden de hal in en riepen zijn naam. Hij wist niet goed wat dat betekende. Hij was nog niet bijgekomen van de verbijstering van de vorige dag.
Een paar hoge officieren grepen de blonde jongen en namen hem mee alsof hij een ding was. Eenmaal buiten werd Lucius Domitius Nero, Claudius’ adoptiefzoon en erfgenaam volgens het troonopvolgingsrecht, door het leger uitgeroepen tot keizer.
Op dezelfde manier als ze hem meegenomen hadden brachten ze hem terug.
Ze brachten hem naar een grote zaal, die hij tot dan toe nog nooit had gezien. Daar stond op de marmeren vloer een lange tafel, met eromheen brede, hoge stoelen waarin degenen die erop zaten bijna wegzonken. Zijn moeder begeleidde Nero naar een stoel. Hij ging erop zitten en leunde met zijn ellebogen op tafel, verstrooid. Hij prutste onhandig aan zijn zwaard, dat nu voor het eerst aan zijn zij hing; hij vond het zwaar en ongemakkelijk.
In de zaal werd hij opgewacht door veldheren en generaals die de toestand van het rijk zaten te bespreken. Nero bekeek hen vermoeid. Ze waren bijna allemaal grijs en kaal. De tijd had hun lichamen versleten, het soldatenleven had hen verruwd. Hun koppen waren lelijk, zielloos. Vespasianus, die tegenover hem zat, keek nerveus en eerbiedig naar hem op. Rufus deed alsof hij ingespannen nadacht. Scribonius Proculus had een rode en behaarde neus.
Domitius Corbulo, overigens een verwant van Cassius, zag er nog het verstandigste uit. In zijn adelaarsogen lagen waakzaamheid en opmerkzaamheid. Burrus, de commandant van de lijfwacht, was de belichaming van toegewijde trouw, van eer en oprechtheid, iemand die rustig op zijn doel afgaat. Alleen Pallas, de opzichter van de staatskas, was nog jong. Hij sprak geaffecteerd en lispelde een beetje. Hij kleedde zich met pijnlijke deftigheid, de adel na-apend. Je kon merken dat hij was opgeklommen vanuit de slavenstand.

[...]

Oorspronkelijke titel en uitgave Nero, a véres költõ, Lazi Könyvkiadó, 2002
Nederlandse vertaling © 2010 Rogier van der Wal / Uitgeverij Van Gennep

Uitgeverij Van Gennep

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum