Leesfragment: Zomerleugens - Naseizoen

27 november 2015 , door Bernhard Schlink

Morgen verschijnt het nieuwe boek van Bernhard Schlink, de verhalenbundel Zomerleugens (Sommerlügen). In november bezoekt hij Nederland, onder andere onze boekhandel in Haarlem (op 11 november) en het Goethe-Institut (op 17 november). Vanavond kunt u al de eerste pagina's van het verhaal 'Naseizoen' lezen, en uw exemplaar reserveren.

Naseizoen aan zee. Tijdens zijn lange wandelingen heeft hij haar vaker in het strandcafé gezien, meestal met een krant of tijdschrift. Op een dag spreekt hij haar aan, en hij doet dat op een sympathieke manier. Op de weg terug naar haar vakantieverblijf nodigt zij hem onder zijn paraplu uit om de volgende dag met haar te ontbijten, en zo begint iets, wat je een ingetogen geluk mag noemen.

Zij hebben elkaar veel te vertellen in deze regenachtige nazomerdagen, en hoe meer zij over hun verleden praten, des te duidelijker wordt een gezamenlijke toekomst voorstelbaar. Sterker nog, alle twee denken te voelen, samen gaat het lukken. Maar waarom is hij, na een roerend afscheid, toch zo opgelucht en verheugt hij zich zo op zijn gewone leven alleen thuis?

In Schlinks zeven vertellingen van een bijna melancholieke schoonheid - stuk voor stuk romans in een notendop - zijn de bedachte, de spontane en de verstandige leugens waarmee we leven altijd aanwezig. Van comfortabel zelfbedrog tot een leven dat een serie van meesterlijke leugens blijkt te zijn. En wij stellen verbaasd vast dat we de leugenaars heel goed begrijpen.

1

Voor de douane moesten ze afscheid nemen. Maar omdat alle desks en controleposten op het kleine vliegveld zich in dezelfde ruimte bevonden, kon hij haar met zijn blik volgen toen ze haar tas op de band legde, door het detectiepoortje ging, haar instapkaart liet zien en naar het vliegtuig werd gebracht. Het stond direct achter de glazen deur op de taxibaan.
Ze keek steeds om en zwaaide. Op de trap van het vliegtuig draaide ze zich voor het laatst om, lachte en huilde en legde haar hand op haar hart. Toen ze in het vliegtuig verdween, zwaaide hij naar de kleine raampjes, maar hij wist niet of ze hem zag. Toen werden de motoren gestart, de propellers draaiden, het vliegtuig begon te rijden, steeds sneller, en steeg op.
Zijn vlucht ging pas over een uur. Hij haalde koffie en een krant en installeerde zich op een bank. Sinds ze elkaar hadden leren kennen, had hij geen krant meer gelezen en geen kop koffie meer alleen gedronken. Toen hij na een kwartier nog steeds geen regel had gelezen en geen slok had gedronken, dacht hij: ik ben het alleen-zijn verleerd. Die gedachte beviel hem.

2

Dertien dagen geleden was hij aangekomen. Het seizoen was afgelopen en daarmee ook het mooie weer. Het regende, en hij bracht de middag door met een boek op de overdekte veranda van zijn bed & breakfast. Toen hij zich de volgende dag in het slechte weer schikte en in de regen over het strand naar de vuurtoren liep, kwam hij de vrouw eerst op de heenweg en later op de terugweg tegen. Ze glimlachten naar elkaar, nieuwsgierig bij de eerste en al een beetje vertrouwd bij de tweede keer. Zover het oog reikte waren zij de enige wandelaars, en deelgenoten in lijden en vreugde; beiden zouden ze liever een heldere, blauwe hemel hebben gehad, maar ze genoten van de zachte regen.
’s Avonds zat ze alleen op het terras van het populaire visrestaurant, dat met een plastic dak en plastic vensters al klaargemaakt was voor de herfst. Voor haar stond een vol glas en ze las een boek – een teken dat ze nog niet gegeten had en niet op haar man of vriend wachtte? Besluiteloos bleef hij in de deuropening staan, totdat ze opkeek en vriendelijk tegen hem lachte. Toen raapte hij zijn moed bij elkaar, liep naar haar tafeltje en vroeg of hij erbij mocht komen zitten.
‘Natuurlijk,’ zei ze en legde haar boek weg.
Hij ging zitten, en omdat zij al had besteld, kon ze hem adviseren. Hij koos de kabeljauw die zij ook had genomen. Vervolgens wisten ze allebei niet hoe ze een gesprek moesten beginnen. Het boek hielp niet, het lag zo dat hij de titel niet kon lezen. Ten slotte zei hij: ‘’t Heeft toch wel wat, zo’n late vakantie op de Cape.’
‘Omdat het zulk mooi weer is?’ Ze lachte.
Dreef ze de spot met hem? Hij keek haar aan – geen mooi gezicht, te kleine ogen en een kin die te groot was, maar haar gezicht stond vrolijk, niet spottend, misschien een beetje onzeker.
‘Omdat je het strand voor jezelf hebt. Omdat in restaurants waar in het seizoen geen tafeltje vrij is, nu plaats is. Omdat je met weinig mensen minder alleen bent dan met veel.’
‘Komt u altijd als het seizoen voorbij is?’
‘Ik ben hier voor het eerst. Eigenlijk moet ik werken. Maar mijn vinger wil nog niet, en die kan zijn oefeningen hier net zo goed doen als in New York.’ Hij bewoog de pink van zijn linkerhand heen en weer, boog en strekte hem.
Verwonderd keek ze naar de pink. ‘Waar oefent die voor?’
‘Voor de fluit. Ik speel in een orkest. En u?’
‘Ik heb pianoles gehad, maar ik speel nog maar zelden.’ Ze bloosde. ‘Ik ben als kind hier vaak met mijn ouders geweest en heb soms heimwee. En als het seizoen is afgelopen, heeft de Cape de charme die u zojuist hebt beschreven. Alles is leger, rustiger – ik houd daarvan.’
Hij zei niet dat hij zich een vakantie tijdens het seizoen niet kon veroorloven, en ging ervan uit dat hetzelfde voor haar gold. Ze droeg sportschoenen, een spijkerbroek en een sweatshirt, en over de rugleuning van haar stoel hing een verbleekte oliejack. Toen ze samen de wijnkaart bestudeerden, stelde ze een goedkope fles Sauvignon Blanc voor. Ze vertelde over Los Angeles, over haar werk bij een stichting die gettokinderen toneel liet spelen, over een leven zonder winter, over het geweld van de Pacific, over het verkeer. Hij vertelde van zijn val over een verkeerd gelegde kabel waarbij hij zijn vinger had gebroken, van de gebroken arm bij de sprong uit het raam toen hij negen was en van het gebroken been bij het skiën op zijn dertiende. Eerst zaten ze alleen op het terras, toen kwamen er andere gasten, en daarna zaten ze met een tweede fles wijn weer alleen. Toen ze door het raam keken, lagen zee en strand in het duister. De regen ruiste op het dak.
‘Wat bent u morgen van plan?’
‘Ik weet dat u in uw bed & breakfast ontbijt krijgt. Maar wat dacht u van ontbijt bij mij?’
Hij bracht haar naar huis. Onder de paraplu gaf ze hem een arm. Ze praatten niet. Haar kleine huisje lag aan de straat waaraan anderhalve kilometer verderop zijn bed & breakfast was. Voor de deur ging het licht vanzelf aan, en ze zagen elkaar te plotseling te fel. Ze omhelsde hem even en gaf hem een zweem van een kus. Voor ze de deur dicht deed, zei hij: ‘Ik heet Richard. Hoe heet...’
‘Ik heet Susan.’

3

Richard werd vroeg wakker, legde zijn armen onder zijn hoofd en luisterde naar de regen in de bladeren van de bomen en op het grind van de weg. Hij luisterde graag naar het gelijkmatige, geruststellende ruisen, ook al beloofde het niets goeds voor de dag. Zouden Susan en hij na het ontbijt op het strand gaan lopen? Of in het bos rond het meer? Of gaan fietsen? Hij had geen auto gehuurd en vermoedde dat zij dat ook niet had gedaan. Dus de actieradius van gezamenlijke uitstapjes was beperkt.
Hij boog en strekte zijn pink, zodat hij later minder zou hoeven oefenen. Hij was een beetje bang. Als Susan en hij na het ontbijt inderdaad de dag samen zouden doorbrengen en ook samen zouden eten of zelfs samen koken – wat kwam dan daarna? Moest hij met haar naar bed? Haar bewijzen dat zij een begerenswaardige vrouw was en hij een begerige man? Omdat hij haar anders zou kwetsen en zichzelf blameren? Al jaren was hij niet met een vrouw naar bed geweest. Hij voelde zich niet bijzonder begerig en had haar de vorige avond ook niet bijzonder begerenswaardig gevonden. Ze had veel te vertellen en te vragen, luisterde aandachtig, was levendig en geestig. Dat ze steeds een ogenblikje aarzelde voordat ze iets zei en haar ogen dichtkneep als ze zich concentreerde, had iets charmants. Ze wekte zijn belangstelling. Zijn begeerte?
In de salon stond het ontbijt voor hem klaar, en omdat hij het oudere echtpaar dat sinaasappels geperst, roereieren gemaakt en pannenkoeken gebakken had niet teleur wilde stellen, ging hij zitten en begon te eten. De vrouw kwam om de paar minuten uit de keuken om te vragen of hij nog koffie, meer boter, andere jam, fruit of yoghurt wilde hebben. Tot hij begreep dat ze met hem wilde praten. Hij vroeg hoelang ze hier al woonde, en ze zette de koffiekan neer en bleef naast zijn tafeltje staan. Veertig jaar geleden had haar man een kleine erfenis gekregen en kochten ze het huis op de Cape waarin hij wilde schrijven en zij wilde schilderen. Maar van het schrijven en schilderen was niets terechtgekomen, en toen de kinderen groot waren en de erfenis op was, maakten ze van het huis een bed & breakfast. ‘Wat u maar over de Cape wilt weten, waar het ’t mooist is en waar je het best kunt eten, kunt u aan mij vragen. En wanneer u vandaag naar buiten wilt – strand is ook bij regen strand. Bos is alleen maar nat.’
In de bomen van het bos hing de mist. Die omgaf ook de huizen die terzijde van de weg stonden. Het huisje waarin Susan woonde was een portierswoning. Ernaast voerde een oprit naar een groot, geheimzinnig en in nevelen gehuld huis. Hij zag geen bel en klopte. ‘Kom zo,’ riep ze, en het klonk ver weg. Hij hoorde haar een trap op lopen, een deur dichtslaan en een gang door rennen. Toen stond ze buiten adem voor hem met een fles champagne in haar hand. ‘Ik was in de kelder.’
De champagne maakte hem weer bang. Hij zag Susan en zichzelf met glaasjes op een bank voor een open haard zitten. Ze schoof naderbij. Het was zo ver.
‘Wat sta je daar te kijken? Kom toch binnen!’
In de grote kamer naast de keuken zag hij inderdaad een open haard, daarnaast hout en daarvoor een bank. Susan had in de keuken gedekt, en weer dronk hij sinaasappelsap en at hij roerei, en daarna nog fruitsalade met noten. ‘Het was heerlijk, maar nu moet ik naar buiten en lopen of fietsen, of zwemmen.’ Toen ze weifelend naar de regen keek, vertelde hij haar over zijn dubbele ontbijt.
‘Je wilde John en Linda niet teleurstellen? Wat ben je toch een schat!’ Ze keek hem vrolijk en bewonderend aan. ‘Ja, waarom gaan we niet zwemmen! Heb je geen zwembroek? Je wilt...’ Ze keek weifelend, maar ging akkoord, pakte handdoeken in een grote tas en legde er een paraplu, de champagne en twee glazen bij. ‘We kunnen door het park lopen, dat is mooier en sneller.’

4

Ze kwamen langs het grote huis, dat met zijn hoge pilaren en gesloten luiken ook van dichtbij een geheimzinnige indruk maakte. Ze beklommen de brede trap, stonden op het terras tussen de pilaren, liepen om het huis heen en vonden de trap naar de overdekte veranda van de volgende etage. Vandaar een nevelig uitzicht over de duinen en het strand naar de grijze zee.
‘Hij ligt helemaal stil,’ fluisterde ze.
Kon ze dat van deze afstand zien? Hoorde ze het? Het regende niet meer, en in de diepe stilte wilde ook hij alleen fluisteren. ‘Waar zijn de meeuwen?’
‘Ginds op zee. Als de regen ophoudt, komen de wormen uit de grond en de vissen aan de oppervlakte.’
‘Dat geloof ik niet.’
Ze lachte. ‘Zouden we niet gaan zwemmen?’ Ze liep voor hem uit, zo snel en zo zeker van de weg dat hij haar met de grote tas niet kon bijhouden. In de duinen verloor hij haar uit het oog, en toen hij bij het strand kwam, trok ze net haar laatste sok uit en rende naar zee. Toen hij de zee bereikte, zwom ze al ver weg.
De zee lag inderdaad volkomen stil en was alleen koud totdat hij begon te zwemmen. Toen streelde het water zijn naakte lichaam. Hij zwom ver en liet zich op zijn rug drijven. Nog verder weg crawlde Susan. Toen de regen weer begon, genoot hij van de druppels op zijn gezicht.
De regen werd heviger, en hij zag Susan niet meer. Hij riep. Hij zwom in de richting waarin hij dacht haar het laatst te hebben gezien, en riep weer. Toen hij nauwelijks nog land kon onderscheiden, keerde hij om. Hij was geen snelle zwemmer, hij spande zich in maar kwam maar langzaam vooruit, en door die traagheid sloeg zijn angst om in paniek. Hoelang zou Susan overleven? Had hij zijn mobieltje in zijn broekzak? Had hij bereik op het strand? Waar was het dichtstbijzijnde huis? De inspanning hield hij niet vol, hij werd nog langzamer en raakte nog meer in paniek.
Toen zag hij een bleke gestalte uit zee opduiken en op het strand blijven staan. Woede gaf hem kracht. Hoe had ze hem zo’n angst kunnen aanjagen! Toen ze zwaaide, zwaaide hij niet terug.
Toen hij woedend tegenover haar stond, glimlachte ze tegen hem. ‘Wat is er aan de hand?’
‘Wat er aan de hand is? Ik was waanzinnig bang toen ik je niet meer zag. Waarom ben je niet voorbij gezwommen toen je terugzwom?’
‘Ik heb je niet gezien.’
‘Je hebt me niet gezien?’
Ze bloosde. ‘Ik ben nogal bijziend.’
Opeens leek zijn boosheid hem belachelijk. Naakt en nat stonden ze tegenover elkaar, de regen stroomde over hun gezicht, beiden hadden ze kippenvel, ze rilden en warmden hun borst met hun armen. Ze keek hem aan met de kwetsbare, zoekende blik die, zoals hij nu wist, geen uitdrukking was van onzekerheid, maar alleen van bijziendheid. Hij zag de blauwe aderen die door haar dunne, witte huid schemerden, haar schaamhaar dat roodblond was hoewel het haar op haar hoofd lichtblond was, haar vlakke buik en haar smalle heupen, haar stevige armen en benen. Hij schaamde zich voor zijn lichaam en trok zijn buik in. ‘Het spijt me dat ik zo ben uitgevallen.’
‘Ik begrijp het wel. Je was bang.’ Ze glimlachte weer tegen hem.
Hij was verlegen. Toen vermande hij zich, wees met zijn hoofd in de richting van de plek bij de duinen waar hun spullen lagen, riep ‘kom!’ en rende weg. Zij was sneller dan hij en had hem zonder moeite kunnen inhalen. Maar ze rende naast hem voort, en dat deed hem denken aan zijn kinderjaren, aan het plezier van het samen rennen naar een gemeenschappelijk doel met zijn zusjes of vrienden. Hij zag haar kleine borsten die ze, toen ze op het strand stond, met haar armen had beschermd, en haar kleine achterste.

[...]

 

© 2010 Bernhard Schlink en Diogenes Verlag ag, Zürich
Nederlandse vertaling © 2010 Nelleke van Maaren en Uitgeverij Cossee bv, Amsterdam
Foto © Cindy Marler

Utgeverij Cossee

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum