Leesfragment: Wie houdt dan stand?

27 november 2015 , door Andrea Bajani

19 januari verschijnt Andrea Bajani's Wie houdt dan stand (Se consideri le colpe), in de vertaling van Yond Boeke en Patty Krone bij Uitgeverij Athenaeum — Polak & Van Gennep. Vanavond kunt u de eerste pagina's al lezen en het boek reserveren.

De jonge Lorenzo trekt naar Boekarest om daar de begrafenis bij te wonen van zijn moeder, die hem in zijn kindertijd achterliet bij zijn stiefvader. In een eerlijke en ontroerende monoloog aan zijn overleden moeder haalt hij herinneringen op aan zijn jeugd, toen de idylle van een gelukkig gezin nog niet doorbroken was door haar vertrek.

‘Ik kom terug,’ zegt Lorenzo’s moeder als ze op het punt staat voorgoed naar Roemenië te verhuizen. Ze wil daar samen met haar nieuwe liefde hun bedrijf in zogenaamde ‘afslankeieren’ voortzetten. Lorenzo zal haar pas weer terugzien als ze gestorven is. Wie houdt dan stand? is een breekbaar verhaal over schuld en boete, opgroeien en afscheid nemen. De roman is doortrokken van melancholie, zowel die van het jongetje dat zijn moeder is kwijtgeraakt als die van een land dat een te hoge prijs heeft betaald voor de toetreding tot het kapitalistische westen.

Ik denk dat het bij jou ook zo is gegaan, de eerste keer dat je hier aankwam. Dat een man je even voorbij de bagagehal stond op te wachten met een wit vel papier met je naam erop. En dat hij een voor een de gezichten bekeek in een poging te raden welk bij zijn vel paste. De man die mij opwachtte stond tegen het hek gedrukt en hield zijn papier hoog boven dat van de anderen uit, het had meer weg van een protestdemonstratie dan van een ontvangstritueel. Toen herkenden we elkaar, ik liep op hem toe, hij vouwde het papier op en liet het in zijn borstzakje glijden. Jouw naam en achternaam stonden erop, alsof jij het was die moest arriveren en niet ik die daarheen kwam om je onder de grond te zien verdwijnen.

 

We drukten elkaar de hand en daarna zwegen we. Hij zei alleen dat hij Christian heette en keek toen naar de grond. Ik voelde nog een tijdje de aanraking van die ruwe hand op mijn huid, een hand die hij geleend leek te hebben, zo weinig had die te maken met het zachtaardige gezicht dat me niet aankeek. Welkom in Roemenië, voegde hij er vervolgens aan toe, terwijl hij mijn bagage van me overnam. Op een paar meter van de glazen deuren bleven we staan, ik was huiverig om naar buiten te gaan en ondertussen schoven de deuren maar open en dicht, elke keer als er mensen doorheen liepen. Welkom in Roemenië, had hij gezegd, maar ik zag op dat Roemeense vliegveld alleen maar Italianen op doorreis, gehaaste mannen en vrouwen die hijgend voor tassen en rolkoffers uit holden. Het waren de mensen met wie ik tot een paar minuten daarvoor in het vliegtuig had gezeten, de mensen die zodra het toestel op de landingsbaan tot stilstand was gekomen, in hun telefoon begonnen te schreeuwen, de mensen die in de pendelbus waren blijven schreeuwen en die vervolgens met hun handbagage waren verdwenen, terwijl ik op mijn koffer stond te wachten. Ooit bevond ook jij je tussen al die hollende mensen.

Christian bleef even naast me staan, allebei roerloos in die transitzone. Maar toen nam hij het initiatief, zei Volgt u me maar, liep richting uitgang en ging de glazen deuren door. Als je hem van achteren zag, met die brede schouders en die gedrongen nek, begreep je opeens de ruwheid van zijn handen. Toen ik opkeek was Christian er al niet meer, ik zag hem aan de overkant van de straat verdwijnen, voortdurend liepen er mensen langs en zei de luidspreker Aeroportul Otopeni om vervolgens in alle talen van de wereld aankomst- en vertrektijden af te ratelen. En dus liep ook ik maar richting glazen deuren, fijn toch dat ze altijd weer opengaan vlak voordat je er echt tegenaan loopt. Ineens stond ik buiten, de zon sloeg me in het gezicht, en daar was Roemenië. Ik zocht Christian in de drukte, maar de schittering van het zonlicht op de voorruiten was zo fel dat je er niet tegenin kon kijken. Opeens zag ik dat hij naast me stond, we hadden even zo gestaan zonder het van elkaar te weten, elk op zoek naar de ander aan de overkant van de straat. Daarna staken we over, tussen de rijdende auto’s door laverend, waarbij we onze handen uit voorzorg op de motorkappen legden. We dwaalden een tijdje rond over de parkeerplaats, Christian wist niet meer waar hij zijn auto had neergezet. Toen hij hem ten slotte zag, versnelde hij zijn pas. Hij liet hem even knipperen met het contactsleuteltje en legde mijn tassen met een routineus gebaar in de kofferbak. Naast ons stond een stokoude, aftandse Dacia, hij zag eruit alsof hij al vijftig jaar niet van zijn plek was geweest. Het wemelde op het parkeerterrein van dat soort auto’s die daar ogenschijnlijk gestrand waren, als fietsen aan een paal, de eigenaars al jaren dood en de mensen die er achteloos aan voorbijlopen.

Hij wilde dat ik achterin ging zitten, hij zei Alstublieft, en hield het portier voor me open. Daarna zweeg hij een groot deel van de rit, ik keek naar zijn nek, de aanzet van zijn haar, probeerde Roemenië in hem te ontdekken, een spoor van jou. Af en toe keek hij naar me in de achteruitkijkspiegel, hij zei Ik vind het heel naar van je moeder. Hij zei het in helder Italiaans, met eerder een zweem van onwennigheid in de blik waarmee hij die woorden uitsprak dan in de vorm waarin ze naar buiten kwamen. Zijn gezicht stond op rouw, alsof de trip vanaf het vliegveld al deel uitmaakte van je begrafenisplechtigheid. Christian is jarenlang je chauffeur geweest. Elke keer dat je in Boekarest landde was hij op het vliegveld, hij stond je op te wachten achter het hek en verloste je van je bagage. Elke keer liet hij je achterin instappen, zocht naar de goede zender op de radio en reed je zonder dat je verder iets hoefde te zeggen naar de zaak. ’s Avonds kwam hij je altijd ophalen en bracht je naar huis. Het is nog steeds dezelfde auto als toen, je naam staat op de zijkant, met die van je compagnon. Jij zat waar ik nu zit, zag wat ik nu zie, de stad die plotsklaps ophoudt en wij opeens op een vlakte die kilometers lang hetzelfde blijft.

Christian was hooguit dertig maar leek veel ouder, grijs haar aan de slapen en kleine ogen die er tussen de naar de zijkant uitwaaierende toefjes rimpels uitzagen als verpakte snoepjes. Hij omklemde het stuur alsof hij met de kracht van zijn armen tegenwicht wilde bieden aan het slechte wegdek waarover hij me vervoerde. Hij deed het met een zekere eerbied, want ondanks mijn leeftijd was ik natuurlijk wel jouw zoon. Bij elk gat in de weg zocht hij mijn blik in de achteruitkijkspiegel en zei Sorry, alsof het zijn schuld was dat bij mijn komst niet alles op orde was. Daarom reden we langzaam, Christian slalomde voortdurend tussen de gaten door, ik klemde me vast aan de stoel voor me en moest opeens lachen, ik weet ook niet waarom. Af en toe haalden we een karretje in met een paard ervoor, Christian maakte me erop attent en trok met een mengeling van trots en schaamte zijn wenkbrauwen op. Het landschap werd doorsneden door een hele rij uit plaatstaal opgetrokken loodsen, elk met zijn eigen naam op het dak, als een vlag, Italiaanse, Franse, Duitse, Deense, Amerikaanse namen. De jouwe zag ik niet in dat kordon rechthoekige dozen dat ons kilometers lang vergezelde, een muur van blik en beton.

Ik liet me tegen de rugleuning zakken, Christian zette de radio aan en loerde naar me in zijn spiegeltje. Ik deed het klepje van de asbak open, eronder bevond zich een kerkhof van uitgedrukte peuken, jouw sigaretten, en ik deed het meteen weer dicht. We zijn er bijna, zei Christian na een tijdje. Maar waar ‘er’ was wist ik niet. Ik had alleen het telegram van je compagnon ontvangen, die compagnon die samen met jou op de zijkant van de auto stond. In het telegram stond niet meer dan de datum van de begrafenis en een telefoonnummer waaraan ik het tijdstip van mijn aankomst op het vliegveld van Otopeni had doorgegeven. Een meisje had me door de telefoon gezegd dat iemand me zou komen ophalen en me naar mijn bestemming zou brengen. Ze had ook nog gezegd Ik vind het heel naar voor je, Lorenzo, ze had me bij mijn voornaam genoemd alsof we elkaar al tijden kenden.

We verlieten de hoofdweg, sloegen een onverharde weg in die dwars door de velden liep, Christian zette de radio uit. Recht voor ons doemde in de verte een eenzame blauwe loods op, een soort miniatuurjachtslot van plaatstaal. Op het dak boven de ingang stonden twee vlaggen, de grootste was een Italiaanse. Daarnaast wapperde een kleinere, van Juventus. Christian draaide zich naar me om, zei We zijn er en keek daarna weer voor zich. Hij minderde vaart, toeterde een paar keer en de schuifpoort ging open. Ik herhaalde We zijn er, en toen reden we naar binnen, de poort sloot zich langzaam achter ons.

 

En zo zag ik hem dus eindelijk terug, na al die jaren. Terwijl Christian langzaam tussen de lukraak op het voorterrein geparkeerde suv’s door manoeuvreerde, zag ik dat hij zich losmaakte uit een groepje werklui en op ons toeliep. Christian stopte, zette de motor af en zei nogmaals Welkom in Roemenië, met een half glimlachje, alsof Roemenië niet dat was wat ik vanuit het dalende vliegtuig had gezien, maar dat wat zich binnen de omheining van het blauwe complex bevond. Je compagnon trok al van verre zijn hand tevoorschijn en toverde een brede welkomstlach op zijn gezicht. Welkom in Roemenië, zei ook hij. Daarna stelde hij zich voor met zijn achternaam, schudde me de hand en legde zijn andere hand er bovenop om de warmte van onze begroeting te benadrukken. Anselmi, zei hij, alsof we elkaar niet kenden. We lieten onze handen een tijdje op en neer dansen, waarbij we elkaar aankeken als twee staatshoofden die elkaars taal niet spreken. Eindelijk zie je het dan, zei hij. Intussen liep Christian langs met mijn bagage. Anselmi maakte zijn hand los uit de mijne en greep hem razendsnel bij de arm. Ze wisselden enkele woorden, keken naar de auto, daarna maakte Christian rechtsomkeert, opende de kofferbak en legde mijn bagage er weer in. We hebben een kamer voor je gereserveerd in een hotel in het centrum. Hij sloeg een arm om mijn schouder en zei op vertrouwelijke toon Ik vind het heel naar van je moeder. Het heeft ons volkomen verrast.

Ik weet een heleboel over je, zei hij met luide stem, bijna schreeuwend. Ik moet ook nog ergens een foto van je hebben. Daarna spreidde hij zijn beide armen en vroeg Had je gedacht dat het zó groot zou zijn? Ik zei Nee, niet echt, terwijl ik me omdraaide om naar het gebouwencomplex, de suv’s met de open raampjes op het voorterrein en de stapels pallets te kijken. In deze regio zijn wij de grootste. Ben je geland op Otopeni? vroeg hij, naar de lucht kijkend. Ik knikte. Geweldig, dan heb je ons dus gezien. Als je hier met het vliegtuig aankomt zie je alleen ons. Volgens mij zien ze ons zelfs vanaf de maan, voegde hij eraan toe, of vanuit een satelliet, net als de Chinese muur. Ze zien de velden, en dan midden in die velden zien ze ons. Hij schreeuwde meer dan dat hij sprak, want vanuit de loodsen klonk het gekletter van metaal op metaal, het geknetter van het lassen en het geschreeuw van de werklui. Zoals je ziet zijn we hier altijd aan het werk, zei hij, we stoppen nooit. Om de zoveel tijd kwam er een arbeider op een ezeltje naar buiten, reed het voorterrein over, verdween in de loods aan de andere kant en kwam dan terug, langzamer nu, het ezeltje bepakt met karton. Hij reed op en neer tussen de twee delen van het complex, terwijl je compagnon me vertelde over alle inspanningen en successen, over Roemenië dat zo’n bijzonder land is, vol verlangen naar verlossing, en vol meisjes die nergens ter wereld zo zijn als hier. Kijk, zei hij en wees naar de pendelende arbeider, eerst waren ze niet tot werken in staat, en moet je ze nu zien. We hebben die mensen verlost van de middeleeuwen.

Daarna draaide hij zich met een gezicht dat glom van trots om naar een meisje dat op het stoepje zat en zei Dat is Monica. Heb je ooit zo’n meid gezien? Het meisje merkte dat we over haar praatten, glimlachte en zwaaide. Moet je zien hoe ze zwaait, zei Anselmi, moet je zien hoe ze glimlacht. En moet je kijken hoe ze komt aanhollen als ik haar roep. En dus schreeuwde hij haar naam en wenkte haar. Ze stond op, trok haar rok recht en haastte zich in onze richting. Als ze een staart had zou ze kwispelen zei hij, haar met zijn blik volgend. Toen ze bij ons was, sloeg hij een arm rond haar middel. Ik keek eerst naar hem, daarna naar haar. Een beetje ongemakkelijk stak ze me haar hand toe en zei Ik ben Monica, we hebben elkaar door de telefoon gesproken. Ze leek piepklein naast Anselmi, amper half zo lang, twee rusteloze benen die pardoes onder haar rok uit kwamen zetten, opgestoken haar en ogen die zo groen waren dat je haar neus niet zag. Toen draaide Anselmi zich om, zei Ik laat je in goede handen achter en liep in de richting van het groepje werklui waarvan hij zich had losgemaakt toen hij ons had zien aankomen. Ze hadden daar al die tijd staan wachten. Terwijl ik met Anselmi stond te praten, hadden ze me begluurd, je kon zien dat ze niet wisten wie ik was, misschien herkenden ze wel iets van jou in mijn gezicht. Ik vind het heel naar voor je, zei Monica met haar vingers friemelend en ik zei Dank je. En daar voegde ik plots aan toe Het hindert niet. We wisten allebei niet wat we moesten zeggen, ik keek naar de loods achter haar en zij staarde gegeneerd naar de grond tussen onze voeten. Zo bleven we een tijdje staan, en het kabaal uit de fabriek hielp om het niet op een stilte te laten lijken.

[...]

Oorspronkelijke titel Se consideri le colpe
Copyright © 2007 Andrea Bajani / Giulio Einaudi editore s.p.a., Torino
Copyright vertaling © 2010 Yond Boeke en Patty Krone / Athenaeum–Polak & Van Gennep, Singel 262, 1016 AC Amsterdam

Copyright foto © Ornella Orlandini

Athenaeum - Polak & Van Gennep

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum