Leesfragment: Bij De sprookjes van Andersen

27 november 2015 , door Manon Uphoff

7 april verschijnt het nieuwste deel in de Perpetuareeks, Hans Christian Andersens Sprookjes en verhalen. Annelies van Hees vertaalde het, en Manon Uphoff tekende voor het nawoord. Dat kunt u vanavond alvast lezen én uw exemplaar reserveren.

'Het lelijke jonge eendje', 'De prinses op de erwt', 'De kleine zeemeermin' en 'Het meisje met de zwavelstokjes': het is maar een greep uit de omvangrijke verzameling van verhalen en sprookjes die Andersen schreef. Nog altijd zijn ze verontrustend, ontroerend, ironisch of satirisch, voor zowel kinderen als volwassenen.

(Onderaan de pagina alle delen van de reeks, en eventuele e-pendanten, en elders op de site eerdere op Athenaeum.nl voorgepubliceerde nawoorden.)

‘Kijk, nu beginnen we. Als we aan het einde van het verhaal zijn, weten we meer dan we nu weten...’

*

‘In zekere zin vallen we allemaal te pletter van het hoge gebouw van onze geboorte naar onze dood op de vlakke stenen van het kerkhof en verwonderen we ons met de onsterfelijke Alice in Wonderland over de patronen op de voorbijtrekkende wand. Dit vermogen om ons te verwonderen over de bijzonderheden, details – ongeacht het naderende gevaar –, deze zijpaden van de geest, deze voetnoten in het boekdeel van het leven zijn de hoogste vormen van bewustzijn, en het is in deze kinderlijk speculatieve geestestoestand, die zo verschilt van het gezonde verstand en de logica, dat we beseff en dat de wereld goed is,’ schrijft Nabokov in Lectures on Literature.
Ik ben een jaar of acht, negen als ik met de waterpokken onder een deken in een bedje van twee tegen elkaar geschoven fauteuils lig en mijn vader me na werktijd een boek in een rood linnen band overhandigt dat zich, terwijl ik dit nawoord schrijf, naast me op mijn bureau bevindt en waarin ik met langgerekte hanenpoten mijn naam heb geschreven, omdat ik wilde dat het van mij was en mij alleen (de ware lezer kent een stuitende bezitsdrang). Het bevatte de sprookjes van Hans Christian Andersen, met de onweerstaanbare en nooit geëvenaarde illustraties in aquarel van de Poolse kunstenaar Janusz. Grabianski.
Ik ben ziek, ik heb koorts, ik begin te lezen (‘De nachtegaal’): ‘In China, moet je weten, is de keizer een Chinees en alle mensen om hem heen zijn ook Chinezen...’ en val meteen het door Nabokov beschreven vrees- en troostwekkende wonder in. Niet eerder ervoer ik zo de volle verrukking van het lezen. Die verrukking is er nog steeds, terwijl de verhalen zich intussen hebben verrijkt met tal van ervaringen, en mijn eigen bestaan nu vaak juist weer lijkt op een terugtocht naar de troostende, mesmeriserende en formidabele kernkracht van verhalen, en de essentie en het wezen van het vertellen.
In een structuur die ingebed lijkt in die van de volksvertelling biedt Andersen ons de geschiedenissen van zijn van hoop, verlangen en verwachting vervulde individuen. Prinsen, prinsessen, marskramers, varkenshoeders, tal van bezielde voorwerpen, kleine, scharrelende dieren en zelfs boompjes of planten, die tijdens hun poging datgene te verwerven of bereiken wat ze verlangen, bereid zijn tot het brengen van grote off ers. Vaak is er de droevige doem van degenen die (nog) geen stem hebben, of die hun unieke stem afstaan (letterlijk, zoals in het geval van de kleine zeemeermin, die haar staart en schitterende zangstem inlevert; de toverkol snijdt haar tong af en schenkt haar mensenbenen) terwijl zij nou juist veel te vertellen hebben: ‘De prins vroeg wie ze was en hoe ze daar was gekomen en zij keek hem met haar diepblauwe ogen heel lief en tegelijk heel bedroefd aan; praten kon ze immers niet. Ze dacht: hij moest eens weten dat ik om bij hem te zijn mijn stem voor eeuwig heb weggegeven’. De rijkdom van hun innerlijke wereld is plotseling of soms voor lange tijd niet meer mededeelbaar. In ieder geval niet aan de wereld waarin zij leven. Maar daarom kunnen wij er nog wel over horen, en precies daarom is er de sprookjesverteller, die hun geschiedenissen aan ons vertelt. Soms lijkt hun bestaan te eindigen in grote eenzaamheid of wanhoop.
Het zeemeerminnetje stort uit tot schuim op de golven, voor ze wordt opgenomen in het koor van de dochters van de lucht, het ijle element waar het geluid doorheen reist, maar de vrouw van de prins wordt ze toch niet. En het meisje met de zwavelstokjes sterft een barre vriesdood in de bittere kou. De kleine Karen uit ‘De rode schoentjes’ moet haar eigen voetjes laten afhakken voor ze kan stoppen met dansen, en maar doordansen, naar de plekken die griezelig en beklemmend zijn, en haar rust en vrede vindt. Hoe tragisch of verdrietig de gebeurtenissen ook zijn, in bijna alle verhalen is ook sprake van verlossing. Wat de personages ook kwijtraken en verliezen, hun verlangen, streven en inzichten leveren hun steeds een ziel op. Soms worden de personages na alle ontberingen door de engelen, boodschappers en zendelingen van Onze-Lieve-Heer gebracht naar een wereld die hen eindelijk ziet voor wat ze werkelijk zijn. Of ze zien zichzelf plotseling in hun ware vorm, zoals het lelijke jonge eendje dat een prachtige zwaan wordt, maar daar dan juist niet onaangenaam of trots over doet: ‘“De nieuwe is de mooiste! Zo jong en zo prachtig!” En de oude zwanen bogen voor hem. Toen voelde hij zich heel verlegen en hij stak zijn kop onder zijn vleugels: hij wist er geen raad mee. Hij was veel te gelukkig, maar helemaal niet trots, want een goed hart wordt nooit trots.
Je hoefde niet te geloven in het concrete transport naar zo’n wereld. In de taal, op het niveau van de verbeelding, de herinnering en de vertelling, vond dat transport plaats, als de personages aan de zorgen van de lezers werden toevertrouwd, die hun ware aard al had leren kennen.
Ik huiverde mee met Karen, die voortgestuwd door een brandende energie zelfs danste op het kerkhof, en haalde samen met de kleine Gerda haar geliefde, maar mentaal bevroren buurjongetje Kaj uit het schitterende, maar van alle mededogen en menselijke emoties verstoken ijspaleis dat het domein was van de Sneeuwkoningin. Die kil-esthetische plek waar je alleen kon overleven als je je liet verblinden, tot je net als Kaj niet eens meer in staat was je eigen naam te spellen, of met een splinter in je van warmte verstoken hart en met vervormde blik de wereld voor je zag zoals hij eruitziet voor veel cynici: een veldje gekookte spinazie.
In veel verhalen gaat Andersen het om de toekenning van een ziel. In de confrontatie van de grimmige werkelijkheid met de krachten van verlangen, geduld, hoop en moed krijgen de karakters hun eeuwigheidswaarde, net als de werelden waarin ze leven. Wat ze te zeggen hebben valt weliswaar soms weg in de schaduw van hun zelfvergroting, maar als ze een goed hart hebben, beziet Andersen dat met een mild oog. ‘Het rendier vertelde Gerda’s geschiedenis, maar eerst vertelde hij toch wat hem zelf was overkomen, want dat vond hij nog veel belangrijker.’
Ja, de personages denken misschien wel dat ze hun ziel voorgoed verloren hebben, of er nooit een zullen verwerven, maar wij weten wel beter, want we zien hem al. En terwijl we over hen lezen, vinden we en passant onze eigen ziel terug. De wonderbaarlijke kracht van Andersen is dat hij ons dat vermogen tot bezieling teruggeeft in een naïeve, van vitaliteit doortrokken taal waartoe we direct toegang hebben. En waar we bovendien op elke gewenste leeftijd naar kunnen terugkeren, om opnieuw te voelen dat hij aan een waarheid raakt die we niet kwijt willen, maar soms een tijdje uit het oog verliezen, net zoals de keizer in ‘De nachtegaal’. Ondertussen is het naakte gegeven van het vertellen (voor Andersen én zijn personages) even belangrijk als de vele zaken waarvan ze, levenslustig en vol verbeeldingskracht, getuigenis afleggen, waarbij ze vaak botsen met mensen die verbeeldingskracht ontberen. Bedorven, verwaande figuren, die – blasé en mat – ieder vermogen tot verwondering hebben verloren:
‘Jakkes, paps!’ zegt de prinses in De Varkenshoeder over een roos: ‘Het is geen namaak, het is een echte!’ ‘Jakkes,’ zeiden alle hofdames, ‘het is een echte.’ Koeltjes luisteren we naar haar geweeklaag als ze eenzaam en verstoten buiten de paleispoort staat te jeremiëren: ‘O, mijn lieve Augustijn, alles is weg, weg.’
Ja, trut.
Of, die, zoals de grote Claus in ‘Kleine Claus en grote Claus’, gedreven worden door hebzucht en verblind zijn door een gevoel van superioriteit: ‘“Je hebt mijn grootmoeder vermoord en niet mij” zei kleine Claus. “Ik heb haar verkocht en er een schepel geld voor gekregen.” “Da’s goed betaald!” zei grote Claus, en ging gauw naar huis, nam een bijl en sloeg zijn oude grootmoeder dood.’
Vaak ervaren de personages de druk van hun omgeving om het valse, of de schone schijn, te accepteren en te zien als het echte, goede en ware. Alleen de niet geperverteerde blik prikt erdoorheen. ‘Maar hij heeft niets aan,’ zegt de kleine jongen terwijl de keizer voor het oog van de menigte de onzichtbare sleep van zijn niet-bestaande mantel laat dragen, en pas dan ziet, hoort en begrijpt de menigte het ook, terwijl de arme keizer zich voor dit massale oog gedwongen voelt zijn illusoire wereldbeeld in stand te houden, al is het zojuist voor zijn ogen in gruzelementen geval len. Ja, hij is naakt en hij wéét het, maar toch denkt de arme man: ik moet het maar tot het eind volhouden.
Wat een verrukking deze verhalen te lezen, terwijl om mijn jeugdige zelf heen schijnwerelden verrezen dan wel met man en macht in stand werden gehouden. Het was alsof Andersen me een fijne, heldere blik teruggaf. Dít is onzin! Dít is waar! Vergeet die buurvrouw, maar luister naar die tante!
Ziekte, armoede, dood, ouderdom, de normale ontberingen van het bestaan, tal van griezelige en angstaanjagende zaken, pure overlevingsdrift en strategieën: Andersen voerde ze op, gaf ze een persoonlijkheid en een verschijningsvorm die even abrupt als vanzelfsprekend was.
‘Ik zal je paarden laten hoppen,’ zei grote Claus en hij nam een eind hout en gaf het enige paard van kleine Claus een klap voor zijn kop, zodat het morsdood neerviel. ‘Ooo, nu heb ik helemaal geen paarden meer,’ zei kleine Claus en hij begon te huilen. Daarna vilde hij het paard, nam de huid, liet hem goed drogen in de wind, stopte hem in een zak, zwaaide die op zijn rug en ging op weg naar de stad om zijn paardenhuid te verkopen.
Als een geur je kan terugbrengen naar momenten die normaliter ver buiten het bereik van je geest liggen, kan een verhaal dat je las als kind, mits het een goed verhaal is, je mee terugnemen naar de plekken waar en momenten waarop je karakter, je ‘persoonlijkheid’ nog werd gevormd. De verhalen van Andersen bezitten dat vermogen. Ze brengen je terug naar de momenten en plaatsen van werkelijke onschuld, niet de bedachte, ruw-in-elkaar-geflanste weeë, krachteloze onschuld die veel volwassenen ervan maken, de goedkope kopie en het onbruikbare afval van wat we ervaren als ons moreel failliet, en wat we overhouden werpen we dan maar terug naar de kinderen, maar de moedige, sterke onschuld die in staat is het echte, als het zich voordoet, te onderscheiden van het valse.
Als de personages ondanks al hun inzet, hun lijden en streven niet beloond worden, delen wij in hun ervaring van de wreedheid van het ontberen van zo’n beloning. Dat besef van onrechtvaardigheid, gemis, vormt met onze empathie een schuilplaats, net als het verhaal zelf. Er zit iets immens troostends en geruststellends in de bevestiging van de inherente onrechtvaardigheden en brok ken kwaad in het leven van de mensen. (Het kwaad is binnen en buiten.) De betovering van Andersens verhalen schuilt erin dat het leven ondanks die onrechtvaardigheden, die bepaald niet opgeheven worden, gevuld is met momenten van grote en waarachtige schoonheid – zoals de lucifers aan het kleine meisje met de zwavelstokjes werkelijke taferelen voorschotelen. Alsof er een witte tegenhanger is voor het onbekende donker: in het verhaal kun je terugvinden wat je hebt verloren.
En steeds is er die heerlijke, heldere taal. ‘De tinnen soldaat stond in vuur en vlam. Hij voelde een vreselijke hitte, maar of dat van het echte vuur kwam of van de liefde, dat wist hij niet’, en steeds vertonen de personages een fascinerende mix aan menselijke eigenschappen:
‘De kater was de man in huis en de kip was mevrouw en altijd zeiden ze: “wij en de wereld”, want ze dachten dat zij de helft van de wereld waren en dan nog wel de betere helft.’
‘Schoonheid gecombineerd met mededogen, daarmee naderen we het dichtst een defi nitie van kunst,’ schrijft Nabokov. Dat gaat in het bijzonder op voor de sprookjes van Hans Christian Andersen, en daarom zijn het de waarachtigste sprookjes die ik ken. Hun schoonheid en empathie komt voort uit een bitterzoete werkelijkheid, en het is onmogelijk, denk ik, ons er niet door te laten betoveren terwijl we ondertussen langs de wanden naar beneden suizen.

Athenaeum - Polak & Van Gennep

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum