Leesfragment: Zonneschijn

27 november 2015 , door Daša Drndic

15 februari spreekt writer in residence Daša Drndic in Spui25 over haar documentaire roman Zonneschijn (Sonnenschein. Dokumentarni roman, in de vertaling van Guido Snel, uitgegeven door De Geus). Vannacht kunt u twee fragmenten uit het boek lezen en uw exemplaar reserveren of bestellen.

Haya Tedeschi zoekt al jarenlang en schijnbaar tevergeefs naar haar zoon Antonio, die voortkwam uit een korte ontmoeting met een SS-officier tegen het einde van de oorlog. Haar zoon was een van de vier miljoen kinderen die bij hun ouders werden weggeroofd voor het Lebensbornproject van de nazi’s. In tegenstelling tot haar familie wil Haya weten wat er werkelijk is gebeurd, en niet langer haar ogen sluiten voor de gepleegde wandaden. Ze verzamelt haar leven lang documenten en stelt met grote zorgvuldigheid een collage samen, die niet alleen over de Tweede Wereldoorlog verhaalt, maar ook over de lotgevallen van enkele individuen.
Een indrukwekkende documentaire roman, die de overtuigingskracht van historische documenten paart aan een geweldige lyrische verbeeldingskracht.

[...]

Het is januari 1944. Het donker daalt neer gehuld in sneeuwwitte vonken, als de ijskristallen die kantoorboekhandel La Gioia binnenstuiven telkens wanneer de deur opengaat, die als een soort toverstof op de goudgele houten toonbank neerdwarrelen, waarin de geur van tabak, de geur van honing en van kersen is getrokken, en waarop Haya, net als Ada destijds, tekeningen met haar wijsvinger maakt, ze schrijft haar eigen toekomst. Met een glimlach vol besmuikte hoop verwelkomt Haya de laatste koper van die avond. Er komt een Duitser in uniform van een jaar of dertig haar winkel binnen, o, wat is hij knap, de Duitser heeft dan al de Poolse bijnaam Lalka, maar dat weet Haya nog niet op het moment dat ze de knappe Duitser voor de eerste keer ziet, de knappe Duitser zal later tegen haar zeggen, ik ben geen lalka, geen pop, jij bent míjn popje, de Duitser is lang en sterk en o, stevig gebouwd en aardig. De Duitser haalt zijn Voigtländer Bessa tevoorschijn, buigt over de toonbank, kijkt diep in Haya’s groene ogen en zegt ein 120-Film, bitte, ein Kodak, bitte, zacht alsof hij haar voor de open haard amechtig toefluistert – kleedt u zich toch uit. En zo, eenentwintig jaar nadat het liefdesrelaas van Ada Baar en Florian Tedeschi tot op de draad versleten bleek, luidt het kleine messingen belletje aan de deur van winkel La Gioia het begin van een nieuw leven in, kling-kling, het begin van een nieuwe liefdesgeschiedenis in het gezin Tedeschi, alweer een in oorlogstijd. Het is inderdaad een liefdesgeschiedenis in tijden van oorlog, die tussen Haya Tedeschi en Kurt Franz, want de knappe Duitse ss-Untersturmführer heet Kurt Franz.
Kurt Franz is een gepassioneerd amateurfotograaf. Zijn Voigtländer Bessa tovert allerlei kleine zwart-witlandschappen tevoorschijn, formaat 45 bij 60 millimeter, zoals die ene, genomen vanaf de vesting van Gorizia in de lente van 1944, als Kurt een foto maakt van zijn collega Willi, waarna ze gedrieën, Kurt, Willi en Haya, Kaiserfleisch gaan eten in trattoria Leon d’Oro in de Via Codelli. Kurt en Haya spreken natuurlijk in het geheim met elkaar af, in besloten kamers van achteraf gelegen pensions in een voorstadje van Gorizia, maar maken ook wel eendaagse uitstapjes naar Triëst als er een aardige opera of operette op het repertoire van een van de theaters in Triëst staat, want Kurt houdt van muziek, en na dit soort uitstapjes met Haya komt er een speciaal soort tederheid over hem. Ze gaan naar Lehárs Lustige Witwe, maar ook naar Wagners Lohengrin in het Verditheater, ze gaan naar het Casa Germanica om een nieuwe film te zien en goede apfelstrudel te eten, want Kurt is gek op apfelstrudel, want apfelstrudel doet hem aan zijn moeder denken, die hij ook uitzonderlijk veel waardeert en liefheeft, en Haya is ook niet vies van zoetigheid, hoewel ze nog liever dan apfelstrudel panna cotta eet, wat in het Duitse Huis in de Via Nizza 15 niet op het menu staat. Haya en Kurt nemen meestal de matineevoorstellingen, zodat Haya weer op tijd in Gorizia terug is en niemand iets vermoeden zal over die vreselijke liefde van haar, die ze, dat beseft Haya ook wel, beter verborgen kan houden. ’s Zondags bezoekt Kurt in Triëst zijn vioolleraar Franco Gulli, daar in de Via Sonnino houdt hij zich hooguit twee uur op en speelt simpele en korte composities, bijvoorbeeld een menuet van Bach, of Brahms’ Wiegenlied opus 49 nr. 4, of Summertime van Gershwin (met pianobegeleiding van zijn leraar Gulli), of Sjostakovitsj’ kleine mars uit de stukken voor kinderen, want Kurt houdt oprecht van muziek. Haya bezoekt zolang een kerk, elke keer weer een andere. In de kerk gaat ze uitgebreid te biecht, krijgt vergeving, waarna alles weer goed is. Kurt vertelt Haya allerhande mooie verhalen, het meest nog wel vertelt hij haar over zijn hond Barry, die schitterende bastaard van hem die op een sint-bernard lijkt, die hij in Polen heeft moeten achterlaten, daar werkte hij, Kurt, in een park aan de rand van een schitterend bos, vlak bij een romantisch stationnetje waar ook een dierentuin was met fazanten en hazen, die hij, Kurt, trouwens geweldig lekker weet te bereiden want hij heeft namelijk ook een opleiding als kok genoten, hij heeft daar ook een hele stapel prachtige foto’s geschoten die hij in een speciaal album bewaart getiteld Schöne Zeiten, wat vertaald zou kunnen worden als ‘Goede oude tijd’, en onder die titel heeft hij geschreven Die schönsten Jahre in meinem Leben oftewel ‘De mooiste jaren van mijn leven’, hoewel hij inmiddels, nu hij met Haya is, daar niet meer zo zeker van is.

Uit het album van Kurt Franz, foto’s cadeau gedaan aan Haya Tedeschi, in Gorizia in 1944

Kurt Franz tijdens een uitstapje met Haya in de omgeving van Gorizia, mei 1944 Kurt Franz, oktober 1937
Kurt Franz tijdens een uitstapje met Haya in de omgeving van Gorizia, mei 1944 — Kurt Franz, oktober 1937

[...]

31 oktober 1944, rond een uur of zes, roept Letizia Puhaz, de zus van Ada en tante van Haya: Fanny, ga snel naar Teresa in de Via Caporetto. Om 20 uur 17 laat vroedvrouw Teresa Cavalieri uit de Via Caporetto 51 Haya Tedeschi bevallen. Antonio Toni Tedeschi wordt geboren.
Kurt Franz ziet zijn zoon twee keer. Eind december staat Kurt Franz over de toonbank van kantoorboekhandel La Gioia geleund en draait een lichtbruine lok van Haya’s haar om zijn wijsen middelvinger, brengt zijn gezicht vlak bij het hare en fluistert: Mijn kleine Jodinnetje, zo kan het niet langer. Want ja, ik weet het best hoor, Tedeschi ist ein jüdischer Name. Bovendien wacht er thuis een verloofde op mij. Van ss-minister Rasse und Siedlungshauptamt Heinrich Himmler heb ik eindelijk toestemming om te trouwen. Met Kerst vertrek ik naar Düsseldorf, en als ik weer terug ben zal ik geen contact met je opnemen, kom me niet opzoeken.
Haya zoekt vervolgens don Baubela op. Antonio Toni wordt gedoopt zoals het een katholiek betaamt, in de aanwezigheid van Letizia en Laura Puhaz en van de vroedvrouw Teresa, in het kerkelijk register wordt ook de naam van de vader, Kurt Franz, opgenomen, maar het kind krijgt de naam van de moeder, Tedeschi. Dit kan allemaal maar beter geheim blijven, zegt Haya tegen don Baubela. Het lijken nogal gevaarlijke tijden te zijn. Don Baubela doet er waarschijnlijk het zwijgen toe, dat past een priester nu eenmaal. Don Baubela sterft in 1946, hij is dan de tachtig gepasseerd. Gorizia verkeert in de veronderstelling dat Antonio’s vader aan het front is gesneuveld, in welk leger en aan welke zijde, daarin zijn maar weinig mensen geïnteresseerd, het zijn troebele tijden.
Gorizia is een klein stadje. Al met al.
Op vrijdag 13 april 1945 brengt Haya Toni zoals gewoonlijk naar asilo nido Duchessa Anna d’Aosta in de Via Veneto, wat wil zeggen de crèche, bij Iolanda Visintin, een vriendin van haar moeder Ada uit haar schooltijd. Bij de ingang komt de postbode op haar af en hij zegt u hebt post, uw ouders sturen u geld uit Milaan, kunt u hier tekenen? Als Haya zich omdraait is het wagentje van Toni leeg, in de Via Veneto loopt niemand, geen enkele voorbijganger, de ochtend is fris, zonnig en zuiver na dagen van hoosbuien, de bomen bloeien schuchter op in roze en wit, de postbode en Haya kijken elkaar verbijsterd aan alsof er zojuist een goocheltruc is verricht. Vijf maanden nadat hij is geboren verdwijnt Antonio Toni Tedeschi snel en geruisloos, alsof hij er nooit is geweest.
Ja ja, Haya zoekt Antonio overal, overal, Gorizia is in alle staten, de politie ondervraagt, telegrammen vliegen heen en weer, telefoons rinkelen, ogen tranen, chaos in haar kop, de nachten gaan maar niet voorbij, de dagen gaan maar niet voorbij, de tijd groeit als gist, de tijd zwelt aan en op een zekere dag stroomt die over, welt op uit Haya’s borst, klautert op een draaiend rad en vliegt weg. Niets aan te doen.
De Geschiedenis besluit zich schuil te houden en kort onder te duiken. Ik moet uitrusten, zegt de Geschiedenis, ze keert het heden de rug toe, pakt haar ratels en met achterlating van een vreselijke rotzooi, een kolossale chaos, een berg afval, braaksel waar je maar kijkt, stijgt ze als een soort heks, hels giechelend, ten hemel. Op zaterdag 28 april worden Mussolini en Clara Petacci in Mezzegra vermoord, op zondag worden ze ondersteboven opgehangen aan de Essobenzinepomp op de Piazzale Loreto in Milaan, ongeveer tezelfdertijd met Hitler, die in zijn bunker Eva Braun trouw heeft gezworen ‘tot de dood hen zal scheiden’. Op maandag 30 april 1945 plegen Adolf en Eva zelfmoord, Dachau wordt door de Amerikanen bevrijd, dinsdag 1 mei trekken het Joegoslavische vierde leger en het Sloveense negende korps Triëst binnen. Wie heeft er tijd om naar een vermist kind te zoeken?
Ada keert in 1946 met Paolo en Oreste uit Milaan terug, Florian en Nora gaan naar Salò, waar de oude Tedeschi en zijn tweede vrouw Rosa als het ware ongeschonden uit de oorlog tevoorschijn komen, ze verbranden hun fascistische partijboekjes hoewel ze daar niet toe worden gedwongen, niemand die hun iets vraagt.
Na een oorlog zijn er geen helden, de doden worden meteen vergeten, zegt Jean Giono. De weduwes van de helden trouwen met levende mannen omdat die levend zijn en omdat levend zijn een grotere deugd is dan een dode held te zijn. Na een oorlog, zegt Giono, zijn het niet de helden die blijven, het zijn de lammen die blijven, de kreupelen, de mismaakten, van wie de vrouwen de blik afwenden, zegt hij. Na een oorlog wordt de oorlog door iedereen vergeten, ook door degenen die hem hebben gevoerd. En dat is juist, zegt Giono, want een oorlog is nutteloos, en degenen die zich aan een nutteloze zaak wijden verdienen geen verering, zegt hij.
Luister, zegt Romain Rolland, de oorlog is niet voorbij, er is niets voorbij; de mensheid is gevangen.
De oude Paolo Tedeschi woont in een neobarokke villa aan de oever van het Gardameer, maar gerust is hij niet. Tedeschi ist ein jüdischer Name spookt het de hele oorlog door zijn hoofd, drukt het op zijn borst. Wanneer het gevaarlijk wordt, wanneer Paolo Tedeschi de indruk heeft dat het weleens gevaarlijk zou kunnen worden, dan duikt Paolo Tedeschi onder in het ziekenhuis van zijn vriend, dokter Armando Bosi, die hem op de intensive care onderbrengt. Hier, op de intensive care, krijgt Paolo Tedeschi een infuus met vitamines, een schitterend uitzicht op de tuin van het ziekenhuis en is hij getuige van de wisseling der jaargetijden. Als de vogels zingen luistert Paolo Tedeschi naar het zingen der vogels, als de regen neerstroomt luistert hij naar het zachte geroffel, dat hem in slaap brengt, vervolgens krijgt hij een laxeermiddel en hij zegt ach, dit zal op een dag ook wel weer voorbijgaan. Paolo’s periodes in het ziekenhuis duren kort en verlopen soepel. Erna keert Paolo Tedeschi aangesterkt en opgewekt naar huis terug. Paolo’s zonen Sergio en Walter nemen de achternaam van hun moeder aan, Brana (na de oorlog ruilen ze hem weer in voor de naam van hun vader, Tedeschi), in 1944 melden ze zich bij de Italiaanse afdeling van het Duitse leger en besturen ze minionderzeeërs waarin ze de geallieerde strijdkrachten aanvallen. Paolo’s jongste zoon, Ugo, een fluitist, vertrekt nog voor september 1943 naar het neutrale Zwitserland, naar het plaatsje Untersiggenthal, kanton Aargau, waar hij op een tweedehandsaccordeon de bierdrinkers in de lokale kroeg vermaakt, medio 1950 stuurt hij zijn ouders een ansichtkaart vanaf de Gripsholm, een trans-Atlantisch Zweeds-Amerikaans schip, hij schrijft dat hij op de route Gotenburg-New York vaart en in het scheepsorkest speelt. In 1954 wordt de Gripsholm omgedoopt in de Berlijn, maar van Ugo wordt niets meer vernomen. De katholiek geworden jood Paolo Tedeschi sterft in 1948, zijn tweede vrouw, de van oorsprong katholieke Rosa Brana, sterft een jaar later, Paolo’s oudste zoon Florian huwt opnieuw in 1963, Walter en Sergio vinden werk in de naburige likeurfabriek, Nora sticht haar eigen gezin.
Alsof er helemaal nooit oorlog is geweest.
Er volgen jaren waarin de sterfgevallen worden herinnerd, sommige waren mild en zacht, sterfgevallen in vredestijd die men zag aankomen, sommige waren gewelddadig en misschien ook onrechtvaardig. Haya loopt de begrafenissen van haar naasten af alsof het haastige biechtsessies zijn waarvan ze bundels zwijgende weerzin en rafelig ongeloof mee terug neemt naar Gorizia. Paula sterft in 1963 in Triëst aan kanker, Florian sterft aan de oever van het Gardameer in 1972. Oreste verlaat Gorizia na zijn eindexamen in 1952, jullie zijn allemaal rotzakken, roept hij, hij sterft als lid van de Rode Brigades in een gevangenis in Rome op 17 maart 1978, aan een hartaanval, een dag nadat hij aan de aanslag op Aldo Moro heeft deelgenomen, en Nora sluit haar ogen als tevreden huisvrouw, met de zegen van de Heer, in Brescia in 1990.
Ada sterft als eerste.
Ada begint in Gorizia steeds meer te drinken, Ada drinkt zo veel, vooral als de middag ten einde loopt, dat ze zelfs de trap niet meer af kan; ze valt, waardoor ze over haar hele lichaam maar vooral in haar gezicht sneeën oploopt, die vervolgens in het ziekenhuis behandeld, gehecht moeten worden. Met het verstrijken der jaren ziet Ada’s gezicht steeds bonter van de littekens die de sporen van de chirurgennaald blijven vertonen, sporen van de ooit samengebonden knoopjes die haar gapende wonden bijeenhielden. Ada lijkt steeds meer op een stoplap, op een vod dat nergens meer toe dient. Vaak huilt ze, zomaar, de woorden glijden in een langgerekte, slijmerige, onverstaanbare sliert naar buiten, die ze zonder succes met haar bovenarm wegveegt. Een vork kan ze nog maar met moeite naar haar mond brengen, waardoor ze voedsel op haar borst morst, haar kleding is met vet gestempeld, ze zit onder de vlekken, heeft verwaarloosd haar: al met al een vies hoopje.
Dus wordt Ada ondergebracht in de psychiatrische kliniek van het ziekenhuis van Gorizia, waar ze ’s nachts in waterketeltjes, in kussentjes, in andermans tasjes, op blote voeten en nat van de urine, koortsachtig naar parfumflacons zoekt, waar ze dan absint in giet, grappa, wodka, alle alcoholische dranken die ze met veel moeite en slimheid weet te bemachtigen.
Haya heeft zich op dat moment, in 1953, in Triëst, net voor een studie wiskunde ingeschreven.

[...]

Oorspronkelijke tekst © by Daša Drndic and Fraktura
Nederlandse vertaling © Guido Snel en De Geus bv, Breda 2010
Foto © Jakob Goldstein / Fraktura

Uitgeverij De Geus

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum