Leesfragment: Begeerte heeft ons aangeraakt, het boek en het stuk

06 september 2011 , door Bert Natter, Tom Blokdijk
| | | | | | | |

Vanaf 14 september (première 16 september) speelt Het Derde Bedrijf in het Compagnietheater Begeerte heeft ons aangeraakt, gebaseerd op de roman van Bert Natter. Tom Blokdijk bewerkte het boek, Theu Boermans regisseert, Marcel Hensema, Anniek Pheifer en Bart Klever spelen. Vanavond vergelijken we twee scènes in het boek en het stuk met elkaar.

Bij de vuurwerkramp in Enschede verliest Lucas Hunthgburth zijn beste vriend. Zijn werk als conservator Oude Muziekinstrumenten biedt hem nauwelijks kans om zijn verlies te verwerken. Dan volgt een telefoontje van Diederik Dembeck, die hem een zeldzaam zeventiende-eeuws klavecimbel wil tonen. Lucas besluit af te reizen naar het Groningse gehucht waar de Dembecks wonen. Hij wordt meegezogen in het vreemde leven dat zij leiden op hun statige landgoed. Tijdens zijn zoektocht naar de echtheid van de klavecimbel ontmoet hij een aantal merkwaardige dorpsbewoners, is hij getuige van een bizarre begrafenis en zit hij aan bij een diner dat volledig uit de hand loopt. Lucas ontmoet er Dido, de begeerlijke zus van Diederik, die een uiterst begaafd klaveciniste blijkt te zijn. Zij maakt de wonderbaarlijkste muziek die hij ooit heeft gehoord en een verzengende, maar onmogelijke liefde bloeit op.

Tom Blokdijk bewerkte het bejubelde romandebuut van Bert Natter, waarmee hij de Selexyz Debuutprijs 2009 won, voor toneel. Begeerte heeft ons aangeraakt  is een even grotesk als tragisch verhaal over genialiteit & gekte, vriendschap & liefde, muziek & dood.

N.B. We publiceerden voor uit Bert Natters romans Ze zullen denken dat we engelen zijnGoldbergRemington en Hoe staat het met de liefde.

 

Het boek: uit Liefbeheersbeestje

Ik probeerde me te herinneren hoe je heette. Op zoek naar Dembeck was ik de salon
ingegaan. Ik hoorde gekras en gekraak, kreukelige akkoorden en jij zei: ‘Hoi Lucas!’ Een paar uur eerder had Dembeck me aan je voorgesteld, maar ik kon me niet herinneren hoe het was gegaan. Je droeg andere kleren. Iets zonder capuchon, maarmet een hoofddoekje. Verdwaalde klederdracht. Zeeuws meisje in Groningen. Was dit de dochter van een verse dode, die ik kort daarvoor bespied had toen ze door de knieën ging op de plek waar haar vader was gestorven?
‘Leuk,’ zei ik.
‘Wat leuk?’ wilde je weten.
‘Dat doekje in je haar.’
‘Vind jij dat leuk, Lucas?’ Je toch al lage stem zakte een half octaaf bij mijn naam.
Ik knikte, maar ik werd afgeleid door het geluid van de naald van de oudegrammofoon die in de uitloopgroef van de plaat was gegleden. Ik liep naar het antieke apparaat, een compleet meubel was het, waar een draaitafel was ingebouwd, maar ik durfde het niet aan te raken. Jij kwam, tilde de naald uit de groef en leidde de arm terug.
Je legde een hand op mijn schouder om mijn aandacht te vragen en zei: ‘Lucas.’ Ik vond het onprettig dat iemand me aanraakte die ik niet kende, van wie ik zelfs de naam was vergeten, maar die mij om de zin Lucaste. Ik draaide me om in de hoop dat je los zou laten, maar je hand bleef liggen en je arm belandde in mijn nek. Je droeg een rood T-shirt met zwarte stippen.
Je hele gezicht lachte.
‘Hield mijn moeder van, van die Amerikaanse muziek,’ zei je en je wees met je vrijehand naar het album dat ik van een stapel had gepakt in een nieuwe poging aan je teontkomen.
‘Jazz?’
‘Nee, zangeressen.’ Je liet me los en terwijl jij de plaat die je net gedraaid had terugstopte, deed ik een stap opzij en bekeek ik de hoes van de plaat die ik nog steeds vasthield. Je vertelde dat je vader vaak in de serre had gezeten. Je moeder was meestal hier te vinden geweest. Altijd maar plaatjes luisteren. ‘Welke heb je daar?’
Interesseert me niet, dacht ik, laat me met rust, ik sta beleefd te doen tot ik weg kan, zie je dat niet? Ik wilde proberen jou en Dembeck op afstand te houden, om me op de Couchet te concentreren. Met tegenzin keek ik op de hoes. ‘Warm Intimate Songs in the Jeri Southern Style,’ las ik en gaf je de plaat.
‘Toe maar.’ Je legde de plaat op de draaitafel. ‘Het is haar debuut, negentienzoveelenvijftig. Toen was Lucas er nog niet, hè Lucas?’ Je stelde een ander toerental in en bracht de naald boven de plaat.
‘Ken je haar?’
Ik schudde mijn hoofd op een manier waarvan ik hoopte dat die zou uitdrukken dat ik haar ook niet wilde kennen. De naald die boven de draaiende plaat hing, maakte mij jouw gijzelaar: tot je die naald liet zakken en totdat het liedje voorbij was moest ik het fatsoen opbrengen om te blijven. Je zei: ‘Ze kon net als ik al op haar derde pianospelen.’
Ik wilde iets vragen, maar je legde met grote ogen een vinger tegen je lippen.
Met een bijna in vergetelheid geraakte beweging liet je de naald op de plaat landen. Uit de hoorn die ingebouwd was in de kast, hoorde ik geruis en gekraak, waaruit een wollige piano opsteeg en daarna een stem die klonk als gedempt licht, als een wolk die voor de maan schuift. Door de naam dacht ik dat het een man zou zijn, ook al had ik op de hoes een vrouw gezien en had jij me net verteld dat het een vrouw was. Everytime we say goodbye, I die a little, zong ze en ze deed dat alsof de opname nog niet was begonnen, alsof de microfoon niet was ingeschakeld, de band niet liep, de sigaret nog brandde, het rode licht boven de studiodeur niet scheen: on air. Ze zong alsof niemand luisterde, alsof ze alleen wat achter de vleugel zat te pingelen en tezingelen. Everytime we say goodbye, I wonder why a little, why the gods above me,who must be in the know, think so little of me, they allow you to go. Lange noten en een stem met een natuurlijk vibrato en een geweldige dictie – een stem die zelfs een dove kon voelen. When you’re near, there’s such an air of spring about it, I can hear a lark somewhere, begin to sing about it. We hoorden hoe alles in één adem veranderde, als iemand die aan het rennen is en ineens stilstaat en zich omdraait. There’s no love song finer, but how strange the change from major to minor,everytime we say goodbye. De overgang van samenzijn naar eenzaamheid werd zelden beter weergegeven dan in die twee muziektermen: van majeur naar mineur. Na een bescheiden gitaarsolo ging ze verder en weer veranderde alles. There’s no lovesong finer, but how strange the change from major to minor, everytime we say goodbye. Everytime we say goodbye. Dan weer geruis, gekraak en toen je de naald optilde de stilte waar alles mee begonnen was.
Ik slikte en keek naar je. Een traan maakte een donker vlekje op je rode shirt. Jewreef het spoor van je wang weg en lachte met vochtige ogen. Ik wist niet waarom ik met een onbekende stond te huilen. Om jouw moeder, mijn vriend, jouw vader? Om de muziek die we gehoord hadden? Nee, de tranen kondigden aan wat ons te wachten stond.
Alles was voorbij op het moment dat Dembeck zingend de salon binnenkwam: ‘Waar is de slinger van die ouwe grammofoon? Waar is die slinger? Waar zou diezijhijhijn? Lekker plaatjes aan het draaien, jongelui?’
Ik haalde mijn arm langs mijn gezicht en keek naar buiten. Jij droogde je ogen zonder ze te verstoppen. Ik hoopte dat Dembeck je gauw met je naam aan zou spreken.
Ik zei tegen Dembeck: ‘Ik zocht je.’
‘Hier ben ik. Wat is er?’ ‘Die pauwen…’ begon ik.
‘Pauwen?’ vroeg hij zo naturel dat ik even dacht dat hij echt niet wist over welke pauwen ik het had.
‘De pauwen van het eiland?’ vroeg jij. ‘Volgens mij zijn ze hun stem kwijt.’
‘Ze houden zich stil, ja, Ga na het eten maar even bij het eiland kijken,’ zei Dembeck. ‘Ik heb gekookt. Hebben jullie Miepie gezien?’
‘Miepie, is Miepie er nog?’ vroeg jij.
‘Blijkbaar niet, anders zou ik haar niet zoeken. Maar ze werkt hier, ja. Wat had ik moeten doen, de huishoudster na de dood van pa meteen ontslaan? Dat druist in tegen de Geneefse Conventie. We hebben nog steeds een huishouden. Ik kan wel wat hulp gebruiken. Over hulp gesproken: willen jullie even buiten dekken?’ Hij beval het meer dan hij het vroeg en terwijl hij het zei, liep hij alweer weg.
‘Goehoed,’ zei jij zangerig en daarna samenzweerderig zacht: ‘Hij kan wel wat hulp gebruiken, hmhm, bij het huishouden in zijn broek zeker.’

Na het eten had ik nog steeds geen idee hoe je heette. We ruimden af en bij gebrek aan Miepie vroeg Dembeck of wij de afwas wilden doen, want hij moest weg. Hij zous nel terug zijn. Hij keek op zijn horloge en trok haastig een bruin velours colbert aan over zijn donkergroene overhemd, daarna zei hij zacht: ‘Je weet het, hè, zus?’ ‘Ja, broer, ik weet het.’ Wat jij wist, wist ik niet en ik durfde er niet naar te vragen. We waren alleen. Ik waste en jij droogde.

[...]

Het boek: uit het slothoofdstuk, Polderziel

Hoe lang is het geleden dat ik je voor het eerst zag? Het moet woensdag geweest zijn, vijf dagen geleden. Waarom zou ik liegen? Je maakte weinig indruk op me toen Dembeck je aan mij voorstelde. Je naam moet me hebben verlaten zodra je hem uitsprak, alsof ik geen oren had. Ik herinner me alleen een capuchon die een somber gezicht omkranste, ik weet dat ik dacht: die is gek, wie draagt er met dit weer nu iets met een capuchon?

[...]

Ik was boven en keek uit het raam. Dembeck had een arm om je schouder geslagen en jij omklemde zijn andere arm. Ik hoorde er geen geluid bij – het was een scène uit een stomme film. Jullie schuifelden naar het zwarte gat in de grond en ik bleef kijken, met een gevoel van gêne, want deze scène was niet voor mijn ogen bestemd – maar ik wilde weten of Dembeck jou wilde behoeden of dwingen. Jouw tranen hielpen me niet. Je zakte door je knieën. Je boorde je gezicht in de zwarte aarde en ver weg hoorde ik een gesmoorde schreeuw de stilte vermoorden.

Het stuk: scène 10

Lucas Vanuit de muziekkamer zie ik de verbrande resten van de serre. Daar zag ik jou voor het eerst, met Diederik. Jullie schuifelden naar het zwarte gat in de grond waar je vader is gestorven.

Je ziet ze aankomen. Dido draagt een winterjas en een rood t-shirt met zwarte stippen. Op de plaats des onheils zakt Dido door haar knieën, boort haar gezicht in de zwarte aarde en huilt, hard, gesmoord. Als Lucas naderbij komt, staat Dido op.

Diederik Dit is Lucas. Hij repareert het clavecimbel. Dit is Dido, mijn jongste zus.

Ze geven elkaar een hand. Dit is 'het moment'.

Dido Ik ging meteen door naar de salon. Dat is de plaats waar de oude grammofoon staat. Ze trekt haar jas uit en begint te zingen: Mein junges Leben hat ein End van Sweelinck.

Diederik haalt zijn schouders op en verwijdert zich. Lucas gaat naar 'de salon'.

Dido stopt met zingen. Mijn vader zat meestal in de serre, mijn moeder hier. Altijd maar platen luisteren.
Lucas pakt een album van een stapel oude langspeelplaten.
Dido Hield mijn moeder van, van die Amerikaanse zangeressen. Ze was een warme vrouw.
Lucas leest: Warm intimate Songs in the Jeri Southern Style. Geeft haar de plaat.
Dido Het is haar debuut. Ken je haar, Lucas? Ze legt de plaat op de draaitafel.
Lucas schudt ontkennend het hoofd. Ik ben jouw naam alweer vergeten, maar geef geen krimp.
Dido laat de naald op de plaat landen. Ze kon net als ik al op haar derde piano spelen.
Lucas Tot het nummer voorbij is, ben ik jouw gijzelaar.

Je hoort nu:

Everytime we say goodbye,
I die a little
Every time we say goodbye,
I wonder why a little
Why the gods above me
who must be in the know
think so little of me
they allow you to go.

Lucas Een stem als een wolk die voor de maan schuift. Ze zingt alsof de opname nog niet is begonnen en er nog niemand luistert, alsof ze achter de vleugel maar wat zit te pingelen en te zingelen.

Je hoort:

When you're near
there's such an air of spring about it
I can hear a lark
somewhere begin to sing about it.

Dan verandert alles in één adem. Je hoort:

There's no love song finer
but how strange
the change from major to minor
everytime we say goodbye.

Lucas De overgang van samenzijn naar eenzaamheid is zelden beter weergegeven dan in die twee muziektermen: van majeur naar mineur.

Je hoort:

There's no love song finer
but how strange
the change from major to minor
everytime we say goodbye.

Lucas Ik slik en kijk naar je. Een traan maakt een donker vlekje op je rode shirt.
Dido wrijft het spoor op haar wang weg. Jij lacht met vochtige ogen.
Lucas Ik weet niet waarom wij staan te huilen. Om jouw moeder? Mijn beste vriend? Je vader? Om wat ons te wachten staat?
Diederik komt naderbij, zingt. 'Waar is slinger van die ouwe grammofoon? Waar is die slinger? Waar zou die zij-ij-ij-ijn? Zonder die slinger geeft dat ding geen toon. Waar is de slinger van die ouwe grammofoon?' Lekker plaatjes aan het draaien, jongelui?
Dido zet meteen de grammofoon uit. Jij haalde je arm langs je gezicht en keek naar buiten.
Lucas doet dat. Jij droogt je ogen zonder je tranen te verstoppen. Wat ook zij doet.
Diederik Hebben jullie Miepie gezien?
Dido Miepie? Is Miepie hier nog?
Diederik Ja. Had ik de huishoudster meteen na de dood van pa soms moeten ontslaan? Dat druist in tegen de Conventie van Genève. En ik kan wel wat hulp gebruiken. Ik heb gekookt. Willen jullie even dekken? Gaat weer weg.
Dido Hij kan wel wat hulp gebruiken. Bij het huishouden in zijn broek zeker.

Lucas Na het eten heb ik nog steeds geen idee hoe je heet. Diederik moet weg.
Diederik  tegen Dido: Ok, ik ga. Je weet het, hè zus.
Dido Ja, broer, ik weet het.

Lucas Wij doen de afwas.

 

Het boek: uit De kunst van het te laat komen

Je nam de ring tussen wijsvinger en duim en bewoog hem in hoog tempo heen en weer. Plotseling schoot het sieraad uit je vingers op de grond. Ik schoof mijn stoel achteruit en kroop onder de tafel.
‘Een heer.’
Het kleed lag bezaaid met broodkruimels en etensresten. Miepie mag hier ook wel eens zuigen, dacht ik. Ik zag ik de steen meteen flonkeren, ook al was het vrij donker. Je had je sneakers uitgeschopt en je droeg korte sokjes, tot net onder de enkel.
‘Blijf daar.’ Je stem klonk omfloerst.
Langzaam kroop ik naar je toe. Je pakte de ring aan en ik wilde terugkruipen, maar jij zwaaide een been over mijn schouder en trok me naar je toe. Je hand verscheen en schoof je rok omhoog.
‘Kijk maar.’
Je haalde jouw been van mijn schouder en spreidde je benen, je zette je voeten met de hielen tegen de stoelpoten. Je hand gleed tussen je dijen en je schoof een zwart slipje opzij. Ik zag je schaamlippen in het schemerdonker onder het damast.
‘Doe het.’ Je stem daalde af in de krochten van je verlangen.
Alsof ik niet wist dat je er klaar voor was, duwde je met twee vingers je schaamlippen uit elkaar. De kleur van vlees, de geur van de zee. Ik legde mijn handen op je knieën en bracht mijn tong naar jouw lippen en proefde je. Genot geven is begeerte opwekken. Ik voelde een siddering door je benen trekken die uit je tenen leek te komen.
Ik zoog je zachte vlees mijn mond in en liet het weer ontsnappen om je vervolgens alleen met het puntje van mijn tong aan te raken, ja en met mijn handen, die achter mijn hoofd op je knieën waren achtergebleven, alsof ik uit een raam hing om in de verte te kijken.
Ik werd geil van wat ik bij je deed. Ik stelde me voor dat ik jou aan het likken was zoals nu hier, maar dan aan een tafel vol mensen. Mijn tong tikte tegen je clitoris en ik dacht na over hoe en waar we straks zouden neuken. Ik kreeg het warm en luisterde naar jouw gekreun en gehijg, dat plotseling ophield. Je spande je spieren en ik voerde het tempo op, omdat ik dacht dat je je opmaakte voor een orgasme.
Plotseling rook ik een geur die ik kende, maar ik wist even niet waarvan. Jij sloot je benen en klemde mijn hoofd tussen je dijen. Ik wilde me losmaken en vragen of ik het niet goed deed, maar ik hoorde een zware stem in mijn dichte oren. Ik wist wat ik rook: een sigaar. Dembeck, het was toch niet waar?
Met die zachte dijen van jou tegen mijn oren kon ik niet horen wat hij zei, als hij het was. Ik zat ingeklemd tussen de zitting van je stoel, je zachte dijen en het harde tafelblad. Ik stikte bijna en het enige wat ik kon doen om mij te bevrijden was likken, likken naar lucht, want met mijn handen op jouw knieën achter me kon ik geen kracht zetten. Ik likte weer alsof we alleen waren en je greep verslapte, je gaf je over en ik hoorde Dembecks stem (zou hij me zien?): ‘Je zit op mijn plek.’ Hij klonk niet boos, eerder verrast.
‘Klopt, vaders plekje.’
‘Waarom?’
‘Ik wilde weten hoe het voelt.’
‘En?’
‘Ik wist niet dat zitten aan een tafel zo lekker kon zijn.’
Voor straf hield ik even op en meteen drukte je je dijen weer tegen mijn oren. Dit ging niet over liefde, dit ging niet over lust, dit ging over macht. Zo zacht als ik kon ging ik door.
‘Mooi. Heb je een opvlieger of zo?’
‘Neu, ik ben een beetje moe. Ik verlang naar mijn bedje.’
‘Je ziet er een beetje verhit uit. Rode konen.’ Dembeck lachte vaderlijk.
Ik stopte even met likken en direct draaide jij de bankschroef weer aan. Daardoor kon ik niet verstaan wat jullie zeiden. Je ontspande toen ik verderging. Dembeck zei: ‘… in de bibliotheek? Ik roep hem even.’
Ik voelde Dembecks voetstappen verdwijnen en ik stopte met likken.
‘Ga door.’
Ik kon moeilijk als een geest opduiken als Dembeck de eetkamer weer binnen kwam.
‘Doorgaan, doorgaan!’
Dus likte ik, veel langzamer dan net, terwijl ik Dembeck ver weg mijn naam hoorde roepen.
‘Ja, zo.’
Lange halen over je schaamlippen naar boven.
‘Zo ja.’
Het kon me niets meer schelen of Dembeck me ontdekte of niet. Ik liet mijn tong steeds sneller rond je clitoris cirkelen.
‘Lucas boefje!’
Tot jij met een gilletje klaarkwam en ik Dembeck weer hoorde.
‘Je haar zit raar, zus. Ik ken een goede kapper in de stad. Weet je zeker dat Lucas er niet vandoor is? Ik zie hem nergens.’

‘Waarheen, zonder auto? Hij is ergens in het huis. In slaap gevallen, of zo,’ zei je. Je voeten gleden langs de stoelpoten naar de vloer. ‘Je moet niet zo bang zijn dat er iets met me gebeurt. Eerst Nekschot op me af sturen en nu Lucas die als een hondje achter me aan moet kwispelen.’
Dembeck leek niet naar je te luisteren en zei: ‘Ik zie hem ervoor aan om gewoon te vertrekken. Ik had een afspraak met hem, waar is die penis nou?’
‘In zijn broek, waarschijnlijk,’ zei jij lachend. Je bracht je hand tussen je benen, maar niet zoals ik verwacht had om je slipje goed te doen, maar om twee vingers tussen je schaamlippen te laten verdwijnen.
‘Leuk, Dido. Wat vind je van die sul?’
Ik weet niet of ik dat laatste woord goed verstond.
‘Het is een leuke jongen, het lijkt me een fijne vriend voor jou… Hij praat vol genegenheid over je. Hij is een beetje verkikkerd op je, hoor.’
‘Echt?’
‘Zou hij homo zijn?’
‘Dat dacht ik ook, maar toen ik het hem vroeg zei hij van niet.’
‘Hij weet het alleen zelf niet.’
‘Vast. Maar waar hangt die homo uit, dan?’
‘Ja, hij is vast boven aan het stemmen, met de deur dicht. Weet ik veel. Hij let op me. Ik voel het.’

Het stuk: uit scène 17

Dido draait een ring met een blauwe steen rond haar vinger, [...] speelt afwezig met haar ring [...], beweegt de ring in hoog tempo heen en weer, tot hij wegschiet.

Lucas Hij rolt onder de tafel. Ik schuif mijn stoel achteruit en kruip onder het tafelkleed..
Dido Ah... een gentleman.
Lucas Ik zie de steen meteen flonkeren.
Dido Blijf daar. Geef me de ring.
Lucas Ik kruip onder de tafel naar je toe en geef je de ring.
Dido Ik zwaaide een been over zijn schouder en trok mijn rok omhoog. Kijk maar.
Lucas Ik haal je been van mijn schouder, spreid je benen en zet je hielen tegen de stoelpoten.
Dido Mijn hand gleed tussen mijn dijen en ik schoof mijn slipje opzij. Doe het.
Lucas Je stem daalt af in de krochten van je verlangen.
Dido Hij duwde met twee vingers mijn schaamlippen uit elkaar.
Lucas De kleur van vlees, de geur van de zee.
Dido Legde zijn handen op mijn knieën en bracht zijn tong naar mijn lippen. Proefde me.
Lucas Ik voel een siddering door je benen trekken, die uit je tenen lijkt te komen. Ik zuig het zachte vlees mijn mond in.
Dido Hij liet het weer ontsnappen en bewerkte het met het puntje van zijn tong.
Lucas Ik word geil van wat ik doe.

Diederik komt dichterbij, rookt een sigaar.

Lucas Je gekreun en gehijg houdt plotseling op. Ik voer het tempo op, om je naar je orgasme te brengen en ruik een sigaar. Diederik.
Dido Ik span mijn spieren, sluit mijn benen, klem je hoofd tussen mijn dijen.
Lucas Ik stik bijna en het enige wat ik kan doen is likken. Likken naar lucht.
Diederik tegen Dido. Je zit op mijn stoel.
Dido Ja, vaders plekje.
Diederik Waarom?
Dido Ik wou weten hoe dat voelt.
Diederik En?
Dido Ik wist niet dat het zo fijn zou zijn.
Lucas Voor straf lik ik door.
Diederik Je ziet er verhit uit. Waar is Lucas?
Dido Geen idee. In de bibliotheek of zo.
Diederik verwijdert zich.
Lucas Ik stop met likken.
Dido Doorgaan. Doorgaan.
Lucas Het kan me niets meer schelen of hij me ontdekt en laat mijn tong steeds sneller rond je clitoris cirkelen.
Dido Ik kom klaar.

Diederik komt weer dichterbij. Je haar zit raar, zus. Ik ken een goeie kapper, in de stad. Weet je zeker dat Lucas hem niet gesmeerd is? Ik zie hem nergens.

Dido Je moet niet zo bang zijn dat ik wegloop. Waarom laat je die Lucas als een hondje achter me aan kwispelen?
Diederik Ik zie hem ervoor aan om gewoon te vertrekken, de sul.
Dido Zonder auto?
Diederik Ik heb een afspraak met hem. Waar is die lul nou? 
Dido In zijn broek waarschijnlijk.
Lucas Je hand verschijnt, maar niet om je slipje goed te doen, maar om twee vingers tussen je schaamlippen te laten verdwijnen.
Dido Het lijkt me een goeie vriend voor je. Zoals die over je praat! Vol genegenheid. Hij is een beetje verkikkerd op je.
Diederik Echt? Zou-ie homo zijn? Maar waar hangt-ie uit, die homo.
Dido Geen idee. Misschien in slaap gevallen. Op zijn kamer. Hij let op me. Dat voel ik.

 

Boektekst © Bert Natter
Toneeltekst © Bert Natter en Tom Blokdijk
Auteursportret © Bob Bronshoff

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum