Leesfragment: Anatomie van een verdwijning

27 november 2015 , door Hisham Matar
|

Op 30 juni verschijnt de nieuwe roman van Hisham Matar, Anatomie van een verdwijning, in de vertaling van Manik Sarkar. Deze Nacht kunt u de eerste twee hoofdstukken lezen.

Nuri is nog maar een kind als zijn moeder overlijdt. Het lijkt of niets de leegte kan vullen die zij heeft achtergelaten. Tot hij op een vakantie Mona ziet. Als de verdrietige jongen deze schitterende vrouw tegen het lijf loopt, verdwijnt voor hem ineens de rest van de wereld. Maar het is de vader van Nuri op wie Mona verliefd wordt en met wie zij trouwt. Hun geluk wordt een obsessie voor hem, en hij droomt er zelfs van dat zijn vader zal verdwijnen. Op verschrikkelijke wijze komt zijn wens uit, en dan storten zijn wereld en die van zijn stiefmoeder volledig in elkaar. Zij beseffen hoe weinig zij eigenlijk wisten van de man waar zij beiden zo veel van hielden.

1

Er zijn dagen dat mijn vaders afwezigheid zo zwaar is als een kind dat op mijn borst zit. Andere dagen kan ik me zijn exacte gelaatstrekken nauwelijks voor de geest halen en moet ik zijn foto’s tevoorschijn halen die ik bewaar in een oude envelop in de la van mijn nachtkastje. Sinds zijn plotselinge, mysterieuze verdwijning is er geen dag voorbij gegaan dat ik hem niet heb proberen te vinden, dat ik niet op de meest onwaarschijnlijke plaatsen naar hem heb gezocht. Alles en iedereen, het hele leven is een evocatie geworden, iets wat me aan hem zou kunnen doen denken. Misschien is dat wat er bedoeld wordt met dat kleine, haast antieke woord elegie.
Ik zie hem niet als ik in de spiegel kijk, maar ik merk hoe hij een plaats zoekt, alsof hij zich in een overhemd wurmt dat net te klein voor hem is. Mijn vader is altijd al intens mysterieus geweest, ook toen hij er nog was. Ik kan me bijna voorstellen dat het op hem af kwam als een vriend, een gelijke, maar net niet helemaal.

Mijn vader is verdwenen in 1972, aan het begin van de kerstvakantie, toen ik veertien was. Mona en ik logeerden in het Montreux Palace; we zaten te ontbijten – ik met een groot glas feloranje sinaasappelsap en zij met dampende zwarte thee – op een terras dat uitkeek over het staalblauwe oppervlak van het Meer van Genève, waar aan de andere oever, voorbij de heuvels en de bocht in het water, de lege stad Genève lag. Ik keek naar de paragliders die stil boven het meer hingen en zij bladerde La Tribune de Genève door, toen haar hand plotseling naar haar mond ging en begon te trillen.
Een paar minuten later zaten we in de trein; we zeiden haast niets en gaven de krant continu aan elkaar door.
Bij het politiebureau haalden we de weinige eigendommen op die op het nachtkastje waren achtergebleven. Toen ik het zegel op de plastic zak verbrak, rook ik hem tussen de tabak en het vuursteentje van zijn aansteker. Het horloge zit nu om mijn pols, en wanneer ik de onderkant van het leren bandje tegen mijn neusgaten druk, kan ik nog altijd een vleugje van hem opvangen.

Ik vraag me af hoe anders mijn verhaal geweest was als Mona’s handen niet prachtig waren geweest, als ze geen ranke vingers had gehad.
Ook nu nog, na al die jaren, hoor ik dat kinderlijke, koppige ‘Ik heb haar het eerst gezien’ dat als een duiveltje op en neer sprong op mijn tong wanneer ik vader een claimende beweging zag maken, als zijn vingers in haar haar verzonken of hij zijn hand op haar berokte dij legde, zo terloops als een man die midden in een zin naar zijn oorlel grijpt. Hij had de westerse gewoonte aangenomen om hand in hand te lopen en elkaar in het openbaar te kussen en aan te raken. Maar mij hield hij niet voor de gek: zijn stappen waren zo onvast als van een slechte acteur. Als hij merkte dat ik naar hem keek, wendde hij zijn blik af, en ik zweer dat ik hem dan zag blozen. Als ik bedenk hoe hard hij zijn best deed, komt er een sombere vertedering in me op: ook nu nog verlang ik naar een band met mijn vader die vanzelf gaat. In onze relatie heeft altijd iets ontbroken waarvan ik nog steeds denk dat het met het verstrijken van de jaren wel had kunnen komen, misschien wanneer ik volwassen was geworden en hij me in een vaderrol zou zien: een zekere ongedwongenheid, een gemakkelijke uitwisseling van emoties. Maar in werkelijkheid wordt het beeld dat ik in mijn hoofd van hem heb, gevormd door de afstand die in al onze interacties aanwezig was en die een onuitgesproken kloof tussen ons vormde.

2

We ontmoetten Mona in het Magda Marina, een klein hotel aan het strand van Agami in Alexandrië. De zee was vlakbij, maar we zwommen er nooit in, en zandkastelen bouwen wilde ik niet. Ook de meeste andere gasten negeerden de zee: ze hadden genoeg aan de veiligheid en de beperkte geneugten van het zwembad. De betonnen dozen van de gelijkvloerse kamers schermden ons af van het omringende landschap. We hoorden de golven loom tegen de kust slaan, als het gesnurk van een waakhond, maar van het blauw vingen we slechts zelden iets op.
Hier had vader me de afgelopen twee zomers mee naartoe genomen, sinds moeder plotseling was overleden.
Toen ze nog in leven was, kwamen we nooit op plekken als het Magda Marina. Ze hield niet van de hitte. Ik heb haar nog nooit een badpak zien dragen of in plotselinge overgave haar ogen zien sluiten voor de zon. Zodra in Caïro de lente aanbrak, begon ze onze zomervakantie te plannen. Eén keer zomerden we hoog in de Zwitserse Alpen, waar mijn lichaam verstijfde bij de aanblik van de diepe, holle kloven die in de rotsige aarde waren uitgehouwen.
Een andere keer nam ze ons mee naar Nordland in het noorden van Noorwegen, waar de versplinterde pieken van de strenge zwarte bergen haarscherp door het onbeweeglijke water werden weerspiegeld. We verbleven in een verlaten blokhut aan het water die in de bruinrode kleur van dorre bladeren was geverfd. Rond het dak hing een goot, zo breed als een mensendij. Alles wat hier uit de hemel viel, viel in overvloed. Er was geen enkel ander menselijk bouwwerk te zien. Soms verdween moeder de hele middag, en dan liet ik vader niet merken dat ik mijn hart in mijn oren voelde bonzen. Dan bleef ik op mijn kamer totdat ik voetstappen op de veranda hoorde en de keukendeur werd opengeschoven. Op een keer had ze zwart-rode vlekken op haar handen en een plek in de vorm van een aardbol op de voorkant van haar trui. Met ogen zo zuiver als glas, wijd open en tevreden, liet ze een handvol wilde bessen zien. Ze hadden een rijpe, zoete smaak die ik moeilijk met dit landschap kon verenigen.
Op een nacht hing er een dichte mist, die de vegen en zuchten van het noorderlicht abstract maakte. Je moet volwassen zijn om zoiets angstaanjagends te kunnen waarderen. Een nerveuze hitte nam bezit van mijn achtjarige schedel en ik maakte me klein in mijn bed, probeerde mijn snikken te smoren en hoopte dat moeder me een van haar nachtelijke bezoekjes zou brengen, dat ze naast me zou komen liggen en mijn voorhoofd zou kussen. ’s Ochtends was alles weer verstild: het onschuldige water, de bloeddorstige bergen en de bleke lucht met hier en daar een kleine, pasgeboren wolk. Ze stond in de keuken melk op te warmen, en naast haar op het witmarmeren aanrecht stond een glas water. Geen sap, thee, koffie, maar water dronk ze ’s ochtends. Ze nam een slok, en met haar gebruikelijke zorg om lawaai te vermijden dempte ze bij het neerzetten het geluid met het zachte puntje van haar pink. Ieder onverwacht geluid maakte haar van streek. Al haar dagelijkse bezigheden kon ze in haast volmaakte stilte uitvoeren. Ik zat aan de gehuurde tafel waar moeder, als we met z’n drieën zaten te eten, soms naar de lege vierde stoel staarde alsof die een gemis, een verlies betekende. Ze schonk de warme melk in. Een snippertje stoom aaide de lucht en verdween langs haar nek.
‘Waarom kijk je zo sip?’ vroeg ze.
Ze nam me mee naar de veranda die boven het meer hing. De lucht was zo zuiver dat het pijn deed aan mijn keel. Zwijgend bleven we staan. Ik herinnerde me wat ze in de auto tegen vader had gezegd toen de naakte bergen van Nordland waren opgedoemd: ‘Hier besloot God dat Hij ging beeldhouwen; op andere plaatsen heeft Hij zich ingehouden.’
‘“Heeft Hij zich ingehouden?”’ herhaalde vader. ‘Je doet alsof Hij een vriend van je is.’
In die tijd geloofde vader niet in God. Als moeder over het Goddelijke begon, reageerde hij meestal sarcastisch en geïrriteerd. Misschien had ik niet verbaasd moeten zijn toen hij na moeders dood af en toe ging bidden: sarcasme is vaak een dekmantel voor een verborgen fascinatie.

*

Waren het de romantiek van het kampvuur en de verhullende dikke jassen die mijn moeder in de onbevolkte noordelijke delen van Europa aantrokken? Of was het de volmaakte rust van die twee weken die ze, voor het grootste deel beschut en binnenshuis, doorbracht met de enige twee mensen op wie ze aanspraak kon maken? In mijn herinnering gingen we iedere vakantie, waar we ook naartoe gingen, naar hetzelfde land – haar land – en is de stilte die er heerste verworden tot haar melancholie. Er waren tijden dat haar leed zo tastbaar leek als helder water.
Na haar dood werd gauw genoeg duidelijk wat vader altijd al had willen doen met de twee weken vakantie die hij zichzelf ’s zomers gunde: de hele dag in de zon liggen. En dus werd het Magda Marina de plaats waar hij en ik onze tijd doorbrachten. Hij leek te zijn vergeten hoe hij met me om moest gaan: het weduwnaarschap had hem beroofd van alle ongedwongenheid die hij ooit in het bijzijn van zijn enige kind had gevoeld. Als we aan tafel gingen las hij de krant of staarde hij in de verte. Als hij zag dat ik hem aankeek, begon hij onrustig te bewegen en op zijn horloge te kijken. Zodra hij klaar was met eten, stak hij een sigaret op en knipte met zijn vingers voor de rekening, zonder te kijken of ik al klaar was.
‘Tot straks op de kamer.’
Zo was hij niet toen moeder nog leefde. Als we met z’n drieën uit eten gingen, zaten ze naast elkaar tegenover me. Als we met z’n drieën een gesprek voerden, richtte zij bijna alles wat ze zei tot mij, als tegen de achtermuur van een squashbaan. En als hij zich zo ongemakkelijk voelde dat hij de clown ging uithangen, peilde zij op haar discrete manier hoe ik op zijn geforceerde grapjes reageerde en daarna, als hij het niet meer volhield, op zijn eindeloze stiltes. Terwijl moeder naar me keek zag ik hoe vader de andere gasten monsterde of uit het raam keek, meestal naar een doodgewone straat of een doodgewoon plein, en ongetwijfeld dagdroomde of een plan van actie bedacht voor zijn geheime bezigheden, waarover hij nooit iets vertelde. Op zulke momenten leek hij de zoon en ik de vader, alsof hij het kind was dat met zijn ouders uit eten ging.
Na haar dood leken hij en ik op twee door de omstandigheden op elkaar teruggeworpen vrijgezellen die een appartement deelden. Maar dan kwam opeens, op de vreemdste momenten, die ruwe, abrupte, tedere genegenheid bij hem op en begroef hij snuivend zijn gezicht in mijn nek, kuste hij me en kietelde me met zijn snor. Dan begonnen we allebei te lachen alsof er niets aan de hand was.

© Hisham Matar, 2011
© Nederlandse vertaling Manik Sarkar en Uitgeverij J.M. Meulenhoff
© Auteursfoto Diana Matar

Uitgeverij Meulenhoff

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum