Leesfragment: Bloedlanden

27 november 2015 , door Timothy Snyder
| | |

28 januari verschijnt Timothy Snyders Bloedlanden, Europa tussen Hitler en Stalin (Bloodlands, in de vertaling van Patty Adelaar en Ton Heuvelman). Vanavond kunt u al enkele pagina's lezen.

31 mei 2011 bezoekt Snyder Spui25.

Auschwitz wordt dikwijls beschouwd als hét symbool van de Holocaust, en wellicht van de hele Tweede Wereldoorlog. Maar is Auschwitz wel zo representatief? In het kamp werden vooral West-Europese Joden vermoord, terwijl veruit de meeste Joodse slachtoffers vielen in Midden-Europa. In het huidige Oekraïne, Wit-Rusland, Polen en de Baltische staten hebben de nazi’s naast ruim vier miljoen Joden ook miljoenen andere burgers systematisch vermoord. Zij werden ter plaatse doodgeschoten. Deze ‘shoah door kogels’ is veel minder bekend dan de verschrikkingen die plaatsvonden in de concentratiekampen.

In Bloedlanden vertelt Timothy Snyder de geschiedenis van Midden-Europa in de jaren 1933-1945. Hij beschrijft niet alleen de wreedheden van de nazi’s, maar ook die van de Sovjets ten tijde van de Grote Zuivering (1934-1938), toen in opdracht van Stalin miljoenen burgers in Midden-Europa werden vermoord om de landen te ontdoen van zijn politieke en persoonlijke tegenstanders.

7
Holocaust en wraak

Wit-Rusland was het middelpunt in de confrontatie tussen nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie. Na de Duitse invasie van juni 1941 zagen de inwoners, voorzover zij het hadden overleefd, hoe zowel het Duitse als het Sovjetgeweld escaleerde. Hun geboorteland was nu Duits bezet gebied en een voormalige en toekomstige Sovjetrepubliek. De grote steden waren het slagveld van legers die optrokken of de aftocht bliezen, de kleinere steden waren centra van Joodse gemeenschappen die door de Holocaust werden vernietigd. Het platteland veranderde in Duitse krijgsgevangenenkampen waar de Sovjetsoldaten met tien- of honderdduizenden tegelijk stierven. In de bossen voerden Sovjetpartizanen, de Duitse politie en de Waffen-ss een felle partizanenoorlog. Wit- Rusland als geheel was het toneel van een ideologische strijd tussen Hitler en Stalin, die niet alleen werd uitgevochten door soldaten achter de linies, partizanen in de bossen en politiemannen bij de grafkuilen, maar ook door de propagandisten in Berlijn, Moskou en Minsk, de hoofdstad van deze republiek.
Minsk was het belangrijkste doelwit van de nazivernielzucht. De Duitse luchtmacht was de stad op 24 juni 1941 blijven bombarderen totdat ze zich overgaf. De Wehrmacht had moeten wachten totdat alle branden gedoofd waren voordat ze de stad kon innemen. Eind juli hadden de Duitsers al duizenden intellectuelen doodgeschoten en waren de Joden opgesloten in het noordwesten van de stad. Minsk zou een getto krijgen, en concentratiekampen, en krijgsgevangenenkampen, en executieplaatsen. Uiteindelijk transformeerden de Duitsers Minsk tot een theater des doods waar ze een toneelspel konden maken van de surrogaatoverwinning die het vermoorden van Joden voor hen was.
In Minsk vierden de Duitsers in de herfst van 1941 een denkbeeldige overwinning, ook al hield Moskou nog steeds stand. Op 7 november, de verjaardag van de bolsjewistische revolutie, organiseerden de Duitsers een theatraler schouwspel dan een gewone massaexecutie. Die ochtend dreven ze duizenden Joden uit het getto bijeen. De Duitsers dwongen hen om hun beste kleren aan te trekken, alsof ze zich mooi wilden maken voor het Sovjetfeest. Vervolgens stelden de Duitsers de gevangenen in colonnes op, gaven hun een Sovjetvlag in de hand en bevalen hun om revolutionaire liederen te zingen. De mensen moesten glimlachen naar de camera's die dit tafereel filmden. Eenmaal buiten Minsk werden deze 6624 Joden in vrachtwagens naar een voormalige opslagplaats van de nkvd in het naburige dorp Tuchinka gebracht. Toen tewerkgestelde Joodse mannen die avond thuiskwamen bleek hun hele familie verdwenen. Een van hen herinnert zich: 'Van de acht mensen - mijn vrouw, mijn drie kinderen, mijn oude moeder en haar twee kinderen - was er niemand over!'
Terreur op zich was niets nieuws. Nog niet zo lang geleden, in 1937 en 1938, werden mensen in de zwarte raven van de nkvd van Minsk naar Tuchinka gebracht. Maar zelfs op het hoogtepunt van Stalins Grote Terreur uit die tijd was de nkvd altijd discreet te werk gegaan en werden de mensen met twee of drie tegelijk 's nachts weggevoerd. De Duitsers voerden hun massale actie uit op klaarlichte dag met de bedoeling dat iedereen de met betekenis geladen beelden kon zien die geschikt waren voor een propagandafilm. De geënsceneerde parade moest de stelling van de nazi's bewijzen dat communisten Joden waren en Joden communisten. Volgens de redenatie van de nazi's was daarmee bewezen dat het verwijderen van Joden niet alleen de achterhoede van Legergroep Midden veiligstelde, maar ook op zichzelf een soort overwinning was. Toch leek deze onoprechte uiting van feestvreugde ook bedoeld om een duidelijke nederlaag te maskeren, want op 7 november 1941 had Legergroep Midden Moskou zullen innemen en dat was niet gelukt.
Stalin zat nog steeds in de Sovjethoofdstad, waar hij zijn eigen overwinningsfeest organiseerde. Hij had de stad nooit verlaten, niet tijdens het oorspronkelijke offensief van Operatie Barbarossa in juni 1941 en niet tijdens het tweede offensief van Operatie Tyfoon in oktober. Lenins gebalsemde lijk was uit het Kremlin weggehaald en in veiligheid gebracht, maar Stalin bleef in de stad en voerde het bevel. Leningrad werd belegerd en Minsk en Kiev waren ingenomen, maar Moskou verdedigde zich onder Stalins eigenzinnige leiding. Op 6 november hield Stalin een uitdagende toespraak voor de Sovjetburgers. Na de opmerking dat de Duitsers hun campagne 'een vernietigingsoorlog' noemden, beloofde hij hun hetzelfde. Hij verwees hier voor de eerste en enige keer naar de Duitse moord op de Joden. Met zijn uitspraak dat het naziregime een rijk was dat graag 'pogroms' organiseerde, gaf hij een allesbehalve adequate beschrijving van de niet aflatende massamoord. De Joden uit Minsk die op 7 november (de Sovjetfeestdag) naar Tuchinka waren gebracht, werden doodgeschoten op 9 november (de nationaalsocialistische feestdag). Op 20november volgden er nog eens vijfduizend. De traditionele grootmachten hadden de Joden nooit zoiets aangedaan. Op een willekeurige dag in de tweede helft van 1941 schoten de Duitsers meer Joden dood dan er in de hele geschiedenis van het Russische keizerrijk tijdens pogroms waren omgekomen.
De Duitse Jodenmoord zou in het Sovjetstandpunt over de oorlog nooit een grote rol spelen. Vanuit stalinistisch perspectief was niet het vermoorden van Joden belangrijk, maar de mogelijkheden om daar politiek gebruik van te maken. De vereenzelviging van Joden met het communisme door de Duitsers was niet alleen maar een naziovertuiging en een voorwendsel voor massamoord, maar ook een propagandawapen tegen de Sovjet-Unie. Als de Sovjet-Unie eigenlijk een Joodse staat was, dan had (zo was de naziredenering) de overgrote meerderheid van Sovjetburgers geen enkele reden om haar te verdedigen. In november 1941 werkte Stalin dus zowel aan een ideologische als aan een militaire verdediging van de Sovjet-Unie. De Sovjet-Unie was geen Jodenstaat, zoals de nazi's beweerden; het was een staat van Sovjetvolken, met de Russen als belangrijkste volk. Op 7 november, toen de Joden in Minsk hun dood tegemoet liepen, hield Stalin in Moskou een militaire parade. Om zijn Sovjetvolken een hart onder de riem te steken en aan de Duitsers te laten zien hoe groot zijn zelfvertrouwen was, had hij zelfs een aantal divisies van het Rode Leger door de boulevards laten marcheren die hij terug had laten komen van hun defensieve stellingen ten westen van Moskou. Die dag riep hij in zijn toespraak het Sovjetvolk op om het voorbeeld te volgen van hun 'illustere voorouders', waarna hij zes krijgshelden noemde van vóór de revolutie - allemaal Russen. In deze tijden van wanhoop deed de Sovjetleider een beroep op het Russische nationalisme.
Stalin legde een verband tussen zichzelf en zijn volk en het oude Russische keizerrijk, dat hij de dag daarvoor nog had genoemd in verband met de pogroms op Joden. Toen de secretaris-generaal van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie de helden uit de Russische geschiedenis van vóór de revolutie opriep, moest hij het met hun geest op een akkoordje gooien. Door de Russen in het middelpunt van de geschiedenis te plaatsen maakte hij de rol van de andere Sovjetvolken impliciet kleiner, ook van de volken die meer dan de Russen onder de Duitse bezetting leden. Als dit een 'Grote Patriottische Oorlog' was, zoals Stalins naaste medewerker Molotov op de dag van de Duitse invasie had gezegd, wat was dan dat vaderland? Rusland of de Sovjet-Unie? Als de strijd een kwestie was van Russische zelfverdediging, wat moest men dan denken van de Duitse massamoord op Joden?
Hitlers openlijke antisemitisme plaatste Stalin evenals de andere geallieerde leiders voor een groot dilemma. Volgens Hitler vochten de Geallieerden voor de Joden, dus moesten de geallieerden (uit angst dat hun bevolking het daarmee eens zou zijn) volhouden dat zij voor de bevrijding van onderdrukte naties vochten (dus niet specifiek voor Joden). Stalins reactie op de propaganda van Hitler heeft de geschiedenis van de Sovjet-Unie bepaald zolang ze bleef bestaan: alle slachtoffers van de georganiseerde Duitse moordpartijen waren Sovjetburgers en Rusland was de belangrijkste Sovjetnatie. Een van Stalins belangrijkste propagandisten, Alek-sandr Sjtsjerbakov, verduidelijkte deze stellingname in januari 1942: 'Het Russische volk - het eerste onder zijns gelijken in de familie van ussr-volken - draagt de zwaarste last in de strijd met de Duitse bezetters.' Toen Sjtsjerbakov deze woorden sprak hadden de Duitsers ten oosten van de Molotov-Ribbentroplinie al een miljoen Joden gedood, onder wie ongeveer 190.000 Joden in Wit-Rusland.
Toen de vorst inviel zonder dat het getto in Minsk over elektriciteit en brandstof beschikte, noemden de Joden hun woonplaats 'een dode stad'. In de winter van 1941-1942 had Minsk het grootste getto in de vooroorlogse Sovjet-Unie en woonden er ongeveer zeventigduizend Joden. Volgens de laatste volkstelling van de Sovjet-Unie (uit 1939) waren er van de 239.000 inwoners van de stad ongeveer 71.000 Joden. Sommige Joden uit Minsk waren gevlucht voordat de Duitsers eind juni 1941 de stad innamen, en nog eens duizenden van hen waren in de zomer en herfst doodgeschoten. Aan de andere kant was de Joodse bevolking gegroeid doordat er Joodse vluchtelingen uit Polen waren gekomen. Deze Poolse Joden waren in 1939 na de Duitse invasie van Polen gevlucht, maar konden toen ze in 1941 door Duitse troepen werden ingehaald niet verder vluchten. De ontsnappingsroute naar het oosten was inmiddels afgesloten. Zodra er een einde was gekomen aan de Sovjetheerschappij in dit gebied, waren ook de Sovjetdeportaties gestopt, die, hoe dodelijk ze ook waren, Poolse Joden voor Duitse kogels hadden behoed. Reddingsoperaties zoals de Japanse spion Sugihara die in 1941 in Litouwen had georganiseerd, waren niet meer mogelijk.
Minsk was de provinciehoofdstad van het Commissariaat-Generaal Wit-Roethenië (zoals de Duitsers Wit-Rusland noemden). Het Commissariaat-Generaal besloeg ongeveer een kwart van Sovjet-Wit-Rusland. Het oostelijk deel van deze Sovjetrepubliek bleef onder militair gezag, het zuidelijke deel werd toegevoegd aan het Reichskommissariat Ukraine en Bia?ystok werd door het Reich ingelijfd. Samen met de drie bezette Baltische staten vormde het Commissariaat-Generaal Wit-Roethenië het Reichskommissariat Ostland. Zowel Wit-Russische Joden in het gebied dat onder het civiele gezag viel als die onder het militaire gezag in het oosten, bevonden zich achter de linies van Operatie Tyfoon. Toen de Wehrmacht optrok werden ze gedood, maar toen het leger bleef steken mochten enkelen van hen, korte tijd, nog blijven leven. Dat de Duitsers eind 1941 niet bij machte waren Moskou in te nemen, redde de rest van de Joden van Minsk, althans voorlopig. Omdat er ter versterking divisies van het Rode Leger uit het oosten waren teruggeroepen om de Sovjethoofdstad te verdedigen, werden bataljons van de Duitse ordepolitie naar het front gestuurd. Dat waren de politiemannen die anders tot taak hadden gehad Joden dood te schieten. Toen de Duitse opmars eind november stokte, besefte het leger dat de laarzen en jassen die ze van dode of gevangen Sovjetsoldaten hadden afgepakt niet voldoende waren voor de koude winter die voor hen lag. Joodse arbeiders in Minsk moesten er meer maken en daarom mochten zij die winter nog blijven leven.
Omdat Moskou standhield moesten de Duitsers hun oorspronkelijke plannen voor Minsk laten vallen: ze konden de stad niet uithongeren, de boeren uit het achterland konden niet worden verdreven, en een aantal Joden zou nog even moeten blijven leven. Duitsers toonden hun dominantie in Minsk door de gevangenen in colonnes door het getto en door de stad te laten marcheren. Toen het eind 1941 vrijwel zeker was dat de krijgsgevangenen zouden verhongeren, overleefden een paar van hen het door naar het getto van Minsk te vluchten. In het getto was het nog altijd veiliger dan in een krijgsgevangenenkamp. In de laatste paar maanden van 1941 stierven in nabijgelegen Dulags en Stalags meer mensen dan in het getto van Minsk. Het enorme Stalag 352, van alle krijgsgevangenenkampen waarschijnlijk het kamp waar de meeste doden vielen, bestond uit een complex van gevangenissen in en rondom Minsk. In een kamp aan de Shirokaiastraat, midden in de stad, zaten zowel krijgsgevangenen als Joden. Het voormalige nkvd-gebouw in Tuchinka fungeerde nu als een Duitse gevangenis en executieplaats.
Het Duitse beleid in het bezette Minsk was een beleid van wrede, onvoorspelbare terreur. De carnavaleske dodenmars van 7 november 1941 was er maar een uit een hele reeks moordzuchtige incidenten die de Joden doodsangst aanjoegen en in verwarring brachten over hun lot. Speciale vernederingen waren gereserveerd voor Joden die voor de oorlog bekend en gerespecteerd waren geweest. Een vermaarde wetenschapper werd gedwongen om over het plein in het centrum van het getto te kruipen met een voetbal op zijn rug. Daarna werd hij doodgeschoten. Duitsers hielden Joden als privéslaven om hun huis en kleren schoon te maken. De Duitse (Oostenrijkse) arts Irmfried Eberl, die in Minsk was na een werkreis waarop hij gehandicapten in Duitsland had vergast, schreef aan zijn rouw dat hij 'in dit paradijs' geen geld nodig had. Toen Himmler in Minsk op bezoek kwam, werd hij getrakteerd op een demonstratieve executie van Joden die door filmcamera's werd vastgelegd. Hij schijnt persoonlijk te hebben toegekeken en bekeek de massamoord naderhand ook op film.
Joodse vrouwen hadden op speciale manieren te lijden. Ondanks de regels tegen 'raciale vervuiling' hadden sommige Duitsers al snel plezier in verkrachting als voorspel tot moord. Minstens één keer hielden de Duitsers een 'schoonheidswedstrijd' voor Joodse vrouwen; zij namen hen mee naar de begraafplaats en dwongen hen zich uit te kleden, waarna ze hen vermoordden. In het getto dwongen Duitse soldaten Joodse meisjes 's avonds naakt te dansen; de volgende ochtend lagen alleen de lijken van die meisjes er nog. Perla Aginskaia herinnerde zich wat ze op een avond in de herfst van 1941 in een donker bovenhuis in het getto van Minsk had gezien: 'Een kamertje, een tafel, een bed. Het bloed stroomde langs het lichaam van het meisje uit diepe, zwartige wonden in haar borst. Het was heel duidelijk dat het meisje was verkracht en vermoord. Er waren schotwonden rond haar genitaliën.'
Geweld is geen teken van zelfvertrouwen en terreur geen teken van overwicht. In de eerste negen maanden van de bezetting, vanaf de zomer van 1941 tot aan het begin van de lente van 1942, brachten al deze uitbarstingen van moord en verkrachting Minsk niet onder volledige Duitse heerschappij.
Minsk was een ongewone stad, een stad waarvan de sociale structuur in tegenspraak was met de denkwijze van de nazi's en met de Duitse ervaringen in het bezette Polen. In deze Sovjetmetropolis was de geschiedenis van de Joden een andere richting ingeslagen dan in Polen. Twintig jaar sociale kansen en politieke dwang hadden effect gehad. De verstedelijkte Joden van deze stad behoorden niet tot een vaste gemeenschap, want de Sovjets hadden in de jaren twintig en dertig alle Joodse religieuze en sociale instituties vernietigd. De jongste generatie Joden was zo sterk geassimileerd dat velen als nationaliteit op hun Sovjetdocumenten 'Wit-Rus' of 'Rus' hadden staan. Hoewel dit vóór 1941 waarschijnlijk weinig uitmaakte, kon het onder de Duitse heerschappij hun leven redden. Sommige Joden uit Minsk hadden Wit-Russische of Russische vrienden en collega's die onbekend waren met hun religie en nationaliteit, of daar onverschillig tegenover stonden. Een treffend voorbeeld van onbekendheid met een Joodse afkomst was Isai Kaziniets, de leider van de communistische ondergrondse in Minsk. Zijn vrienden noch zijn vijanden wisten dat hij Joods was.
Het Sovjetbewind had gezorgd voor een zekere mate van tolerantie en assimilatie, in ruil voor onderwerping en gehoorzaamheid aan de voorschriften uit Moskou. Politiek initiatief werd in de Sovjet-Unie van Stalin niet aangemoedigd. Als iemand te gretig inspeelde op een bepaalde situatie of politieke lijn, liep hij gevaar zodra die situatie of die lijn veranderde. Het Sovjetbewind in het algemeen en de Grote Terreur van 1937-1938 in het bijzonder hadden de mensen dan ook afgeleerd spontane acties te ondernemen. Mensen die zich hadden onderscheiden in het Minsk van de jaren dertig waren door de nkvd bij Kuropaty doodgeschoten. Zelfs toen het in Moskou duidelijk moet zijn geweest dat de Sovjetburgers in Minsk hun eigen redenen hadden om zich tegen de Duitsers te verzetten, beseften de communisten daar dat dit niet genoeg zou zijn om hen tegen toekomstige vervolging te beschermen als de Sovjets terugkwamen. Kaziniets en de andere plaatselijke communisten aarzelden allemaal om iets te organiseren, omdat ze wisten dat het stalinisme fel gekant was tegen elke vorm van spontane actie van onderop. Als het alleen aan hen had gelegen zouden ze uit angst voor Stalin Hitler hebben verdragen.
Een buitenstaander hielp om de Pools-Joodse communist Hersh Smolar, de communisten en Joden van Minsk tot actie te bewegen. Zijn unieke combinatie van bekendheid met de Sovjets en ervaring in Polen had hem de vaardigheden bijgebracht (en misschien ook naïef genoeg gemaakt) om door te zetten. Het begin van de jaren twintig had hij in de Sovjet-Unie doorgebracht en hij sprak Russisch, wat in Minsk de belangrijkste taal was. Na zijn terugkeer naar Polen, waar de communistische partij verboden was, raakte hij eraan gewend ondergronds te werken en zich tegen plaatselijke autoriteiten te verzetten. Omdat hij door de Poolse politie werd gearresteerd en gevangengezet, was hij aan de stalinistische massaexecuties ontkomen die Minsk zo zwaar hadden getroffen. Hij zat achter de tralies tijdens de Grote Terreur van 1937-1938, toen Poolse communisten werden uitgenodigd om naar de Sovjet-Unie te komen en daar werden doodgeschoten. Toen de Sovjet-Unie Polen in september 1939 was binnengevallen werd Smolar vrijgelaten en werkte hij voor het nieuwe Sovjetregime. In juni 1941 vluchtte hij te voet voor de Duitsers en wist hij Minsk te bereiken. Toen de Duitsers die stad hadden bezet, zette hij in het getto een ondergrondse organisatie op en overtuigde hij Kaziniets ervan dat ook een brede ondergrondse organisatie voor de hele stad toelaatbaar was. Kaziniets wilde weten namens wie Smolar optrad. Smolar zei naar waarheid dat hij alleen namens zichzelf sprak. Dit overtuigde Kaziniets ervan dat Smolar in feite toestemming van Moskou had en in het diepste geheim te werk ging. Beide mannen vonden binnen en buiten het getto een groot aantal bereidwillige samenzweerders. In het begin van de herfst van 1941 waren het getto en de stad grondig geïnfiltreerd met een toegewijde communistische ondergrondse beweging.
Het ondergrondse verzet ondermijnde de organen waarmee de Duitsers het Joodse leven reguleerden, de Judenrat en de Joodse politie. Evenals in het bezette Polen stuurden de Duitse gezaghebbers in de bezette Sovjet-Unie de Joden onder dwang naar getto's die werden bestuurd door een plaatselijke raad, die meestal met de Duitse term Judenrat werd aangeduid. In de steden van het bezette Polen bestond de Judenrat meestal uit Joden die in de vooroorlogse gemeenschap een zekere status hadden gehad. Vaak waren het de mensen uit de Joodse gemeenschap met een leidende positie in organisaties die in het onafhankelijke Polen legaal waren geweest. In Minsk was deze continuïteit in het Joodse bestuur onmogelijk, omdat de Sovjets het Joodse gemeenschapsleven hadden vernietigd. De Duitsers konden dus niet gemakkelijk mensen vinden die de Joodse elites vertegenwoordigden en gewend waren compromissen te sluiten met de plaatselijke autoriteiten. Kennelijk hadden de Duitsers de oorspronkelijke Judenrat van Minsk min of meer willekeurig gekozen - en ze hadden een slechte keuze gemaakt. De voltallige Judenrat werkte samen met het verzet.
Eind 1941 en begin 1942 konden Joden bij een vluchtpoging uit het getto rekenen op hulp van de Judenrat. De Joodse politie werd dan ver van de plaats waar de poging zou plaatsvinden ingezet. Omdat het getto van Minsk alleen maar met prikkeldraad was omheind, maakte de tijdelijke afwezigheid van politietoezicht het mogelijk dat mensen naar de bossen vluchtten, die heel dicht bij de stadsgrens lagen. Kleine kinderen werden door het prikkeldraad overgegeven aan niet-Joden die hadden beloofd dat ze hen zouden opvoeden of naar een weeshuis brengen. Oudere kinderen kenden de ontsnappingsroutes en fungeerden als gids om van de stad naar het dichtstbijzijnde bos te komen. Sima Fiterson was een van die gidsen. Zij had altijd een bal bij zich en als er gevaar dreigde ging ze daarmee spelen om degenen die haar volgden te waarschuwen. De kinderen pasten zich snel en goed aan, maar liepen niettemin groot gevaar. Om de eerste Kerstmis onder de Duitse bezetting te vieren stuurde Erich von dem Bach-Zelewski, de hogere ss- en politiechef, duizenden paren handschoenen en sokken van kinderen naar ss-gezinnen in Duitsland.
In tegenstelling tot Joden in andere door de Duitsers bezette gebieden hadden de Joden in Minsk een plaats waar ze naartoe konden vluchten. In het nabijgelegen bos konden ze proberen Sovjetpartizanen te bereiken. Ze wisten dat de Duitsers talloze krijgsgevangenen hadden gemaakt, van wie sommigen naar de bossen waren ontsnapt. Die mannen waren in het bos gebleven omdat ze wisten dat de Duitsers hen zouden doodschieten of uithongeren. Stalin had in juli 1941 loyale communisten opgeroepen om achter de linies partizanengroepen te organiseren, omdat hij hoopte zo enige controle over deze spontane beweging te krijgen voordat ze meer invloed kreeg. Centrale sturing was nog niet mogelijk, want de soldaten hadden zich in de bossen verborgen en de communisten die nog niet waren gevlucht probeerden hun achtergrond voor de Duitsers te verbergen.
Het ondergrondse verzet in Minsk probeerde echter wel om hun gewapende kameraden te steunen. Minstens één keer hebben leden van de ondergrondse in het getto een officier van het Rode Leger bevrijd uit het kamp aan de Shirokaiastraat. Hij werd een belangrijke partizanenleider in de nabijgelegen bossen en redde op zijn beurt Joden. Joden die in Duitse fabrieken tewerk waren gesteld, stalen winterkleding en laarzen die bestemd waren voor de Duitse soldaten van Legergroep Midden, maar die nu bij de partizanen terechtkwamen. Opmerkelijk genoeg deden arbeiders in de wapenfabrieken hetzelfde. De Judenrat moest een periodieke financiële 'bijdrage' innen van de bevolking van het getto, maar sluisde een deel van het geld door naar de partizanen. De Duitsers kwamen er naderhand achter dat de partizanenbeweging van de Sovjets volledig vanuit het getto werd gefinancierd. Dit was enigszins overdreven, een overdrijving die voortkwam uit stereotype opvattingen over Joodse rijkdom, maar de hulp vanuit het getto van Minsk was realiteit.

Uitgeverij Ambo

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum