Leesfragment: Ze schrijft met haar stem

27 november 2015 , door Fritzi ten Harmsen van der Beek
| | |

11 april wordt het luisterboek Ze schrijft met haar stem gepresenteerd, waarop Fritzi ten Harmsen van der Beek, een van de meest talentvolle en mysterieuze dichteressen uit de Nederlandse literatuur voor wiens werk uitgevers letterlijk over de grond kropen, voordraagt uit eigen werk. Een bijzonder document, mede omdat de in 2009 overleden dichteres per testament bepaalde dat haar werk niet mag worden herdrukt en haar bundels daarom alleen nog antiquarisch verkrijgbaar zijn. Deze nacht zijn twee fragmenten van het luisterboek te beluisteren, en we publiceren een deel uit Jagtlust, waarin Annejet van der Zijl de geschiedenis van de gelijknamige villa beschrijft waar Ten Harmsen van der Beek in de jaren '50 en '60 het middelpunt vormde van een kleine maar bruisende artistieke enclave.


Ten Harmsen van Beek draagt 'Onduidelijke correspondentie en de nadelige gevolgen in twee verzen' voor, uit haar debuutbundel Geachte muizenpoot en achttien andere gedichten, die in de zomer van 1965 een literaire sensatie veroorzaakte.

Uit: Jagtlust, Hoofdstuk 9, 'Vroolijk, Vreemd, Vreeselijk'

[...]

Het was, bedacht hij later, de allermooiste zomer uit zijn hele leven.
Met grote ogen keek hij toe hoe uitgever Geert van Oorschot een laatste wanhopige poging deed Fritzi over te halen hem haar werk mee te geven. Zij had afhoudend en bescheiden gereageerd, maar hij had aangehouden: ‘Hè toe, Fritzi, laat nou eens kijken.’
Op een gegeven moment was ze naar een andere kamer gelopen en had daar een kast opengetrokken, met als gevolg dat er een lawine van gedichten en tekeningen op de vloer viel. Het beeld zou Antoine de rest van zijn leven bijblijven: de oude, buikige uitgever die in driedelig grijs over de vloer kroop en zo ongeveer elke snipper zoende.

Hoe dan ook, de schrijfster waar we nu verondersteld worden het over te hebben, is wel ongeveer de meest elegante, verrassende, virtuoze en speelse retoriekbeoefenaar van die op dit ogenblik te lezen zijn. Ook is zij vaak beschaafd, een eigenschap die op zich zelf niets kan redden, er is veel beschaafd gezanik, maar die bij andere kwaliteiten een zeer aangename indruk maakt. [...] Het is een bijzonder genoegen Geachte Muizenpoot etc. te lezen. Een bundel die nieuw en verrassend is zonder enig revolutionair of extra-conventioneel programma.

En toen, in de vroege herfst van wat misschien wel het raarste en zeker het meest opzienbarende jaar in de Jagtlustgeschiedenis was, maakte Fritzi ten Harmsen van der Beek op haar achtendertigste eindelijk haar debuut. Na een decennium vijven en zessen, soebatten en smeken was het uiteindelijk Geert Lubberhuizen gelukt om een manuscript uit haar handen te krijgen.
Tot twee keer toe ging redacteur Oscar Timmers met de drukproeven naar Jagtlust. Eén keer bleef hij zelfs op de divan overnachten. Nee, bij een normale schrijver deed hij dat natuurlijk niet, maar voor Fritzi golden nu eenmaal andere wetten: ‘Ik raakte helemaal in de ban van die vrouw, betoverd. Ze was zo mooi en uit elk gesprek met haar kon je een gedicht distilleren.’
Met tweeënveertig pagina’s was Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten de dunste Reuzenpocket van De Bezige Bij ooit. Bovendien waren de meeste gedichten al eens in Van Oorschots Tirade voorgepubliceerd. Desondanks werd Fritzi’s debuut bijna onmiddellijk de literaire sensatie van het seizoen. Binnen enkele maanden gingen meer dan tienduizend exemplaren à drie gulden vijftig per stuk over de toonbank. De recensenten kwamen superlatieven tekort om de waardering voor het debuut uit te drukken. ‘Heel ambivalent, daardoor verrassend, verwarrend, ontroerend, ontstellend, onbevredigend, verbluffend, overtuigend, retorisch, pathetisch, kunstig, indringend. Wonderlijk is deze bundel! Maar persoonlijk,’ juichte het Haarlems Dagblad . ‘Het kan nog wel jaren duren voordat iets dergelijks [als de verschijning van dit debuut] wéér gebeurt,’ tekende Gabriël Smit in de Volkskrant op. ‘Ik vind het een overrompelend goede bundel,’ meldde Aad Nuis in Het Parool, daarin bijgevallen door het Algemeen Dagblad : ‘Een overrompelend debuut.’ In De Telegraaf werd Ab Visser er zelf lichtelijk poëtisch van: de bundel was in zijn ogen ‘een frisse bries die even over de zoetelijke landouwen van de post-experimentele poëzie waait’. ‘Ik geloof dat de bundel tot de beste poëzie van na de oorlog gerekend kan worden,’ concludeerde Bernlef in De Groene, ‘kwalitatief op één lijn te stellen met de poëzie van Vroman en Lucebert.’ De enkeling die het waagde een kanttekening te maken, zoals K.L. Poll in het Handelsblad , die de in zijn ogen ‘praalzieke formuleringen’ bekritiseerde, werd meteen afgestraft door fans als de toen al gevreesde Vrij Nederland -columniste Renate Rubinstein. ‘Een belachelijke kritiek in het Algemeen Handelsblad ,’ riposteerde zij. ‘Ik vind het heel bijzonder werk, heel grijpend, heel erudiet. Ze is ’n intellectuele, hè.’

Eigenlijk weerspiegelden de reacties op Geachte Muizenpoot precies die op Fritzi zelf: iedereen vond het prachtig, maar waarom, dat bleef ongrijpbaar. Eensgezind als de loftuitingen waren, betekende dat nog niet dat de recensenten eenduidig waren in het interpreteren van de gedichten of echt wisten wat ze ermee aan moesten. Fritzi werd vergeleken met een bonte verzameling dichters, uiteenlopend van Lucebert, Kouwenaar en Armando tot Polet, Carmiggelt en Annie M.G. Schmidt. Wat taalgebruik betreft liepen de vergelijkingen uiteen van Alice in Wonderland en Winnie-the-Pooh tot de reisbrieven van Gerard Kornelis van het Reve, ‘zowel in fragmenten als in hun totaliteit’. Dit laatste tot vermaak van Fritzi-kenners die al jaren juist haar invloed in zíjn werk herkenden.
De debutante bleek bij geen enkele modieuze stroming onder te brengen; niet bij de romantische Beweging van Vijftig, die toen in haar nadagen verkeerde, maar evenmin bij de zich rond Vrij Nederland en Propria Cures concentrerende intellectuele reactie daartegen, de nieuwe nuchterheid. Maar de verwarring die Geachte Muizenpoot teweegbracht was, zo vonden de meeste scribenten, nu juist de kwaliteit ervan. ‘Zij zit,’ schreef Bernlef, ‘(in veel opzichten) moederziel alleen in haar eigen hokje.’ En het Rotterdams Nieuwsblad concludeerde deftig: ‘Er zijn sterke aanwijzingen dat de kleine bundel gedichten congrueert met het contemporaine poëtische levensgevoel. De verzen zijn zo eenvoudig, complex en gelaagd als het gevoelsleven van de bewust levende moderne mens.’
In dat geval stond het er met het gevoelsleven van de moderne mens niet al te best voor, gezien het enige aspect van Fritzi’s werk waar iedereen het over eens was, namelijk de ‘geresigneerde wanhoop’, zoals Bernlef de grondtoon van de gedichten samenvatte. Het Haarlems Dagblad noemde het ‘revolterende ontgoocheling’ en Aad Nuis schreef: ‘De gedichten gaan over vergankelijkheid, schuldgevoel en medelijden. Het leven is een voornamelijk trieste zaak waar moeilijk aan te wennen valt en die waarschijnlijk nergens toe dient, een soort kwaad dat min of meer te bestrijden valt door (meestal kortstondige) liefde, door hoon en door bonte speeldingen, zoals gedichten. De wanhoop over de tekorten van het leven en de ontoereikendheid van de liefde probeert ze met alle middelen die haar ten dienste staan te bedwingen.’

‘Niet zaniken, maar lachen in een wig van wanhoop’ staat op blz. 23; dit geeft haar houding weer en dit is de meest gezonde, de meest levenskrachtige, misschien wel de oerhouding, die wij kunnen aannemen tegenover alles wat ons tegenstaat. [...] Mevrouw van der Beek gaat nog verder. Zij ontluistert het zijn, het zijn van wat het ook is, het zijn sec. En zij gaat nog verder. Zij lacht om die ontluistering, zij kan die hebben. Niets hoeft er te zijn. Daarom zit er een zekere frivoliteit in het zijn en die frivoliteit is de oorsprong van haar lachen. [...] Er is lachen, dieper dan huilen. Dit lachen wordt in haar gedichten bereikt, de lach die in klacht zit besloten.

In oktober 1965 bombardeerde de Haagse Post Fritzi voor eens en altijd tot publiek figuur. Het toentertijd toonaangevende weekblad wijdde een heuse cover story aan de vrouw wier debuut ‘literair Nederland tot onvervalste extase blijkt te hebben opgezweept’. ‘De personality-jagers van Meester Hiltermann’, zoals Renate Rubinstein de anonieme verslaggevers noemde, hadden hun huiswerk goed gedaan: ze lieten Hein uitgebreid aan het woord over hun ouders, de idyllische jeugd aan de Torenlaan en zijn bewondering voor zijn zuster: ‘Ik weet dat mijn oordeel niet objectief is, maar ik vind de gedichten prachtig.’
Anoniem opgevoerde vrienden beschreven Fritzi als ‘overwichtig, brutaal en overgevoelsmatig’ en voor een smeuïge beschrijving van de legendarische feesten werd dankbaar geput uit Van het Reves meest recente reisbrieven, die eerder dat jaar in Tirade waren gepubliceerd. Als klap op de vuurpijl werd onthuld dat de bejaarde dichter Adriaan Roland Holst aan een tweede jeugd begonnen zou zijn ‘sinds zijn ontmoeting met de excentrieke Blaricumse’. Hij zou daarvoor ‘zelfs van zijn afkeer van een geverfde haardos’ zijn afgestapt.
Hoewel het verhaal op zich positief genoeg was, hadden de ironisch ingestelde HP-verslaggevers duidelijk geen last van de nogal beate bewondering en adoratie die normaliter aan de dag gelegd werd waar het F. ten Harmsen van der Beek betrof. De inmiddels grote schare fans rond Fritzi was dan ook woedend over ‘het roddelartikel in boulevardstijl’. Heiligschennis was het – hoe durfden ze over Haar te schrijven alsof het hier simpelweg een nogal losbandige tante in een oud landhuis betrof.
Een hevig verontwaardigde Renate Rubinstein beschreef in haar Tamar-column hoe ze de toenmalige Haagse Post-redacteur Armando ter verantwoording had geroepen. Hij had echter zijn schouders opgehaald en doodleuk gezegd: ‘Ze mag blij zijn met zoveel publicity, mijn foto heeft nog nooit op de voorpagina van een weekblad gestaan en mijn bundel is veel belangrijker dan die van haar.’ Een dergelijk verregaande brutaliteit moest, zo concludeerde Tamar droevig, wel ‘een teken van de tijdgeest’ zijn.

Enkele weken na het HP-stuk kon heel Nederland zich even op bezoek wanen bij het grootogige talent op het roemruchte Jagtlust. Het veelbesproken artikel had de weg geëffend voor de jonge, met Remco bevriende filmer Hans Keller en zijn toenmalige cameraman, de fotograaf Ed van der Elsken. Zij maakten een twaalf minuten durend item dat op 25 oktober in het kro-programma Galerij werd uitgezonden.
Beelden van het huis, de tuin en bewoonster werden afgewisseld met die van de zichtbaar tot over zijn oren verliefde ‘Jany’ Roland Holst, die op gedragen toon Fritzi’s ‘Interpretatie van het uitzicht’ voordroeg.

een oude man die daar gedurig rond loopt, zonder
hoed, zwart als een krent in grauw gebak van

licht en landschap, ja een man van ziekte. Zwak
maar taai en onbeschoft.


Ten Harmsen van Beek vertelt over Adriaan Roland Holst.  

Roland Holst bevond zich op dat moment in een van de moeilijkste periodes van zijn leven. Met een zware depressie was hij een jaar eerder opgenomen in de Amsterdamse Valeriuskliniek. Daarna wilde ‘de bard van Bergen’ niet meer naar zijn woonplaats terug en leidde hij een nomadisch bestaan, zwervend tussen vrienden en familie. Zo kwam hij in 1965 terecht bij zijn broer Henk in Laren, in het door hem sinds zijn jeugd diep verafschuwde Gooi.
Ondanks zijn leeftijd – hij was inmiddels in de zeventig – gold ‘de prins der dichters’ nog steeds als een chique dandy en ijdele vrouwenveroveraar. Getrouwd was hij nooit geweest – huwelijk rijmde volgens hem op ‘gruwelijk’ en ‘afschuwelijk’. In augustus ontmoette hij op een feestje Fritzi, en hij vond haar, volgens de Leeuwarder Courant , ‘niet alleen de beste dichteres maar ook de liefste vrouw van Nederland’.
Over Geachte Muizenpoot zei hij tegen de Haagse Post: ‘Ik vind het een gebeurtenis in de Nederlandse poëzie. Buitengewoon oorspronkelijk. Ze gebruikt een heel eigen taal. Ze schrijft met d’r stem. Het is van een zeer overrompelende kracht. Ik heb haar nog niet zo langgeleden ontmoet bij een wederzijdse vriendin. Ze is een heel bijzonder iemand.’
Met licht leedvermaak zagen Fritzi’s vrienden – van wie sommige nog hadden meegemaakt hoe hij een paar decennia eerder hun vriendinnen voor hun jonge neuzen wegkaapte – hoe de oude dichter als een verliefde puber om Jagtlust heen zwierf. Uren bracht hij door op het terras van Het Bonte Paard, in de hoop een glimp van zijn grillige aanbedene op te vangen. Hij belde elke dag, maar steeds vaker vroeg hij tevergeefs belet op Jagtlust. Als de tuindeuren openstonden antichambreerde hij urenlang bij Theo Sontrop, de tijd dodend met gesprekken over Campbell-soep – die hij als verstokt vrijgezel ‘vrijheid in blik’ noemde – en wachtend op een teken dat hij boven mocht komen.
Maar Fritzi bleef ongevoelig voor zijn avances. Eén keer liet zij zich in glitterjurk gehuld door hem begeleiden tijdens een opening in de Amsterdamse galerie Krikhaar, maar dat was alles. Eind oktober van dat jaar zocht hij zijn heil maar weer in Bergen.

In ’t Vagevuur geboren en getogen
werd zij door Lucifer, gek op haar ogen
aldaar bezocht. Maar prompt heeft zij den Prins
der Duisternis met Muizenpoot bedrogen

Ondertussen was ook het witte Fiatje 600 van Antoine voorgoed van Jagtlust weggereden. Zijn redenen waren bijna identiek aan die van zijn voorgangers: een eeuwig feest is niet vol te houden, er moest weer eens serieus gewerkt gaan worden, hij had de draad met zijn ex-vriendin weer opgepakt en was van plan met haar te trouwen. Toen hij Theo Sontrop deelgenoot maakte van zijn voornemen, raadde deze hem aan het pand zo spoedig mogelijk te verlaten. Dat advies had Antoine zich ter harte genomen. Het was zoals Louis van Gasteren jaren daarvoor al geconstateerd had: de mannen kwamen, en ze gingen weer.

maar de maanden zich vervullen, de verloofdes putten zich uit,

de lege flessen hopen zich op en sneller steeds zich alles
ledigt, vermindert en ontwijkt: in liefde en liefde in

beestachtige grenzeloze onverschilligheid

© 2003 Annejet van der Zijl

Uitgeverij Rubinstein

MINDBOOKSATH : athenaeum