Leesfragment: Bloedsinaasappels

27 november 2015 , door Martin Simek
| |

Op 14 april verschijnt het nieuwe boek van Martin Šimek, Bloedsinaasappels. Deze Nacht kunt u er alvast de proloog en de eerste pagina's uit lezen.

‘Onze vader mag dan in de hemel zijn, onze moeder Natuur omarmt je hier elke dag. Als je weer kind wilt zijn, wees dan een moederskind.’

In een verbouwd varkenshok schreef Šimek dit boek, omringd door bergen en sterrenhemels. Hier geen hondjes aan de riem, maar zwerfhonden en everzwijnen. Rotsen en afgronden in plaats van gebaande paden, en als douche een waterval met uitzicht op zee. Het is geen omgeving van grote standpunten en opinies waarin Šimek terechtkomt. In Calabrië regeert de ’Ndrangheta, niet de staat. Daar voelen mensen zich thuis die op zichzelf durven te staan, en dat doet Martin Šimek al zijn leven lang.

Proloog

‘Hoe heb je dit paradijs gevonden?’ krijg ik al bijna twintig jaar van iedereen te horen die me hier in Calabrië komt opzoeken. ‘En hoeveel heeft het wel niet gekost?’
Bij deze een recept om gelukkig te worden. En rijk ook nog. In één klap! Want ik hoor u al zeggen: geluk is mooi, maar geld koop je er niet voor.
Paradoxaal genoeg moet u om te beginnen rigoureus met het materialisme afrekenen. Laat daarom uw wagenpark, sieraden en alle verdere statussymbolen zoals camera’s, iPad’s, Blackberry’s en merkkleding thuis. Samen met het getob over uw pensioen.

Koop een tweedehands bak die hoog op de wielen staat en onverharde wegen aankan. Nee, daar gaan we weer, géén Landrover! De afgedankte open laadbak van de plantsoenendienst van uw gemeente is ideaal voor ons doel. Zoek vervolgens op de kaart van Italië een zo hoog mogelijke concentratie van groen (= bomen), blauw (= zee), bruin (= bergen). Omcirkel die plekken.
Het valt u al snel op dat veel van uw kringetjes internationaal beroemd zijn. Cinque Terre, de Costa Smeralda, Amalfi, en ga zo maar door. Streep deze plaatsen onmiddellijk weer door. Daar had u in de jaren vijftig van de vorige eeuw moeten wezen. Trouwens, zo eenvoudig gekleed als u op mijn aanraden nu bent, mag u daar niet eens naar binnen. En al helemaal niet met uw aftandse vehikel.
Wat overblijft, is waar je moet zijn.
Ik noem bewust geen namen, want deel van uw toekomstige geluk zal zijn dat u het zelf vindt.
Als u de plaats van bestemming hebt bereikt, vindt u daar zo goed als geen hotel. Toerisme trouwens ook niet. De enige buitenlandse nummerborden die u op de provinciale wegen aantreft, zijn die van Italiaanse gastarbeiders die uit Duitsland of Zwitserland voor hun vakantie naar hun geboortegrond zijn teruggekeerd.
Dan maar een camping waar iedereen alleen Italiaans spreekt. Rust een paar dagen uit aan een van de mooiste kusten van Europa en begin dan met uw wagen op hoge wielen uitstapjes te maken richting de bergen. De weg kronkelt en gaat snel omhoog. Al op zo’n vijf kilometer afstand van de zee krijgt u de uitzichten van een adelaarsnest.
U nadert half verlaten dorpjes, waar u aan een kruisverhoor wordt onderworpen. Spreekt u geen Italiaans, geen man overboord. Zij vaak ook niet. Wat u voor Italiaans houdt, is zwaar dialect. Blokkeer niet, val niet stil. En zoek uw heil ook niet in zinloos Engels. Spreek lekker uw eigen taal, dat doen zij ook. Zo voelt u zich op uw best. U gaat stralen. Het contact is gelegd.
Het allermooiste zijn de dorpjes waar de weg eindigt. Er is dikwijls ook geen bar. Mooi zo! Alle huizen blijken, als u regelmatig terugkomt – en dat is een voorwaarde voor uw zoektocht –, een eigen cantina te hebben, met huiswijn, salami, zelfingemaakte artisjokken en ansjovis, olijven in overvloed en gepekeld varkensvlees.
Hebt u het koud, in de kelder? O god, mijn fout: u hebt toch geen korte broek aan!? Dat vergat ik nog. We zijn wel spontaan, maar geen kinderen van vijf meer, duidelijk? Wij bedekken ons ondanks de hitte en nemen zelf ook weleens wat mee, al hoeft het niet. Niet alleen maar van grazie, en de broze oudjes veel te hard op de rug timmeren.
Daar waar je, ook zonder taal, uiteindelijk een diep contact met de bevolking krijgt, daar woont het geluk. Je komt er bij elkaar over de vloer, niet om een bezoek af te leggen, soms niet eens om te praten. Je komt bij elkaar om bij elkaar te zijn. Vaak in stilte. Als je de directheid en de stilte van zo’n plaatsje aankunt, als je je beleefde glimlachjes achterwege weet te laten, dan ben je thuisgekomen. Nu nog een huis en een stuk land vinden. Je hebt het voor het uitzoeken. Ze zijn er in overvloed.
Iedereen kent de eigenaren, maar ze staan vaak niet in het kadaster. Van generatie op generatie is de verkoop met een handdruk beklonken. Er komt een moment dat u ook zo durft te kopen. Dat is het moment dat u in alle opzichten rijk bent geworden.

De ontdekking van de zon


September 1974

Fronsend kijk ik naar de grijze hemel die alweer weken boven Nederland hangt en maar niet wil openbreken.
‘Jongens, regent het hier altijd zo?’ vraag ik mijn vrienden.
Al zes jaar ben ik druk bezig met wat men vandaag inburgeren zou noemen. Zo druk dat ik een bijzaak als het weer over het hoofd heb gezien.
‘Hoe bedoel je?’ antwoorden mijn Nederlandse vrienden verbaasd. ‘We hadden toch een mooie zomer dit jaar.’
Ik weet genoeg.
Nederland is de kelder van Europa. Doordat ik door de Russen ben verjaagd uit mijn vaderland, kreeg ik de kans om te kiezen. En wat heb ik gekozen? De kelder.

1975
Het gaat me voor de wind en ik word zelfs op straat herkend.
Maar het blijft regenen.
Daar word ik opstandig van.
Tegen alles wordt in Nederland geprotesteerd. Wanneer komt Nederland als één man overeind om te eisen dat er van tijd tot tijd van territorium wordt geruild met landen die het hele jaar zon hebben?
Maar nee. Op het Nederlandse weer wordt veel gemopperd, echter ons gram halen, ho maar. Vandaar dat ik besluit zelf het voortouw te nemen en de zon achterna te gaan. In plaats van de zoveelste paraplu die door de eerste windvlaag aan flarden wordt gerukt, koop ik een wereldatlas. De zon schijnt in zoveel landen stukken meer dan in Nederland dat het me duizelt.

1976
Vincent Van Gogh was helemaal niet gek: het klopt! Inderdaad, hier is het net als op zijn schilderijen. Dat licht bestaat echt.
Mijn eerste reis naar het zuiden onderneem ik onder protest. Het is de eerste keer dat ik een vrouw toesta voor mij te betalen. Maar ze verdient het geld makkelijk, zweert Joyce. Ze is een veelgevraagd fotomodel. De wereld is haar werkterrein en ik mag niet, vindt ze, in de polder blijven steken, alleen omdat ik er als politiek vluchteling door een speling van het lot terecht ben gekomen.
Eindelijk heb ik iets aan mijn rijbewijs en Joyce aan haar auto, die ze alvast had gekocht toen ze nog in de veronderstelling verkeerde dat het halen van een rijbewijs een loopje over de catwalk is.
Ik zie opeens kleuren om me heen die ik tot dan toe alleen van de schilderijen van Vincent van Gogh kende.
‘Zon, ik hou van je,’ roep ik en ik druk Joyce zowat fijn van dankbaarheid.
Het zuiden is verpletterend. Ik ben meteen verkocht, verliefd.
Een maand zwerven we in een roes door Zuid- Frankrijk.
Het is in het voorgebergte van de Pyreneeën dat we een pezige oude boer op zijn akker zien ploeteren. Hij wroet druivenranken uit de grond die nog ouder zijn dan hijzelf. Een voor een steekt hij ze met een schoffel uit de rotsachtige bodem. Een beestachtig zware arbeid als je het goed wilt doen, zodat de druiven niet in wilde vorm oneindig terug blijven komen, legt hij ons uit. En hij wil het goed doen omdat hij op dit stuk grond nieuwe druiven gaat planten.
De oude man veegt het zweet van zijn gezicht, dat net zo diep gegroefd is als zijn akker. Of hij geen zoons heeft die hem een handje kunnen helpen, vraag ik. Had ik het maar niet gedaan. Zijn lieve glimlach maakt plaats voor weemoed. Eén zoon is in de oorlog gesneuveld, de andere kieperde met de tractor om, daar, een stukje verderop, en werd vermorzeld. Nee, de oude boer heeft niemand meer. Zelfs geen neven of nichten.
Ik begin liever maar weer over de wijngaard. Hoe lang gaat het duren voor de nieuwe druivenranken de oude in productie zullen evenaren?
‘Een jaar of zes,’ zegt de boer. Ik sla aan het rekenen. De man is tachtig, weten wij inmiddels, plus zes. Loont het? Is het de moeite waard?
Mijn kosten-batenanalyse is de oude man vreemd.
‘Toen ik een klein jongetje was,’ wijst hij, ‘was dit al een wijngaard. En nu is de tijd gekomen om hem te vernieuwen. Ik ben God dankbaar dat ik nog net de kracht heb om het te doen.’
Ik word rood van schaamte.
Nog diezelfde dag beklimmen we in onze deux-chevaux de Pyreneeën. We komen in een dorpje terecht, of eerder een groepje huizen, waar nagenoeg stilte heerst. Alleen een enkele koeienbel zo nu en dan. Een eenzame wolk drijft zo dichtbij over dat je hem bijna kunt aanraken. Onder ons ligt een immense vallei. Minuten lang blijven we betoverd staan.
‘Ik hoop dat ik eens zover kom dat ik hier kan wonen,’ doorbreek ik de stilte uiteindelijk.
‘Maar Martin!’ roept Joyce verheugd, ‘dat kan toch. Ja! Laten we hier een huis kopen! Het kost hier vast niks, de helft staat leeg.’
Ik kijk naar Joyce. Zij op deze plek. Een ontmoeting tussen twee werelden die niets met elkaar te maken hebben. Ik heb ze allebei nog nodig, besef ik. Voor mij horen de omslagen van de Vogue en de Avenue erbij, en nu staat er eentje naast me in het licht van de ondergaande zon.
Ik kus Joyce en zeg: ‘Kom, het wordt donker, we moeten nog terug.’

© Martin Šimek en Uitgeverij De Bezige Bij, 2011 © Auteursfoto Keke Keukelaar

Uitgeverij De Bezige Bij

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum