Leesfragment: Pleun

27 november 2015 , door Detlev van Heest

De tweede roman van Detlev van Heest, Pleun, verschijnt 22 oktober. Vanavond kunt u alvast de eerste pagina's lezen en uw exemplaar reserveren of bestellen.

Als Detlev van Heest (1956), zijn vrouw en hun kat Japan verlaten, lijkt voor hen een zorgeloos bestaan te beginnen. In het zuiden van Nieuw-Zeeland, in een paradijselijk landschap aan zee, wonen ze voortaan te midden van hun schapen, kippen, ganzen, eenden en pauwen. Maar de idylle duurt niet. Het loopt al verkeerd als Van Heest het maanden zonder zijn vrouw moet stellen. Hij mist de vertrouwde, veilige omgeving die hij in Japan achterliet en waant zich in stijgende mate geïsoleerd en verloren in een harde immigrantenmaatschappij. Weldra is er een wending ten goede als ze een ander Nederlands echtpaar ontmoeten. Tussen deze vier bloeit snel een innige vriendschap op, met de charismatische Pleun als spil. De lezer leert de hoofdpersoon kennen als een man uit één stuk, zonder zelftwijfel, die nergens voor terugdeinst en die in vrijwel alles de tegenpool is van Van Heest. Terwijl de banden tussen de twee echtparen steeds strakker worden, komt het tot een conflict en crisis waaruit geen uitweg mogelijk is.
Met zijn botsing van verschillende karakters is Pleun een boek als een bankschroef die op elke bladzijde een slag wordt aangedraaid tot de beklemming bijna lichamelijk voelbaar is. Pleun en het eerder dit jaar verschenen De verzopen katten en de Hollander bieden een meeslepende zoektocht van een ontwortelde naar houvast.

2004

Woensdag 7 april
Besneeuwde bergen. Het vliegtuig daalde snel.
Christchurch. Door de ramen in de slurf keek ik hoe de vracht uitgeladen werd. Van Kootje was niets te zien.
Ik stond achter een lange rij. Drie kwartier schoof ik langzaam op in de richting van een bleke immigratiebeambte.
Ze nam mijn paspoort aan en de ondertekende verklaring dat ik de laatste tien jaar geen misdaden van belang gepleegd had. ‘U wilt hier voorgoed blijven?’
‘Voorgoed. Vandaag immigreer ik.’
‘U gaat op dit adres wonen?’
‘Ja, dat is ons adres.’
‘En waar is uw partner?’
‘Mijn vrouw, mijn vrouw is, is naar Nederland. Wegens, wegens een ernstig ziektegeval in haar familie.’
‘Maar ze immigreert wel naar Nieuw-Zeeland?’
‘O ja, ja. Over een paar maanden komt zij ook.’
‘Welkom thuis.’ Met een stempel drukte ze een blijfvergunning in mijn paspoort.
Bij Binnenlandse Vluchten gaf ik mijn bagage af voor de aansluitende vlucht. Met een karretje en mijn rugtasje rende ik naar de vrachtloods van Air New Zealand. Een bordje Verboden voor onbevoegden heette me welkom.
‘Mijn kat is vandaag uit Tokyo aangekomen,’ legde ik een blondine uit. ‘Ik zou haar graag zien. Ze is al een etmaal onderweg.’
‘Uw kat, Tokyo, ja, die hebben we hier. Om haar te zien, moet u eerst naar de douane voor de inklaring.’
‘Om haar te zien? Ik dacht dat ze ingeklaard zou worden?’
‘O, wordt het voor u gedaan? Als dat zo is. Maar ik mag u eigenlijk niet bij de kat laten, alhoewel... Als u me belooft dat u haar niet aanraakt. Of denkt u dat ze overstuur raakt als ze u ziet?’
‘Dat zal wel meevallen.’ Ze aarzelde nog. ‘Ik heb uw kat daarstraks gezien en ik geloof dat het wel goed gaat.’
‘Desondanks zou ik haar graag zelf zien. Het is zo’n spannende reis geweest voor haar.’
‘Ik begrijp dat het een spannende reis was voor u. Als u haar niet aanraakt mag u haar wel even zien.’ Ze liet me over een weegschaal stappen. Kootje’s kooi stond naast een kooi met een piepend hondje.
‘Kootje, Kootje, lieve Kootje.’ Ze mauwde een paar keer, probeerde langs me heen te kijken. ‘Nog even volhouden. Over een uurtje mag je eruit.’
‘Dit hondje komt uit Frankrijk. Wat een schatje, hè?’

Een propellervliegtuig vloog het stuk naar Dunedin. Het merendeel van de 69 inzittenden was dik. De meeste mannen hadden weinig haar op hun hoofd, maar veel haar in het gezicht. Twee dikke vrouwen droegen een snor, van wie een ook een sik. Naast me, aan het raam, zwoegde een dikke man op een cryptogram. Andere inzittenden bogen zich over kruiswoordpuzzels. De man aan het raam vulde vier woordjes in, piekerde, zuchtte en stopte zijn krant in de stoelzak.
‘Zeven zou wel eens entertainment kunnen zijn,’ hielp ik.
‘Ja, dat heb ik ook al gedacht. Maar dat zou wat obscuur zijn.’
‘Ja, bijna cryptisch,’ gaf ik toe. Rechts zag ik een grillig, heuvelig land, links zee.

Lenie haalde me op en reed me naar mijn huis. Ik stapte uit en snoof de zeelucht op. Op het terras stond Flip, de pauw, alsof hij daar al heel lang op mij gewacht had. Een waaierstaartje vloog door de voordeur naar binnen. In de huiskamer fladderde het een rondje voor het weer naar buiten vloog. ‘De Maori geloven dat dat ongeluk brengt, zo’n vogeltje in huis,’ vertelde ze.
‘Ik denk dat het een goed voorteken is.’

Donderdag 8 april
Ik belde het quarantainestation op.
‘Uw kat slaapt bij een warme lamp. Ze heeft wat gegeten, maar nog niet gepoept,’ deelde een vrouw mee. ‘De dierenarts is net geweest. Uw kat is helemaal in orde.’
‘Gelukkig.’
‘Hij heeft haar ook geaaid.’
‘Ja, ze heeft behoefte aan menselijke warmte. Geeft u haar ook maar af en toe wat rauwe kip.’
‘Ik zal het noteren.’
‘Niet te fijn snijden, anders slikt ze het zonder te kauwen door.’
Het telefoongesprek stelde me maar matig gerust.

Vrijdag 9 april
Ik floot, brak een allegro af. In de keuken toetste ik het nummer van echtpaar Z. in. ‘Hier is Nieuw-Zeeland.’
‘O, haha!’
‘Ik zit eigenlijk op uw man te wachten. Fluitles!’
‘O ja, haha! Ik zal hem even geven.’

‘Ja?’ vroeg Z.
‘Waar blijft u? Ik zit al uren te wachten.’
‘O ja, haha, u zou nu uw fluitles gehad hebben. Was u aan het fluiten?’
‘Ja, ik was aan het fluiten.’
‘U gebruikt de metronoom toch wel?’
‘Eh, eh, nee, dat niet. Ik kan niet tegen dat ding.’
‘Maar u hebt hem nodig.
‘Ja, ik heb hem nodig, ik weet het, maar ik kan niet naar dat rotding luisteren zonder gek te worden.’
‘Haha. Hoe is het daar?’
‘Raar, uiterst raar. Ik bel eigenlijk om uw stem even te horen.’
‘Is het koud?’
‘Nee, warm.’
‘Hoe is het leven alleen?’
‘Niets aan. Kootje moet nog drie weken in Christchurch blijven en Annelotte zit voorlopig in Nederland. Ik zou nu wel in Nieuwloofwijk willen zijn. Voor het eten en zo.’
‘Maar u kookt toch wel?’
‘Dat wel. Hebt u zondag nog met mevrouw Bosje gefloten?’
‘Nee, in Nieuwloofwijk wordt niet meer gefloten. Ik ga zelf wel weer fluiten, denk ik.’
‘Ik fluit dagelijks.’
‘Toch niet met tegenzin?’
‘Nee, alleen als ik er zin in heb. Het huis heeft een goede akoestiek.’
‘Dat dacht ik al.’
‘Ik oefen nu dat stuk van Simrock. Een lastig stuk.’
‘Met de metronoom. Eerst langzaam. Telkens een beetje sneller proberen.’
‘Is er al beweging in ons huisje?’
‘Daar gebeurt nog niets. Het zal nog wel even leegstaan.’
‘Ja, waarschijnlijk.’
‘De metronoom, hè.’
‘Ik zal erover denken.’

Ik ergerde me aan de meeste Nieuw-Zeeuwen. Ik vertrouwde ze niet. Lomp en dom vond ik ze. De supermarkten werden bevolkt door dikke, uitgezakte mensen met gedegenereerde koppen.
In een schuurachtige winkel bezocht ik de wc. Ik glimlachte naar een beveiligingsbeambte, die daarop mijn rugtas doorzocht. Zoiets was me in Japan nooit overkomen.
Bij zonsondergang, bij de schapen, wist ik weer waarom ik hier was. Even voelde ik me vredig.

Zondag 11 april
Het woei en regende hard.
Ik droomde dat ik me liet scheiden, nadat ik iets aardigs voor Annelotte gedaan had wat ze niet op prijs stelde. Nooit meer wou ik met haar samen zijn, schreeuwde ik woedend. Ze liet me razen. Ik verwachtte dat ze het weer goed zou maken, maar er gebeurde niets. Dat bracht me in paniek.

Woensdag 21 en donderdag 22 april
’s Avonds laat nam ik de bus naar Christchurch, een gammel voertuig waarvan de ramen slecht sloten. Heel de nacht had ik het ijskoud. De chauffeur leed aan praatziekte. Door de kou en zijn gewauwel viel er aan slapen niet te denken. In Timaru maakte hij halt bij een tankstation. Ik ging er naar binnen, voor de wc en voor wat warmte. ‘Het is verschrikkelijk koud in uw bus,’ klaagde ik tegen de man, die koffie dronk uit een papieren bekertje.
‘De kou is nodig om me wakker te houden. Ik heb al een miljoen kilometer met deze bus gereden en nog nooit een ongeluk gehad.’
‘Nooit panne gehad?’
‘Ach, af en toe. De laatste keer een maand geleden. Een gebroken slang.’
Een meisje met blote armen dat voor me had gezeten, probeerde warm te worden met koffie. Ik overwoog voor te stellen naast haar te komen zitten voor gedeelde lichaamswarmte, maar verwierp de gedachte. Het meisje was niet bijzonder aantrekkelijk en ook niet bijzonder onaantrekkelijk.
We reden weer. Om half vijf klapte een achterband. De chauffeur bekeek de band, stapte in. ‘Ik ga het nog een stukje proberen. Wat een hondebaan! Waarom moet míj dit weer overkomen?!’ Schrapend duwde hij de pook in de eerste versnelling. De bus reed half in de berm, half op de vluchtstrook, eerst langzaam, toen snel. Flarden van de band sloegen tegen het chassis. De chauffeur jammerde, zette de bus weer stil. Met een zaklantaarn verdween hij in het donker. Ik stapte ook uit. Hij zocht een reservewiel en een krik. Er was een reservewiel met een versleten band, maar geen krik.
‘Instappen. Iedereen moet aan de linkerkant zitten en alle bagage moet naar links!’ Hij zette de bus in beweging. Na tien minuten stopte hij nogmaals. Met een zakmes sneed hij lellen rubber van de band. De rest van de weg reed hij hard, maar nog steeds half in de berm. Bij het aanbreken van de dag bereikten we Christchurch met drie kwartier vertraging.
In anderhalf uur liep ik uit de stad naar Yaldhurst, vanwaar ik naar Aylesbury liftte. Aylesbury bestond uit een plaatsnaambordje en vlak grasland zonder huizen en boerderijen. Een oude Oostenrijkse immigrant zette me bij het quarantainestation af. ‘Das muß ich meiner Frau erzählen! Ein Niederländer aus Dunedin, der dreihundertfünfzig Kilometer mit dem Bus fährt um eine japanische Straßenkatze zu besuchen!’
Ik was een uur te vroeg. Op de parkeerplaats at ik twee boterhammen.

Binnen moest ik een verklaring tekenen dat ik geen andere dieren dan Kootje zou aaien. Om mijn schoenen kreeg ik plastic hoesjes.
Kootje lag in een mand op een plank, verscholen achter een hangende handdoek. In het hok stonk het naar pies. Ze mauwde. Ik liefkoosde haar. Op de betonnen vloer stonden twee kommen met blikvoer en water en een paar decimeter daarnaast een smerige kattebak. Het hok bood uitzicht op een gazon met een rotsbult. Een buurpoes mauwde. Kootje stond op uit de mand. Ze gaf me kopstootjes, snorde. Haar vacht stonk naar pies. Ik ging op het beton zitten, in een strookje schaduw. Ondanks de vroegte was het er heet. Op mijn broek liep een lieveheersbeestje, dat ik met een stadsplattegrond van Christchurch op het gaas zette. Daarop liep het zigzaggend omhoog. Kootje bleef spinnen. Af en toe sprong ze in haar mandje. Dan sprong ze na een paar tellen weer op de grond om me een kopstootje te geven. Bij het horen van stemmen en slaan van deuren schrok ze. Bij voetstappen bromde ze. De zon draaide de verkeerde kant uit. In de kooi was geen schaduw meer. De uitgevouwen kaart legde ik als een tent op mijn kop.
Toen de ochtendbezoektijd verstreken was, mauwde ze zo lang en hard dat ik haar nog op de parkeerplaats kon horen.

Tot half drie wandelde ik langs een kaarsrechte weg. Ik gooide kiezels tegen palen. Ik wou een foto nemen van grazende schapen tegen een achtergrond van besneeuwde bergen, maar ik bedacht me en borg de camera weer op.
Van drie tot vier was het middagbezoekuur. De kattebak was inmiddels op mijn aandringen verschoond. Het hok stonk onverminderd.
‘Nog twee weken en dan ben je vrij,’ fluisterde ik.

In Christchurch wachtte ik ’s avonds bij de halte van de nachtbus naar Dunedin. Op de stoep vertrad ik me. Een wagen reed voor me langs, remde. Naast me stond een kroesharige parkeercontroleur. ‘U stopt in een stopverbodzone,’ waarschuwde ze. ‘Of u uw wagen alstublieft...’
‘Piss off!’ schreeuwde de bestuurder.
‘Dan spijt het mij voor u. Ik wilde u alleen vriendelijk verzoeken uw wagen te verwijderen. Ik moet u helaas een bekeuring geven.’ Ze noteerde het kenteken.
‘Híervoor?! Dan kunt u dít krijgen!’ Uit zijn portierraam spoog hij haar in het gezicht.
Ik kwam dicht naast de vrouw staan en keek bij de man naar binnen.
‘Fuck you too!’ Hij keerde zijn wagen en scheurde weg.
‘U hebt een getuige.’
‘Ik zal hem moeten aangeven.’

‘Dat u zo kalm bleef. Geweldig.’
‘Het was wel raak,’ zei ze beteuterd. Met een zakdoek veegde ze de fluim van haar wang, neus en mond. ‘Kunt u meekomen naar het politiebureau?’
‘Eigenlijk niet. Ik sta hier te wachten op de nachtbus. Maar ik kan u wel mijn naam en adres geven.’
Ze noteerde mijn personalia. ‘Kan iemand uw naam uitspreken? Mijn naam kan ook niemand uitspreken. Ik ben Grieks. Ik heet Vrijdag.’ Ze gaf me een hand. ‘Maar dat is de vertaling van mijn echte naam, die ze hier veel te moeilijk vinden. Iedereen noemt me hier dus Vrijdag.’
‘Wat een prachtige naam voor iemand die tussen de kannibalen woont.’

Maandag 26 april
Boven de baai hing een mistbank. Ik kon er overheen en onderdoor kijken. In de krant las ik een stuk over zelfmoord. Boeren in Nieuw-Zeeland neigden tot zelfmoord. Ik moest maar niet meer zo veel op ons land werken.
Annelotte belde uit Nederland. Haar nichtje Vicky bleek dezelfde erfelijke, dodelijke ziekte te hebben als broertje Lars.
Ik voerde Flip tarwekorrels. Onder de afwas kwam ik tot het besluit het huis te verkopen als mijn schoonzus en zwager het geld voor Vicky’s beenmergtransplantatie niet konden opbrengen.

Donderdag 6 mei
Mijn stem echode in de telefoonlijn.
‘Is Kootje nu bij jou?’ vroeg Lousje.
‘Ze ligt op schoot.’
‘Je hebt Kootje daarnet opgehaald?’
‘Vanochtend. Het is hier nu negen uur ’s avonds.’
‘Ik heb je vandaag weer een brief geschreven. Heb je de brief van Han al gekregen?’
‘Nee, die is er nog niet.’
‘Wat duurt dat lang, zeg. Hij had hem zondag al verstuurd.’
‘Je moet op een week rekenen.’
‘Een week! Je zit echt aan het andere eind van de wereld. Hoe gaat het daar met je? Zeker wel erg alleen?’
‘Och, het gaat wel goed, met al het gedierte om me heen, dat is wel fijn.’
‘Han had meteen al willen bellen op de dag dat je aankwam, maar het was ons niet duidelijk of je gegaan was of niet.’
‘Nee, ik was niet duidelijk.’
‘Nee, haha. Dus toen heeft Han uitgerekend wanneer Kootje uit quarantaine zou komen. En Annelotte is dus in Nederland?’
‘Ja, vandaag is ze in het ziekenhuis voor dat beenmergonderzoek. Dat kunnen ze doen met een bloedproef.’
‘Wat vervelend zeg, met die ziekte. Han heeft je verteld over Dibbes, hè. Vandaag lijkt hij weer goed. Hij zit naast me.’
‘Han?’
Ze lachte. ‘Nee, Dibbes. Ligt Kootje nog op schoot?’
‘Nee, ze zit nu op de tafel, vlak voor me. Ze wast zich.’

Dinsdag 15 juni
Ik ruimde het huis op. Kootje zat op een paar tuinhandschoenen op de vensterbank. Fonsje, de pauwehen, gaf ik op het terras tarwekorrels. Flip kwam er ook bij. Mussen hipten om de pauwen.
Ik haalde Annelotte van het vliegveld op.

Mopperend liep ze door het huis en over het erf. Waarom die berken om moesten, waarom ik zo veel geld uitgegeven had, waarom ik de vloerbedekking uit de salons getrokken had?
Kootje was een paar uur bang voor haar. Bij Flip duurde de angst langer. Hij vloog van het terras weg. Wat later, in de boomgaard, schrok hij zo van haar dat hij uit zijn pereboom sprong.
Samen floten we een stuk van Händel.

We maakten ruzie over onze nieuwe houtvuurkachel. Ik was woedend over een brief van de gemeente, die ons geen stookvergunning verleende. Geëmotioneerd riep ze dat het een probleem van niets was, vergeleken bij de ziekte van haar petekind. ‘Dat je de kachel niet mag gebruiken vind je erger dan dat Lars doodgaat!’
‘Ik kan nergens anders meer aan denken dan aan die rotkachel!’
‘Lars kan jou niets schelen!’
‘In Afrika sterven elke dag duizenden mensen aan honger!’ schreeuwde ik terug.
‘Maar die ken jij niet!’
‘En ik kan alleen aan die kachel denken!’
Ze bedaarde. ‘Laten we uitzoeken hoe we die papieren kunnen krijgen. We zijn niet de eersten met zo’n kachel.’

[...]

© Copyright 2010 Detlev van Heest

Uitgeverij Van Oorschot

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum