Leesfragment: Superduif

18 augustus 2010 , door Esther Gerritsen

Eind augustus verschijnt de nieuwe roman van Esther Gerritsen: Superduif. Vannacht kunt u alvast een fragment lezen uit het boek, en uw exemplaar reserveren.

Bonnie weet al op jonge leeftijd dat ze voorbestemd is om uit te stijgen boven de middelmaat. Op haar elfde springt ze over een tuinhekje, en een aantal seconden blijft ze zweven. Niet veel later ziet ze hoe haar lichaam transformeert tot een gigantische, oerlelijke duif. Ze beseft dat ze nu behoort tot het schaarse gezelschap helden dat onheil kan afwenden en mensen kan behoeden voor ongelukken. Na haar reddingsacties verandert ze altijd weer in het onopvallende meisje dat ze is. Haar omgeving maakt zich zorgen over Bonnies groeiende gekte, behalve haar vriendin Ine, die niet zonder hun vriendschap kan.

De dag waarop ik Ine voor het eerst ontmoette was ook de dag waarop ik voor het eerst lichtjes opsteeg. Die dag begon hetzelfde als alle andere dagen. Het was een ochtend aan het eind van de winter, in het laatste jaar van de lagere school. Ik werd wakker en ik kon het niet. Zo zei ik dat tegen mijn moeder: Ik kan het niet. Want als je moeder ’s ochtends voorzichtig je slaapkamerdeur opent en goeiemorgen zegt, dan zeg je niet: Mama, ik wil liever dood dan opstaan.
Ik sliep al niet meer toen ik haar op de trap hoorde. Ik lag gespannen naar haar voetstappen te luisteren die dichterbij kwamen. Alsof het de beul zelf was die me uit mijn cel kwam halen en niet mijn eigen lieve moeder. Ze klopte en opende zachtjes de deur.
‘Bonnie, lieverd, ben je wakker?’ Ik liep af. Een veer die was opgedraaid. Een mechaniek dat geen keus had. Ik drukte mijn gezicht in het kussen en gilde. Ik sloeg met mijn vuisten op het matras.
Ik klauwde met mijn handen in het hoeslaken, krulde me op en strekte me uit, sloeg met mijn benen op mijn bed als een kleuter en ik riep: ‘Laat me! Alsjeblieft voor één keer! Voor één keer, laat me alsjeblieft!’ Toen kwam ik rustig overeind en keek mijn moeder smekend aan.
‘Ik kan het niet. Ik kan vandaag niet opstaan. Echt niet.’ Mijn moeder glimlachte, frunnikte wat aan de ceintuur van haar duster, draaide zich om en liep weer naar beneden. Daarna stond ik op.
Zo ging dat elke ochtend.
Mijn ouders zijn laat getrouwd. Mijn vader was zesenvijftig en mijn moeder drieënveertig toen ik kwam. Ze zijn beiden vertaler van beroep en hebben elkaar ontmoet op een vertalerscongres. Toen waren ze al oud. Het was een wonder dat ik nog geboren werd en ik geloof dat ze mij altijd zo zijn blijven zien: als een wonder, een onbegrijpelijke speling van de natuur. Mijn ouders zelf zijn net zo wonderlijk. Ze zijn bovennatuurlijk geduldig. Al die ochtenden die ik in hysterie begon, bleven ze naar me glimlachen.
Na mijn aanval stapte ik heel rustig uit bed. Dat was ook niets nieuws. Ik voelde me dan op een prettige manier droevig, als ik naar de badkamer liep en me langzaam waste en aankleedde. Alsof ik na een langdurig ziekbed de eerste stappen zette. Genezen, maar nog uitgeput. Toch voelde ik me die ochtend al tijdens het aankleden minder rustig dan anders en bleef ik mijn moeder voor me zien, hoe zij aan haar ceintuur had staan frunniken. Ik geloof dat er een draadje loszat dat ze eraf had proberen te trekken.
Toen ik beneden kwam, stond mijn vader in onze kleine keuken, in zijn witte ondergoed zijn overhemd te strijken, omdat het te koud was in het washok. Ik ging aan de kop van de keukentafel zitten, die mijn moeder altijd voor de helft met een tafelkleed bedekt. De andere helft van de tafel ligt bezaaid met papieren. Mijn moeder werkt overdag aan de keukentafel, mijn vader aan een bureautje in onze huiskamer.
Je zou daar best bewondering voor kunnen hebben, dat iemand ’s ochtends zijn overhemd strijkt, waarin hij de hele dag gewoon thuis aan zijn bureau gaat zitten werken. En dat heb ik misschien ook wel, dat is het lastige.
In zijn wereld schijnt mijn vader nogal een beroemdheid te zijn. Hij vertaalt uit het Engels, mijn moeder uit het Pools. Als een Engelstalige auteur iets wint, dan wordt mijn vader door de kranten gebeld en om zijn mening gevraagd. Eigenlijk is hij al met pensioen, maar mijn ouders geloven niet in pensioen. Toen mijn vader vijfenzestig werd, verscheen er een groot interview met hem in de krant. De journaliste vroeg hem of hij nooit zelf had willen schrijven. Hij zei dat hij zich te nederig voelde om in de nabijheid van zo veel grootsheid zelf iets te creëren. Dat vindt iedereen dan prachtig. Waarschijnlijk omdat hij een man is. Mijn moeders bescheidenheid is nog veel groter dan die van mijn vader, maar zij komt daar niet mee in de krant.
Die ochtend keek ik naar mijn vader in zijn ondergoed en zag ik hoe hij de stekker van het strijkijzer alvast uit het stopcontact trok voordat hij klaar was met strijken. Omdat het ijzer toch nog wel even warm blijft en dat dus minder stroom kost. Mijn moeder viste met de kleine pollepel de gekookte eieren uit de fluitketel en schonk hetzelfde water waarin de eieren waren gekookt in de theekan, en voor het eerst dacht ik dat ik dat niet kon. Dat ik niet zo bescheiden was. Niet zo zuinig en niet zo nederig. Dat ik hun talent niet bezat. Alweer had ik kunnen huilen.
Op de lagere school huilden de meeste meisjes als ze vielen en dan kwamen de andere meisjes hen troosten. Ik deed dat nooit. Ik snap niet waarom niet, want thuis huilde ik snel. Eén keer heb ik gehuild op de lagere school. Dat was omdat ik het antwoord op een som niet wist. De meester vroeg wat er aan de hand was en ik zei dat mijn oma dood was. Mijn oma stierf toen ik twee was, maar dat wisten ze op school niet. Het is heel duidelijk waar je wel en niet om hoort te huilen. Ik huilde die ochtend niet aan de ontbijttafel, omdat ik vond dat mijn ouders recht hadden op een gelukkig kind. Ik at dapper glimlachend mijn boterham, maar dat is niet het soort moed waar iemand je ooit om zal prijzen.
Ik stopte pas met glimlachen toen ik de voordeur achter me dichttrok. Meestal herstelde mijn humeur wel, na die bui in de ochtend; toen niet. Ik weet nog dat ik ons groene tuinhekje, dat altijd gesloten is, ineens zo hoog vond en dat ik er zuchtend overheen stapte. Het was alsof mijn geheugen was veranderd. De dag ervoor had ik nog een kindergeheugen, waardoor ik op het ene moment woedend kon zijn en het moment erop alweer afgeleid was door iets nieuws zodat ik mijn boosheid onmiddellijk vergat. Nu was ik wakker geworden met een zompig volwassen brein, waarin alles blijft hangen.
Verder ging de dag. Vanzelf. Niets tegen te doen. Dezelfde stoepen, dezelfde plassen, dezelfde tegels. Als altijd langs Manuel. Manuel. Al sinds de crèche. Het wilde jongetje dat andere kinderen met auto’s op het hoofd sloeg. Ik was de enige die er niet van ging krijsen, dus zat ik altijd naast Manuel. Ik vond hem vooral mooi. De donkere ogen, het donkere haar. Zo anders dan onze familie. Tot aan de dag waarop Ine kwam, waren we onafscheidelijk.
Ik was te langzaam die ochtend. Al voor ik aan had kunnen bellen, kwam hij naar buiten. Hij rende de kleine voortuin door en sprong over hún groene hekje. Ik wist nog net mijn pas te versnellen, om ons dagelijkse ritueel van de achtervolging niet aan te tasten.
Ik was bij de heg toen hij me besprong. Ik liet hem. Ik viel voorover en probeerde mijn gezicht met mijn handen tegen de takken te beschermen. Zijn lijf zwaar op het mijne. Met zijn ene hand duwde Manuel mijn nek verder in de heg. De andere om mijn middel. Anders dan op andere ochtenden protesteerde ik niet, schreeuwde niet, schopte niet met mijn benen naar achter en voelde voor het eerst zijn adem in mijn nek. Zijn heupen die nog harder tegen de mijne duwden, en zijn hand die onder mijn jas schoof. Ik kende die hand goed. Die had vaak in de mijne gelegen. Nu was het een ander soort hand. Ik hield mezelf slap terwijl ik verder wegzakte in de heg. Goed dan. Goed! Dit dus ook. Dit hijgen. De warmte in mijn hals. Deze hand op precies die plek op mijn buik die ik nu nog aanwijzen kan. Dat alles beter werd, vanaf vandaag juist béter, ja, dat heb ik nog even gedacht. Dat die hand een belofte was van alles wat nog komen ging.
Ine kwam uit Amsterdam, zei onze meester, wat haar natuurlijk nog interessanter maakte. Ine beet op haar onderlip en lachte scheef. Van de meeste mensen zou je zeggen wanneer ze zo raar lachen: Als ze niet zo’n scheef gezicht zouden trekken, zou het er een stuk beter uitzien. Ine maakte het aandoenlijk. Ines blonde, bijna witte haar was op schouderlengte afgeknipt en ze had een kaarsrechte pony. Ik zag haar lachen en ik besefte hóé lelijk ik was. Ik ben het tegenovergestelde van Ine. Vooral mijn haar. Als kleuter was ik best schattig. Als achtjarige misschien ook nog. Toen stond dat blonde kroeshaar wel grappig. Rond mijn negende was het grappige er wel vanaf. En de dag waarop ik Ine ontmoette, groeide alles allang een verkeerde richting uit. Mijn ogen zakten dieper weg, mijn neus werd groter, mijn kin leek zich terug te trekken, mijn tanden … Alles.
De meester vroeg Ine of ze broers of zussen had, waar in Haarlem ze nu woonde en van wat voor soort school ze kwam. Ine antwoordde niet. Ze begon te kletsen. Over haar moeder die een makelaarskantoortje in Haarlem was begonnen, haar oude droom, en dat ze natuurlijk hadden willen wachten tot zij naar de middelbare school ging, maar dat ze hier een huis hadden gevonden waar ze geen nee tegen kónden zeggen en dat haar broer … Ze sprak alsof wij met z’n allen bij haar op bezoek waren. Geen zweem van ongemak. Als ze lelijk was geweest, was ze er niet mee weggekomen. Nu keken wij ademloos toe hoe Ine ons bijpraatte over haar leven.
Toen de school uit was, wachtte ik Manuel op bij de struiken naast de ingang van het schoolplein. Klaar voor een vervolg op de ochtend. Ik zag hem de schooldeuren uit komen. Hij baande zich met zijn ellebogen een weg door de stroom kinderen en rende op mij af. In plaats van te schreeuwen, sloot ik zwijgend mijn ogen. Ik voelde hoe hij zich op mij wierp en hoe we samen in de struiken vielen, zijn armen om mijn middel. Toen die vreemde meisjesstem. Hard. Overslaand. Gillend haast.
‘Hé! Héé-éé! Hou daarmee op! Hou daar onmiddellijk mee op!’ Manuel schreeuwde terug, liet mij los. Ik opende mijn ogen, kwam met moeite overeind en zag nog net hoe Manuel aan zijn haren uit de struiken werd getrokken. Manuel sloeg niet om zich heen, hij keek Ine alleen verbaasd aan.
‘Kun je wel, tegen een meisje?’
Ze nam het voor me op. En ze noemde me ‘meisje’. Het woord ‘meisje’ is nooit voor mij bedoeld geweest. ‘Meisje’ is het allerliefste woord dat er bestaat en dat woord gebruikte zij voor mij. Natuurlijk had ik liever met Manuel in de struiken gelegen, maar zoiets kun je niet zeggen. Dus Manuel en ik zwegen. We keken naar haar en toen ik voelde dat het te lang duurde schopte ik Manuel met volle kracht tegen zijn scheenbeen. Manuel brulde en keek mij verbijsterd aan. We deden elkaar nooit zomaar pijn om het pijn doen. Ik had meteen spijt. Al terwijl ik het deed, als zoiets kan. Maar hoe leg je dat uit? Iemand met opzet tegen zijn schenen schoppen en daarna ‘sorry’ zeggen, dat gaat gewoon niet. Ik kon niets anders bedenken dan heel hard wegrennen.
Al snel hoorde ik dat iemand me volgde. Ik wist niet wie en ik wist ook niet wie van de twee me liever was: Ine of Manuel.
‘Wacht!’ riep Ine. Ze kon me niet bijhouden. ‘Wacht nou even.’ Om de hoek van de straat, uit het zicht van de school, stopte ik en draaide me om.
‘Hoe heet je?’ vroeg ze.
‘Bonnie.’ En toen zei Ine voor het eerst mijn naam.
‘Bonnie,’ zei ze, ‘ik vind dat je echt geweldig haar hebt.’
Niemand noemt ooit mijn haar. Hooguit als ik word nageroepen of uitgescholden. Niet zo … in een gesprek. Als iemand een grote wijnvlek op zijn gezicht heeft, dan zeg je daar ook niets over. Ik keek om me heen of iemand haar had gehoord, of ze soms een grap had gemaakt. Ik keek naar de straathoek waar Manuel vandaan zou moeten komen, die me dan zou kunnen bespringen of terugschoppen, iets waardoor alles weer normaal werd. Manuel kwam niet. Ik stond daar alleen met dat mooie kind dat iets van mij wou en ik begreep niet wat. Het voelde als gevaar, iets waarvan ik zo snel mogelijk vandaan moest.
‘Ik moet naar huis’, zei ik en ik rende alweer.
‘Waar woon je?’ riep Ine nog. Ik rende harder dan ik ooit gerend had. Ik sprong over enorme plassen heen, met steeds grotere sprongen. Ik rende met stappen die almaar groter werden en toen ik thuis over het groene hekje van onze voortuin sprong, zweefde ik een korte tijd gewichtloos door de lucht en ik was niet verbaasd.
Ik had altijd al gehoopt op iets. Ik had gewacht op iets. Alsof ik wist dat dit, dit leven van mij, het niet kon zijn. Ooit was ik ervan uitgegaan dat ik later zou uitgroeien tot iets moois. Dat leek me logisch, als kind. Dat leek me passend, bij mij, het wonderlijke en o zo gewenste kind. Op mijn elfde wist ik dat dát het niet zou worden. Dus toen ik die ochtend over het tuinhekje zweefde, loste dat een verwachting in. Ik was verheugd en heus wel verrast dat dít het dus was, maar verbaasd, nee.
Ik deed het er niet om. Ik nam gewoon de bekende aanloop om zo hoog mogelijk met gestrekte benen over ons tuinhekje te springen. Ik kende die ene seconde van gewichtloosheid als je in de lucht hangt en je lichaam zich nog steeds voorwaarts beweegt, terwijl je geen enkel contact met de aarde meer hebt, maar wat er nu gebeurde, was dat die seconde zich verlengde. Het zweven ging door. Ik kwam in een luchtstroom terecht die ik nooit eerder had gevoeld. Secondenlang werd ik opgetild. Ging er iets vanzelf. En bij het neerkomen knikte ik al met mijn hoofd, zo van: ja ja ja, natuurlijk, dít dus.
Ik twijfelde niet of ik het mijn ouders zou vertellen. Ik sloeg met mijn vuisten op de deur. Ik snap niet hoe iemand zo’n wonder verborgen kan houden. Mijn moeder deed open. Ik vroeg haar papa te roepen.
‘Je vader is met Amerika aan het bellen’, zei mijn moeder. Ik zei haar dat ik hun béíden iets moest laten zien en dat het nogal belangrijk was.
‘Je vader heeft Amerika aan de lijn.’
‘Ja, dat weet ik, maar het is be-lang-rijk.’
‘Nu niet,’ zei ze nog eens, ‘je vader heeft Amerika aan de lijn.’ Blijkbaar had het woord ‘belangrijk’ weinig betekenis als ik het gebruikte.
‘Je kunt het toch aan mij laten zien?’ zei ze. Ze lachte daar heel lief bij en ik dacht echt dat ze zich verheugde op het belangrijke (en ook dacht ik dat ik van hun gespreide bewondering langer kon genieten.)
Ik zei mijn moeder precies waar ze moest staan. Met haar rug in de coniferen, aan de zijkant van de tuin, zodat ze me goed van opzij kon zien als ik omhoogging. Ze deed wat ik haar vroeg, maar toen ze daar zo braaf tussen de coniferen stond en bleef glimlachen, kwam die blik van haar me wel erg bekend voor.
Het was geen toevalstreffer geweest. De tweede keer ging het zelfs beter.
Ik liep kalm terug de straat op en nam een goede maar niet overdreven lange aanloop. Blijkbaar begreep ik toen al dat de zaken die natuurlijk voor je zijn, je niet al te veel moeite horen te kosten. Ik nam een paar grote passen, versnelde, plaatste mijn rechtervoet vlak voor het hekje, zette af, stak mijn linkerbeen uit en hup, daar ging ik. Ik stak mijn linkerbeen op precies diezelfde plaats de luchtstroom in die me al eerder had opgetild, en vlak voor mijn moeders ogen zweefde ik op die stroom. Ik vloog. Niet heel erg lang en niet heel erg hoog, maar ik vloog wel en mijn moeder zag het … en mijn moeder was onder de indruk … zoals moeders … altijd onder de indruk zijn. Ze schudde haar hoofd in ongeloof. Nu kon ik die blik van haar plaatsen, vlak voor mijn vlucht. Zo keek ze wanneer ik haar als kleuter een koprol voor wilde doen. Zo keek ze als ik een tekening voor haar maakte. Zo keek ze gewoon. Naar mij.
‘Maar ik vloog’, zei ik.
‘Het is ongelofelijk.’ Ze schudde nog steeds met haar hoofd. ‘Maar mama, zag je dat, dit was niet normaal.’
‘Nee,’ zei mijn moeder, ‘dit was zeker niet normaal.’
‘Maar mama,’ zei ik, ‘ik … vloog … of … ik zweefde, toch?’
‘Ja,’ zei ze, ‘ik zag het, het is ongelofelijk’, en ze draaide zich om en liep naar binnen toe.
‘Wil je thee?’ vroeg ze nog. Ze wílde het niet zien. Ze wilde niet dat het waar was.
Ik liep haar achterna en riep: ‘Kom terug! Godverdomme, kom terug!’
‘Wat zeg jíj nou?’ vroeg ze.
‘Je kunt niet zomaar wéglopen’, riep ik en ik voelde dat mijn hoofd rood werd.
‘Lieverd, ik begrijp niet wat er aan de hand is’, zei mijn moeder.
‘Je moet geen “lieverd” zeggen,’ riep ik en de eerste tranen kwamen, ‘je moet …’ Ik huilde alweer. Gierend.
‘Ga nou eerst ’s zitten en doe je jas uit’, zei mijn moeder. Het maakte me nog woedender. Al dat gewone, al dat pogen de dag weer in zijn normale doen te krijgen, al die ontkenning.
Dus zei ik wat ik altijd zei als ik ruzie had met mijn vader of moeder: ‘Jij begrijpt mij niet’, en ik rende naar mijn kamer.
Zo begon dat. Mijn bestaan als superheld. Ze lieten me uithuilen. Mijn vader klopte op mijn deur en vroeg of hij mocht binnenkomen.
Hij kwam bij me op bed zitten.
‘Je moeder heeft me verteld wat er is gebeurd’, zei hij.
Ik zei: ‘Ja, het is niet niks, hè?’ en ik vond mezelf volwassen klinken.
‘Nee,’ zei hij ook, ‘het is niet niks.’
‘Zal ik het je laten zien?’ Hij keek me aan met een blik die ik toen nog niet kende en die ik steeds vaker zou gaan zien. Iets tussen ergernis en verbazing in.
‘Ik kan het gewoon nog een keer doen.’
Hij zei: ‘Dit lijkt me niet het juiste moment, Bonnie. Ik zou het eerst met je willen hebben over wat je tegen je moeder zei.’ Ik had ‘godverdomme’ gezegd. Dat was blijkbaar indrukwekkender dan een wonder.
Ik voelde dat ik koud werd, letterlijk. Alsof het toen al tot mij doordrong dat ik hier alleen in stond en ik zei: ‘Ik wil niet met jou praten.’
‘Bonnie,’ vroeg hij, ‘wat is er nou?’
‘Jullie willen het niet zien’, zei ik.
‘Wat niet?’
‘Dat ik …’ Ineens klonk het kinderachtig.
‘Dat jij wat?’
‘Dat ik kan zweven.’
‘Wij willen het best wel zien,’ zei mijn vader, ‘maar je moet begrijpen dat niet alles precies zo gaat als jij dat wilt, en dat wij niet altijd onmiddellijk tijd voor jou hebben wanneer jou dat zo uitkomt.’ En toen zei hij het allerergste: ‘De wereld draait niet om jou.’ Die zin gebruikten ze de laatste tijd steeds vaker, als ik naar hun idee onterecht de aandacht trok. Het is het allerergste verwijt dat ik ken. Alsof ze zeggen: Jij had er even niet moeten zijn, dat was voor iedereen beter geweest, jammer dat je dat zelf niet inzag. Ik schaamde me en ik knikte sprakeloos.

[...]

© Esther Gerritsen, 2010
Foto © Liesbeth Kuipers

Uitgeverij De Geus

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum