Leesfragment: Pierre Kemp. Een leven

27 november 2015 , door Wiel Kusters
| | | |

Op 30 mei verscheen bij uitgeverij Vantilt de biografie door Wiel Kusters van de dichter Pierre Kemp (1886-1967). Vanavond kunt u er een fragment uit lezen.

Kemp debuteerde in 1914 met de bundel Het wondere lied. Afkomstig uit een Maastrichts arbeidersgezin en sinds zijn dertiende werkzaam als plateelschilder bij de Société Céramique, kon hij in 1913 door toedoen van de jezuïetenpater Jos. van Well, die daartoe fondsen bijeen had gebracht, de fabriek verlaten om zijn schilderkunstig talent tot verdere ontwikkeling te brengen. In de loop van 1914 echter werd het Van Well duidelijk dat er in Pierre Kemp eerder een groot dichter school dan een belangrijk schilder. De pater maakte een keuze uit het literaire werk van zijn pupil en zocht een uitgever.

Over uitgeversbedrog en een doortastend opererende jezuïetenpater. Over de verkoop van boeken in een sigarenzaak.

In november 1914 waren de voorbereidingen voor de uitgave van Het wondere lied in volle gang. Uitgever werd de boek- en papierhandel M. Gerrese in Heerlen. De weg naar deze weinig bekende uitgever zal via pater Van Well hebben gelopen. Blijkens een brief die hij op 17 november aan Kemp schreef, had Van Well met Gerrese afspraken gemaakt over de drukproeven: één stel voor hem, één voor de dichter.

Wie in bibliotheekcatalogi op zoek gaat naar producten van Gerreses uitgeversactiviteiten, komt terecht bij een werk als Wegwijzer door het evangelie door H. Lesêtre (1913). Of bij het uit 1914 daterende De roman van een missionaris door G. Sagehomme (een jezuïet), uit het Frans vertaald door H. Kämpfer. En De godvruchtige vereerder van Jezus Heilig Hart. Devotieboekje, vooral ten gebruike van de leden der Eerewacht en het Genootschap van het H. Hart van Jezus door Joan M. Pluym. Of van C. Blankevoort, hoofdingenieur der mijnen, Onze Limburgsche steenkolen 91915). Al met al geen fonds waarin je een gedichtenbundel denkt tegen te komen.

Wat de zakelijke kant van de uitgave betreft, was nog niets geregeld op het moment dat er al zetproeven lagen. Pater Van Well raadde Kemp aan, zelf een conceptcontract voor Gerrese op te stellen. De uitgever mocht zelf ook wel een voorstel doen, maar Pierres beschermer stond erop dat goed te keuren. In geen geval mocht de uitgever zelf het boekhandelspercentage van de verkoopprijs incasseren over exemplaren die hij rechtstreeks aan particulieren verkocht.

Het wondere lied verscheen kort voor Kerstmis 1914. Op de titelpagina van het voor pater Van Well bestemde exemplaar had Pierre Kemp zijn erkentelijkheid tot uitdrukking gebracht:

Aan mijn artistieken weldoener,
die mij in een rijk van Schoonheid binnenleidde,
van den schrijver, uit dankbaarheid
voor alle nimmer te vergelden, onstoffelijke
en stoffelijke weldaden, die U hem bewe-
zen hebt. P. Kemp

Aangezien Gerrese als literair uitgever geen naam had, was het noodzakelijk dat pater Van Well de promotie ter hand nam. In gloedvolle spreekbeurten maakte Van Well zich breed voor de jonge dichter Kemp en hij schakelde zijn netwerk in om besprekingen geplaatst te krijgen. Het wondere lied verkocht goed, Van Well zag zijn zendingsdrang ruimschoots beloond. Van de officiële oplaag van 650 exemplaren waren een half jaar na verschijnen nog maar 35 over. Pierre Kemp zou daarvoor van de uitgever ƒ 227,82 ½ moeten ontvangen.

Maar Gerrese had, naar in oktober 1915 duidelijk werd, stiekem 250 bundels laten drukken boven de officiële oplaag en die extra exemplaren, in de woorden van pater Van Well, ‘voor 60 ct per stuk verpatst aan een boekhandel’. ‘Hij heeft bekend (wat ik al lang vermoedde) dat hij ons bedrogen en bestolen heeft.’

Een en ander betekende dat Pierre nog minstens 150 gulden moest ontvangen bovenop het eerder berekende bedrag. Maar de pater was op het oorlogspad. Hij streed niet alleen tegen een uitgever, maar ook vóór de rechtvaardigheid. Als het aan hem lag, zou Kemp zelfs 180 gulden moeten ontvangen, minus tien procent advocatenkosten. En eigenlijk moest Gerrese ook maar voor de kosten van de advocaat opdraaien.

Van Well nam de zaak hoog op. Weliswaar kreeg Gerrese na zijn bekentenis de belofte dat er geen ruchtbaarheid zou worden gegeven aan zijn bedriegerijen, maar Van Well sprak er ook de vrouw van de uitgever op aan. Die trok het zich bijzonder aan dat haar man zich aan dergelijke praktijken schuldig had gemaakt. ‘Maar ze zei: “Pater, ’t is zoo verleidelijk voor uitgevers; en ik weet het: ze stelen allemaal en bijna geen enkele uitgever is in dat opzicht onschuldig; ’t is zóó’n gewoonte geworden, dat ze ’t zelf niet meer voor ongeoorloofd houden.”’

Er viel, aldus Van Well, iets te leren uit deze affaire. Zij moesten van nu af aan geen enkele uitgever meer vertrouwen. Pierre Kemp moest de uitgever worden van zijn eigen werk. ‘Boeken uitgeven is een veel winstgevender zaakje dan de uitgevers willen laten voorkomen. Van Het Wondere Lied zijn nu toch bijna 800 exemplaren verkocht. Wij hadden ’t zelf kunnen exploiteeren: 1000 exemplaren laten drukken; en dan hadden we meer dan 700 gulden aan dat boek verdiend.’

De zakelijke verhouding tussen uitgever en dichter had van meet af aan iets schimmigs. Zoals in die dagen niet ongebruikelijk was, had Pierre zelf geld in de uitgave gestoken. Nu ja, zelf... Honderdvijftig gulden, voorgeschoten door de jezuïeten. Dit bedrag, dat door de exploitatie van de bundel werd terugverdiend, kon al in juni 1915 worden terugbetaald. Tegenover deze investering in Het wondere lied moet, naar een kleine berekening duidelijk maakt, een aandeel in de opbrengst hebben gestaan van vijftig percent van de verkoopprijs, die een gulden per bundel bedroeg.

Het idee om Pierre Kemp tot uitgever te maken van zijn eigen werk, had Van Well onmiddellijk besproken met pater Van Ruth, die in Maastricht Pierres primaire verbindingsman met de jezuïeten was en waarschijnlijk ook zijn biechtvader. Daarna had hij, voortvarend als altijd, een ‘conferentie’ gehad met een bevriende industrieel, de Eindhovense sigarenfabrikant Frans van Gardinge. En daarvan was het volgende visioen het resultaat:

Jij zoekt in Maastricht of ergens in ’t zuiden van Limburg (liefst in Maastricht) een huisje tusschen ’t station en ’t Vrijthof en huurt dat, en in dat huisje richt je op een sigarenwinkel èn een kunst- en boekwinkel; je hangt daar n.l. je eigen schilderstukjes te koop en je eigen boeken. Verder is je winkeltje vol sigaren [uit de fabriek van Van Gardinge].

Dat winkeltje moet goed gaan! Je hebt smaak om te etaleeren. Je kunt zelf het winkeltje mooi decoreeren (decoratief opschilderen). Je hangt er van buiten zelfgeschilderde reclamenborden tegen! Je maakt het interieur bevallig en interessant door je geëxposeerd en te koop geboden schilderwerk en door je boeken. De menschen zeggen: ‘Daar woont een artist, die sigaren verkoopt. We moeten bij hem gaan koopen.’

Van Well trachtte Kemps reactie voor te zijn, door aan dit alles toe te voegen dat het hem allemaal ‘opdringerig en gek en mal’ in de oren zou klinken, maar ‘de wereld is nu eenmaal zoo dat ze alleen de potsenmakers geld wil laten verdienen. De wereld vindt het misschien onfatsoenlijk reclame te maken voor kunst, maar ze vindt het hoogst-fatsoenlijk reclame te maken voor sigaren. Doe dat dus gerust.’

Van Wells visioen van een sigaren en boeken verkopende dichter is vermoedelijk gestrand op Pierre Kemps scepsis. Het hele plan klinkt misschien ook een beetje vreemd wanneer we bedenken dat Kemp toen Van Well hem dit schreef, in Amsterdam verbleef als leerling-journalist bij De Tijd. Maar waarschijnlijk had hij in die tijd al blijk gegeven van zijn verlangen naar Maastricht terug te keren (hetgeen in december 1915 zou gebeuren). In ieder geval zegt de plannenmakerij veel over de nooit voor een gat te vangen pater en zijn verlangen een vader te zijn voor de uit een eenvoudig milieu afkomstige kunstenaar, wiens doolgang door de wereld, op zoek naar maatschappelijke en artistieke stabiliteit, zozeer leek af te hangen van zijn begeleiding.

Pater Van Wells plan releveert ook nog eens zijn opvatting van kunst, die zich niet zou moeten opsluiten in eigen kleine kringen, maar die ook het gewone, ‘smakeloze’ volk zou moeten bedienen. En wat zich naar aanleiding van zijn bespiegeling over reclame voor sigaren en reclame voor kunst ook nog laat denken, is hoezeer Van Well hier in de buurt kwam van de bekende grap over jezuïtische slimheid. Iemand vraagt aan een jezuïet, die met een sigaar in de mond zit te bidden, of hij dat niet ongepast vindt. ‘Nee,’ zegt de aangesprokene, ‘ik rook niet onder het bidden, ik bid onder het roken.’ Reclame maken voor sigaren en in een moeite door aan het publiek je kunst laten zien – dat doet daar wel even aan denken.

[...]

© Wiel Kusters

Uitgeverij   VanTilt

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum