Leesfragment: De bezetenen

27 november 2015 , door Elif Batuman

Het behoort tot de beste vertaalde literatuur van 2010 volgens de boekverkopers van Athenaeum: Elif Batumans De bezetenen (The Possessed, vertaald door Henk Schreuder). Vanavond kunt u een fragment uit het boek lezen en uw exemplaar aanschaffen.

In De bezetenen ontrafelt Elif Batuman de waargebeurde maar ongelooflijke verhalen over levens gewijd aan de Russische klassieken. Op Tolstojs voorouderlijke landgoed onderzoekt ze of de schrijver vermoord is; ze raakt de laatste familieleden van Isaac Babel kwijt op het vliegveld van San Francisco, volgt Poesjkins zwerftochten in de Kaukasus en ziet hoe een achttiende-eeuws ijspaleis opnieuw gebouwd wordt aan de rivier de Neva.

Liefde en literatuur, het individu in de geschiedenis, de bestaanscrisis van de promovendus in de letterkunde: alles vindt zijn plek in De bezetenen. Batuman volgt letterlijk en figuurlijk de voetsporen van haar favoriete auteurs op zoek naar antwoorden op de grote levensvragen. Dit alles combineert ze met nieuwe interpretaties van de grote Russen, van Poesjkin tot Tsjechov, en met verdrietige en grappige verhalen over de levens die door hen zijn beïnvloed, waaronder dat van haarzelf.

Vooraf

In De Toverberg van Thomas Mann brengt een jongeman, Hans Castorp, een bezoek van drie weken aan zijn aan tuberculose lijdende neef in een Zwitsers sanatorium. Hoewel Castorp zelf geen tbc heeft, blijft hij op de een of andere manier uiteindelijk zeven jaar in het sanatorium. De plot van De Toverberg weerspiegelt de ontstaansgeschiedenis van het boek: Mann begon met het schrijven van een kort verhaal, maar het werd uiteindelijk een roman van over de duizend bladzijden. Ondanks de gecompliceerde structuur van de roman is de centrale vraag heel eenvoudig: hoe kan het dat iemand die níét aan tuberculose lijdt, uiteindelijk zeven jaar in een tbc-sanatorium verblijft? Ik stel mezelf dikwijls een soortgelijke vraag: hoe kan het, dat iemand die geen echte academische aspiraties koestert, uiteindelijk zeven jaar lang in een stad in Californië de vorm van de Russische roman bestudeert?
In De Toverberg gebeurt het allemaal door de liefde. Tijdens het bezoek aan zijn neef wordt Castorp verliefd op een andere patient, de vrouw van een Russische officier van wie zij gescheiden leeft. Haar hoge jukbeenderen en haar blauwgrijze ‘kirgiezenogen’ herinneren hem aan de fascinatie die hij al in zijn jongensjaren voelde voor alles wat Slavisch was, in het bijzonder voor een jongen tegen wie hij op school had opgekeken en van wie hij ooit een potlood had geleend — het gelukkigste moment in zijn leven. Vooral de ogen van de Russische leken ‘opvallend en schrikwekkend’ op die van zijn schoolgenoot; ‘lijken’ was zelfs niet het goede woord, verbeterde Mann, het waren dezelfde ogen. Onder hun hypnotiserende invloed wordt Castorp gegrepen door een hartstochtelijke wens om alles te weten te komen over samowars, kozakken en de Russische taal, door Mann kleurrijk getypeerd als dat ‘rad, toonloos, wildvreemd en ongewerveld oostelijk idioom’. Op een middag woont Castorp in het sanatorium een lezing bij, getiteld ‘Liefde als pathogene kracht’. Daarin diagnosticeert de dienstdoende psychoanalyticus zijn hele gehoor als slachtoffers van de liefde: ‘Ziektesymptomen zijn niets anders dan een gemaskeerde manifestatie van de kracht van de liefde, en alle ziekte is slechts getransformeerde liefde.’ Castorp ziet de waarheid hiervan in. Hij wordt zo verschrikkelijk verliefd op de gehuwde Russische vrouw, dat hij koorts krijgt en er zich een vochtige plek op een van zijn longen lijkt te hebben gevormd. Deze echte of ingebeelde vochtige plek, in combinatie met de hoop tijdens de maaltijden een glimp van zijn beminde op te vangen, is wat hem op De Toverberg houdt.
Er zijn natuurlijk heel veel verschillen tussen mijn verhaal en dat van Hans Castorp. Overeenkomsten zijn er echter ook. De zeven jaar die ik uiteindelijk bij de vakgroep vergelijkende literatuurwetenschap op Stanford heb doorgebracht, waren eveneens geinspireerd door liefde en fascinatie voor alles wat Russisch is. En ook deze liefde had haar voorbode in een toevallige ontmoeting met iemand uit Rusland, en ontwikkelde zich in een instituut.
De eerste Rus die ik ooit ontmoette, was mijn vioolleraar op de Manhattan School of Music, waar ik ’s zaterdags les had. Mijn docent, Maxim, droeg een zwarte coltrui, speelde op een oranjegekleurde viool met een warme toon en leek hevig gepreoccupeerd met beschouwingen en overwegingen die het normale menselijke begrip ver te boven gingen. Zo zei hij op een keer tegen het eind van een les dat hij tien minuten eerder moest stoppen, en besteedde vervolgens de volle tien minuten aan het ontvouwen van een logische maar omslachtige verklaring, die inhield dat hij mij niet tekortdeed.
‘Zeg eens, Elif,’ riep hij uit, nadat hij zich tot een bijna verbijsterende mate van opwinding had opgewerkt, ‘als je een jurk koopt, koop je dan de mooiste jurk, of de jurk waarin de meeste stof verwerkt is?’
Een andere keer droeg Maxim me op te luisteren naar een bepaalde opname uit de sovjettijd van een vioolconcert van Mozart. In een studiecabine in de bibliotheek beluisterde ik alle vijf vioolconcerten achter elkaar: een vloeiende, sierlijke uitvoering, met passages van een zangerige intensiteit, waardoor je een glimp leek op te vangen van het hele kosmische pathos van Mozarts leven op aarde. Maar terwijl ik zo zat te luisteren, werd ik afgeleid door het cd-hoesje en de wat grofkorrelige driekwartportretfoto van de solist, die vrijwel niet te onderscheiden leek van mijn eigen vioolleraar. Zijn stijve houding, zijn neerwaarts gebogen mondhoeken, zijn geprononceerde, melancholieke wenkbrauwen, alles was hetzelfde. En hij heette zelfs Maxim, al had hij een andere achternaam.
De week daarop vroeg Maxim mij speciaal of ik iets bijzonders aan de violist had opgemerkt.
‘Wat dan?’ vroeg ik.
‘Nou, zijn uiterlijk bijvoorbeeld. In Moskou, op het conservatorium, zeiden ze altijd dat hij en ik op elkaar leken... heel erg zelfs. Nog meer dan broers.’
‘Ja, nu u het zegt, ik heb dat op de foto ook gezien.’
Bij die onschuldige opmerking kreeg hij een zwaarmoedige expressie, even abrupt alsof iemand een zwarte doek over zijn hoofd had getrokken. ‘Het is niets, niets,’ zei hij, en hij klonk bijna boos.
Het vreemdste voorval met Maxim vond echter plaats bij het jaarlijkse examen op de muziekschool. In de weken voor het examen veranderde Maxim voortdurend van mening over de etudes en toonladders die ik moest instuderen, en hij belde me zelfs een keer midden in de nacht op om een wijziging door te geven. ‘We moeten ons heel goed voorbereiden, want we weten niet wie er in de examencommissie zitten,’ zei hij steeds. ‘We weten niet wat ze je zullen vragen te spelen. We kunnen er natuurlijk wel naar raden, maar weten doen we het niet.’
Toen de grote dag aanbrak, werd ik binnengeroepen in de examenzaal, met zijn vleugel en zijn lange tafel, waarachter twee muziekleraren zaten, met als voorzitter een mij niet onbekend lid van de commissie, namelijk Maxim zelf.
‘Dag Elif,’ zei hij vriendelijk.
Zulke mystificaties kunnen diepe indruk maken op jonge mensen, en dit werd nog versterkt door het feit dat ik juist Jevgeni Onegin had gelezen en bijzonder geroerd was door de droom van Tatjana. In die beroemde scène loopt Poesjkins personage over een besneeuwde vlakte, ‘omringd door een droeve duisternis’ en achtervolgd door een grote beer. De beer grijpt haar en Tatjana verliest het bewustzijn. Ze komt bij wanneer de beer haar deponeert aan het einde van een gang, waar ze stemmen hoort en glazen hoort rinkelen, ‘zoals bij een grote begrafenis’. Door een kier in de deur ziet ze een lange tafel, omringd door feestvierende monsters — waaronder een dansende windmolen en een wezen dat half kraanvogel, half kat is — onder leiding van niemand minder dan Jevgeni Onegin, zoals ze met onbeschrijflijke afschuw constateert.
Tatjana’s droom wordt werkelijkheid op het feest ter gelegenheid van haar naamdag, een noodlottig voorval waarbij Onegin, blijkbaar om geen andere reden dan uit verveling, Tatjana’s hart breekt en een fatale ruzie krijgt met zijn jonge vriend Lenski. Als Onegin, jaren later, in Moskou, werkelijk verliefd wordt op Tatjana is het te laat. Zij houdt dan nog wel van hem, maar is inmiddels in het huwelijk getreden met een oude generaal. Ik las Jevgeni Onegin in de Engelse vertaling van Nabokov en werd erg getroffen door zijn opmerking dat de taal van de droom niet alleen ‘echo’s van ritmes en uitdrukkingen’ bevat van Tatjana’s ervaringen eerder in het boek, maar ook een voorafschaduwing is van de toekomst: ‘Iets droomachtigs zet zich voort naar het naamdagfeest en later naar het duel.’ ‘De sprookjesdemonen en hybridische monsters uit haar angstdroom,’ schrijft Nabokov, ‘werpen hun schaduwen vooruit naar de gasten op Tatjana’s feest en op de latere bals in Moskou.’
Het was voor mij alsof de nachtmerries en de schaduwen uit Tatjana’s droom ook doorgewerkt hadden op de vioolcommissie en dat het een verborgen betekenis had dat Maxim als voorzitter ervan verscheen.

Dit voorval stimuleerde me niet direct om antwoorden te gaan zoeken in de literatuur van Maxims land van herkomst. Het zat echter wel in mijn achterhoofd toen ik die zomer in de flat van mijn grootmoeder in Ankara een Penguinuitgave uit 1970 van Anna Karenina ontdekte. Ik was door mijn Engelse boeken heen en was erg blij dat het boek zo dik was. Denk eens in hoeveel tijd Tolstoj nodig gehad moet hebben om het te schrijven! Hij had er niet tegen opgezien daar zijn tijd in te steken, in plaats van zich te ontspannen met frisbeeën en barbecues. Niemand in Anna Karenina werd, zoals ik, gehinderd door de tirannie van de vrije tijd. De vrijetijdsactiviteiten in Tolstojs roman — schaatsen, bals, paardenrennen — waren fraai en stijlvol, en hadden betekenis voor de intrige.
De daaropvolgende twee weken zat ik onderuitgezakt op mijn grootmoeders superburgerlijke roze fluwelen bank, at enorme hoeveelheden druiven en las als een bezetene. Anna Karenina leek precies daar te beginnen waar Jevgeni Onegin eindigde, in dezelfde wereld, alsof de toeschouwers eveneens achtervolgd werden door Tatjana’s droom, waarvan de sfeer al voelbaar geworden was in Anna’s ervaringen bij de paardenrennen en in de ingesneeuwde trein. Het was dezelfde wereld, dezelfde sfeer, alleen was alles groter, alsof een minutieus gedetailleerd poppenhuis veranderd was in een echt huis met lange gangen, glanzend sanitair, een verwilderde tuin. Elementen uit Jevgeni Onegin kwamen terug: een sneeuwachtige droom, een fataal bal, een revolver, een beer. Het was alsof heel Onegin door Anna was gedroomd, en zij in haar eigen leven Tatjana’s onbepaalde lot in vervulling liet gaan.
Anna Karenina was een volmaakt boek, van een onaardse perfectie: onvoorstelbaar, monolithisch, zich voltrekkend in het beladen, grijze gebied tussen natuur en cultuur. Hoe had een mens het klaargespeeld iets te schrijven wat tegelijkertijd zo groot en zo klein was, zo ernstig en zo lichtvoetig, zo buitenissig en zo natuurlijk? De hoofdpersoon verschijnt pas in hoofdstuk 18 en het boek gaat na haar dood nog negentien hoofdstukken door. Anna’s geliefde en haar echtgenoot dragen dezelfde naam, Aleksej. Anna’s dienstmeisje en haar dochter heten allebei Anna en Anna’s zoon en Lewins halfbroer heten allebei Sergej. Die herhaling van eigennamen trof mij als opmerkelijk, verrassend en levensecht.
Mijn moeder was blij me te zien lezen in wat haar oude exemplaar bleek te zijn van Anna Karenina. ‘Nu kun je me uitleggen wat het eigenlijk betekent!’ zei ze tegen me. Mijn moeder vroeg me wel vaker haar uit te leggen wat iets eigenlijk betekende: boeken, films, dingen die mensen op haar werk tegen haar zeiden. (Ze werkte bij het universitair medisch centrum in Brooklyn, waar de mensen blijkbaar bijzonder raadselachtige dingen zeiden.) Haar voorwendsel voor die vraag was dat ik Engels sprak als eerste taal en zij niet. In werkelijkheid had mijn moeder vanaf haar vroege kindertijd in Ankara op een Amerikaanse school gezeten en sprak zij uitstekend Engels. Ik herinner me slechts één keer dat haar vraag tot op zekere hoogte beantwoord werd, toen ik haar de letterlijke betekenis uitlegde van een Engelse zegswijze. (De uitdrukking was ‘Knock yourself out’.) In alle andere gevallen, en eigenlijk ook toen, hield ‘Wat betekent dat eigenlijk?’ meer iets in als: ‘Welke onderliggende houding tegenover mij, of tegenover mensen zoals ik, schuilt er in die woorden?’ Mijn moeder geloofde namelijk dat mensen bepaalde fundamentele gevoelens van sympathie of antipathie koesterden jegens anderen, attitudes die zich in woord en daad manifesteerden. Als je vreselijk op een foto stond, was dat volgens haar een teken dat degene die de foto genomen had je niet graag mocht.
‘En wat betekende het allemaal?’ vroeg mijn moeder daarom toen ik Anna Karenina uit had. ‘Wat wilde Tolstoj ermee zeggen? Hield Wronski gewoon niet echt van Anna?’
We zaten in de keuken in Ankara, een stad met een anagrammatische relatie tot Anna Karenina, en we dronken Turkse thee, heel sterke thee met suiker, in een klein glaasje in de vorm van een tulp.
Ik zei dat ik dacht dat Wronski echt van Anna had gehouden.
‘Toch kan hij niet genoeg van haar hebben gehouden, anders zou ze zich niet van het leven hebben beroofd. Dat was dan niet gebeurd.’ Mijn moeders theorie was dat de dubbele plot van Anna Karenina staat voor de twee soorten mannen die er zijn: zij die echt van vrouwen houden, en zij die niet echt van vrouwen houden. Wronski, een man die echt van vrouwen hield, overweldigde Anna en werd door haar overweldigd, maar anderzijds was hij haar nooit zo toegewijd als Lewin, een man die in wezen níét van vrouwen hield, toegewijd was aan Kitty.
‘Daar zit wat in,’ gaf ik toe.
‘Bedoelt Tolstoj dan dat het voor een vrouw beter is te leven met een man als Lewin? Kitty maakte de juiste keuze, en Anna de verkeerde, toch?’
‘Ik weet het niet,’ zei ik. Ik wist het echt niet. Terugkijkend had ik toen al wel bepaalde ideeën over literatuur. Ik was van mening dat het ‘echt iets’ betekende, en dat die betekenis afhing van linguistische competentie, van de ijzeren wet van de chomskianen: ‘de intuïties van de moedertaalspreker’. (‘Jij spreekt écht Engels!’ zei mijn moeder wel eens vol bewondering tijdens onze gesprekken over boeken.) Dat is waarschijnlijk de reden dat ik besloot taalkunde te gaan studeren toen ik naar de universiteit ging. Het kwam niet eens in me op literatuurwetenschap te gaan doen. Ik weet nog dat ik er heilig van overtuigd was dat de beste romans wat betreft inhoud en inspiratie uitsluitend putten uit het echte leven en niet uit andere romans, en dat ik als aankomend schrijfster zou moeten proberen om vooral niet te veel romans te lezen.
Ik was ook niet geïnteresseerd in wat ik wist van literatuurtheorie en -geschiedenis. Het was in die tijd een algemeen aanvaard idee dat ‘theorie’ slecht was voor schrijvers, omdat deze hen besmette met vijandigheid jegens taal en ze er postmodern door zouden worden — en wat had de theorie nu eigenlijk te bieden, behalve het terugvoeren van een roman tot een reeks vervelende feiten over machtsstructuren, of het oppervlakkige genoegen van het leggen van Jane Austens Trots en vooroordeel naast het onzekerheidsprincipe? Wat literatuurgeschiedenis betreft, dat vond ik maar gewichtigdoenerij, en niet ambitieus genoeg. Waarom al die moeite doen om dingen aan te tonen die toch niemand in twijfel trok, zoals dat een vroegere schrijver een latere schrijver had beïnvloed?
Sterker nog, ik had in die tijd helemaal geen historisch besef, en ook geen behoefte om het te krijgen. Ik vond het kortzichtig om historische gebeurtenissen belangrijk te maken, alleen omdat de dingen toevallig zo gelopen waren. Waarom zou je jezelf tot slaaf maken van een willekeurige waarheid? De waarheid interesseerde me niet, schoonheid interesseerde me. Het heeft me vele jaren gekost — de ervaring van geleefde tijd — om erachter te komen dat ze eigenlijk hetzelfde zijn.
Ondertussen koos ik taalkunde als hoofdvak. Ik wilde inzicht krijgen in het rauwe mechanisme van de taal, in de pure vorm ervan. Als verplichte vreemde taal koos ik Russisch; misschien zou ik dan ooit mijn moeder kunnen vertellen wat Tolstoj nu eigenlijk had bedoeld.
De nagel aan de doodkist van mijn kortstondige carriere als taalkundige was vermoedelijk een werkcollege over taalfilosofie, dat ik die winter volgde. Het doel was een theorie te formuleren die een marsmannetje duidelijk zou kunnen maken ‘wat we weten, als we een taal kennen’. Ik kon me geen inhoudslozer, treuriger stemmend onderwerp voorstellen. De oplossing bleek te bestaan uit een reeks proposities in de vorm van ‘“sneeuw is wit” is waar indien sneeuw wit is’. De hoogleraar, een broodmagere logicus met een warrige, rode haardos en grote begaanheid met marsmannetjes, schreef bij vrijwel elk college die zin op het bord, en dan discussieerden wij erover waarom dat géén triviale stelling was. Buiten stapelde de sneeuw zich hoger en hoger op. Jullie marsmannetjes, die zo houden van vorm en logica, wat doen jullie hier, zo ver van huis?
In tegenstelling tot de taalfilosofie en andere colleges die ik volgde in psycholinguïstiek, syntaxis en fonetiek kwam Russische taalverwerving op mij over als intens menselijk. Ik had verwacht dat taalkunde (de algemene taalstudie) een verhaal zou vormen, en dat Russisch (de studie van een specifieke taal) een verzameling regels zou zijn, maar in werkelijkheid was het precies andersom. De eerste paar maanden bogen we ons bij Russisch over een ingenieuze tekst, getiteld ‘Het verhaal van Vera’. Het begon met Vera, een natuurkundestudente, die op weg was naar haar vriendje en medestudent Iwan. Iwan was niet thuis. Hij had een briefje achtergelaten waarop stond: ‘Vergeet me maar.’ ‘Waarom hebben we hem toch nooit begrepen?’ zucht Iwans vader en sloeg de deur in Vera’s gezicht dicht. In de eerste episoden van het verhaal werden een verbazingwekkend beperkte vocabulaire en grammatica gebruikt. Met de voortgang van het verhaal werden steeds meer details van de plot ingevuld, tegelijk met de ontbrekende naamvallen en werkwoordsvormen, zodat de kennis gepaard ging met de manier waarop ze werd verwoord. Op die manier openbaarde het beginners-Russisch zich aan mij als de perfecte taal, waarvan de vorm de ideale weerspiegeling vormde van de inhoud.
Na verloop van tijd bleek dat Iwan naar Siberië was gevlucht om te gaan werken in het laboratorium van een verre oom en dat hij er op de een of andere manier was getrouwd. Vera reisde hem achterna en werd verliefd op een andere natuurkundige, die ze ontmoette in een taxi op het vliegveld van Novosibirsk. In het laatste hoofdstuk ging Vera naar een natuurkundecongres, waar zij een presentatie hield die ontvangen werd als ‘de meest recente ontwikkeling op het gebied van de natuurkunde’. Iwan, die ook aanwezig was op het congres, feliciteerde haar, en hij leek op het punt te staan een verklaring te geven voor zijn gedrag, maar het kon Vera niet meer schelen.
Tatjana en Onegin, Anna en Wronski, Iwan en Vera: bij elke stap blijkt het raadsel van het menselijk gedrag en de aard van de liefde nauw samen te hangen met het Rus-zijn. Die associatie werd nog sterker toen ik zelf verliefd werd op een van mijn studiegenoten op het college Russisch, een wiskundestudent die als kind achter het IJzeren Gordijn korte tijd Russisch had geleerd. Zijn Russische naam was Valja, wat dicht in de buurt kwam van zijn Hongaarse naam. Hij was een ouderejaars en zou de zomer doorbrengen in Boedapest, waarna hij naar Berkeley zou gaan voor zijn master. Ik was pas eerstejaars, dus we zouden elkaar na juni niet meer zien, zij het dat hij me een vakantiebaantje bezorgde bij een welzijnsorganisatie die Amerikaanse studenten uitzond om in Hongaarse dorpen Engels te geven.
Valja had iets mysterieus en afwezigs, en uiteindelijk bleek dat, net als de Iwan uit het verhaal dat we op college aan het lezen waren, ook Valja een vriendin had van wie ik niets wist, en met wie hij na verloop van tijd trouwde. Tegen de tijd dat dit geheim me werd onthuld, was het te laat om niet af te reizen naar het mij aangewezen Hongaarse dorp, dus ik ging. Maar net als Tatjana die de droomuitleg las, was ik me al bewust van iets wat ‘een menigte droeve avonturen’ voorspelde.
In het dorpje Kál werd ik verwelkomd door een uiterst hartelijke familie, die me rondreed om alle plaatselijke historische plekjes te bekijken, waarvan de meeste herinnerden aan overwinningen op de Ottomaanse veroveraars. Ik gaf zeven uur Engels per dag, wat erg interessant maar ook erg uitputtend bleek te zijn. De eerste veertien dagen belde ik Valja helemaal niet. De derde week werd ik naar een kinderkamp gestuurd in een mooi historisch stadje aan de Donau. De complete vrouwelijke staf sliep bij elkaar in een huisje: ik, een jonge Engelse lerares, en vijf gymnastiekdocenten. Ik weet niet wie, maar iemand had de kampleiding op het hart gedrukt dat ik als Amerikaanse niets anders at dan mais en watermeloenen. Elke dag bezorgden ze me blikken mais en bijna een hele watermeloen, die ik in mijn eentje in het huisje soldaat maakte. Omdat ik verder geen officiële taken had, werd ik elke minuut dat ze vrij hadden achtervolgd door een groep kleine, onvermoeibare Hongaarse meisjes, die me met zachte drang vroegen of ik badminton met ze wilde spelen en hun haren wilde vlechten.
Ik overleefde het allemaal, tot zaterdagavond, toen de gymnastiekjuffrouwen een speciale ontspanningsavond organiseerden: een benenwedstrijd voor jongens.
‘Het Amerikaanse meisje zal de benenwedstrijd jureren!’ kondigden ze aan. Eerst hoopte ik nog dat ik ze verkeerd had begrepen, zelfs nog toen de Duitse technomuziek aanging en alle jongens in het kamp, in leeftijden van acht tot veertien, achter een scherm langs moesten paraderen dat hun lichaam vanaf hun heupen afschermde. Op hun korte broeken waren nummers gespeld. Ik kreeg een schrijfblok waarop ik hun benen van een beoordeling moest voorzien op een schaal van 1 tot 10. In paniek staarde ik naar het schrijfblok. Niets in mijn hele leven of in mijn studie had me voorbereid op jurylid zijn in een jongensbenencompe-titie. Uiteindelijk fluisterde de Engelse docente, die door scheen te hebben in wat voor lastig parket ik zat, me wat scores van eigen vinding in het oor, die ik opschreef alsof ik ze zelf had bedacht.
De volgende dag, zondag, zat ik alleen in het huisje te lezen, toen er iemand naar binnen stormde. Het was de winnaar van de benenwedstrijd, een veertienjarige durfal, Gábor, met zijn winnende been helemaal overdekt met bloed.
‘Kun je me even helpen?’ vroeg hij, en reikte me een verbanddoos aan.
Nadere inspectie bracht een lange, onregelmatige snee aan het licht op zijn knie. Ik deed de verbanddoos open en herkende met succes een flesje jodium, toen zich twee van de gymnastiekdocenten bij ons voegden.
‘Lukács Gábor, laat het Amerikaanse meisje met rust!’ schreeuwden ze en stuurden de jongen weg, nadat ze zichtbaar ervaren zijn knie hadden gedesinfecteerd en verbonden. De Engelse lerares verscheen aan mijn zijde: ‘Hij wil iets van je,’ verklaarde ze duister.
In de lunchpauze sloop ik, zodra ze me mijn watermeloen hadden gebracht, naar het station, kocht een telefoonkaart en belde Valja’s ouders in Boedapest. Valja vroeg waar ik was. Twee uur later verschenen hij en zijn moeder in zijn moeders Opel, met een kano op het dak. Zijn moeder had bedacht dat we het wel leuk zouden vinden om op de Donau te gaan kanoën. Zelf reed ze terug met de auto, en wij peddelden inderdaad het hele eind naar Boedapest, wat meer dan zeven uur in beslag nam. Overal om ons heen voeren op aken torenhoge, zestienwielige vrachtwagens voorbij. Kennelijk mochten vrachtauto’s op zondag niet de weg op.
In Boedapest misten we de aanlegplaats en liepen we ten slotte vast in een moeras. Valja sleepte de kano aan land, hielp mij eruit en ging toen een telefoon zoeken. Ik moest bij de kano blijven.
‘Ik ben over een kwartier of twintig minuten terug,’ zei hij.
De zon zonk achter de prehistorisch ogende vegetatie en een vloeibaar blauw daalde over de wereld neer. Valja was inmiddels twee uur weg, die ik doorbracht met het bewaken van de kano. Maar tegen wie? En hoe? Dichtbij stond een wilg en even overwoog ik om de kano in de wilgentakken te verbergen, maar ik zette de gedachte weer van me af. De enige levende zielen die ik gedurende de hele twee uur zag waren een man met een tweetal geiten, die geen enkele belangstelling aan de dag legde voor mij of de kano, en twee politiemannen. De agenten stopten hun brommers toen ze me zagen en deden een poging me in het Hongaars te ondervragen. Maar de enige vraag die ik begreep was of ik dakloos was. ‘Heb je een huis?’ vroegen ze luidkeels, en een van hen hield zijn handen boven zijn hoofd in de vorm van een puntdak. ‘Mijn vriend zoekt een telefoon,’ zei ik. Tot mijn verrassing leken de agenten daar genoegen mee te nemen. ‘Goed, goed,’ zeiden ze, en ze liepen terug naar hun bromfietsen en reden weg.
Ik had net een pen en een aantekenblokje uit mijn tas gepakt en probeerde in het vallende duister een briefje te schrijven om uit te leggen dat ik de kano niet langer kon blijven bewaken, toen ik dreunende voetstappen hoorde naderen. Ze werden steeds luider en toen stortte Valja naast me op de grond, helemaal buiten adem en met een gescheurd en bemodderd overhemd. Hij was verscheidene kilometers dwars door het veld achtervolgd door een wilde hond. Ik weet nog dat ik dacht: hij moet wel het soort man zijn dat van vrouwen houdt.
De volgende middag bracht Valja me terug naar het kamp. Onderweg onderbrak hij de rit om zijn visum op te halen bij de Thaise ambassade, want de dag daarop zou hij vertrekken naar een wiskundeconferentie. Nadat we afscheid van elkaar hadden genomen, dwaalde ik een aantal uren door het historische stadje, met zijn Servische kerken en begraafplaatsen. Maar na verloop van tijd moest ik toch terug naar het kamp. Bij de ingang werd ik begroet door de Engelse lerares, op de voet gevolgd door de jongensbenenkampioen.
‘Je hebt... gelummeld,’ zei de Engelse lerares verwijtend.
‘Je haar zit echt cool,’ merkte Gábor op.
‘Hoe kom je erbij,’ snibde de Engelse lerares.

Achteraf zie ik dit alles als typerend voor de manier waarop dingen gebeuren als je de stroom van het leven volgt. Gebeurtenissen en plekken volgen elkaar op als de dingen op een boodschappenlijstje. Misschien leveren ze interessante en ontroerende ervaringen op, maar één ding staat vast: ze nemen niet als vanzelf de vorm aan van een mooi boek.

[...]

Uitgeverij Atlas

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum