Leesfragment: Caribou Island

27 november 2015 , door David Vann

8 september verschijnt David Vanns romandbuut Caribou Island in de vertaling van Arjaan van Nimwegen. Vanavond kunt u de eerste pagina's ervan lezen.

Na het alom bejubelde Legende van een zelfmoord keert meesterverteller David Vann terug met een verwoestende roman over het huwelijk. De personages zijn overtuigend, de emoties levensecht en de setting is prachtig. Met Caribou Island bewijst Vann eens te meer dat hij tot de groten van de hedendaagse literatuur behoort.

Mijn moeder was niet echt. Ze was een vroege droom, een hoop. Ze was een plek. Sneeuwachtig, zoals hier, en koud. Een houten huis op een heuvel boven een rivier. Een bewolkte dag, de oude witte verf van de huizen die lichter leek door het opgesloten licht, en ik kwam thuis uit school. Tien jaar, ik liep in mijn eentje, liep door plekken vuile sneeuw in de tuin, liep de smalle veranda op. Ik weet niet meer hoe mijn gedachten toen werkten, weet niet meer wie ik was of hoe ik me voelde. Dat is allemaal weg, uitgewist. Ik deed onze voordeur open en zag mijn moeder hangen aan de dakspanten. Sorry, zei ik, deed een stap terug en sloot de deur. Ik stond weer buiten op de veranda.
Zei je dat? vroeg Rhoda. Zei je sorry?
Ja.
O, mam...
Het is lang geleden, zei Irene. En het was iets wat ik zelfs op dat moment niet kon zien, dus ik zie het nu ook niet. Ik weet niet hoe ze eruitzag toen ze daar hing. Ik weet er niets meer van, alleen dat het zo was.
Rhoda schoof dichterbij op de bank en legde haar armom haar moeder heen, drukte haar tegen zich aan. Allebei keken ze naar het haardvuur.Eenmetalen schermervoor, kleine achthoeken, en hoe langer Rhoda keek, des te meer gingen die achthoekjes lijken op de achterwand van de open haard, door de vlammen verguld. Alsof de achterwand, zwartberoet, onthuld of veranderd kon worden door vuur. Daarna zou haar blik wegglijden en zou het weer gewoon een scherm worden. Ik wou dat ik haar had gekend, zei Rhoda.
Ik ook, zei Irene. Ze gaf Rhoda een klopje op haar knie. Ik moet gaan slapen. Morgen een drukke dag.
Ik zal dit huis missen.
Het was een fijn huis. Maar je vader wil bij me weg, en de eerste stap is dat hij ons naar dat eiland laat verhuizen. Dan is het net alsof hij het nog geprobeerd heeft.
Dat is niet waar, mam.
We hebben allemaal onze regels, Rhoda. En de vaste regel van je vader is dat hij nooit een slecht mens wil lijken.
Hij houdt van je, mam.
Irene stond op en omhelsde haar dochter. Welterusten, Rhoda.

’s Morgens sjouwde Irene mee aan al die boomstammen, van de pick-uptruck naar de boot. Die passen nooit in elkaar, zei ze tegen Gary, haar man.
Ik moet ze een beetje afvlakken, zei hij binnensmonds.
Irene lachte.
Dank je wel, zei Gary. Hij had alweer die grimmige, zorgelijke blik die al zijn onmogelijke plannen begeleidde.
Waarom bouwen we geen hut van planken? vroeg Irene. Waarom moet het een blokhut zijn?
Maar Gary antwoordde niet.
Je doet ook maar, zei ze. Maar dit zijn niet eens balken. Er is er geen een dikker dan vijftien centimeter. Het gaat eruitzien als een schuurtje van stokken.
Ze waren op het hoogste deel van de camping aan het Skilak Lake, bleek jadegroen van het smeltwater van de gletsjer. Vlokkig van het slib, en door de diepte nooit erg opgewarmd, ook niet in de nazomer. Een voortdurende kille wind, en de bergen die aan de oostelijke oever oprezen vertoonden nog plekken sneeuw. Vanaf de toppen had Irene op heldere dagen vaak de witte vulkanische pieken van Mount Redoubt en Mount Iliamna gezien aan de overkant van Cook Inlet, en op de voorgrond het brede bekken van het schiereiland Kenai, sponsachtig groen en roodpaars mos, de onvolgroeide bomen die moeraslanden en kleinere meren omzoomden, en de enige snelweg die in het zonlicht zilverig kronkelde als een rivier. Grotendeels staatsdomein. Hun huis en dat van hun zoon Mark waren de enige gebouwen langs de oever van het Skilak Lake, en ook die lagen verscholen tussen bomen, zodat het meer er nog steeds prehistorisch, ongetemd uitzag. Maar aan de kust wonen was niet genoeg. Ze vertrokken nu, naar Caribou Island.
Gary had zijn pick-up achteruitgereden tot vlak bij de plek waar de boot op het strand was getrokken, de voorsteven open, een loopplank voor het inladen. Met elke boomstam stapte hij in de boot en liep helemaal naar achteren. Hij wankelde, want de achtersteven lag in het water en bewoog op en neer.
Lego-balkjes, zei Irene.
Zo kan ie wel, zei Gary.
Mooi.
Gary sjorde aan het volgende balkje, Irene pakte haar uiteinde vast. De hemel werd wat donkerder en het water verkleurde van licht-jadegroen naar blauwgrijs. Irene keek op naar de berg en zag een van de flanken witter worden. Regen, zei ze. Het komt deze kant uit.
We gaan gewoon door met inladen, zei Gary. Trek je jack aan, als je wilt.
Gary in een flanellen werkoverhemd met lange mouwen over zijn T-shirt. Spijkerbroek en laarzen. Zijn uniform. Hij leek jonger dan hij was, midden vijftig en in goede conditie. Irene vond hem er nog steeds goed uitzien. Ongeschoren, niet gedoucht op dit moment, maar echt.
Het duurt vast niet lang meer, zei Gary.
Ze zouden hun hut vanaf de grond opbouwen. Zelfs geen fundering. En geen tekeningen, geen ervaring, geen vergunningen, advies ongewenst. Gary wilde het gewoon doen, alsof zij twee de eersten waren die deze wildernis in getrokken waren.
Dus bleven ze inladen, en de regen kwam op hen af als een witte schaduw over het water. Een soort gordijn, het regenfront, maar de eerste druppels en de wind komen altijd al vlak daarvoor, onzichtbaar, al bezig voordat ze wat kon zien, en dat was telkens weer een verrassing voor Irene. Die laatste momenten die werden afgepakt. En dan zwol de wind aan, het regenfront sloeg toe en de druppels vielen groot en zwaar, onontkoombaar.
Irene pakte het uiteinde van de volgende stam, liep naar de boot met haar gezicht afgewend van de wind. De regen kwam nu van opzij en trof haar hard. Ze had geen muts op, geen handschoenen aan. Haar haar in de war, druppels aan haar neus, en ze voelde de eerste kou toen de regen door haar blouse heen haar armen bereikte, een schouder, de bovenkant van haar rug en haar nek. Al lopend dook ze in elkaar, ze legde haar stam neer en liep terug, de andere kant op weggedoken, nu raakte haar andere zij doorweekt en ze huiverde.
Gary liep voor haar uit, ook gebogen, zijn bovenlichaam afgewend van de regen alsof het zijn benen niet wilde gehoorzamen en een eigen richting inslaan. Hij pakte het uiteinde van een nieuwe boomstam vast, trok hem los, stapte achteruit en toen verhevigde de regen. De wind kwam in vlagen en de lucht was verzadigd van water, zelfs van dichtbij wit. Het meer verdween, de golven waren weg, de overgang naar de oever was alleen maar te gissen. Irene pakte de stam beet en volgde Gary de vergetelheid in.
De wind en de regen werden een gebrul waarin Irene geen ander geluid kon horen. Stom liep ze door, vond de steven, legde haar stam neer, draaide zich om en liep terug, niet meer gebogen. Er was niets meer droog om te beschutten. Ze was doorweekt.
Gary liep langs haar heen als een soort vogelman, met zijn armen naast zich gespreid alsof hij zijn vleugels uitsloeg. Probeerde hij zijn natte overhemd van zijn huid af te houden? Of was het een intuïtieve eerste vechtreactie, wilde hij zijn armen klaar houden? Toen hij stilhield bij de bak van de pick-up stroomde het water van zijn neuspunt. Zijn ogen waren hard en klein, geconcentreerd.
Irene kwam dichterbij. Moeten we stoppen? schreeuwde ze boven het geraas uit.
We moeten deze lading naar het eiland brengen, schreeuwde hij terug, en hij trok aan de volgende stam, en dus volgde Irene hem hoewel ze wist dat ze gestraft werd. Gary kon zoiets nooit rechtstreeks doen. Hij rekende op de regen, de wind, de kennelijke noodzakelijkheid van het plan. Het zou een dag van bestraffing worden. Hij zou ermee doorgaan, het urenlang rekken, ze opjagen met een grimmige vastberadenheid, als het lot. Een vorm van genot voor hem.
Irene ging erin mee omdat zij kon straffen zodra ze het ondergaan had. Haar beurt kwam nog. En zo hadden ze elkaar dat al decennialang aangedaan, onweerstaanbaar. Mooi, dacht ze dan. Mooi. En dat betekende: wacht maar af.
Nog anderhalf uur lang boomstammen inladen in de regen. Irene zou er ziek van worden, door en door verkild. Ze hadden regengoed moeten aantrekken, dat lag in de cabine van de pick-up, maar hun koppigheid tegenover elkaar had dat voorkomen. Als ze, zoals Gary had gezegd, haar jack was gaan halen, zou dat het werk onderbroken hebben, dan was het langzamer gegaan en dat zou opgemerkt zijn, tegen haar gebruikt zijn, even een hoofdschudden, misschien zelfs een zucht, maar zo ingehouden dat hij kon volhouden dat het niet hierom ging. Meer dan wat ook was Gary een ongeduldige man, ongeduldig over de grote lijnen van zijn leven, over wie hij was en wat hij gedaan had en geworden was, ongeduldig over zijn vrouw en kinderen, en natuurlijk ook ongeduldig over alle kleine dingen, elke niet correct uitgevoerde handeling, elk moment dat het weer niet meewerkte. Een algemeen en bestendig ongeduld waarin ze al meer dan dertig jaar leefde, een element waarin ze geademd had.
De laatste stam was eindelijk ingeladen en Gary en Irene draaiden de loopplank op zijn plaats. Hij was niet zwaar, niet geruststellend. Een zwartrubberen rand op de plaats waar hij aansloot op de zijboorden van de boot. Dit zou hun enige verbindingsweg naar het eiland zijn.
Ik zet de pick-up weg, zei Gary en hij beende weg tussen de rotsen. Het regende nog steeds, maar niet meer zo hevig. Genoeg zicht om de richting te bepalen, hoewel niet genoeg om vanaf hier het eiland te zien, een paar kilometer uit de kust. Irene vroeg zich af hoe het zou gaan als ze halverwege waren. Zouden ze ergens kust zien of alleen maar wit om zich heen? Geen GPS aan boord, geen radar, geen dieptemeter. Het is een meer, had Gary gezegd bij de verkoper. Het is maar een meer.
Er staat water in de boot, zei Irene toen Gary terug was. Er stond een plas onder de stammen, vooral aan de achterkant, een paar decimeter diep door al de regen.
Dat regelen we wel als we onderweg zijn, zei Gary. Ik wil de accu niet gebruiken voor de lenspomp zonder dat de motor aanstaat.
En wat was nou je plan? vroeg Irene. Ze wist niet hoe ze de boot van de oever moesten krijgen, nu hij zo zwaar was door de stammen.
Ik was niet de enige die dit wilde, weet je nog? zei Gary. Het is niet alleen mijn plan, het is ons plan.
Dat was een leugen, maar een te zware leugen om er hier en nu in de regen op in te gaan. Mooi, zei Irene. Hoe krijgen we de boot van het strand?
Gary keek een tijdje naar de boot. Toen boog hij zich voorover en gaf een duw tegen de boeg. Geen beweging.
De voorste helft van de boot lag op de oever, op dat punt met de volle lading van honderden kilo’s, schatte Irene. Gary had daar duidelijk niet over nagedacht. Hij bedacht al doende wel wat.
Gary liep om de boot heen, en weer naar de andere kant. Hij klom over de stammen naar de achtersteven, naar de buitenboordmotor, leunde ertegenaan en duwde met kracht om de boot te doen schudden, maar die leek wel van lood. Geen enkele beweging.
Dus kroop Gary weer naar voren, sprong op de kant en keek nog een tijdje naar de boot. Help jij mee met duwen, zei hij ten slotte. Irene ging naast hem staan, hij telde één, twee, drie en allebei duwden ze tegen de boeg. Hun voeten gleden weg in het zwarte grind, maar verder bewoog er niets.
Het kan nou nooit eens makkelijk, zei Gary. Niks, nooit. Het kan gewoon nooit goed gaan.
Als om te bewijzen dat hij gelijk had ging het weer harder regenen, de wind wakkerde aan, koud van de gletsjer. Als je zo gek was om te willen uitvinden hoe beroerd het allemaal kon gaan, dan was dit een goede plek. Maar Irene wist dat Gary commentaar niet op prijs zou stellen. Ze probeerde hem te steunen. Misschien kunnen we het morgen nog eens proberen, zei ze. Het weer schijnt een beetje op te knappen. Dan kunnen we hem lossen, van de kant duwen en weer inladen. Nee, zei Gary. Ik heb geen zin om het morgen te doen. Ik
wil die lading vandaag overbrengen.
Irene hield haar mond.
Gary beende weg naar de pick-up. Irene bleef kletsnat in de regen staan en wou dat ze droog was en warm werd. Hun huis, vlakbij, een paar minuten maar. Warm bad, vuur aanleggen.
Gary reed de pick-up het strand op, maakte een draai in de richting van de bomen en terug naar de boot, tot de bumper dicht bij de boeg kwam. Zeg even hoe ver nog, riep hij uit het raam.
Dus liep Irene erheen en zei het en hij schoof vooruit tot de bumper de boeg raakte.
Oké, zei Irene.
Gary gaf een beetje gas, grind schoot weg vanonder zijn achterwielen. De boot bewoog niet. Hij schakelde over op vierwielaandrijving, gaf meer gas, alle vier de banden groeven zich in, kiezels kletterden tegen de onderkant van de truck. De boot begon weg te glijden, schoot toen snel het water in en dreef in een boog weg.
Pak de boeglijn! schreeuwde Gary vanuit het raampje. Irene snelde naar voren om de lijn te grijpen die los op het strand lag. Ze kreeg hem te pakken en plantte haar hakken in het zand, ging achteroverhangen tot op de oever en trok hard tot de spanning wegviel. Toen bleef ze daar liggen, omhoogkijkend naar de donkerwitte lucht. Ze zag de regen in vlagen voor hij haar gezicht raakte. Geen handschoenen, koude handen en het ruwe nylontouw. De kiezels en grotere stenen hard tegen haar achterhoofd. Haar kleren een nat, koud omhulsel.
Ze hoorde hoe Gary de pick-up naar het parkeerterrein reed, daarna zijn laarzen toen hij terugliep, grote, vastberaden stappen.
Oké, zei hij, over haar heen gebogen. We gaan.
Wat ze wenste was dat hij gewoon naast haar kwam liggen. Met z’n tweeën op dit strand. Ze zouden het opgeven, het touw loslaten, de boot laten wegdrijven, de hut laten zitten, alles vergeten wat er in al die jaren misgegaan was en gewoon teruggaan naar hun huis, warm worden en opnieuw beginnen. Het leek niet onmogelijk. Als ze er allebei toe zouden besluiten, dan kon het.
Maar in plaats daarvan liepen ze het koude water in, de golven sloegen over hun laarzen tot aan hun knieën, en ze klommen de boot in. Irene hield zich vast aan de boomstammen, zwaaide haar benen binnenboord en vroeg zich af waarom ze dit deed. De voortstuwing van degene die ze met Gary geworden was, van degene die ze in Alaska geworden was, die voortstuwing maakte het hoe dan ook onmogelijk om nu te stoppen en terug te gaan naar huis. Hoe was dat zo gekomen?
Gary kneep in de pomp van de brandstofleiding, trok de choke uit en gaf een harde ruk aan het startkoord. De motor sloeg meteen aan, liep regelmatig en spuwde een stroom koelwater uit, en niet zo veel rook als Irene gewend was. Een mooie viertaktmotor, belachelijk duur maar hij was tenminste betrouwbaar. Het laatste wat ze wilde was in een storm stuurloos midden op het meer drijven.
Gary had de lenspomp aangezet, een dikke straal water over de reling, en een tijdje leek het allemaal hanteerbaar. Toen zag Irene de deuk in de boeg. Op de plek waar Gary de boot met de truck had opgeduwd, zat er een deuk in de boeg. Niet zo’n grote, maar Irene schoof naar voren om de afdichting tussen het luik en het zijboord te controleren en zag dat er een stroompje water binnenkwam. Ze lagen zo diep geladen dat een deel van de loopplank onder water stak.
Gary, zei ze, maar hij was al in een halve cirkel achteruit aan het varen en zette toen de motor in z’n vooruit. Hij had er al zijn aandacht bij en lette niet op haar. Gary! schreeuwde ze, en ze zwaaide met een arm.
Hij zette hem in z’n vrij en kwam naar voren om te kijken. Hij maakte een grommend geluid, zijn tanden op elkaar geklemd. Maar toen ging hij terug naar de motor en schakelde. Geen woord, geen overleg of ze verder zouden gaan of het eerst laten repareren.
Gary voer niet snel, niet meer dan vijf of tien knopen, maar wel pal tegen windgolven in met een platte voorsteven, en iedere golf werd een hevige sproeibui die hen volledig doorweekte.
Irene wendde zich af van de golven en keek naar Gary achterin, maar hij keek ook achterom en stuurde aan de hand van de kustlijn vanwaar ze vertrokken waren en die nu langzaam in de verte verdween. De truck was nog te zien tussen vlekkerige bomen. Niemand anders stond op de camping geparkeerd. Meestal waren er wel een paar boten of campers, maar als er vandaag iets gebeurde, waren ze op zichzelf aangewezen, om de paar seconden de dreun en de golf water, de donkere, doorweekte stammen die omhoogschokten, de dolboorden laag, de gestadige stroom uit de lenspomp. Bijna een nieuw soort huifkar op weg naar nieuw land en het stichten van een nieuw thuis.

[...]

Copyright © 2011 David Vann
Copyright Nederlandse vertaling © 2011 Arjaan van Nimwegen
Copyright auteursportret © Diana Matar

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum