Leesfragment: Bemande essays: De non-conforme nietsnut

14 mei 2011 , door H.J.A. Hofland
| | | | |

19 mei verschijnt een nieuwe bloemlezing uit het essayistische werk van H.J.A. Hofland, Bemande essays, samengesteld door Hans Renders en Jeroen Vullings, met een nawoord door Jeroen Vullings. Vanavond kunt u uit de afdeling 'Ongepubliceerd' 'De non-conforme nietsnut' (1950) lezen, een essay over het schrijverschap. En uw exemplaar reserveren.

Hoflands eenmanstijdschrift uit 1950, De Negativist. Maandblad voor de permanente malcontente, was een uitgave in eigen beheer in een oplage van één exemplaar. Jeroen Vullings, in zijn nawoord: 'De Negativist is in de Hofland-kunde om twee redenen van belang: hij dreef zijn negativisme daarin tot een natuurlijk eindpunt en hij ontdekte de aantrekkingskracht van maskers.'

Bemande essays is een bloemlezing uit het essayistische oeuvre van P.C. Hooftprijswinnaar H.J.A. Hofland. De selectie is gebaseerd op de boeken en bundelingen van Hoflands werk, de leggers van de kranten en tijdschriften waar hij aan meewerkte en ook op ongepubliceerde stukken uit zijn privéarchief. Het gaat in deze selectie meer om Hoflands opvattingen over kunst en journalistiek dan over zijn politieke denkbeelden. Hoe heeft Hofland zich staande weten te houden in de kakofonie van meninkjes over literatuur, politiek of internationale betrekkingen? Welke strategie heeft hij gevolgd om zijn persoonlijk beschavingsoffensief aan de lezer op te leggen? Of het nu om een handleiding voor kinderen over bootjes bouwen gaat, over zijn ergernis over ‘vulgair straatfascisme’( de auto) of over zijn geliefde schrijver Malaparte, Hofland haalt er altijd de praktische bruikbaarheid uit voor een goed en verstandig leven. Als ‘straatjutter van het moderne leven’ blijft de gelauwerde schrijver even monter als sceptisch.

H.J.A. Hofland  is schrijver, journalist en columnist. Hij schrijft voor onder andere NRC Handelsblad en De Groene Amsterdammer. In 1999 werd hij uitgeroepen tot dé Nederlandse journalist van de twintigste eeuw. Ook publiceerde hij verschillende romans, waaronder Cicero Consultants (2007). In 2008 verscheen Rederij Hofland. In 2009 verscheen De kronieken van S. Montag. In 2011 wordt Hofland de P.C. Hooftprijs toegekend.

De non-conforme nietsnut

Deel 1

Men zegt dat de negentiende-eeuwse maatschappelijke revoluties, behalve hun nasleep van mechanische gemakken en ongemakken, ook een nieuw natuurverschijnsel hebben meegebracht; een soort moesson, een periodiek terugkerende oerkracht, waarvoor men op zijn hoede moet zijn en die men in zijn eksterogen voelt aankomen. Dit verschijnsel, de maatschappelijke crisis, was aan het begin van zijn bestaan een specialiteit der economen, maar via zijn algemene uitwerking en zijn ‘weerberichten’ is het gemeengoed geworden; zo gemeen, dat een woord als depressie een regenbui, evengoed als een belastingwijziging kan aankondigen. Men wordt met crisistijdingen gebombardeerd, en zelfs de categorieën die uit hoofde van hun beroep alleen minachting voor economische kwesties kunnen hebben, staan in hun terminologie onmiskenbaar onder invloed van die wetenschap. Het zijn niet alleen de proletariërs, middenstanders en upper ten die vinden dat zij in de verdrukking zitten. Ook bij de kunstenaars zijn de kwesties vraag en aanbod en kwaliteit tot problemen van de eerste rang verheven. Ook de literatoren leven in een moeilijke tijd: velen, zo kan men lezen, hebben gezworen, zich aan de letteren te wijden. Maar deze formule betekende dan ook dat men van de letteren wilde leven. En nu was de vraag: konden de letteren wel leven van hen? Afgezien van het feit dat het nog steeds niet is uitgemaakt welke betekenis levende letteren hebben, constateert men dat de vraag een zeer economisch probleem aan de orde stelt. Ook wanneer men verder niet nieuwsgierig is naar de levensvatbaarheid en de levensmogelijkheden der levende letteren, kan men zich afvragen waarom toch zovelen ‘gezworen hebben zich aan de letteren te wijden’. Dat deze velen de eed alleen aflegden om het leven der letteren te behoeden, kan nauwelijks aangenomen worden, evenmin dat in deze moeilijke tijden de vraag van het publiek zo groot is. De omvang van het aanbod moet een andere oorzaak hebben.
Waarom, in het algemeen, schrijft men? Het probleem is nog niet opgelost. Soms is het schrijven een zuiver lichamelijk genoegen, een kwestie van wellust. De bezigheid, die bestaat uit het bewegen van de vulpen waaruit de letters onhoorbaar en in lekker geronde vormen op het gladde blanke papier vloeien, is ongetwijfeld voor een freudiaanse Forschung vatbaar. Een andere keer is het de ijdelheid, die streeft naar het plaisir de se voir imprimé. En mogelijk ook ligt de oorzaak in die innerlijke drang waaraan men eerbiedig voorbijgaat. Of het is de lust van het ambacht, het organiseren van de stof: dat is de massa van ongecoördineerde gedachten, die tot een strakgespannen geheel gevlochten moet worden. En zo zijn er andere redenen, die in nog meer combinaties tot het schrijven kunnen leiden.
Maar de veelheid van oorzaken waaruit een schrijfbehoefte ontstaat, lijkt ons minder belangrijk dan het feit dat de behoefte er is; het proces dat zich in de wordende schrijver voltrok, interesseert ons minder dan de processen die zich in de man ontwikkelen wanneer hij een en al schrijver is; dat wil zeggen als hij zich als zodanig gekwalificeerd heeft. Wij zullen het dus alleen hebben over de mensen wier behoefte zo sterk was dat zij er een zelfkwalificatie op lieten volgen, over de zwakkelingen die hun geschriften lieten drukken en uitgeven. Wat namelijk alle schrijvers verenigt – het blijkt uit hun publicaties – is hun streven uitgegeven te worden; te communiceren dus, met een min of meer omvangrijke groep hun onbekende mensen, publiek genaamd. Het publiek is inderdaad van het allergrootste belang, wat voor soort het ook zijn mag. En daarom is het schrijverschap vooral in zijn eerste stadium zo’n riskant bedrijf: het publiek is dan nog iets vaags, een troebel begrip, van welks bestaan de schrijver zelfs niet zeker is. En daar de meeste schrijvers allerminst avonturiers zijn – ook niet van de geest, al willen zij er soms voor doorgaan – zullen zij trachten deze onzekerheid met de meeste spoed op te heffen. Weliswaar worden er nog altijd publiekverachters gevonden, de mensen die pretenderen alleen te leven voor de kunst, die alles hartstochtelijk doen en die uitsluitend bestaan van superlatieven, maar deze groep heeft zijn langste tijd gehad. Men stelt zich zo’n verouderde fanaat gemakkelijk voor: een omvangrijke en verwilderde coiffure, waaronder de kunstenaar, zwoegend aan zijn voor het publiek bestemde zinnen, waarvoor het publiek zijn dagelijks brood moet bekostigen. ‘Publiek, ik veracht u!’ Doorzichtigere doorzichtigheid is niet denkbaar; onderschrift van de affiche, die zijn baard en flodderdas vertoont.
Het is de traditie waardoor een bepaald gedeelte van het publiek het mogelijk maakt zich met stomheid te laten slaan, de traditie die het voor bepaalde kunstenaars noodzakelijk maakt op deze overdonderende manier op te treden. Maar dit gedeelte van het publiek is klein, en de leefregels, geput uit de Scènes de la vie bohème zijn bijna niet meer voor praktisch gebruik geschikt. De vanouds vermaarde kunstenaarsattributen wekken allerminst de indruk dat het de onvervalste kunstenaar is die er zich van bedient; ze zijn alleen nog misleidend ten bate van degene die zich er niet aan heeft verslingerd. De slimmere kunstenaar heeft begrepen dat merkwaardige kledingstukken niet meer tot het gewenste resultaat leiden. Wanneer sombere hoeden het niet meer doen, zo redeneert hij, dan moet er iets anders verzonnen worden. En zijn sombere hoed gaat in de kast.
Nu valt er in de kunst weinig te verdienen tegenwoordig. Willen de artiesten door een vroegtijdige hongerdood zich hun kans op het hogere niet laten ontnemen, dan zijn zij verplicht hun capaciteiten in dienst te stellen van het lagere. Met andere woorden: zij nemen een baantje, een klein ambt. Maar een kunstenaar blijft een kunstenaar, ook al heeft hij zich in een gewoon colbertje gestoken, om voor een gewoon baantje een gewoon salaris betaald te krijgen. Het is artistiek bon ton in de levensbeschouwing de economie te verwaarlozen. Heel kortzichtig, omdat, ervan afgezien dat hij er veel mee te maken heeft, de kunstenaar ook nog het een en ander van de economie kan leren. Aan het sarcasme bijvoorbeeld, waarmee Lasalle zijn loontheorie formuleerde, kunnen veel moderne polemisten een puntje zuigen. En ook zou de schrijver op de hoogte kunnen raken met het feit dat een economische noodzaak in het brein van een economisch subject dikwijls wordt omgezet in een keus, die met noodzaak niet veel meer te maken heeft. Het ‘kleine ambt’ dat nu bijna elke schrijver nodig heeft om in leven te blijven, wordt een nieuw soort Murger-traditie, iets wat hij vrijwillig aanvaardt. Wat dit betreft is het kunstenaarsbestaan inderdaad veel gemakkelijker geworden: in plaats van geld uit te geven voor een flambard, ontvangt men geld voor zijn kleine ambt. En het gedeelte van het publiek dat niet meer geneigd is onder elke flambard een genie te zoeken, vermoedt dat genie des te gemakkelijker achter het kleine ambt: ‘Kafka, die immers van die goeie boeken schreef, was ook maar een gewoon boekhouder, net als hij. Waarom zou hij dus geen goeie boeken schrijven, net als Kafka?’ En dan heeft de schrijver nog het voordeel dat hij financieel onafhankelijk is geworden. De noodzaak blijkt uit niets dan profijt te bestaan. Het is nu werkelijk zover dat hij zich niet meer om zijn publiek behoeft te bekommeren! Maar men moet wel zeer naïef zijn om nu plotseling in deze kunstenaarsonbekommerdheid te geloven. Niets is immers erger dan dat de kunstenaar niet voor vol wordt aangezien. De mensen van de sombere hoeden hebben het ongeluk dat ze niet met hun tijd zijn meegegaan; daarom alleen worden ze als belachelijk gekwalificeerd. Bij mensen die schrijven en niet belachelijk zijn, moet men zich dus eigenlijk afvragen of zij zich gemoderniseerd hebben. Een moeilijke kwestie; zo moeilijk dat men beter aan een enquêtecommissie kan overlaten om na te gaan welke schrijvers zich boekhouder noemen omdat ze schrijver zijn, en welke boekhouders in hun vrije tijd ook nog schrijven.

Deel 2

Intussen is de psychologie der sombere hoeden nog niet uitgeput. Wanneer de negentiende-eeuwse kunstenaar een rivaal had, dan werd het schouwspel nog romantischer. Een ontmoeting tussen twee concurrenten is op zichzelf al interessant; een ontmoeting tussen concurrenten met romantische inslag moet wel het neusje van de zalm zijn! Men begrijpt het: zij vergeleken elkaars hoofddeksel. Ze vertelden elkaar dat de melancholie van de eigen hoed toch van een heel ander soort was dan de droefheid die uit de concurrerende sprak. Een ander soort, in de zin van fijner, subtieler, of zachter, of van nog iets anders, wat gemakkelijk te bedenken valt. De angst niet voor vol te worden aangezien is één reden om gek te doen; de angst voor minder vol te worden aangezien dan een collega is een tweede, die meer krachtsinspanning eist en waarom men dus gekker moet doen. Zo is het tegenwoordig ook: het allerkleinste ambt is nog niet klein genoeg om te tonen dat de ambtenaar in kwestie onherroepelijk het kleinste ambt heeft. Ik kende een student die aan wie het maar horen wilde vertelde dat hij wc’s schoonmaakte om zijn studie te bekostigen. De vraag is maar wat men prefereert: gewoon te zijn in het buitengewone, of buitengewoon te zijn in het gewone. Het lijkt mij dat het op hetzelfde neerkomt.
De vraag blijft inmiddels waarom de ware kunstenaar (waaronder hier de ‘geestelijke voorganger’ in de meest algemene zin verstaan wordt) zich anders moet gedragen dan de gewone mens. Het verschijnsel is al oud: ofschoon Socrates zich op dezelfde manier kleedde als zijn medeburgers, was zijn tunica op een speciale manier gekreukt. Maar de kwestie is dat Socrates al met een paar eenvoudige kreukjes officieel als geestelijk hoogwaardigheidsbekleder erkend werd. En zijn collega’s uit de laatste eeuwen hebben dat genoegen in het algemeen niet gesmaakt. Als echter hun erkenning in het gedrang komt, willen zij ten minste herkend worden: zij, de elite van de geest, op hetzelfde niveau als de ministers, de presidenten en de generaals, die de elite van de daad vormen. En terwijl nu deze laatstgenoemde categorieën hun officiële eliteattributen hebben (de ministers hun aktetassen, de presidenten hun grote auto’s en de generaals hun petten), die hun door de staat verschaft worden, moet de elite van de geest het met zijn zelf uitgevonden kentekens doen. Elites hebben zich altijd merkwaardig gedragen. In India kan men de gezamenlijke geestelijke elite naakt op straat vinden; in Nederland wordt ze aangetroffen op zondagen in een zwart pak op de preekstoel, kaalgeschoren in een klooster of met een baard op een zolderkamertje of in een bijzonder café. Wat echter de Indische op de Nederlandse elite voor heeft, is dat de Indiërs naar de naaktheid van hun vooraanstaande landgenoten kijken als wij naar de pet van een generaal; terwijl onze geestelijke elite (vooral die van de zolderkamer, maar de andere ook wel) als ze zich als zodanig en in vol ornaat vertoont beledigend, of op zijn best met een medelijdende welwillendheid wordt toegesproken…
Maar zo zijn de zaken wel wat erg simpel voorgesteld. Hoewel de stijl de mens is, zoals de Fransen zeggen, moet men toch niet altijd bij het uiterlijk blijven. Laten wij ons dus van de kledingstukken ontdoen. Ook met andere middelen kan men het respect der burgers opwekken. In de letteren is men bij elkaar als in een grote familie. Er is een rijke en een arme tak, men weet elkaars verjaardagen, er zijn geslaagde en mislukte neefjes, kortom, de hele terminologie waarmee men familierelaties aanduidt, is in de letterkunde bruikbaar. De nakomelingen krijgen meer en meer trekken met hun grootouders gemeen, en wanneer een schrijver sterft, laat hij een erfenis na, precies als een grootvader dat doet. Ten gevolge van het sterfgeval ontstaat dan een algemene droefheid, die, wanneer de overledene rijk was, al spoedig overgaat in een min of meer opgewekte conversatie over de erfenis. Opgewekt alleen in het begin, want na verloop van tijd blijkt dat er een paar nazaten zijn die hetzelfde vaasje van opa’s schoorsteen willen hebben, opdat ze dit in hun eigen huiskamer plezierig kunnen koesteren. In het opgewekte voorstadium kunnen de samengestroomde familieleden het niet eens worden over de toewijzing van het vaasje, waarop de kleine Piet (zo zullen wij hem maar noemen) een zacht scheldwoordje laat vallen, waarop de kleine Daan iets krachtiger repliceert, waarop de overige familieleden hun vocabularium raadplegen, en waarmee dan de ruzie in volle gang is. Tot vermaak van de buren, die niet wisten dat men op zoveel verschillende manieren een vaasje kon koesteren. Inderdaad, voor de buren zijn hier de aardigste ontdekkingen weggelegd. Ze constateren bijvoorbeeld dat, naarmate het gevecht om de erfenis zich verder ontwikkelt, de erfenis zelf van steeds minder belang wordt. Het gaat er alleen nog om wie de erfenis, in casu het vaasje, het best kan koesteren, wie de meest superieure koesteraar is. Want superieur, dat wordt onmiddellijk duidelijk, is iedere erfgenaam. De buren merken dan verder dat de bekwaamheid tot superieur koesteren de erfgenamen niet belet zich inmiddels met minder tedere dingen bezig te houden, zoals daar zijn het wederkerig beledigen en het gooien met andere dingen uit de erfenis. En ten slotte zien de buren tot hun verbazing dat zelfs het kostbare vaasje van de schoorsteen genomen wordt om tot projectiel te dienen. En dat is dan het hoogtepunt van de avond. Niemand weet precies wie de fatale worp gedaan heeft, zodat iedereen er iedereen de schuld van kan geven, en ergo iedereen van zichzelf kan zeggen dat hij het vaasje niet gegooid heeft, niet zou kúnnen gooien, zo’n mooi vaasje!
Ik zeg de beeldspraak vaarwel. Ze verveelt mij, en men heeft toch allang ontdekt waarom het in werkelijkheid gaat. De superioriteit is een precaire zaak en nog meer precair is het erover te schrijven. Men benadeelt er zichzelf mee, omdat zodra men over de superioriteit van anderen schrijft, men zijn eigen superioriteit in het geding brengt, erover gaat denken, vergelijken en ten slotte tot de conclusie komt dat men tegenover bepaalde mensen evenzeer op zijn superioriteit gesteld is als ieder ander die het ongeluk heeft gehad een hiërarchie te ontwaren. En dit is een conclusie die tot somberheid stemt: dit soort aanhankelijkheid immers impliceert dat men behept is met een ordinaire concurrentiedrift, een drift gelijk aan die waarmee de huisleveranciers zo vertrouwd zijn, dat men zich tot doel gesteld heeft superieur te zijn en te blijven. En het is hierom dat de conclusie zo somber is, want men is superieur of men is het niet, en als men het is, dan blijft men het ook wel zonder zich de continuïteit tot doel te stellen. Is men het echter niet, terwijl men toch de bedoeling heeft, dan wordt men een karikatuur van zijn doel. Dat wil zeggen: men speelt degene die men zou willen zijn, men speelt superieurtje.
Het zal de aandachtige lezer intussen opgevallen zijn dat er in de loop van het betoog twee soorten superioriteit naar voren zijn gekomen: de superioriteit van de schrijvers tegenover het publiek, een speciaal soort publiek uiteraard, en de superioriteit binnen een ander soort publiek, waar de schrijver zijn meer intieme hiërarchie heeft. Wat de eerste soort betreft, er valt niet veel meer over te zeggen. Het is bekend: er zijn talloze rariteiten die het publiek kunnen verbazen. Van de coiffure Jarry, via de Bijenkorf-boekenmarkt naar de coiffure G.I. Joe, il n’y a qu’un pas. Maar behalve de mensen die uit Amerika komen om te kijken naar Jean-Paul Sartre and his Existentialists, is er dan het publiek der ingewijden, dat speciale criteria heeft om te bepalen, niet of een schrijver werkelijk schrijver is, maar of hij bij geval een superieur schrijver zou kunnen zijn. Vaak overigens vermengen zich de criteria der beide soorten, en ook al is dat niet het geval, dan nog verschillen ze doorgaans niet zoveel. Wanneer een schrijver eenmaal zover is dat hij zich bij de nieuwe mode in het voorste gelid bevindt, behoeft hij zich er niet ongerust over te maken dat het publiek-literair-op-de-hoogte ooit aan zijn schrijverschap zal twijfelen. Het publiek, dat is de massa, die mee-evolueert van Ina Boudier-Bakker (die oude zondebok) tot Anna Blaman, en van Johan de Meester tot Ben Stroman, zal elke nieuwe mode dankbaar aanvaarden en lachen, huilen, tandknarsen, jenever drinken, liefde genieten, zijn zoons Peter en zijn dochters Marijke dopen, zo veel Ina, Anna, Johan en Ben dat voor hun naam en faam raadzaam achten. En het publiek dat zich de avant-garde noemt, dat zijn de hele en halve intellectuelen, die van Joyce en Stein tot Sartre en De Beauvoir gekomen zijn, zullen zich eindeloos vergapen zolang er existentialisten zijn, die de highbrow higher dan high doen schijnen, en zolang er bijvoorbeeld Kinseys zijn die de zaken op wetenschappelijke maar ook wetenswaardige wijze kunnen steunen.
Het publiek houdt niet op bij de lezers van de keukenmeidenroman, noch bij die van de familie-dito, noch bij hen die zich alleen met het highbrow boek kunnen bevredigen. Het publiek houdt nergens op, omdat het gevormd wordt door iedereen, omdat niemand zich ervan kan distantiëren zonder zich belachelijk te maken, omdat wanneer men zich van het publiek distantieert, men eigenlijk pas goed publiek wordt. Zoals de zeer beschaafde dame die uitsluitend essays las waarmee ze zich zowaar als een publieke dame afficheerde…
Dit publiek houdt wel op: namelijk daar waar de vulgariteit van de mode, de interessante statistieken en het epateren niet meer de geheime middelen zijn die tot een verheven superioriteit kunnen leiden, maar waar de vulgariteit als zodanig herkend kan worden, en waar een superioriteitsbevestiging zijn vaste plaats op de schaal der publieke waardering is kwijtgeraakt. Een openlijk beleden superioriteit staat op deze schaal laag genoteerd: als zelfverheffing, pedanterie of erger. De bedekte bevestiging daarentegen is zeer in trek: dat is gepaste bescheidenheid. Wat beide gevallen gemeen hebben, is dat de superioriteit au sérieux genomen wordt. Het definitieve einde van deze superioriteit wordt veroorzaakt door de humor, die elk soort verhevenheid relativeert. Daarvoor komt dan wel een ander soort superioriteit in de plaats – een hiërarchie is nu eenmaal onvermijdelijk – maar deze heeft een andere fysionomie: niet het lefgezicht en de onderkin, waaraan men kan zien dat alle geheimen zijn opgelost, en ook niet de bescheiden blik die bescheiden speurt waar het applaus blijft. Misschien is de oogopslag ironisch, of in een zeldzaam geval kinderlijk naïef. Misschien zelfs moeten we naar een primitiever samenleving om daar het superioriteitsideaal in ongekend superieure vorm te ontdekken… Maar deze beweringen klinken wat apocalyptisch; ze dwalen te veel in de richting van het definitieve einde. Alles klinkt zo eenvoudig: als een handleiding bij zo’n onfeilbaar middel waarmee men bijvoorbeeld tandsteen verwijdert. Men hoort wel tot het publiek, maar nu ja, het lijkt erger dan het is. Het succes van de therapie is verzekerd, mits men wat geconcentreerde, capillair-actieve humor tot zich neemt. De schadelijke bestanddelen lossen vanzelf op. Maar zulke handleidingen mogen dan hun nut hebben bij het verwijderen van de lastige tandsteen, voor (en tegen) het publiek deugen ze niet. Ze fokken een publiek in het kwadraat, en deze kwadratuur heeft weer behoefte aan nieuwe handleidingen, zodat eindelijk als resultaat een publiek is verheven tot de n’de. En hoe spectaculair een dergelijke uitkomst ook zou kunnen zijn, geen enkele schrijver van handleidingen zou zoiets op zijn geweten willen hebben. Het is ook beter vulgariteit en humor zonder gebruiksaanwijzing te laten.

Deel 3

Een kunstenaar blijft een kunstenaar… Het klinkt geloofwaardig, maar veel verder op de weg naar het diepste van de kunstenaarsziel brengt het ons niet. Afgunst, broodnijd en hiërarchische neigingen zijn de metgezellen van de meest serene kunst, in bepaalde gevallen misschien het enige gezelschap waarin de kunst kan ontstaan. Het diepste wezen blijft intussen verborgen. We zijn er eigenlijk ook niet zo nieuwsgierig naar. Veel liever vragen wij ons bijvoorbeeld af hoe de schrijvers, met diepste wezen en al, het klaarspelen iedere maand weer de nieuwe uitgaven vol te krijgen. Deze nieuwsgierigheid strookt misschien niet met de verwachtingen die de schrijvers in het algemeen van de lezer hebben, maar voor de lezer kan het toch interessant zijn het antwoord op de vraag te weten. Mogelijk zelfs interessanter dan wat er in de romans, essays, dichtbundels en novellen te lezen staat. Een behandeling van de maandelijkse productie, waarbij men deze niet hoeft te lezen, heeft veel aantrekkelijks: is minder tijdrovend, minder vervelend en minder vermoeiend. Men moet de boeken alleen even doorbladeren om te kijken of ze allemaal uit volgedrukte bladzijden bestaan, en men kan aan zijn nieuwe bezigheid beginnen. En onmiddellijk dringen eerbiedige gedachten zich op: wat een arbeid, wat een energie wat een doorzettingsvermogen. Vooral: wat een arbeid. En onwillekeurig gaat men zich de schrijver voorstellen als een stoere arbeider, met opgestroopte mouwen, een vuile werkpet en gespierde knuisten, zwetend. Maar het moet verkeerd zijn bij het woord arbeid altijd aan dit soort proletariër te denken. Deze associatie is het gevolg van het heroïsche verhaal dat men bedacht toen de arbeider ontdekte dat hij aan niets meer het land had dan aan zijn eigen uiterlijk. De relatie waarin deze krachtige heer tot zijn bezigheden staat, is min of meer verdraaid. Hij is allerminst stoer en hij vindt het volstrekt niet plezierig met zijn voorhamer en zijn Engelse sleutel op de verkiezingsplaat te staan. Hij haat zijn gereedschappen, en zijn voorhamer zal hij alleen met geestdrift gebruiken bij de aanstaande staking op de schedel van zijn directeur. Of – met een zeker gevoel van noodzaak – als hij denkt aan zijn zoontje, voor wie hij het muloschoolgeld moet verdienen. Voor zijn zoontje heeft hij een andere toekomst in petto. En hij blijft die toekomst in petto houden, ook al mag hij zich dan op de vergadering van zijn vakvereniging in een soort religieuze terminologie over de Arbeid uitlaten. De plaat van de verkiezingen had ongetwijfeld een soort heroïek. Maar gaan wij over op het zoontje. Gespierde knuisten geven niet het monopolie van de arbeid, en het zoontje wordt ook arbeider, zij het dan met eindexamen mulo. Het grote verschil tussen hem en zijn vader is dat hij een das en een colbert draagt, een paar woorden Engels spreekt en in een stoel zit. Zachte zitplaatsen maken een zo groot verschil dat overigens volkomen gelijke bezigheden tot tegenstellingen worden. Zou de kantoorbediende, staande achter zijn lessenaar, zich niet iemand voelen die werkte met zijn schrijfmachine; zou hij nog de illusie hebben dat hij een typist was in plaats van een machinist.
En aangenomen dat hij bij het orders tikken een overall droeg in plaats van een colbertje, zou zijn vader ooit gedacht hebben aan een andere bestemming voor zijn voorhamer dan de directeursschedel? Maar de zoon heeft zijn colbert en zijn bureaustoeltje en hij kan zich geen beter bestaan voorstellen dan het zijne. Men kan er zeker van zijn dat ook hij zich onvriendelijk zal uitlaten over zijn schrijfmachine, maar toch zit er voor hem zoiets liefderijks in zijn bestaan dat hij geen rampzaliger dag kent dan de datum die midden in zijn vakantie valt. Tegen die tijd walgt hij van alle natuurschoon, wandeltochten, kaartspelletjes en schreeuwend nageslacht. Hij wil weer terug, naar de rust, naar de verwarmde regelmatigheid van zijn kopje koffie, naar zijn tabellen en zijn schrijfmachine, en alle andere liefelijke intimiteiten. Geen heerlijker ogenblik voor hem dan dat van het goedemorgen zeggen als hij voor het eerst weer in zijn lokaaltreintje stapt. Hij is weer terug…
Echter, de kantoorbediende zou tekortgedaan worden als deze arbeidsbedwelming alleen aan hem werd toegeschreven. Zijn directeur bijvoorbeeld heeft er evenveel plezier van, ongedisciplineerder, met meer elan, en daarom minder goed te herkennen, maar toch, evenveel plezier. In de vakanties weet hij zijn gebrek aan narcotica beter te camoufleren, omdat hij daarvoor meer kapitaal heeft, en bovendien neemt hij de narcotica dikwijls mee naar zijn vakantieoord, maar gesteld dat men hem zou opsluiten in een Veluws familiepension, zou hij eerder kandidaat voor de dwangbuis zijn dan zijn boekhouder. Het is een bekend feit: zware alcoholisten kunnen alleen in leven gehouden worden met alcohol. Zodra men hen op leidingwater zet, zijn ze verloren. Het schouwspel van een energiek man in ruste is dan ook weinig verheffend. En er is geen reden om aan te nemen dat de energieke mannen die vandaag nog niet in ruste zijn, in de ontbering van hun bedwelming een verheffender schouwspel zullen opleveren.
Ook de schrijver kent zo zijn toestand van opperste wellust. Zijn bedwelming legt hij vast in zijn Werken, die monumenten van vergelijkingskunst, gespecialiseerde diepzinnigheid en mensenkennis. Hij bedrinkt zich aan zijn vondsten, subtieler worden zijn constructies en tevreden metselt hij zijn oeuvres steeds completer. De beschrijving is niet mogelijk zonder het gebruik van ‘woorden van de arbeid’. Metselen: vondst, conclusie, sluitreden, sentiment, beeldspraak, paradox, alles wordt gebruikt om met het cement der woorden te dienen in het architectonisch plan. Schrijven: de bouwvakarbeider werkt aan zijn taalpaleizen. Zwetend en sjouwend ziet hij ze ontstaan, zijn volzinnen als galerijen, zijn hoofdstukken als balzalen, en zijn gedichten als sombere torenkamers of uiterst hygiënische wc… Volmaakter arbeider is hij dan het meest gespierde lid der vakcentrales. Dit is werken. Maar het is meer: het is leven. Neem deze Idealarbeiter zijn werk af, en hij bestaat niet meer. Wat overblijft is het stoffelijk omhulsel, een karkas dat doet denken aan de slachtoffers der familiepensions of de foto’s uit een rapport over drankmisbruik. De luiaards en de nietsnutten dezer maatschappij pleegt men te adviseren een kijkje bij de mieren te gaan nemen. Men verwacht dat ze daarvan wijs zullen worden. Ze worden er alleen wijzer van. Geef deze mieren een vulpen, en ze zullen een boek schrijven, zo denken ze. Zet een schrijver tussen de mieren, en hij zal een zandkorrel in zijn bek nemen om ermee rond te draven. De mierenhoop wordt voor de nietsnutten een openbaring. Ze hurken neer om het fascinerende gewriemel tot in zijn finesses te doorgronden. Maar nadat ze bij de mieren wijzer zijn geworden, willen ze er ook de wijsheid halen. Ze blijven plakken, en ten slotte is de mierenhoop hun enige toevluchtsoord geworden, de zin van hun leven. En wie anders haalt de zin des levens uit een mierenhoop dan een mier? Deze nietsnutten zijn biologen geworden, of misschien zelfs insectologen – insectologen onder de mieren. Dat is: insectenkenners onder de insecten; wat eigenlijk hetzelfde is als mensenkenners onder de mensen. En de mensenkenners bij uitstek… het zijn de schrijvers.
Het is ook zo moeilijk, een nietsnut te blijven, en vooral zo onbehoorlijk. Maar het onbehoorlijke van de nietsnut ligt niet in een bij hem algemeen veronderstelde luiheid; het ligt in zijn nutteloosheid, dit is: zijn weigering zichzelf in te ruilen voor de bedwelming die deze of gene arbeid hem kan verschaffen. De nietsnut is volstrekt niet lui. Ook hij neemt zo nu en dan een duik in de modder van de arbeid, maar alleen om er zo vlug mogelijk weer uit te kruipen; niet om er een hinderend zelfbewustzijn in te verstikken.
Arbeidsmodder: de woordcombinatie zal voor velen aanstootgevend zijn. En toch kan van de modder niets dan goeds gezegd worden. Er zijn plaatsen in de wereld die beroemd zijn geworden door de geneeskrachtige werking van hun modder: van heinde en ver komen de reumatici om zich met hun pijnlijke ledematen in de substantie te laten zakken, tot heil van hun gewrichten en spierweefsels. Dat dit alles bij het lichamelijke blijft, dat de modder geen geneeskrachtige invloed op de geest vermag uit te oefenen, is maar een zeer voorlopige conclusie. Want niet zo lang geleden heeft men ook het Kurort voor de geest ontdekt, de geneeskrachtige modderbron voor zielsreumatici: de arbeidstherapie. En men zegt dat al vele aspirant-nietsnutten bij deze behandeling baat hebben gevonden. Het is inderdaad heel moeilijk een nietsnut te blijven, want behalve dat het bestaan van de nietsnut een sterke geest eist, is de verleiding van de arbeid bijna altijd onweerstaanbaar. Arbeid is bovendien verplicht: wie tegenover het bezig zijn (de nuttige, bedwelmende, maatschappelijke bedrijvigheid) het nutteloze stelt, heeft zichzelf verdoemd tot verworpene der aarde.’

Uit: De Negativist. Maandblad voor de permanente malcontente 1 (1950), april, p. 2-6 (eigen beheer).

Copyright © 2011 H.J.A. Hofland
Copyright foto © Roeland Fossen

MINDBOOKSATH : athenaeum