Leesfragment: De geheugenhut

27 november 2015 , door Tony Judt

Begin maart verschijnt Tony Judts De geheugenhut (The Memory Chalet, vertaald door Wybrand Scheffer). Op Athenaeum.nl kunt u vanavond alvast het eerste hoofdstuk lezen.

Geschiedenis is ook het verhaal van je eigen leven, zeker in het geval van Tony Judt. Zijn vader is geboren in België, zijn moeder in Rusland. Judt werd geboren in Londen en ging in Amerika werken. Als jood in het naoorlogse Europa stond hij eigenlijk al onmiddellijk in het brandpunt van de geschiedenis.
De weerslag hiervan is te vinden in enkele van de beste historische werken die er geschreven zijn (met name Na de oorlog). In het laatste jaar van zijn door de ziekte als geteisterde leven, schreef hij autobiografische bespiegelingen voor The New York Review of Books die nu in De geheugenhut gebundeld zijn. Hij schrijft over de wederopbouw, over de betekenis van het rijden in Franse auto’s in Engeland, over de impact van 1968 en over het opkomend milieubewustzijn. Een caleidoscopisch geheel dat een even inzichtelijk als ontroerend beeld geeft in het leven van de scherpste denker van de afgelopen dertig jaar.

EEN
De geheugenhut

Het woord hut roept bij mij heel specifieke herinneringen op. Ik moet erbij denken aan een klein pensione, een familiehotelletje in het weinig mondaine plaatsje Chesières, aan de voet van het chique skigebied bij Villars in het Franssprekende gedeelte van Zwitserland. Het zal 1957 of 1958 zijn geweest dat we daar voor een wintersportvakantie naartoe gingen. Het skiën – en in mijn geval het sleetje rijden – kan niet echt veel hebben voorgesteld, want ik herinner me vooral hoe mijn ouders en mijn oom over de gladde voetbrug naar de skiliften ploeterden, de dag op de pistes doorbrachten, en de geneugten van de après-ski aan zich voorbij lieten gaan ten faveure van een rustige avond in de hut.
Het prettigste aan wintersportvakanties vond ik altijd wanneer de dagelijks terugkerende sneeuwpret al vroeg in de middag werd ingeruild voor zware fauteuils, warme wijn, degelijke plattelandskost en lange zittingen in de gezamenlijke lounge, waar we ons ontspanden te midden van onbekenden. En wat voor onbekenden! Het pensionnetje in Chesières ontleende zijn charme voor een groot deel aan de aantrekkingskracht die het had op haveloze Britse toneelspelers, die hier vakantie vierden in de vage, onverschillige schaduw van hun succesvollere collega’s wat verder tegen de berg op.
Op onze tweede avond schalde er door de eetzaal een salvo aan seksueel getinte epitheta dat mijn moeder uit haar stoel omhoog bracht. Ze was opgegroeid binnen gehoorsafstand van de oude West India Docks en schrok dus niet van de nodige onwelvoeglijke taal, maar ze had zich vanuit haar klasse opgewerkt tot de beleefde babbels van de dameskapsalon en was niet van plan haar gezin aan zulke smeerlapperij bloot te stellen.
Mevrouw Judt stapte kordaat op het aanstootgevende gezelschap af en vroeg om de nodige terughoudendheid: er waren immers kinderen aanwezig. Omdat mijn zusje destijds nog geen anderhalf jaar oud was en ik het enige andere kind in het hotel was, begreep ik dat haar verzoek op mijn aanwezigheid was gebaseerd. De jonge, en naar ik later begreep werkloze acteurs die de eruptie voor hun rekening hadden genomen boden onmiddellijk hun excuses aan en nodigden ons uit voor gezamenlijk gebruik van het nagerecht.
Het was een meesterlijk gezelschap, zeker voor de alziende (en alhorende) tienjarige die zich nu in hun midden bevond. Ze waren stuk voor stuk onbekend, maar een aantal van hen had nog een illustere toekomst voor zich. Alan Badel zou uitgroeien tot prominent Shakespearevertolker en bouwde een respectabele filmografie op (Day of the Jackal), maar er was bovenal de onstuitbare Rachel Roberts, die niet veel later zou uitgroeien tot de verpersoonlijking van de gedesillusioneerde arbeidersvrouw in een reeks geweldige naoorlogse Engelse films (Saturday Night and Sunday Morning, This Sporting Life, O Lucky Man!). Roberts nam mij onder haar hoede, terwijl ze intussen met een door whisky gesterkte bariton niet voor herhaling vatbare verwensingen mompelde die me weinig illusies lieten over hoe het met haar zou aflopen, maar die me ook in verwarring over mijn eigen toekomst brachten. In de loop van die vakantie leerde ze me pokeren, een keur aan kaarttrucs en meer schunnig taalgebruik dan ik sindsdien uit mijn vocabulaire heb weten te wissen.

Het is wellicht daarom dat het kleine hotelletje aan de hoofdstraat van Chesières zowel een diepere als een warmere plaats in mijn herinnering heeft dan andere, ongetwijfeld min of meer identieke houten bouwwerken waar ik sindsdien geslapen heb. We bleven er slechts een dag of tien en ik ben er sindsdien precies één keer teruggekeerd, maar de intieme stijl van het complex kan ik zelfs vandaag nog haarfijn beschrijven.
Er waren maar weinig uitwassen van overmatigheid. Je kwam binnen via een entresol die een kleine kelderruimte afscheidde van de bedrijvigheid op de begane grond. De entresol zorgde ervoor dat de druppelende parafernalia van de buitensporten (ski’s, laarzen, skistokken, jassen, sledes en dergelijke) zich niet vermengden met de knusse, droge gemoedelijkheid in de openbare ruimtes. Die laatste, aan weerszijden van de receptie, boden via grote, mooie ramen uitzicht op de hoofdstraat van het dorp en de steile berghellingen eromheen, en erachter bevonden zich de keukens en de andere werkruimtes, allemaal gedeeltelijk aan het zicht onttrokken door een brede en ongebruikelijk steile trap die naar de verdieping met de slaapkamers leidde.
Die slaapvertrekken waren keurig en misschien wel met opzet gescheiden in de comfortabeler ingerichte kamers links en de kleinere eenpersoonskamers zonder stromend water wat verderop aan de gang, en daar weer voorbij voerde een smal trappetje naar de zolder, waar het personeel sliep (behalve in het hoogseizoen). Ik heb het niet nagekeken, maar ik betwijfel of er rond de drie gemeenschappelijke ruimtes en de openbare delen eromheen meer dan twaalf kamers werden verhuurd. Het was een klein hotel voor kleine gezinnen met een beperkt budget, in een pretentieloos dorp dat geen ambitie had om boven de eigen geografische positie uit te groeien. Zwitserland moet duizenden van dat soort hotelletjes hebben geteld, maar mijn vrijwel volmaakte herinnering had toevallig betrekking op deze in Chesières.
Behalve als aangenaam opstapje naar mooie herinneringen denk ik niet dat ik in de vijftig jaar daarna nog veel aan het Zwitserse chalet heb gedacht. En toch, toen in 2008 werd vastgesteld dat ik amyotrofische laterale sclerose (als) had en al snel duidelijk werd dat reizen waarschijnlijk tot het verleden behoorde – ik zou al van geluk mogen spreken als ik zelfs nog over mijn reizen zou kunnen schrijven – drong het hotel in Chesières zich gedurig in mijn herinnering op. Waarom?
Een in het oog springende eigenschap van de neurologische ziekte als, waarbij de motorische zenuwen in het ruggenmerg afsterven, is dat de hersenen volop in staat blijven over verleden, heden en toekomst na te denken, maar dat de mogelijkheden om die overpeinzingen in woorden om te zetten steeds kleiner worden. Eerst kun je niet meer op eigen kracht schrijven, waardoor er ofwel een assistent ofwel een machine nodig is om je gedachten te registreren. Dan houden je benen ermee op en kun je nog slechts nieuwe ervaringen opdoen ten koste van zulke enorme logistieke ingewikkeldheden dat de aandacht vooral uitgaat naar het onderwerp mobiliteit zelf in plaats van naar de voordelen die mobiliteit kan opleveren.
Daarna raak je geleidelijk je stem kwijt, niet alleen metaforisch in de zin dat je door allerlei apparaatjes of via menselijke vertolkers moet spreken, maar ook heel letterlijk doordat je middenrif niet langer voldoende lucht langs je stembanden weet te pompen om de variatie in druk aan te brengen die voor betekenisvolle klanken vereist is. Als het zover is ben je waarschijnlijk ook al volledig verlamd en veroordeeld tot lange perioden van – al dan niet in het bijzijn van anderen genoten – zwijgend stilzitten.
Voor iemand die graag in woorden en concepten communiceert betekent dit een bijzondere uitdaging. Weg is de gele blocnote, weg is het nu nutteloze potlood. Weg is de verfrissende wandeling door het park en weg is het uurtje zweten in de sportschool, momenten waarop ideeën en redeneringen als door natuurlijke selectie op hun plaats vallen. En weg zijn ook de zo productieve uitwisselingen met vrienden, want zelfs wanneer de aftakeling als gevolg van de als pas ergens halverwege is, denkt het slachtoffer meestal al oneindig veel sneller dan hij de woorden kan uitspreken, waardoor de conversatie al snel gebrekkig en frustrerend wordt en uiteindelijk zichzelf in de weg gaat staan.
Het antwoord op dit dilemma viel me eigenlijk bij toeval ten deel. Toen ik pas een paar maanden aan de ziekte leed merkte ik dat ik ’s nachts in mijn hoofd hele verhalen schreef. Ik was ongetwijfeld op zoek naar vergetelheid, waarbij langshollende schapen plaats hadden moeten maken voor zo ingewikkeld mogelijke verhalen, maar het doel was hetzelfde. Gedurende deze oefeningetjes drong geleidelijk tot me door dat ik onderling met elkaar verbonden delen van mijn verleden als blokjes lego aan elkaar aan het redeneren was, terwijl ik me voordien nooit van die verbanden bewust was geweest. Dat is op zichzelf geen bijzondere prestatie, want de aaneenschakeling van gedachten die me van de stoommachine naar mijn Duitse les of van de met zorg uitgestippelde routes van de bussen op het Engelse platteland naar de geschiedenis van de stedelijke planologie in het interbellum voerde, was niet moeilijk te volgen en kon vervolgens vrijuit in alle richtingen verdergaan. Maar hoe moest ik al die bij het ontwaken inmiddels al half uitgewiste sporen vervolgens vastleggen?
Op dat punt gingen de nostalgische gedachten aan een gelukkiger tijd in knusse Midden-Europese dorpjes een meer praktische rol spelen. Ik was al geruime tijd gefascineerd door de vormen van geheugensteun die de eerste moderne denkers en reizigers gebruikten om details en beschrijvingen op te slaan en vervolgens weer op te roepen. Deze zijn prachtig beschreven in de renaissancistische essays van Frances Yates, en recenter in The Memory Palace of Matteo Ricci, het verhaal van Jonathan Spence over een Italiaanse reiziger naar middeleeuws China.
Deze geheugenspecialisten bouwden geen hotelletjes of huizen om hun kennis in op te slaan, maar hele paleizen. Ik had zelf echter geen belangstelling voor een heel paleis in mijn hoofd. Echte paleizen, of het nou Hampton Court van Wolsey of Versailles van Lodewijk xiv betrof, kwamen op mij altijd een tikkeltje lankmoedig over, alsof ze meer bedoeld waren om indruk te maken dan om te dienen. Ik had me in die verstilde, zwijgende nachten net zo min een geheugenpaleis voor kunnen stellen als ik voor mezelf een driedelig pak met stars and stripes-motief had kunnen naaien. Maar als een geheugenpaleis niets voor mij was, waarom dan geen geheugenhut gebouwd?
Naast het feit dat ik me een Zwitserse berghut – van de sneeuwrand bij de ingang tot de dubbele ramen die de Walliser wind buiten moesten houden – tot in de kleinste details kon inbeelden, was zo’n gebouw ook een plek waar ik altijd naartoe terug zou willen keren. Om een geheugenpaleis als opslagruimte voor een reeks eindeloos gereorganiseerde en gehergroepeerde herinneringen te laten functioneren, moet het een buitengewoon aantrekkelijk gebouw zijn, ook al geldt die aantrekkelijkheid in zo’n geval voor slechts één iemand. Al meer dan een jaar lang ben ik dag in dag uit, week in week uit, maand na maand ’s nachts naar die hut teruggekeerd. Ik ben er door de bekende korte gangen met hun uitgesleten drempel naar binnen gegaan en heb plaatsgenomen in een van de twee of drie fauteuils, die voor het gemak nu eens niet bezet waren. Vervolgens heb ik – de wens was met alleszins absolute betrouwbaarheid de vader van de gedachte – verhalen, redeneringen en voorbeelden bedacht, geschikt en georganiseerd om ze te kunnen gebruiken in iets wat ik de dag daarna ging schrijven.
En dan? Op dat punt verandert de hut van een geheugensteuntje in een manier van opslag. Als ik eenmaal in grote lijnen weet wat ik wil zeggen en in welke volgorde ik dat het liefst wil doen, sta ik op uit de fauteuil en keer ik terug naar de voordeur van de hut. Daarvandaan herhaal ik al mijn eerdere stappen, van de eerste opslagruimte – waar bijvoorbeeld de ski’s staan – naar steeds gewichtiger vertrekken: de bar, de eetzaal, de lounge met onder de koekoeksklok het ouderwetse houten sleutelbord en tegen de trap achterin een tamelijk willekeurige collectie boeken, en dan naar boven, naar een van de in aantal variabele slaapkamers. Elk van deze ruimtes heeft in het verhaal een specifieke betekenis, zoals een beslissende wending of een illustratief voorbeeld.
Dit systeem is allerminst feilloos. Er doen zich overlappingen voor en ik moet er altijd weer op letten dat ik voor elk nieuw verhaal een flink van de vorige afwijkende route neem, omdat ik anders inhoudelijke kenmerken verwar met vergelijkbare eigenschappen van een recente voorganger. Hoe verleidelijk het aanvankelijk ook lijkt, het is dus onverstandig alles wat met voeding te maken heeft met de ene, alles met betrekking tot seks en verlei18 ding met een tweede en alles over intellectuele uitwisselingen met een derde kamer in verband te brengen. In plaats daarvan is het beter te vertrouwen op microgeografie (deze la komt na die kast tegen die muur), want de logica van het conventionele geestelijke meubilair waar we anders op vertrouwen schiet hier tekort.
Het verbaast me hoe vaak mensen zeggen dat het ze zo moeilijk lijkt de eigen gedachten ruimtelijk in te delen en dan enkele uren later weer op te halen. Ik begrijp dat het vanuit de ongebruikelijke beperking van mijn lichamelijke gevangenschap is voortgekomen, maar desalniettemin heb ik ontdekt dat dit juist een buitengewoon eenvoudige werkwijze is, bijna té mechanisch, omdat die uitnodigt voorbeelden, opeenvolgende gebeurtenissen en paradoxen zo keurig te rangschikken dat er een misleidende herordening kan ontstaan van de oorspronkelijke en veel suggestievere verwarring die indrukken en herinneringen nu eenmaal met zich brengen.
Ik denk dat ik er voordeel van heb dat ik een man ben, omdat de gemiddelde man nu eenmaal beter is in inparkeren en in het zich herinneren van ruimtelijke ordeningen dan de gemiddelde vrouw, die er beter afkomt in toetsen rondom herinneringen aan mensen en indrukken. Als kind had ik een soort feestnummer dat eruit bestond dat ik in de auto de weg door een mij onbekende stad kon aanwijzen nadat ik niet meer dan één korte blik op de kaart had geworpen. Daar staat tegenover dat ik nog altijd even belabberd als vroeger ben in de eerste eis waaraan een ambitieuze politicus moet voldoen: het vermogen om me soepel door een diner heen te slaan en me alle huiselijke omstandigheden en politieke voorkeuren van elk van de aanwezigen te herinneren, om vervolgens bij het afscheid iedereen bij de voornaam het beste te wensen. Daar be staat vast ook wel een of ander ezelsbruggetje voor, maar dat is nu eenmaal nooit op mijn pad gekomen.
Op het moment dat ik dit schrijf (mei 2010) zijn er van mijn hand sinds het begin van mijn ziekte een klein politiek boek, een openbare lezing, een stuk of twintig korte verhalen over herinneringen uit mijn leven en een aanzienlijk aantal interviews ten behoeve van een alomvattend onderzoek naar de twintigste eeuw verschenen. Deze zijn alle het resultaat van weinig meer dan mijn nachtelijke bezoeken aan mijn geheugenhut en de daaropvolgende pogingen tot reconstructie van de volgorde waarin de ruimtes ervan zijn bezocht en een gedetailleerde weergave van de inhoud ervan. Sommige kijken naar binnen en beginnen bijvoorbeeld met een huis, een bus of een man, terwijl andere naar buiten kijken en gaan over tientallen jaren van politieke waarnemingen, engagement en overwegingen op basis van reizen, onderwijs en het leveren van commentaar.
Natuurlijk zijn er nachten geweest dat ik op mijn gemak tegenover Rachel Roberts of in een lege ruimte zat, waar mensen en plaatsen even binnenkwamen om niet veel later weer te vertrekken. Bij dergelijke improductieve gelegenheden sta ik niet te lang stil. Ik begeef me dan naar de oude houten voordeur, stap naar buiten, de bergen van het Berner Oberland in – kinderlijke associaties kunnen ook zo fijn met de geografische werkelijkheid spelen – en ga daar een beetje mokkend op een bankje zitten. Omgetoverd van de snaaks naar binnen geglipte kleine toehoorder van Rachel Roberts tot de introverte alm-oom van Heidi breng ik urenlang door van wakende slaap tot slaperig bewustzijn, alvorens wakker te worden met de irritante wetenschap dat ik die nacht helemaal niets heb weten te scheppen, op te slaan of te herinneren.
Deze weinig productieve nachten zijn welhaast fysiek frustrerend. Natuurlijk kun je jezelf voorhouden dat je niet te streng moet zijn en dat het al heel wat is dat je nog niet gek bent geworden; er staat toch nergens geschreven dat je daarnaast ook nog productief moet zijn? Ik ervaar weliswaar een zeker schuldgevoel als ik me zo eenvoudig aan mijn lot overlever, maar wie zou het onder deze omstandigheden beter kunnen doen? Het antwoord op die vraag luidt natuurlijk ‘mijn betere ik’. Het is verrassend hoe vaak we van onszelf verlangen een betere versie van onszelf te zijn – en dat terwijl we volledig op de hoogte zijn van de moeite die het gekost heeft om zelfs maar te komen tot waar we nu zijn.
Ik heb geen hekel aan de truc die ons bewustzijn met ons uithaalt, maar ’s nachts kom ik daardoor wel bloot te staan aan de gevaren van de donkere kant, en die mogen niet worden onderschat. De alm-oom is, zoals hij daar nors van onder zijn rimpelige wenkbrauwen iedere passant veroordeelt, geen blij mens, want zijn melancholie wordt slechts sporadisch verdreven door nachten waarin hij kasten, lades, planken en gangen voorziet van de bijvangsten van opgehaalde herinneringen.
Merk op dat de alm-oom, mijn eeuwig ontevreden alter ego, niet zomaar gefrustreerd door de doelloosheid bij de deur van een chalet zit. Hij rookt er zijn Gitanes, koestert een glas whisky, bladert door de kranten, wandelt wat heen en weer door de besneeuwde straat, fluit nostalgische deuntjes en gedraagt zich in het algemeen als een vrij man. Er zijn nachten waarin hij niet verder dan daar komt. Een verbitterde herinnering aan verlies? Misschien is het slechts de troost van de herinnering aan een sigaret.
Er zijn echter ook nachten dat ik hem kloek voorbijloop en dat alles het doet. De gezichten keren terug, de voor beelden kloppen, de sepia foto’s komen weer tot leven, alles ‘klikt’, en dan heb ik binnen een paar minuten mijn verhaal, mijn personages, mijn illustraties en mijn moraal. De alm-oom en zijn morose herinneringen aan de wereld die ik kwijt ben hebben dan geen betekenis meer, want ik ben omringd door het verleden en beschik over alles wat ik nodig heb.

Maar welk verleden? De kleine verhalen die zich in mijn hoofd vormen terwijl ik daar door de nachtelijke duisternis word omringd zijn anders dan alles wat ik voorheen geschreven heb. Zelfs binnen de ultrarationele eisen die mijn beroep stelde was ik altijd al een ‘redeneerder’. Van alle clichés over geschiedenis sprak geen enkele mij meer aan dan de vaststelling dat wij slechts wetenschappers zijn die lesgeven aan de hand van voorbeelden. Ik geloof nog altijd dat dat waar is, maar ik doe het nu zelf wel op een behoorlijk indirecte manier.
Vroeger zal ik mezelf vast graag hebben geportretteerd als een literaire Gepetto, die van aannames en bewijzen kleine Pinokkio’s maakte. Zij kwamen tot leven door de plausibiliteit van hun logische opbouw en vertelden de waarheid vanwege de noodzakelijke eerlijkheid van hun onderdelen. Wat ik de laatste tijd schrijf is echter veel inductiever. De waarde bestaat uit het ten diepste impressionistische effect ervan, namelijk de mate van succes waarmee ik het particuliere en het openbare, het beredeneerde en het intuïtieve, het herinnerde en het gevoelde aan elkaar heb gekoppeld en met elkaar heb verweven.
Ik weet niet welk genre dat is. De kleine houten mannetjes die het oplevert komen op mij in elk geval minder uitgesproken, maar tegelijk menselijker over dan hun op basis van deductie in elkaar gezette, nauwgezet gecon strueerde voorgangers. De meer polemisch getinte – ik denk bijvoorbeeld aan ‘Soberheid’ – doen me onbedoeld denken aan de allang vergeten Weense vertellingen van Karl Kraus: dubbelzinnig, suggestief en bijna te licht van toon voor hun dringende inhoud. Andere – affectiever van toon, zoals ‘Eten’ of wellicht ‘Putney’ – dienen juist een tegengesteld doel. Door de zware abstracties te vermijden die maar al te vaak om de hoek komen kijken bij ‘identiteitzoekende’ vertellers leggen ze, zonder dat te pretenderen, misschien wel precies de verborgen contouren bloot.
Als ik de verhalen teruglees word ik in zekere zin geraakt door de man die ik nooit ben geworden. Tientallen jaren geleden kreeg ik het advies literatuur te gaan studeren. Een wijs schoolhoofd had bedacht dat geschiedenis te veel tegemoetkwam aan mijn diepste instinct, namelijk te gaan doen wat me het makkelijkst afging. Literatuur, en dan met name poëzie, zou me dwingen in mezelf te zoeken naar niet-vertrouwde woorden en stijlen, waar ik dan heel goed nog een vorm van affiniteit mee zou kunnen opbouwen. Ik kan bezwaarlijk zeggen dat ik er spijt van heb gehad dat ik zijn advies in de wind heb geslagen, want mijn conservatieve intellectuele gewoontes zijn me goed van pas gekomen. Ik denk aan de andere kant ook wel dat er iets verloren is gegaan.
En zo dringt tot me door dat ik als kind veel meer observeerde dan ik begreep. Dat geldt misschien wel voor alle kinderen, en in dat geval onderscheid ik me slechts van de rest in de gelegenheid die me door een catastrofale ziekte is geboden om die waarnemingen op consistente wijze weer op te roepen. En toch weet ik het niet helemaal zeker. Als me gevraagd wordt hoe het komt dat ik me de geur van de bussen van de Green Line nog kan herinneren of waarom ik nog zo tot in de kleinste details weet hoe Franse plattelandshotels waren ingericht, zit achter die vraag toch de implicatie dat er toen al op een of andere manier aan kleine geheugenhutten werd gebouwd.
Niets is echter minder waar. Ik heb dat kinderverleden gewoon meegemaakt. Ik zal misschien wat meer dan andere kinderen onderlinge verbanden hebben gezien, maar ik heb beslist mijn geheugen nooit zodanig gereorganiseerd dat ik er in de toekomst beter gebruik van zou kunnen maken. Zeker, ik was een solitair kind en hield mijn gedachten veelal voor me, maar daarmee onderscheidde ik me niet bijzonder. Dat de herinneringen me de afgelopen maanden zo rijkelijk overspoelden had denk ik een andere oorzaak.
Het voordeel van mijn beroep is dat het verhaal al bestaat en dat je het kunt verlevendigen met voorbeelden, details en illustraties. Ik heb als in de naoorlogse geschiedenis gespecialiseerd historicus, die in zwijgend zelfonderzoek de details van zijn eigen leven in dat tijdperk oproept, het voordeel van een verhaal dat normaliter losse herinneringen aaneensmeedt en verfraait. Kortom: uit het voorgaande blijkt dus dat ik me van vele anderen met vergelijkbare herinneringen onderscheid doordat ik ze op verschillende manieren kan gebruiken. Alleen daarom beschouw ik mezelf al als een bevoorrecht mens.
Het getuigt ogenschijnlijk misschien nogal van wansmaak dat een voorheen gezonde man met een jong gezin, die op zestigjarige leeftijd lijdt aan een ongeneeslijke, degeneratieve ziekte waaraan hij binnenkort zal overlijden, zich bevoorrecht noemt, maar er bestaan meerdere vormen van geluk. Wie ten prooi valt aan een neurologische ziekte als als moet ergens de goden tegen zich in het harnas hebben gejaagd, en meer valt daarover niet te zeggen. Maar als je daar dan toch het slachtoffer van wordt, laat dat dan met een goed bepakt hoofd gebeuren, een hoofd vol herbruikbare en veelzijdig te benutten stukjes dienstbare herinneringen, altijd bereikbaar voor een analytisch ingestelde geest. Het enige wat ontbrak was een voorraadkast. Mij viel het geluk ten deel dit alles aan te treffen in de bagage van mijn leven, en dat schurkt wat mij betreft tegen geluk aan. Ik hoop dat ik er nuttig gebruik van heb gemaakt.

Tony Judt,
New York,
mei 2010

© 2010 Tony Judt
© 2011 Nederlandse vertaling Wybrand Scheffer
Oorspronkelijke titel The Memory Chalet

Uitgeverij Contact

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum