Leesfragment: Yves Petry: 'Literatuur creëert problemen, niet om ze op te lossen maar om ze interessant te maken.'

30 juli 2010 , door Esther Wils
| | | |

Yves Petry (Tongeren, 1967) heeft inmiddels vier titels op zijn naam staan en een bewonderende lezerschare van een paar duizend man verzameld. Zijn nieuwe roman, De maagd Marino, die 2 september verschijnt (en nu al te reserveren is), zou wel eens de doorbraak naar een groter publiek kunnen betekenen. Niet alleen heeft Petry zijn voornaamste handelsmerk, een schitterende, messcherpe en intelligente stijl, nog geperfectioneerd, een zeer geraffineerde compositie bedacht en de vorm van de tekst - die weleens neigde tot massieve monologues interieurs - toegankelijker gemaakt, hij heeft zich laten inspireren door het opzienbarende nieuwsfeit van een geënsceneerde (zelf)moord gevolgd door kannibalisme. Dat schokkende gegeven, dat veel mensen zich nog zullen herinneren van krant en televisie een aantal jaren geleden, heeft hij op volkomen integere wijze gebruikt voor een hoogstpersoonlijke 'reconstructie' van de gebeurtenis en wat daaraan voorafging.

Op 27 juli zocht ik hem op in Brussel, waar Petry in het hart van de stad een uiterst sober ingericht appartement bewoont. We bespraken het boek en het schrijverschap.

Hoe zou jij de plot samenvatten?
‘Het titelpersonage is Marino, maar voor mij persoonlijk is het echte hoofdpersonage literatuurdocent Bruno Klaus. Het is een man die zelfmoord wil plegen, niet goed weet hoe en eigenlijk een duwtje nodig heeft van een ander. Die ander is niet heel gemotiveerd, weet niet goed waarom hij het doet, is een wat wereldvreemd, ietwat infantiel en zeer geïsoleerd persoon.
Wat ik wist van de feiten was ongeveer de leeftijd van de personages, en dat ze allebei computerexpert waren. Ik herinner me een flits van de moordenaar op tv. Ik meen dat hij een spleet tussen zijn tanden had. Dat hij lang bij zijn moeder heeft gewoond en dat die een tijdje voor de gebeurtenissen was gestorven, ook dat weet ik nog. Dat is het zo ongeveer. Ik ben over deze zaak verder bewust niets gaan opzoeken.
Het boek is niet plotmatig opgezet maar drijft eigenlijk op het vertelperspectief: de moordenaar maakt in zijn cel aantekeningen die door de stem van het slachtoffer worden gedicteerd. Het wordt voorgesteld of je de stem van de dode hoort, maar een lezer die dat echt zou geloven is natuurlijk zelf rijp voor de psychiatrie.’

Je valt met de deur in huis, met een zeer extreme scène.
‘Ja, eerst stond die achteraan, maar dat bleek niet zo goed te werken. Ik moest die scène ofwel weglaten, of er dadelijk mee beginnen en dan vertellen hoe het zover heeft kunnen komen.
Ik weet van die kwestie amper iets af, zelfs niet eens het juiste jaar. Feitenkennis had in de weg gezeten, dan wordt het mij te journalistiek, wat niet bevorderlijk is voor de stijl. Als je zelf iets bedenkt, een verband ziet, een inzicht hebt, dan schrijft dat heel goed op. Als je je aan de feiten houdt en gewoon navertelt wat de moordenaar in de rechtbank verklaard heeft, dan blijft het stilistische vuur achterwege. Maar dat er iets dergelijks in de werkelijkheid heeft plaatsgevonden, was wel noodzakelijk voor me. Anders had ik dit boek nooit geschreven.
Het moet ergens rond 2002 gebeurd zijn. De achterblijver [verschenen in 2006, EW] is begonnen als een poging om dit boek te schrijven, maar toen was de tijd nog niet rijp. Ik was nog te ironisch of sarcastisch ingesteld. Dit boek is niet van alle humor gespeend maar wel minder opzettelijk of nadrukkelijk humoristisch omdat dat niet gepast had. Humor is een overlevingsmiddel en dat kwam in dit verhaal over zelfmoord niet zo van pas.’

‘Het is een letterlijk uniek gevoel om voor de laatste keer uit je bed te stappen in het besef dat je nooit meer zult gaan slapen. Om bewust voor de laatste keer onder de douche te staan en je tanden te poetsen. Je lichaam nog een allerlaatste keer inzepen en schoon schrobben en afspoelen.
    Weer voelde ik een zeker schuldgevoel opkomen tegenover deze warme kameraad die me immers nooit wat had misdaan. Daarom bracht ik veel meer tijd voor de spiegel door dan gewoonlijk. Ik koos met zorg de kleren uit waarin mijn figuur zo veel mogelijk tot zijn recht kwam. Dit eenvoudige trucje scheen mijn lichaam de nodige genoegdoening of afleiding te verschaffen. Uiteindelijk was het net een groot kind, zo makkelijk als het zich steeds weer liet sussen. In elk geval bleven verdere schuldgevoelens me voor de rest van de dag bespaard.
    Het verwonderde me hoe licht ik het vooruitzicht opnam. Iedereen doet altijd zo moeilijk over sterven. Ook door de meest intieme verstandhoudingen loopt het als een klein fijn barstje dat de fundamentele zwakte van de constructie verraadt, dat aangeeft dat we elkaar wanneer het er werkelijk op aankomt, niet zullen kunnen helpen.’

Je vorm is geraffineerder geworden, en ook toegankelijker, met korte hoofdstukken.
‘Dat komt door de nauwe samenwerking in het afgelopen half jaar, met mijn nieuwe redacteur, de dichter Alfred Schaffer. Hij heeft mij, zonder te zeggen wat ik concreet moest doen, op zijn eigen charmante manier weten te overreden om het iets romanesker te houden en minder essayistisch. Ik heb intussen ingezien dat de intelligente lezer ook zelf wel verbanden kan leggen. Je moet hem daarvoor de ruimte geven, dat is prikkelender. Dat is eigenlijk heel evident, een cliché uit elke schrijfcursus, maar het ook echt begrijpen en toepassen is nog wat anders. Het boek was oorspronkelijk ook honderd pagina's dikker, er is een heleboel essayistiek uit weggevallen.
Ik besef dat er in het boek een paar duistere dingen blijven hangen. Dat heb ik bewust zo gelaten. Ik zou daar wat essayistischer uitleg bij kunnen bieden maar dat vind ik goedkoop, ik vind de feiten zo… bruut en ik wou daar eigenlijk geen afbreuk aan doen.

Ik vind dat ook de functie van literatuur: gedachten uitspreken die sociaal ontoelaatbaar zijn, of in elk geval heel moeilijk onder woorden te brengen zijn; rare kronkelingen, fluctuaties in ons brein, niet consistent, niet te rechtvaardigen, niet in een samenhangend beeld onder te brengen, maar ze zijn er toch. We zijn uitgerust met zo'n groot, complex brein dat onzin onvermijdelijk is, maar die onzin is wel echt deel van ons leven. We zijn voor een deel onzinnige wezens en het is onder andere een taak van de literatuur dat te tonen, op een mooie en aantrekkelijke manier. In het debat, de sociale omgang is dat anders, daar rechtvaardig je jezelf door te doen alsof je weet wat je zegt, al is dat in werkelijkheid helemaal niet het geval. In De maagd Marino is er sprake van twee mensen die overgaan tot een handeling die extreem en niet te verantwoorden is, maar ik denk dat eigenlijk bijna al onze handelingen van die aard zijn. We weten niet goed wat we doen.
Bruno Klaus zegt ergens "[Literatuur] creëerde problemen, niet om ze op te lossen, maar om ze interessant te maken. Om ze altijd weer zó aantrekkelijk voor te stellen dat je ze niet eens opgelost zou wíllen hebben." Daar sta ik helemaal achter - ik heb het ook zelf geschreven. Het individu is een zeer complex probleem waarvoor geen oplossing bestaat, tenzij… ja… tot hij sterft.’

Daar zadel je de lezer wel mee op.
‘Ik vind dat geen erge visie. Ik vind dat zelfs een reddende visie, een heilsvisie.’

‘Marino lag in het hoekje waar niemand hem kon zien, half in de schaduw van de taxushaag, op een deken dat hij op het gazon had uitgespreid, de armen onder het hoofd gevouwen. Hij lag liever op de grond dan op een tuinstoel. Het schommelen en kraken van een tuinstoel wees al te nadrukkelijk op zijn volwassen gewicht. Maar met niets dan de onuitputtelijke draagkracht van de aarde onder zijn rug voelde hij zich licht als een pluimpje.
    Soms leidde een lucht als die van vandaag tot een moment van kalme vervoering waarin, zoals dat wel eens achteloos wordt genoemd, ‘de wereld lijkt stil te staan'. Maar niets is minder waar. Het is de toeschouwer die stilstaat.’

De natuur, de wolken, als tegenwicht, planeten zijn reëel. Dat werkt verkoelend in die kakofonie binnen de individuele geesten, de natuur en het heelal vormen een enkelvoudiger werkelijkheid omdat er geen zelfbewustzijn in zit, geen bedoelingen.
‘Het creëert een sfeer die contrasteert met de menselijke, talige sfeer van zelfbewustzijn waaruit de zelfmoordenaar, Bruno Klaus, wil ontsnappen en waarin de andere, Marino Mund, zich nooit heeft thuisgevoeld. Hij ziet zelfbewustzijn hoogstens als een spookachtig effect van taal. Ik kan me daar, als ik ervoor in de stemming ben, wel in vinden: we zijn niet zo zelfbewust, we creëren een fictief ik dat we fictieve motieven toeschrijven, we maken zelf voortdurend fictie van ons leven, maar is dat nu zelfbewustzijn? Weten we nu echt waarom we opstaan, dit doen, dat doen? In de jaren '90 had je Sheldrake, die zich afvroeg of de zon geen bewustzijn had, en eerder Lovelock die dacht dat Gaia, de aarde, een bewustzijn had. Mijn vraag was toen al, en is altijd gebleven: hebben wij eigenlijk wel een bewustzijn? Dat is de echte vraag. En ik ben soms geneigd om te denken: nee, natuurlijk niet. Ik vind dat mooi en literatuur kan dat allemaal nog eens veel mooier en explicieter en beter verwoorden dan ik op dit moment.’

Je moet dat wel kunnen dragen als individu.
‘Als schrijver leid ik een vrij geïsoleerd bestaan waarin ik dergelijke gedachten kan cultiveren. In de sociale sfeer kun je je die inzichten niet zomaar permitteren als je naar behoren wil functioneren. Afzondering is de toestand die Marino ook opzoekt als hij zijn talent, zoals Bruno Klaus het noemt, tot uiting wil laten komen, hij moet dan geïsoleerd zitten in 'een hoekje waar niemand hem kan zien'. Daarom ben ik net als Marino niet onontvankelijk voor religieuze gevoelens, maar ik heb wel een afkeer van collectieve religieuze gevoelens, zoals die waarin zijn moeder zich stort nadat ze lid is geworden van de katholieke beweging Spiritus Semper. Collectieve religiositeit kan niets anders zijn dan geveinsde vroomheid, pronkzucht, ingebeelde pretentie van een geestelijke prestatie.’

Je kunt natuurlijk heel erg in de war raken door die complexe verhouding tussen feit en fictie.
‘Ik geloof dat de meeste mensen veel meer in de war zijn dan ik. Ik bedoel dat echt niet pretentieus, maar ik vind het sociale verwarrender en abstracter dan het isolement. Ik kan op een prettige manier samen zijn met andere mensen, ik ben geen kluizenaar, maar dat heeft dan iets van een spel: je laat je meeslepen en dat is prettig, maar daarna moet je weer terugkeren naar jezelf en ervaar je dat toch als de meest werkelijke wereld. Dat is niet altijd zo hooggestemd, bevlogen of extatisch, dat kan best vervelend zijn, maar verveling is toch de grondstemming van het universum, zeker.’

Jij kiest in je roman in plaats van twee computerjongens twee complementaire figuren. Marino doet weliswaar in computers maar niet uit overtuiging - hij is daar door zijn moeder op gezet maar vindt zijn geringe inspiratie eigenlijk alleen in een enkele, zwijgzame oneindigheidservaring. Bruno is een literatuurdocent die het lezen als levensvorm aanhangt en nergens meer staat als hij dat geloof verliest. De lezer is verwend geraakt door literatuur…
‘En houdt daar een zekere wereldvreemde verwachting ten aanzien van het leven aan over, het is bijna zoals religie. Wereldvreemd of toch marginaal, op zijn minst.’

‘Ik beschouwde mezelf als een slachtoffer van de literatuur, zonder dat ik daarvoor bij enige instantie schadevergoeding kon eisen. Opgegeten door de boeken, en er vervolgens door uitgekakt. Veel te lang had ik me ingeleefd in het lot van personages die op papier met veel bravoure hun ondergang tegemoet liepen, maar die, als ze in de wereld van vlees en bloed hadden gestaan, over het algemeen alleen maar pathetische sukkels zouden zijn geweest. Neem nu Humbert Humbert. Op zijn eigen terrein, uitgesmeerd over de pagina's van een boek, ja, daar kon hij, terend op het uithoudingsvermogen van zijn bedenker, schitteren als een grootgrondbezitter in het rijk van de verbeelding, een aristocraat in het eindstadium van zinnelijke kieskeurigheid en poëtisch raffinement. Maar in het echte leven zouden zijn snobisme, zijn grootspraak en criminele egoïsme me gewoonweg hebben afgestoten. Arme Lolita. Nu pas begon ik het kind echt te begrijpen. Als ik haar was, was ik ook weggelopen.’

Is het failliet onvermijdelijk? Op allerlei terreinen van het leven gaat het mis in jouw werk; de wetenschap, de literatuur, de liefde, en voor sex zijn allerlei kunstgrepen nodig om er nog iets aan te beleven.
‘De lezer moet me natuurlijk niet overdreven ernstig nemen. Hij heeft zijn leven en ik het mijne. Ik hoop voor ons allebei dat onze levens gelukkiger zijn dan de lotgevallen van mijn personages. Voor dat geluk betalen we wel een prijs. Onze levens zijn niet zo'n gedreven, intense verhalen als die uit mijn boek. Maar dat is een prijs die de meesten onder ons graag betalen.
Ik ben literator. Mijn eerste bekommernis is de intensiteit van de werkelijkheid die ik in woorden oproep, niet de overeenstemming met een al dan niet bestaande werkelijkheid buiten mijn woorden. Als schrijver voel ik me in de eerste plaats een verleider. Als ik iemand een paar uren lang heb kunnen boeien, dan ben ik grotendeels in mijn opzet geslaagd. Ik voel me niet echt verantwoordelijk voor wat hij of zij daar achteraf aan overhoudt.’

Maar het gaat bij jou wel steeds heel erg mis.
‘In mijn boeken wel, ja. Het failliet beschrijven is nu eenmaal goed voor de stijl. Misschien is het een puur persoonlijk trekje van me, maar ik schrijf beter over neergang dan over succes of geluk. Ik geloof ook dat succes toevallig, tijdelijk en illusoir is. Je hebt er trouwens anderen voor nodig. Je kan moeilijk alleen maar in je eigen ogen succesvol zijn. Mijn personages zijn nogal individualistisch ingesteld en beleven alles op hun eigen persoonlijke manier. Op je eigen persoonlijke manier kan je uiteindelijk alleen je ondergang beleven. Succes is een sociaal verschijnsel. Het mooiste wat je als individu kan meemaken zijn van die zeldzame geluksmomenten die ik ook weleens beschrijf: de ervaring van een bepaalde schoonheid of zelfs een metafysische ervaring. Het zijn vage, vluchtige momenten die moeilijk te vatten zijn. Het is het zowel treurige als verlossende inzicht in je eigen spookachtigheid.’

Yves Petry noemt Bruno Klaus zijn hoofdpersoon en het ligt voor de hand hem daarin te volgen, aangezien Bruno de geletterde figuur is wiens fijnzinnig drama door zijn buikspreker wordt genoteerd. Maar het is Marino wiens maagdelijkheid wordt geschonden, met een heleboel bloedverlies. Hij draagt vervolgens de vrucht van de roman die de lezer in handen krijgt.
De schrijver is als verleider gevaarlijker dan hij denkt; hij is van het slag dat klappen uitdeelt en zich in je ziel boort. Hopelijk verwekt de stille toetsaanslag van Petry, die niet in succes gelooft maar het wel verdient, een storm van luid toeterende bijval, in verschillende wereldtalen.

Later deze maand in deze pagina's: een voorpublicatie van Petry's nieuwe roman, De maagd Marino.

Foto © Michiel Hendryckx

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum