Leesfragment: Sirocco

27 november 2015 , door Kees Beekmans

Komende week verschijnt Sirocco, de debuutroman van journalist Kees Beekmans. Na boeken over allochtone jongeren op de praktijkschool waar hij les gaf (Eén hand kan niet klapt en De jeugd van tegenwoordig) en over Marokko, waarover hij voor de Volkskrant schreef (Marokko voor beginners) volgt nu een fictiewerk over ellende en terrorisme in Marokko. Vandaag kunt u al enkele pagina's lezen uit het derde hoofdstuk en uw exemplaar reserveren.

Als journalist Vincent Damave een correspondentschap in Marokko krijgt aangeboden, aarzelt hij. Eigenlijk blijft hij liever op de redactie in Amsterdam zitten, telexberichten overschrijven. Toch waagt hij de stap. In Rabat ontmoet hij de Franse fotograaf Alain Faucon, een avonturier die zich onbevreesd op Marokko stort en de timide Vincent steeds dieper het land in trekt. Zo maken ze samen reportages over terroristische aanslagen in Casablanca, en zelfs een over de beruchtste krottenwijk van Rabat. Daar raakt Alain onder de indruk van de twintigjarige Sabah. Tegen Vincents zin blijft de Fransman, alle waarschuwingen in de wind slaand, de krottenwijk – en Sabah – bezoeken.

Sirocco is een haarscherpe roman over de link tussen misère en terrorisme; en over westerlingen in een vreemde, weerbarstige cultuur, waar anders wordt gedacht en gekeken, en waar niets is wat het lijkt.

De eerste twee hoofdstukken van Sirocco zijn al op de site van Uitgeverij L.J. Veen te lezen.

3

In Rabat werd Alain — althans binnen de kleine expatgemeenschap — ‘Atilla’ genoemd, naar de beroemde Hun. En eerlijk gezegd, daar maakte hij het zelf ook wel naar. Grote kerel, half krullend, al wat dunner wordend donkerblond haar, met een flinke kluit gel naar achteren gekamd, matje in zijn nek, glad zwartleren gangsterjasje, leren touwtje om zijn hals, met nota bene een haaientand eraan, macho-uitspraken (‘mannen drinken geen wodka-jus’), en een ik-hebschijt-aan-alles-houding. Overigens durfde niemand durfde hem recht in z’n gezicht Atilla te noemen, dat liet je bij Atilla ook wel uit je hoofd. Hij lag eigenlijk beter in de zakenwereld van het veel rauwere Casablanca, onder journalisten en de jongens van de grote Franse bedrijven, met wie hij graag een nacht doorhaalde, onveranderlijk in ranzige tenten.
Alain praatte graag over zichzelf, en de roddel in de kleine buitenlandse kolonie zorgde voor de rest. Zo raakte zijn achtergrond in grote lijnen wel bekend, dat wil zeggen, als je Alain op z’n woord wilde geloven, want een en ander viel natuurlijk moeilijk te verifiëren.
Op zijn tweeëntwintigste, zo ging het verhaal, zou hij plotseling genoeg hebben gehad van de duffe universiteitsbibliotheek – hij studeerde econometrie –, genoeg ook van Aix-en-Provence, ja van heel Frankrijk, een rugzak hebben gekocht om daarmee zeven maanden door Thailand, Laos, Cambodja en Vietnam te reizen, andere jonge backpackers liefst vermijdend, met een voorkeur voor lokale hoertjes, ook toen al.
Daarna vloog hij terug naar Europa, naar Barcelona, waar hij als barkeeper ging werken en in twee jaar tijd vloeiend Spaans leerde spreken. Vandaar ging het door naar Lima, Peru, waar hij ook twee jaar bleef en in zijn onderhoud voorzag als uitsmijter annex manager van een louche striptent.
Daarna: Sydney, Australië, waar hij als maatje op een werf aan de bak kon komen en in vijf jaar tijd uitgroeide — naar eigen zeggen — tot volleerd scheepstimmerman. En waarom ook niet? Alain kennende kon ik me goed voorstellen dat dat fysieke werk in de brandende zon hem goed beviel — het verklaart in ieder geval dat verblijf van vijf jaar, best lang voor zo’n onrustige ziel. De Australische avonden wijdde hij aan zijn sport — kickboksen — of aan zijn vriendinnen, aan de jacht op de volgende.
Al met al geen slecht leven voor een jonge man, maar het moet hem toch zijn gaan vervelen. Er ontbrak iets aan, hij gebruikte zijn hersens misschien te weinig, want Alain was niet dom — dus besloot hij een cursus creative writing te volgen. In het halve jaar dat die cursus duurde wist hij twee sterk op Charles ‘Barfly’ Bukowski geïnspireerde verhalen in een prestigieus Frans literair tijdschrift geplaatst te krijgen, en toch lukte het hem niet zichzelf ervan te overtuigen dat dit het nou voor hem was, schrijven — achter een bureau zitten, alleen, opgesloten in een kamertje. Hij voelde zich te zeer afgesneden van het leven, dat buiten voortraasde, zonder hem.
Niet veel later kocht hij een digitale spiegelreflexcamera en pakte met de daadkracht hem eigen de fotografie op — en kijk, dat beviel een stuk beter. Een bevriende kickbokser, die werkte als verslaggever voor de Sidney Times, speelde hem in het weekend een opdracht toe — en het was diezelfde krant die hem een jaar later, toen zijn naam als fotograaf er gevestigd was, voor een speciale bijlage naar Marokko stuurde.
Dat was in de zomer van 2005. Alain zegde zijn kamer op, haalde zijn spaargeld van de bank, ruilde het retourticket dat de chef van het reiskatern hem in handen drukte voor een enkele reis, stak wat overschoot in eigen zak, en vloog via Singapore en Parijs naar Rabat.
Na twee weken per bus door het land te hebben getrokken, mailde hij zijn foto’s naar het andere eind van de wereld – met de mededeling dat Marokko hem beviel, en dat hij had besloten er voorlopig te blijven, et merci.

Wat míj vooral aan hem opviel, was wat ikzelf miste: zijn daadkracht, zijn brutaliteit ook, zijn lef. Van die rondreis keerde hij ’s avonds laat terug, doodmoe, nam zijn intrek in hotel Terminus, en viel onmiddellijk in slaap — niet gehinderd door de smoezeligheid van de kamer of de kakkerlakken die voor hem wegvluchtten. Integendeel, geheel verkwikt door een goede nachtrust liet hij zich de volgende morgen – dus nog geen dag in Rabat — door een taxi naar de letterenfaculteit van Universiteit Mohammed v rijden, om bij het secretariaat te informeren of hij op dinsdag- en donderdagochtend een lokaal kon krijgen voor een cursus creative writing. Het was in eerste instantie maar voor een trimester, zei hij erbij, een workshop van twaalf bijeenkomsten.
‘Zo’n verzoek,’ zou Alain me later vertellen, ‘krijgen ze toch niet iedere dag, leek me, maar de vrouw die daar zat, tegen de veertig, niet onknap, liet niets van verbazing blijken. Ze knikte ten teken dat ze me begrepen had — alsof er dagelijks Fransen komen binnenlopen die een leslokaal nodig hebben.’
Als dat Marokkko was, dan mocht hij dit land wel. Alain meende zelfs te zien dat de secretaresse hem met een zekere belangstelling bekeek. Ze zei vriendelijk dat hij een dergelijk verzoek schriftelijk moest richten aan de decaan van de faculteit. Als hij haar die brief gaf, wilde zij er wel voor zorgen dat die bij haar baas terechtkwam.
‘Kan ik ’m hier schrijven?’ vroeg Alain, en hij wees op de computer op het andere bureau, waar niemand zat.
De secretaresse glimlachte en maakte een uitnodigend gebaar.
‘Wat moet er precies in staan?’
Nog diezelfde middag belde ze Alain om te zeggen dat hij toestemming had van de decaan. Zo schopte hij het binnen een dag — zijn rondreis niet meegerekend — tot onbezoldigd docent van Marokko’s meest prestigieuze universiteit.
En in de loop der maanden kwamen er steeds meer studenten, en studentes, op zijn workshop af — wat me, Alain inmiddels wat beter kennende, absoluut niet verbaasde. ‘De eerste keer waren het er vier, twee weken later al acht, en nu, alweer het derde trimester dat ik de cursus geef, zitten we daar iedere week met z’n dertigen, soms nog wel meer. Hoop lekkere wijven ook.’
‘Dat je ooit hebt gedacht dat je zo’n cursus kón geven…’ zei ik met bewondering in mijn stem. ‘Je zei dat je twéé verhalen in een literair tijdschrift had gepubliceerd?’
‘Hoeveel zou ik er dan gepubliceerd moeten hebben, volgens jou?’
Point taken. Hij zei dat hij aan de cursus die hij in Sydney had gevolgd wel wat oefeningen had overgehouden, waarop hij genoeg varianten kon bedenken. ‘Echt, aan stof geen gebrek. Op internet vind je ook van alles. Maar het maakt helemaal niet zoveel uit wat ik doe.’ Waar het vooral om ging, zei hij, was dat de studenten zich vrij leerden uitdrukken, en even niet dachten aan hoe het moest. ‘Fuck de regels. Die kinderen hier zijn allemaal zo beleefd! Weet je, het is niet de elite die ik in de klas heb, want die stuurt zijn kroost naar privéscholen, of naar het buitenland, zeker niet naar een Marokkaanse universiteit. Het is de kleinburgerlijke middenklasse die voor me zit, keurige jongens en meisjes die het stempel van generaties armoede nog met zich meedragen. Ze willen maar één ding: hogerop. En dus zijn ze o zo bang om fouten te maken. Ze weten donders goed dat ze niet met de elite kunnen concurreren, daarvoor missen ze de opvoeding, en het netwerk, maar ze voelen de hoop van de hele familie op zich gevestigd. Het verbaast me telkens weer hoe ambitieus ze zijn. Ze willen ook allemaal leren speechen. “Spreken in het Openbaar”. Of ik daar ook les in kon geven? Als jullie dat willen, zei ik — prima. Dus ik me afvragen wat daar nou belangrijk bij was, bij dat speechen. Het een beetje spontaan houden, leek me, een beetje levendig, vooral niet gaan zitten voorlezen, dan vallen de mensen in slaap. Contact houden met je publiek. Dat is het toch? Verder moet je het gewoon dóén. Eén student is zo zenuwachtig, hij staat daar met kletsnatte handen en komt niet meer uit zijn woorden, zit helemaal vast in gestotter. Dan leg ik een hand op zijn schouder en zeg, en ik verbaas mezelf, dat hij nu even stil moet zijn en niks moet zeggen, gewoon even hier staan en ademhalen en ons aankijken, meer niet, niks zeggen nog, op zijn ademhaling letten en ons aankijken. Ik zeg: probeer dat nou eens dertig seconden. En inderdaad, dat vinden ze al moeilijk genoeg: zonder iets te zeggen anderen, hun publiek, een halve minuut recht in de ogen kijken. En daarna laat ik het ze een minuut doen. En als dat goed gaat, mogen ze ook wat zeggen, als ze dat zelf willen, het hoeft niet. Ik praat ondertussen op die jongen in, zeg tegen hem dat wij helemaal niet belangrijk zijn, dat wij hier gewoon zitten en hem een prima kerel vinden, ook al staat ie daar alleen maar en zegt ie helemaal níéts. Dat dat allemaal mág. Ondertussen dénk ik: waar haal ik het vandaan? Maar dat weet ik wel, want ik zie het gewoon. Ik zie dat die jongen zichzelf gek zit te maken, dat het te veel voor hem is, dat ie een time-out nodig heeft. En dat we het daarna stap voor stap moeten opbouwen. Heel simpel allemaal.’

[...]

© 2010 Kees Beekmans en Uitgeverij L.J. Veen

Uitgeverij L.J. Veen

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum