Leesfragment: De affaire-Koerilov

27 november 2015 , door Irène Némirovsky

Op 22 juni verschijnt de nieuwe roman van Irène Némirovsky, De affaire-Koerilov, in de vertaling van Pauline Sarkar. Vanavond kunt u er al een fragment uit lezen en uw exemplaar reserveren.

Léon M. heeft het bevel gekregen de zaak-Koerilov ‘op te lossen’. Hij moet Valeriaan Aleksandrovitsj Koerilov, de minister van Onderwijs van tsaar Nikolaas II, uit de weg ruimen. Maar de tweeëntwintigjarige bolsjewiek zal negen lange maanden moeten wachten: zijn bazen willen dat met deze moord een dodelijke klap wordt toegebracht aan het regime van de tsaar en daarom moet de moord plaatsvinden tijdens het staatsiebezoek van de keizer van Pruisen. Léon M. geeft zich uit voor Marcel Legrand, een Zwitserse arts, en treedt in dienst van de minister. Deze lijdt aan leverkanker en heeft vreselijke pijnen. Paradoxaal genoeg wordt hij nu uitgerekend door zijn toekomstige beul verzorgd, die lange gesprekken met hem voert en zich al gauw realiseert dat de minister helemaal niet de wrede man is waar men hem voor houdt. Zijn haat maakt plaats voor medelijden.

Fragment

Een maand lang hield ik het paleis in de gaten en zocht tevergeefs naar mogelijkheden om er binnen te komen. Ik raakte er langzamerhand van bezeten, dag en nacht sloop ik om het gebouw heen en hoorde allerlei eenvoudige lieden uit: leveranciers, lage ambtenaren van het ministerie, praatgrage winkeliers uit belendende straten. Algauw kende ik de buitenkant van Koerilovs leven, zijn gewoontes, de dagen en tijden waarop hij naar de tsaar ging, de namen van zijn vrienden, de mening van het volk over hem. Wreed en ambitieus, dat waren de woorden die voortdurend terugkwamen. Ik hoorde dat hij zijn eerste vrouw verloren had. Zij stamde uit een invloedrijke familie die beschermd werd door de keizerin-moeder en deze laatste had ervoor gezorgd dat hij zo’n schitterende carrière had kunnen opbouwen; sinds Nikolaas ii op de troon zat, was prins Aleksandr Aleksandrovitsj Nelrod de beschermheer van de minister.

Uit zijn eerste huwelijk had Koerilov een zoon en een dochter, die bij hem woonden; de jongen was nog een kind, het meisje was van huwbare leeftijd. Uiteindelijk was hij, na iets meer dan een jaar, hertrouwd met zijn maîtresse, een Franse cocotte genaamd Margot, oftewel Marguerite Darcy, een voormalig operettesterretje. Deze verhouding dateerde nog uit Koerilovs jeugd.

Op een dag zag ik deze vrouw en de dochter van de minister samen het huis uit komen; ik herkende hen als de twee vrouwen die in de kathedraal aan weerszijden van Koerilov hadden gezeten. Het meisje was klein en zag er heel jong uit, nog bijna een kind, ze had donker haar, was bleek, tenger, heel knap, met grote blauwe ogen, en de vrouw … was een opvallende verschijning: ze leek op een oude, verlepte paradijsvogel die haar glanzende veren aan het verliezen was maar nog sprankelde van de nepjuwelen, het klatergoud. Ze was zwaar opgemaakt; de middagzon accentueerde de roze vlekken op haar wangen en de vele fijne, diepe rimpeltjes in haar huid, haar gezicht was met de jaren vast dikker geworden, maar je kon aan de zuiverheid van bepaalde trekken nog zien dat ze vroeger beslist mooi was geweest.

Ze liep vlak langs me heen, botste tegen me op, pakte het schuimende kant van haar rokken bijeen en keek me aan. Ik zag haar ogen vlak bij de mijne en was verbaasd over de schoonheid ervan. Ze waren zwart en stralend, met donkere, fijne oogleden, ze hadden iets ongerusts en dieps. Ze deed me denken aan een oude prostituee die ik weleens gezien had bij mevrouw Schröder, een wrak, met een even vermoeide, diepe blik.

Ze prevelde met een sterk Frans accent een excuus (haar stem was geaffecteerd en onaangenaam) en liep door; ik volgde haar een tijdje, ze had de belachelijke, verende tred van vele oude actrices die bang zijn dat de plankenvloer van het toneel zal kraken onder hun door leeftijd zwaar geworden voeten.

‘Die vrouw’, vertelde Fanny me later, ‘heeft veertien jaar openlijk met hem geleefd. In hun huis op de eilanden organiseren ze schandalige orgieën.’

Ik zorgde ervoor dat ik me daar niet bevond als de minister zelf naar buiten kwam, want ik vreesde dat ik dan de aandacht zou trekken van de agenten in burger die vooral op tijden dat hij op weg ging naar de tsaar uit alle hoeken en gaten van de stad leken toe te stromen naar zijn huis, alsof ze zich ten doel gesteld hadden zijn aanwezigheid kenbaar te maken aan de hele buurt. Later leerde ik dat ministers die half uit de gratie waren altijd op deze uitdagend onhandige wijze bewaakt werden, maar toen verbaasde het me.

Slechts één keer zag ik Koerilov, en dan nog deels per ongeluk. Ik liep gedachteloos langs zijn voordeur toen ik aan de aanblik die de straat bood zag dat hij zo naar buiten zou komen: de garde en de politieagenten stonden nog rechter dan anders, met een gespannen, strenge uitdrukking op hun gezicht. Hier en daar stonden politiemensen in burger op de straathoeken. (Ik wist nu hoe ik ze moest herkennen: ze waren de enige inwoners van Petersburg die zomer en winter een zwarte bolhoed droegen en een grote opgerolde paraplu in de hand hielden.)

De deur ging open en Koerilov ging naar zijn rijtuig, gevolgd door een secretaris. Hij liep snel en met zijn gefronste wenkbrauwen zag hij er ontstemd en somber uit. Ik drukte me tegen de muur en keek naar hem. En hoe vreemd het ook klinkt, hij wendde zijn ogen naar mij, zoals zijn vrouw dat ook had gedaan, maar hij leek dwars door me heen te kijken zonder me te zien. Het schoot door me heen dat ik de levende vorm was die de dood voor hem had aangenomen op deze wereld, en ook dat het me een genoegen zou zijn heel die imposante, met onderscheidingen behangen kolos – zo dik, zo onaangedaan en plechtstatig – en dat meedogenloze gezicht in ‘scherven van vlees en bloed’ uiteen te zien vallen. Op dat ogenblik haatte ik hem zoals ik vroeger dr. Schwann had gehaat, bijna lichamelijk. Ik wendde me af en hij liep door. Ik ging in een café zitten, waar ik eten kreeg voorgezet en waar ik een deel van de nacht bleef.

De volgende dag hoorde ik van Fanny dat er na een klacht van de minister zestig studenten gearresteerd waren op verdenking van revolutionaire activiteiten. Een van de geschiedenisdocenten had geweigerd om hun te antwoorden op vragen over de Parijse Commune. De jongelui in kwestie waren daartegen in opstand gekomen op een wijze die van hen te verwachten viel, namelijk kinderachtig en dom: ze sloegen lessenaars kapot en zongen tijdens de mis in de kapel uit volle borst de bekende revolutionaire liederen (afwisselend de ‘Internationale’ en de ‘Marseillaise’). De ordetroepen hadden de collegezalen ontruimd.

Ik at die avond bij madame Schröder; die vertelde me over mevrouw Koerilov, die ze op haar twintigste gekend had, ‘toen ze Giroflé-Girofla zong in tingeltangels op de eilanden. Later is ze de maîtresse van prins Nelrod geworden, en nog weer later heeft ze zijne excellentie ontmoet.’

‘Weet Koerilov dat de prins hem is voorgegaan in de gunsten van de dame?’ vroeg ik.

Maar mevrouw Schröder antwoordde dat deze omstandigheid hen om geheimzinnige redenen juist dichter bij elkaar had gebracht. Ze was nog aan het praten toen Fanny binnenkwam.

Er werd in de stad gezegd dat de soldaten het vuur geopend hadden en dat er een bepaald aantal jonge mannen gewond en gedood was. Ik heb nooit in mijn leven zo veel haat op een gezicht gezien als toen op dat van Fanny; haar groene ogen fonkelden. Ik was er zelf ook ondersteboven van.

Toen we weggingen, was de stad doodstil en als het ware verlamd. Deze vreemde stilte heb ik daarna nog vaak ervaren: het meest zekere signaal dat er een revolutie op komst is. Die nacht vonden er kleine deelopstandjes plaats in textielateliers en fabrieken, die onmiddellijk met zeer veel geweld de kop in werden gedrukt. Wij liepen bijna de hele stad door, zonder iets anders te horen dan het geluid van ijzeren rolluiken die snel werden neergelaten voor etalages. Slechts hier en daar was er nog een winkel open; een eenzame op de grond geplaatste lamp verspreidde er een zwak licht.

De hekken om de grote rechthoekige binnenplaats van de universiteit waren gesloten, maar toen we aankwamen, arriveerde er net een groepje mannen met brancards.

We glipten mee naar binnen en daarna gingen de hekken weer dicht. De gebouwen van de universiteit waren in diepe duisternis gehuld. Plotseling was er een licht te zien in een van de zalen, dat voortgleed langs de grote ramen van de andere collegeruimtes; het scheen zwak in de heldere nacht. Ik weet niet waarom, maar het maakte een onzegbaar lugubere indruk op me.

We hadden ons verscholen achter de hoge pilaren en hielden ons muisstil, hevig geboeid, ondanks het gevaar dat we liepen omdat de politiemacht voortdurend over het plein liep.

De huizen aan de andere kant van de straat waren ook donker en dicht. Net toen we weg wilden gaan, gebruikmakend van het komen en gaan van een paar mensen, kwam er een rijtuig aangereden in volle draf, en we herkenden Koerilov.

Een van de mannen die op wacht stonden maakte zich los van de groep, opende het portier, maar Koerilov gebaarde dat hij niet zou uitstappen. Ze wisselden een paar woorden, waar ik niets van opving, hoewel ik vlakbij stond. Ik zag in het licht van de nacht, dat zo zuiver en helder was als de avondschemering in het westen, de grote, onbeweeglijke gestalte van de minister, met een onmenselijk hard en kil gezicht.

Op dat moment klonken er voetstappen op de binnenplaats, en de brancardiers kwamen naar buiten. Het waren er geloof ik acht. Toen ze langs het rijtuig liepen, hielden ze een voor een stil en sloegen het laken terug.

Een man die naast Koerilov stond en die ik nog voor me zie, een bleke kleine man met een grote gele snor en een tic die maakte dat zijn bovenlip steeds omhoogtrok, schreef de namen van de slachtoffers op een lijst; de dragers overhandigden hem agenda’s, papieren, en ongetwijfeld ook de paspoorten die ze in de zakken van de doden gevonden hadden.

Ik zag in een flits jonge gezichten met gesloten ogen, met de onvergetelijke uitdrukking van een geheime, diepe minachting, zoals doden die een paar uur na het einde wel vaker hebben, wanneer de pijn en angst verdwenen zijn uit hun gezichten.

Ze werden meegenomen en met een dof geluid en een ‘hèhè’ van de brancardiers in een zwarte, dichte legerwagen gegooid die daar geparkeerd stond.

De minister gaf een teken, de politiemensen gingen opzij en het rijtuig verdween zo snel als het gekomen was. Ik kon nog net zien hoe de minister achteroverleunde en zijn hoed over zijn ogen trok. Ik hield aan deze scène een gevoel van diepe afschuw over.

Uitgeverij De Geus

MINDBOOKSATH : athenaeum