Leesfragment: Beschaving. Het Westen en de Rest

27 november 2015 , door Niall Ferguson

26 juli verschijnt van Niall Ferguson Beschaving. Het Westen en de Rest (Civilization, vertaald door Mieke Hulsbosch). Dit weekend kunt u een deel uit het voorwoord en uit de inleiding lezen, en uw exemplaar reserveren.

Aan het begin van de twintigste eeuw was Europa in 58 procent van de wereld de baas, dankzij Groot-Brittannië, Spanje, Portugal en ook Nederland en Frankrijk. Samen controleerden ze bijna 80 procent van de wereldwijde economie.
In vroeger eeuwen lagen beschavingen uit het Verre Oosten al ver voor het door pest en slechte hygiëne geteisterde Engeland en het door talrijke oorlogen verscheurde Europa. Noord-Amerika was lange tijd een wildernis vergeleken met de Inca-rijken
Hoe is het het Westen gelukt andere beschavingen in te halen als economische en politieke wereldmacht? Volgens Ferguson waren we beter in wetenschap en was ons arbeidsethos scherper dan dat in het Oosten. We ontwikkelden een maatschappij waarin consumentisme en genadeloze concurrentie de factoren voor succes waren.

Tegenwoordig is het nog maar de vraag of we op die terreinen nog steeds zo sterk zijn. Met zorg, maar niet zonder zelfvertrouwen kijkt Ferguson naar de verworvenheden van onze beschaving: die is de beste, en we moeten ernaar streven onze leiderspositie vast te houden.

Niall Ferguson (Glasgow, 1964) doceert financiële geschiedenis in New York en doet onderzoek in Oxford en aan Harvard. Hij schreef onder andere over de Rothschild-familie (The House of Rothschild), over geld en wereldpolitiek, over de Eerste Wereldoorlog (De erbarmelijke oorlog), over het Britse wereldrijk (Wereldrijk) en over geld en politiek (De geldmachine en Het succes van geld). Enkele van zijn boeken werden ook BBC-documentaires die hij zelf presenteerde. Volgens Time behoort hij tot de 100 invloedrijkste mensen ter wereld.

Voorwoord

Ik probeer me nu te herinneren waar en wanneer het ineens tot me doordrong. Was het in 2005, tijdens mijn eerste wandeling over de Bund in Sjanghai? Was het in de smog en de stofwolken van Chongqing, waar ik luisterde naar een functionaris van de plaatselijke communistische partij die een enorme berg puin beschreef als het toekomstige financiële centrum van zuidwestelijk China? Dat was in 2008 en op de een of andere manier was ik daar meer van onder de indruk dan van al die gesynchroniseerde propaganda van de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Beijing. Of was het misschien in Carnegie Hall, in 2009, waar ik gefascineerd zat te luisteren naar de muziek van Angel Lam, de ongelofelijk begaafde jonge Chinese componiste die de oosterse variant van klassieke muziek belichaamt? Ik geloof dat ik toen pas, precies op het moment dat het ten einde liep, werkelijk de essentie van het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw begreep: dat we het einde van vijfhonderd jaar westerse dominantie doormaken.
De voornaamste vraag die in dit boek behandeld wordt lijkt in toenemende mate de interessantste vraag te zijn die een historicus van nu kan stellen. Waarom konden een paar kleine staatjes aan het westelijke uiteinde van het Euraziatische landoppervlak de rest van de wereld, met inbegrip van de dichterbevolkte en in vele opzichten verder ontwikkelde samenlevingen van oostelijk Eurazië, gaan domineren? Een subsidiaire vraag is deze: als we een goede verklaring voor de vroegere dominantie van het Westen kunnen bedenken, kunnen we dan ook een voorspelling doen voor de toekomst? Is dit echt het einde van het Westen en de komst van een nieuw oosters tijdperk? Anders gezegd, zijn we getuige van het einde van een tijdperk waarin het grootste deel van de mensheid min of meer ondergeschikt was aan de beschaving die in West-Europa opkwam in de nasleep van de Renaissance en de Reformatie – de beschaving die zich, gestimuleerd door de Wetenschappelijke Revolutie en de Verlichting, over de Atlantische Oceaan en zelfs helemaal naar Australië en Nieuw-Zeeland verspreidde, totdat zij uiteindelijk haar hoogtepunt bereikte in het Tijdperk van de Revolutie en het Tijdperk van het Britse Rijk?
Alleen al het feit dat ik dergelijke vragen wil stellen, zegt iets over het afgelopen decennium van de eenentwintigste eeuw. Ik ging voor het eerst in de Verenigde Staten college geven omdat een eminente weldoener van de Stern School of Business van de New York University, Wall Street-veteraan Henry Kaufman, me had gevraagd waarom iemand die geïnteresseerd was in de geschiedenis van geld en macht niet naar de plaats kwam waar het geld en de macht ook werkelijk waren. En waar kon dat anders zijn dan in het zakencentrum van Manhattan? Toen het nieuwe millennium gloorde was de New York Stock Exchange duidelijk het knooppunt van een enorm wereldwijd economisch netwerk dat Amerikaans van opzet en grotendeels Amerikaans qua eigendom was. Toegegeven, de internetzeepbel was aan het leeglopen en een gemene kleine recessie stond ervoor in dat de Democraten het Witte Huis kwijtraakten, net op het moment dat hun plechtige belofte de staatsschuld af te lossen bijna geloofwaardig begon te lijken. Maar binnen amper acht maanden nadat George W. Bush president was geworden werd hij geconfronteerd met een gebeurtenis die de centrale positie van Manhattan in de door het Westen gedomineerde wereld nadrukkelijk onderstreepte. De verwoesting van het World Trade Center door terroristen van Al Qaida was een afschuwelijk compliment voor New York. Dit was het belangrijkste doel voor iedereen die serieus van plan was de westerse overheersing te tarten.
De verdere gebeurtenissen waren dronken van hybris. De taliban in Afghanistan ten val gebracht. Een ‘as van het kwaad’, rijp voor een ‘regimewisseling’. Saddam Hoessein in Irak weggejaagd. George W. Bush, de ‘Toxic Texan’, hoog in de peilingen, op weg naar herverkiezing. De Amerikaanse economie er weer bovenop dankzij belastingverlagingen. Het ‘Oude Europa’ – om nog maar te zwijgen van het progressieve Amerika – onmachtig kokend van woede. Ik merkte dat ik me, gefascineerd door wereldrijken en in het bijzonder de lessen van het Britse Rijk vóór dat van Amerika, daar steeds meer op begon te concentreren. Nadenkend over de opkomst en de vermoedelijke val van het Amerikaanse wereldrijk, werd het me duidelijk dat het hart van de Amerikaanse macht drie fatale tekorten kende: een tekort aan mankracht (niet voldoende laarzen ‘on the ground’ in Afghanistan en Irak), een tekort aan aandacht (onvoldoende publiek enthousiasme voor een langetermijnbezetting van overwonnen landen) en bovenal een financieel tekort (niet voldoende spaargeld in vergelijking met investeringen, en niet voldoende belastingheffing in vergelijking met de overheidsuitgaven).
In 2004 waarschuwde ik dat de Verenigde Staten ongemerkt afhankelijk waren geworden van Oost-Aziatisch kapitaal voor de financiering van onevenwichtige lopende en budgettaire rekeningen. Het verval en de ondergang van het niet als zodanig benoemde wereldrijk van Amerika is daarom misschien niet zozeer te wijten aan terroristen aan de poort, noch aan de schurkenstaten die hen financierden, maar aan een financiële crisis in het land zelf. Toen Moritz Schularick en ik eind 2006 het woord ‘chimerica’ muntten om te beschrijven wat we beschouwden als de gevaarlijk onhoudbare relatie – de naam was een woordspeling met ‘chimère’ – tussen het spaarzame China en het spilzieke Amerika beschouwden, hadden we één verklaring voor de aanstaande wereldwijde financiële crisis te pakken.
De illusie van Amerikaanse hypermacht werd in de afgelopen tien jaar niet één keer, maar twee keer aan gruzelementen geslagen. Nemesis, de godin van de wraak, verscheen eerst in de achterafstraatjes van Sadr City en de valleien van Helmand, wat niet alleen de grenzen van de Amerikaanse militaire macht liet zien maar ook, en belangrijker nog, de naïviteit van neoconservatieve visioenen van een democratische golf in het Groot-Midden-Oosten. Het noodlot sloeg nog een tweede keer toe met de escalatie van de hypotheekcrisis van 2007 tot de kredietcrisis van 2008, en ten slotte de ‘grote recessie’ van 2009. Na het bankroet van Lehman Brothers werden de valse waarheden van de ‘Washington Consensus’ en de ‘Grote Matiging’ voor altijd naar de vergetelheid verwezen.
En wat is ervan overgebleven? Aan het einde van het decennium kon de westerse wereld alleen maar bewonderend toekijken bij het tempo waarin de Chinese regering had gereageerd op de adembenemende ineenstorting van de export die door de Amerikaanse kredietcrisis was veroorzaakt, een ineenstorting waarvan verwacht had mogen worden dat ze Azië had geruïneerd. Terwijl de ontwikkelde wereld op de rand van een tweede Grote Depressie wankelde, ervoer China niet veel meer dan een kleine vertraging in de groei, dankzij een uiterst effectief stimuleringsprogramma en een enorme kredietuitbreiding. Het zou natuurlijk naïef zijn om ervan uit te gaan dat het komende decennium niet ook problemen voor China brengt. Een samenleving van 1,3 miljard mensen leiden met het soort autoritaire semigeplande kapitalisme dat tot nu toe werd geassocieerd met de stadstaat Singapore (met een bevolking van 4,5 miljoen zielen) is uiterst moeilijk. Maar het feit blijft dat de jongste en grootste industriële revolutie van Azië tijdens de financiële crisis van 2007-2009 nauwelijks op adem hoefde komen. Wat gaf het Westen in de afgelopen vijfhonderd jaar het voordeel boven het Oosten? En is dat voordeel nu weg? Er zijn maar weinig historische vragen die me meer opwinden dan deze, en ik hoop dat die opwinding overslaat op mijn lezers.

[...]

 

Inleiding
Rasselas’ vraag

Hij wilde civilization niet [in de vierde editie van zijn woordenboek] opnemen, maar alleen civility [hoffelijkheid, fatsoen – vert.]. Met alle respect jegens hem vond ik civilization, van to civilize, als tegenstelling van barbarity, beter dan civility.
James Boswell

Alle definities van beschaving […] horen bij een vervoeging die als volgt gaat: ‘Ik ben beschaafd, jij behoort tot een cultuur, hij is een barbaar.’
Felipe Fernández-Armesto

Toen Kenneth Clark ‘beschaving’ in zijn televisieserie met die naam definieerde, liet hij er voor zijn kijkers geen misverstand over bestaan dat hij de beschaving van het Westen bedoelde – en in de eerste plaats de kunst en architectuur van West-Europa vanaf de Middeleeuwen tot de negentiende eeuw. De eerste van de dertien films die hij voor de bbc maakte, wees beleefd doch resoluut het Byzantijnse Ravenna, de Keltische Hebriden, het Noorwegen van de Vikingen en zelfs het Aken van Karel de Grote af. De duistere Middeleeuwen tussen de val van Rome en de twaalfde-eeuwse Renaissance telden in Clarks betekenis van het woord domweg niet als beschaving. Die bloeide pas weer op met de bouw van de kathedraal van Chartres, gewijd, zij het niet afgebouwd, in 1260, en liet blijken van vermoeidheid zien bij de wolkenkrabbers van Manhattan in zijn eigen tijd.
Clarks buitengewoon succesvolle serie, die in Groot-Brittannië voor het eerst werd uitgezonden toen ik vijf jaar oud was, bepaalde in de Engelssprekende wereld een generatie lang het begrip beschaving. Beschaving waren de kastelen van de Loire. Het waren de palazzi van Florence. Het was de Sixtijnse Kapel. Het was Versailles. Van de sobere interieurs van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tot de uitbundige gevels van de barok liet Clark zijn kracht als kunsthistoricus niet onbenut. Muziek en literatuur lieten zich even zien; politiek en zelfs economie gluurden af en toe even naar binnen. Maar de essentie van Clarks beschaving was duidelijk de Hogere Beeldende Cultuur. Zijn helden waren Michelangelo, da Vinci, Dürer, Constable, Turner, Delacroix.

Eerlijk is eerlijk, Clarks serie had als ondertitel Een persoonlijke visie. En hij was zich niet onbewust van de implicatie – in 1969 al problematisch – dat de ‘voorchristelijke tijd en het Oosten’ in zekere zin dus onbeschaafd waren. Maar met het verstrijken van vier decennia is het steeds moeilijker geworden ons bij Clarks visie, persoonlijk of anderszins (om nog maar te zwijgen van zijn inmiddels lichtelijk irritant hautaine houding), neer te leggen. In dit boek kies ik voor een bredere, meer vergelijkende visie en ben ik liever laag-bij-de-gronds dan uit de hoogte. Mijn idee van beschaving gaat evenzeer over rioleringsbuizen als over luchtbogen, zo niet meer, want steden zonder efficiënte openbare riolering zijn levensgevaarlijke plekken die rivieren en bronnen tot toevluchtsoorden voor de bacterie Vibrio cholerae maken. Ik ben, en daar verontschuldig ik me niet voor, even geïnteresseerd in de prijs van een kunstwerk als in de culturele waarde daarvan. Volgens mij is een beschaving veel meer dan alleen maar de inhoud van een paar eersteklas kunstgalerieën. Ze is een uiterst gecompliceerde menselijke organisatie. Schilderijen, beeldhouwwerken en gebouwen kunnen dan wel de meest in het oog vallende prestaties zijn, maar ze zijn niet te begrijpen zonder enig inzicht in de economische, sociale en politieke instellingen die ze bedachten, die ze betaalden, die ze uitvoerden – en die ze voor ons in stand hielden.
‘Civilisation’ is een Frans woord, in 1752 voor het eerst gebruikt door de Franse econoom Anne-Robert-Jacques Turgot, en vier jaar later voor het eerst gepubliceerd door Victor Riqueti, markies van Mirabeau, de vader van de grote revolutionair, vier jaar later. Samuel Johnson, zoals het eerste motto van deze inleiding duidelijk maakt, wilde het neologisme niet accepteren en gaf de voorkeur aan ‘civility’. Als barbaarsheid voor Johnson een antoniem had, was dat het elegante (hoewel soms ook zonder meer onbeschaafde) stadsleven waarvan hij in Londen zozeer genoot. Een beschaving, zoals de etymologie van het (Engelse) woord suggereert, draait om haar steden, en in veel opzichten zijn steden ook de helden van dit boek. Maar de wetten van een stad (burgerlijk of anderszins) zijn even belangrijk als haar muren; haar grondwet en gebruiken – de mores van haar inwoners (burgerlijk of anderszins) – even belangrijk als haar paleizen. Beschaving gaat evenzeer over laboratoria van na tuurkundigen als over zolderkamertjes van kunstenaars. Ze gaat evenzeer over vormen van landpacht als over landschappen. Het succes van een beschaving wordt niet alleen aan haar esthetische prestaties afgemeten maar ook, en zeker zo belangrijk, aan de duur en kwaliteit van het leven van haar burgers. En die kwaliteit van leven heeft vele dimensies die niet allemaal even gemakkelijk te kwantificeren zijn. We zijn dan misschien in staat het inkomen per hoofd (van de bevolking) in de vijftiende eeuw over de hele wereld te berekenen, of de gemiddelde levensverwachting van de mensen bij hun geboorte. Maar hoe stond het met hun comfort? Hygiëne? Geluk? Hoeveel kledingstukken bezaten ze? Hoeveel uur moesten ze werken? Wat voor eten konden ze van hun loon kopen? Kunstwerken op zichzelf kunnen indicaties geven, maar dergelijke vragen kunnen ze niet beantwoorden.
Maar één stad maakt natuurlijk nog geen beschaving. Een beschaving is de grootste eenheid van menselijke organisatie, hoger maar amorfer nog dan een wereldrijk. Beschavingen zijn voor een deel een praktische reactie van menselijke populaties op hun omgeving – de moeilijke taken van het voeden, van water voorzien, van onderdak zoeken en van het verdedigen van zichzelf – maar ze zijn ook cultureel van karakter; vaak, hoewel niet altijd, religieus; vaak, hoewel niet altijd, gemeenschappen van taal. Het zijn er maar enkele, maar niet ver van elkaar af. Carroll Quigley telde er in de laatste tien millennia twintig. In de premoderne wereld zag Adda Bozeman er maar vijf: het Westen, India, China, Byzantium en de islamitische wereld. Matthew Melko telde er twaalf, waarvan er zeven zijn verdwenen (Mesopotamië, Egypte, Kreta, de klassieke wereld, Byzantium, Midden-Amerika, de Andes) en er vijf nog bestaan (China, Japan, India, de moslimwereld, het Westen). Schmuel Eisenstadt telde er zes door de Joodse beschaving aan de club toe te voegen. De interactie van deze paar beschavingen met elkaar, en met hun eigen omgeving, is een van de belangrijkste drijvende krachten van historische verandering geweest. Het frappante van deze interacties is dat authentieke beschavingen zichzelf, ondanks invloeden vanbuiten, heel lang trouw lijken te blijven. Zoals Fernand Braudel stelde: ‘Beschaving is in feite het langste verhaal van allemaal […] Een beschaving […] kan een reeks van economieën of samenlevingen lang in stand houden.’

Stel dat je in het jaar 1411 de wereld had kunnen rondvaren, dan zou je waarschijnlijk zeer onder de indruk zijn geweest van de kwaliteit van leven in oosterse beschavingen. In het Beijing van de Ming-dynastie was de Verboden Stad in aanbouw, terwijl het werk aan de heropening en verbetering van het Grote Kanaal was aangevangen; in het Nabije Oosten naderden de Ottomanen Constantinopel, dat ze in 1453 ten slotte zouden innemen. Het Byzantijnse Rijk blies zijn laatste adem uit. De dood van de Mongoolse krijgsheer Timoer (Tamerlane) in 1405 had de steeds terugkerende dreiging van moordzuchtige, binnenvallende horden vanuit Centraal-Azië – de antithese van beschaving – weggenomen. Voor keizer Yongle in China en de Ottomaanse sultan Murat ii zag de toekomst er stralend uit.
Daarbij vergeleken zou West-Europa je in 1411 een armoedige, achtergebleven wereld hebben geleken, herstellend als het was van de verwoestingen van de pest – die de bevolking in zijn oostwaartse verspreiding tussen 1347 en 1351 wel met de helft had gereduceerd – en nog altijd geteisterd door slechte hygiënische omstandigheden en een schijnbaar niet-aflatende oorlog. In Engeland zat de melaatse koning Hendrik iv op de troon nadat hij de ongelukkige Richard ii met succes ten val had gebracht en vermoord. Frankrijk verkeerde in de greep van interne oorlogen tussen de aanhangers van de hertog van Bourgondië en die van de vermoorde hertog van Orléans. De Engels-Franse Honderdjarige Oorlog stond op het punt weer te beginnen. De andere twistzieke koninkrijken van West-Europa – Aragon, Castilië, Navarra, Portugal en Schotland – zouden er niet veel beter hebben uitgezien. In Granada heerste nog altijd een moslim. De Schotse koning, Jacobus i, was een gevangene in Engeland, opgepakt door Engelse piraten. De welvarendste delen van Europa waren eigenlijk de Noord-Italiaanse stadstaten: Florence, Genua, Pisa, Siena en Venetië. Wat het vijftiende-eeuwse Noord-Amerika betreft, dat was een wetteloze wildernis, vergeleken met de rijken van de Azteken, de Maya’s en de Inca’s in Centraal- en Zuid-Amerika, met hun hoog oprijzende tempels en wolkenkrabbende wegen. Aan het einde van je wereldreis zou het idee dat het Westen de Rest de volgende vijfhonderd jaar lang zou gaan overheersen, buitensporig bizar hebben geleken.
En toch gebeurde het.
Om de een of andere reden brachten vanaf eind vijftiende eeuw de kleine staatjes van West-Europa, met hun verbasterde taalkundige leenwoorden uit het Latijn (en een beetje Grieks), hun aan de leer van een jood uit Nazareth ontleende godsdienst en hun intellectuele schuld aan oosterse wiskunde, astronomie en technologie, een beschaving voort die niet alleen de grote oosterse rijken kon veroveren en Afrika, Noord- en Zuid- Amerika en Austraal-Azië kon onderwerpen, maar ook volkeren over de hele wereld tot de westerse manier van leven kon bekeren – een bekering die uiteindelijk meer met het woord dan met het zwaard werd bereikt.
Er zijn mensen die dit betwisten en betogen dat alle beschavingen in zekere zin gelijk zijn, en dat het Westen geen superioriteit over bijvoorbeeld het oosten van Eurazië kan claimen. Maar zulk relativisme is aantoonbaar absurd. Geen enkele eerdere beschaving had ooit zo’n dominantie bereikt als die van het Westen over de Rest. In het jaar 1500 maakten de toekomstige imperiale mogendheden van Europa circa 10 procent van het landoppervlak van de wereld uit en hoogstens 16 procent van zijn bevolking. In 1913 hadden elf* westerse rijken de zeggenschap over bijna drie vijfde van alle grondgebied en alle bevolking en meer dan driekwart (een verbluffende 79 procent) van de wereldwijde economische productie. De gemiddelde levensverwachting in Engeland was bijna twee keer zo hoog als in India. Hogere levensstandaarden in het Westen kwamen ook tot uiting in een beter dieet, zelfs voor landarbeiders, alsmede een grotere lichaamslengte, zelfs voor gewone soldaten en gevangenen. Beschaving gaat, zoals we hebben gezien, over steden. Ook naar deze maatstaf was het Westen het hoogst geëindigd. In 1500 was Beijing, voor zover we kunnen nagaan, de grootste stad ter wereld, met een bevolking van tussen de 600 000 en 700 000. Van de tien grootste steden ter wereld in die tijd was er slechts één – Parijs – Europees en de bevolking daarvan telde nog geen 200 000 zielen. Londen had misschien 50 000 inwoners. In Noord-Afrika en Zuid- Amerika waren de urbanisatiecijfers ook hoger dan in Europa. Maar in 1900 had zich een verbluffende omkering voorgedaan. Slechts een van de tien grootste steden van de wereld in die tijd was Aziatisch, en dat was Tokio. Met een bevolking van circa 6,5 miljoen was Londen de wereldwijde megalopolis.16 En de westerse dominantie eindigde ook niet met het verval en de ondergang van de Europese rijken. Met de opkomst van de Verenigde Staten werd de kloof tussen West en Oost nog groter. In 1990 was de gemiddelde Amerikaan 73 keer zo rijk als de gemiddelde Chinees.

Bovendien werd het in de tweede helft van de twintigste eeuw duidelijk dat de enige manier die oosterse samenlevingen hadden om die gapende kloof in inkomen te dichten, was het voorbeeld van Japan te volgen en enkele (zij het niet alle) instituties en werkwijzen van het Westen over te nemen. Het gevolg was dat de westerse beschaving een soort sjabloon werd voor de manier waarop de rest van de wereld zich wilde organiseren. Vóór 1945 was er natuurlijk een scala aan ontwikkelingsmodellen – of besturingssystemen, om maar eens een beeldspraak aan de computerwetenschap te ontlenen – die door niet-westerse samenlevingen konden worden overgenomen. Maar de aantrekkelijkste waren allemaal van Europese origine: het liberaal kapitalisme, het nationaalsocialisme, het Sovjet-communisme. De Tweede Wereldoorlog maakte in Europa een einde aan het tweede model, hoewel het in veel ontwikkelingslanden onder andere namen voortleefde. De ineenstorting van de Sovjet-Unie tussen 1989 en 1991 maakte een einde aan het derde model.
Zeker, in de nasleep van de wereldwijde financiële crisis is er veel gesproken over alternatieve Aziatische economische modellen. Maar zelfs de vurigste cultuurrelativist beveelt geen terugkeer naar de instituties van de Ming-dynastie of de Mogoels aan. De huidige discussie tussen de voorstanders van vrije markten en die van staatsinterventie is in wezen een debat tussen herkenbaar westerse denkrichtingen: de volgelingen van Adam Smith en die van John Maynard Keynes, met een paar verstokte, almaar doorploeterende aanhangers van Karl Marx. De geboorteplaatsen van alle drie spreken voor zich: Kirkcaldy, Cambridge, Trier. In de praktijk is het grootste deel van de wereld inmiddels geïntegreerd in een westers economisch systeem waarin, zoals Smith aanbeval, de markt het merendeel van de prijzen, de handelsstroom en de arbeidsverdeling bepaalt, maar de regering een rol speelt die dichter in de buurt komt van wat Keynes voorzag, met interventies om de conjunctuurschommelingen glad te strijken en inkomensongelijkheid te verminderen.
Wat niet-economische instellingen betreft is een discussie de moeite niet waard. Over de hele wereld groeien universiteiten op basis van westerse maatstaven naar elkaar toe. Datzelfde geldt voor de manier waarop de medische wetenschap is georganiseerd, van selecte research tot en met eerstelijnsgezondheidszorg. De meeste mensen accepteren inmiddels de grote wetenschappelijke waarheden die door Newton, Darwin en Einstein aan het licht zijn gebracht, en zelfs als ze dat niet doen, grijpen ze bij het eerste symptoom van griep of bronchitis toch graag naar de producten van de westerse farmacologie. Slechts een paar samenlevingen blijven zich tegen het opdringen van westerse marketing- en consumptiepatronen, en tegen de westerse manier van leven zelf, verzetten. Steeds meer mensen eten een westers dieet, dragen westerse kleren en wonen in westerse huizen. Zelfs de typisch westerse manier van werken – vijf of zes dagen per week van negen tot vijf uur, met twee of drie weken vakantie – wordt een soort universele maatstaf. De religie die westerse zendelingen naar de rest van de wereld wilden exporteren, wordt inmiddels door een derde deel van de mensheid gevolgd – en kent een opmerkelijke groei in het dichtstbevolkte land ter wereld. Zelfs het atheïsme, waarvoor in het Westen het pionierswerk is verricht, maakt indrukwekkende vorderingen.
Elk jaar zijn er weer meer mensen die winkelen zoals wij, studeren zoals wij, gezond (of ongezond) blijven zoals wij en bidden (of niet bidden) zoals wij. Betaalautomaten, barbecues, baseballpetten en bijbels: waar je ook naartoe gaat, je ontkomt er niet gemakkelijk aan. Alleen in het domein van de politieke instituties is er nog altijd sprake van een aanzienlijke wereldwijde diversiteit, met een breed scala aan regeringen over de hele wereld die zich verzetten tegen het idee van de rechtsorde, met zijn bescherming van individuele rechten als het fundament van zinvol vertegenwoordigend bestuur. Het is evenzeer vanuit politiek-ideologische als religieuze overwegingen dat een militante islam eropuit is de opmars van de laattwintigste-eeuwse westerse normen van gelijkheid van man en vrouw en seksuele vrijheid tegen te houden.
Het is dus geen ‘eurocentrisme’ of (anti-)‘oriëntalisme’ om te zeggen dat de opkomst van de westerse beschaving het allerbelangrijkste historische verschijnsel van de tweede helft van het tweede millennium na Christus is. Er is niets tegenin te brengen. De uitdaging is, te verklaren hoe het is gebeurd. Wat was er aan de beschaving van West-Europa na de vijftiende eeuw dat haar in staat stelde de ogenschijnlijk superieure rijken van het Oosten te overtroeven? Ongetwijfeld was het iets meer dan de schoonheid van de Sixtijnse Kapel.

[...]

* Die elf waren: Oostenrijk, België, Frankrijk, Duitsland, Italië, Nederland, Portugal, Spanje, Rusland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Hiervan bestonden alleen Frankrijk, Portugal en Spanje in 1500 in een vorm die op enigerlei wijze op hun twintigste-eeuwse vorm leek. Voor de aanspraak van Rusland dat het als een deel van het Westen wordt beschouwd, zie hieronder.

© 2011 Niall Ferguson
© 2011 Nederlandse vertaling Mieke Hulsbosch
Foto © Dewald Aukema

Uitgeverij Contact

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum