Leesfragment: De gulden middenweg

27 november 2015 , door Annabel Lyon

8 september verschijnt Annabel Lyons roman De gulden middenweg (The Golden Mean, vertaald door Marja Borg), over de confrontatie tussen de filosoof en de veroveraar, tussen Aristoteles en Alexander. Vanavond kunt u al de eerste pagina's lezen, waarin Aristoteles Macedonië bereikt en de jonge prins ontmoet.

In het oude Macedonië krijgt de dertienjarige Alexander les van Aristoteles. Eens moet hij een groot leider worden en daarvoor wordt hij zowel fysiek als mentaal klaargestoomd. Voor de buitenwereld is hij een intelligente en onstuimige jongen, maar tijdens de privélessen ziet
Aristoteles ook zijn kwetsbare en eenzame kant. De wijsgeer zet zich met hart en ziel in om Alexander lessen over goed leven bij te brengen, maar het kost hem moeite tot zijn leerling door te dringen. Zes jaar lang komen de werelden van Aristoteles en Alexander samen: ze botsen vaak, maar tussen de man en de jongen ontwikkelt zich een bijzondere vriendschap.

1

De regen die in zwarte snaren neervalt geselt mijn dieren, mijn mannen en mijn vrouw Pythias, die afgelopen nacht met haar benen gespreid lag terwijl ik de monding van haar geslacht bestudeerde, en die, op deze tiende dag van onze reis, stille tranen van uitputting huilt. Op het schip leek ze zich wel op haar gemak te voelen, maar dit laatste gedeelte over land is een nieuwe ervaring die haar zwaar valt, en dat is haar aan te zien. Haar merrie strompelt; ze heeft de teugels weer laten vieren zodat het dier slaapwandelt. Ze rijdt onbeholpen, gaat gebukt onder de last van haar doorweekte kledij. Eerder vandaag heb ik haar voorgesteld om op een van de karren te gaan zitten, maar ze verzette zich, iets wat zo zelden voorkomt dat ik moest glimlachen zodat zij beschaamd haar blik afwendde. Callisthenes, mijn neef, bood aan het laatste stuk te lopen, en met enige moeite wisten we haar op zijn grote vos te tillen. De eerste keer dat het dier zich onder haar bewoog klampte ze zich krampachtig aan de teugels vast.
‘Zit je stevig?’ vroeg ik terwijl de karavaan zich om ons heen in beweging zette.
‘Natuurlijk.’
Ontroerend. Waar ik vandaan kom, waar we nu naar terugkeren, zijn mannen goed met paarden, en dat weet ze. Gisteren heb ik zelf op de karren doorgebracht zodat ik kon schrijven, maar nu rijd ik zonder zadel, zoals mijn landgenoten gewoon zijn, een zware klus voor iemand als ik die al zo lang een zittend leven leid. Je kunt echter moeilijk op een kar blijven zitten terwijl een vrouw te paard gaat; en ik besef ineens dat dit precies haar bedoeling was.
In het begin viel ze me nauwelijks op, een mooi meisje met een wezenloze blik, in de periferie van Hermeias’ menagerie. Inmiddels vijf jaar geleden. Atarneus was ver verwijderd van Athene, aan de andere kant van de grote zee, verscholen in de flank van het Perzische Rijk. Dochter, nicht, beschermelinge, concubine – de waarheid glad als zijde.
‘Ze bevalt je,’ zei Hermeias. ‘Ik zie hoe je naar haar kijkt.’ In zijn jeugd dik, sluw en volgens de geruchten een geldwisselaar, later moordenaar en huursoldaat; nu, naar verluidt, een eunuch, en een rijk man. Ook een politicus, een satraap die koppig standhoudt tegen de barbaren: Hermeias van Atarneus. ‘Breng me mijn denkers!’ placht hij te roepen. ‘Grote mannen omringen zich met denkers! Ik wens omringd te zijn!’ En dan lachte hij en sloeg zich op de knieën, onder de toeziende blik van het meisje Pythias dat veel te weinig met haar ogen leek te knipperen. Ze werd een geschenk, een van de vele, want ik was een gunsteling. Tijdens onze huwelijksnacht hulde ze zich in sluiers, ging op bed liggen en griste de lakens weg voordat ik kon zien of ze had gebloed. Ik was toen zevenendertig, zij vijftien, en moge de goden het me vergeven, maar ik ging tekeer als een bronstige hengst. Hengst, zwijn.
‘Nou? Nou?’ vroeg Hermeias de volgende ochtend lachend.
Nacht na nacht na nacht. Ik probeerde het goed te maken met vriendelijkheid. Ik behandelde haar met grote hoffelijkheid, gaf haar geld, sprak tegen haar met zachte stem en vertelde haar over mijn werk. Ze was niet dom; in haar ogen flakkerden gedachten als vissen in diepe vijvers. We brachten drie jaar door in Atarneus, tot we de hete adem van de Perzen in onze nek voelden. Daarna twee jaar in het mooie stadje Mytilene, op het eiland Lesbos, waar ze de havenbodem hebben geplaveid om te voorkomen dat er vijandelijke schepen voor anker gaan. En nu deze reis. Ze ondergaat alles met een onaanraakbare waardigheid, zelfs wanneer ze met haar knieën gespreid ligt terwijl ik voorzichtig aan mijn voortplantingsonderzoek werk. Vissen bestudeer ik ook, en dieren in het veld, en vogels, wanneer ik die te pakken kan krijgen. Te midden van de plooien bevindt zich een zaadje, als het zaadje van een granaatappel, en het gat zelf is geribbeld als een oester. Soms vochtig, soms droog. Niets is me ontgaan.
‘Oom.’
Ik volg de vinger van mijn neef en zie de stad op de moerasvlakte beneden ons, groter dan ik me haar herinner, meer uitgewaaierd. De regen neemt af, sputtert en spettert alleen nog maar onder een plotseling klare goudgrijze hemel.
‘Pella,’ kondig ik aan om mijn druipende, dof-ogige vrouw wakker te schudden. ‘Hoofdstad van Macedonië. Daar de tempel, daar de markt, het paleis. Je kunt het net zien. Groter dan je had verwacht?’
Ze reageert niet.
‘Aan het dialect zul je vast wel moeten wennen. Het is snel, maar niet echt heel anders. Wat ruwer.’
‘Ik red me wel,’ zegt ze, niet al te hard.
Ik ga naast haar rijden en pak haar teugels om haar bij me te houden terwijl ik praat. Het is goed van haar om te moeten luisteren, te moeten denken. Callisthenes loopt naast ons.
‘De eerste koning kwam uit Argos. Een Griek, hoewel de bewoners dat niet zijn. Er is hier een enorme rijkdom: hout, tarwe, graan, paarden, vee, schapen, geiten, koper, ijzer, zilver, goud. Feitelijk hoeven ze alleen olijven te importeren. Zo ver naar het noorden is het in het algemeen te koud voor olijven, en te bergachtig. En wist je dat de meeste schepen van de vloot van Athene gebouwd zijn van Macedonisch hout?’
‘Hebben wij olijven bij ons?’ vraagt Pythias.
‘Ik neem aan dat je weet over de oorlogen, liefste?’
Ze frunnikt wat aan de teugels, plukt eraan alsof het de snaren van een lier zijn, maar ik laat ze niet los. ‘Ja, dat weet ik,’ zegt ze na een tijdje.
Totaal onwetend natuurlijk. Als ik de hele dag zou moeten weven, dan zou ik op zijn minst een paar strijdtaferelen weven. Ik breng haar de Atheense verovering van Perzië in herinnering, onder de grote generaal Pericles, in de tijd van mijn overgrootvader, toen Athene de machtigste vloot had. Daarna tientallen jaren durende conflicten in de Peleponnesos, waarin Athene moest bloeden en uiteindelijk, tijdens de jeugd van mijn vader, door Sparta, met enige steun van Perzië, op de knieën werd gedwongen; en later, tijdens mijn eigen jeugd, Sparta dat zelf werd verslagen door Thebe, toen de opkomende macht. ‘Ik zal je een taak opgeven. Je moet Thermopylae voor me borduren. Dat hangen we dan boven ons bed.’
Nog steeds keek ze me niet aan.
‘Thermopylae,’ zeg ik. ‘Goden, vrouw. De pas. De pas waar de Spartanen drie dagen weerstand hebben weten te bieden aan de Perzen, een leger dat tien keer zo groot was als het hunne. Een van de grootste veldslagen in de geschiedenis van de oorlogsvoering.’
‘Met veel roze en rood erin,’ stelt Callisthenes voor.
Ze kijkt me even recht in de ogen. Ik lees: doe niet zo neerbuigend. En ook: ga verder.
Tegenwoordig, zo vertel ik haar, is het jonge Macedonië in opkomst, onder Philippus met zijn vijf vrouwen. Eén huwelijk om elk akkoord te bekrachtigen en elke overwinning te bezegelen: Phila uit Elimea, in het noorden; Audata, de Illyrische prinses; Olympias uit Epirus, zijn eerste vrouw, de enige die koningin wordt genoemd; Philinna uit Thessalië; en Nikesipolis uit Pherae, een schoonheid die in het kraambed is gestorven. Na Thessalië is Philippus ook Thracië binnengevallen, maar hij heeft nog geen Thracische vrouw genomen. Ik blader door de bibliotheek onder mijn schedeldak, op zoek naar een interessant weetje. ‘De Thraciërs scheppen er genoegen in om hun vrouwen te tatoeëren.’
‘Mmm.’ Callisthenes sluit zijn ogen, alsof hij net zijn tanden in iets smakelijks heeft gezet.
We zijn inmiddels aan de afdaling begonnen. Onze paarden schuifelen over de losse stenen terwijl we onze weg naar de moerasvlakte onder aan de heuvel vervolgen. Pythias schuift heen en weer in het zadel, ze fatsoeneert haar kleren, strijkt haar wenkbrauwen glad en raakt met een vingertop haar mondhoeken aan, ter voorbereiding op de stad.
‘Liefste.’ Ik leg mijn hand op de hare om haar te laten stoppen met haar gepruts en haar aandacht terug te winnen. Mijn neef negeer ik. Een Thracische vrouw zou hem met huid en haar verslinden en dan de botjes uitspugen, slappe hap die hij is. ‘Er zijn nog wat dingen die je moet weten. Anders dan wij houden ze geen slaven, zelfs niet op het paleis. Iedereen werkt. En ze hebben ook geen priesters. De koning vervult die functie voor zijn onderdanen. Hij begint elke dag met offergaven en als er iemand met een god wenst te spreken gaat dat via hem.’ Heiligschennis: dit bevalt haar niets. Ik kan haar lichaam lezen. ‘Pella is heel anders dan het hof van Hermeias. Vrouwen maken hier geen deel uit van het openbare leven.’
‘Wat wil dat zeggen?’
Ik haal mijn schouders op. ‘Mannen en vrouwen gaan niet samen naar feesten, ze eten zelfs niet samen. Vrouwen uit jouw stand vertonen zich nergens. Ze gaan niet naar buiten.’
‘Het is te koud om naar buiten te gaan,’ zegt Pythias. ‘Bovendien, wat maakt het uit? Volgende week om deze tijd zullen we in Athene zijn.’
‘Inderdaad.’ Ik heb haar uitgelegd dat we deze omweg alleen maar maken om Hermeias een gunst te bewijzen. In Pella hebben ze me slechts een dag of twee nodig, hooguit een week. De boel schoonmaken, laten drogen, de dieren laten uitrusten, Hermeias’ post bezorgen en verder trekken. ‘Er is sowieso weinig te beleven voor je in het openbare leven.’ De kunsten worden slechts spaarzaam geïmporteerd. Hier is de zwijnenjacht belangrijk, is drinken belangrijk. ‘Je hebt nog nooit bier geproefd, hè? Je moet het echt eens proberen voordat we weggaan.’
Ze negeert me.
‘Bier!’ roept Callisthenes. ‘Ik drink dat van u wel op, tante.’
‘Denk eraan dat we nu diplomaten zijn,’ zeg ik tegen de jongeman die geneigd is te gaan giechelen wanneer hij opgewonden raakt.
De karavaan versnelt het tempo en mijn vrouw recht haar rug. We gaan verder.
Ondanks de regen en de zuigende modder die tot aan de enkels komt brengen we een heel gevolg op de been wanneer we door de buitenwijken trekken, mannen en vrouwen die hun huizen uit komen om naar ons te kijken, en kinderen die ons achterna rennen en aan de huiden trekken die de uitpuilende karren bedekken, in de hoop dat er een of ander aandenken zal losraken. Vooral de kar met de kooien – wat doorweekte vogels en kleine dieren – geniet hun belangstelling. Ze stuiven eropaf en deinzen dan meteen weer achteruit, gillend van pret en met hun handen wapperend alsof ze zijn gebeten. De kinderen zijn over het algemeen groot en goedgebouwd. Mijn mannen proberen tevergeefs een troepje bedelaars van zich af te trappen terwijl mijn neef zo aardig is om hun zijn lege zakken te tonen als blijk van zijn armoede. De gesluierde Pythias trekt de meeste aandacht.
Bij het paleis praat mijn neef met de wacht, waarna we worden binnengelaten. Terwijl de poort zich achter ons sluit en we afstijgen, zie ik een jongen – van een jaar of dertien misschien – tussen de karren dwalen. Nat haar dat aan zijn hoofd plakt, blozend gezicht, grote kalfsogen.
‘Weg daar!’ roep ik wanneer de jongen probeert te helpen met een van de kooien, toevallig een kameleon, en wanneer de jongen zich verbaasd naar me omdraait voeg ik er wat vriendelijker aan toe: ‘Anders word je nog gebeten.’
De jongen lacht. ‘Ik?’
Bij nadere inspectie blijkt dat de kameleon naar stront ruikt en lethargisch en gevaarlijk bleek is; ik hoop dat hij niet dood zal gaan voordat ik een echte ontleding heb kunnen voorbereiden.
‘Zie je zijn ribben?’ zeg ik tegen de jongen. ‘Die zijn anders dan de onze. Ze lopen helemaal door naar beneden en raken elkaar weer op de buik, net als bij een vis. De poten buigen in tegengestelde richting als die van een mens. Zie je zijn tenen? Hij heeft er vijf, net als jij, maar met klauwen als van een roofvogel. Wanneer hij gezond is, verandert hij van kleur.’
‘Dat wil ik weleens zien,’ zegt de jongen.
Samen bestuderen we het gedrocht, het oog dat nooit dichtgaat en de staart die is opgerold als een riem.
‘Soms wordt hij donker, bijna zo donker als een krokodil,’ vertel ik. ‘Of gevlekt, als een luipaard. Maar ik ben bang dat je dat vandaag niet te zien zult krijgen. Hij is zo goed als dood.’
De blik van de jongen dwaalt langs de karren. ‘Vogels,’ zegt hij.
Ik knik.
‘Gaan die ook dood?’
Ik knik.
‘En wat zit daarin?’ De jongen wijst naar een kar met grote amforen waartussen stukken hout en stenen zijn geklemd om te voorkomen dat ze omvallen.
‘Geef me eens een stok.’
Weer die verbaasde blik.
Weer die verbaasde blik.
‘Daar.’ Ik wijs naar de grond, zo’n halve meter voor me en draai me dan kalmpjes om om het deksel van een van de kruiken te wrikken. Wanneer ik me weer omdraai, houdt de jongen de stok voor me op. Ik pak hem aan, steek hem in de kruik en por er een paar keer zacht in.
‘Het stinkt,’ zegt de jongen.
De geur van zeewater, romig en ranzig, vermengt zich inderdaad met de geur van paardenvijgen op de binnenplaats.
Ik trek de stok eruit. Aan het uiteinde heeft zich een kleine krab vastgeklampt.
‘Dat is gewoon een krab.’
‘Kun je zwemmen?’ vraag ik.
Wanneer de jongen geen antwoord geeft vertel ik hem over de lagune waar ik placht te duiken, het flitsende zonlicht en daarna de plons. Deze krab, leg ik hem uit, komt daarvandaan. Ik weet nog dat ik met de vissers mee voorbij het rif ging en hen met de netten hielp om de vangst te kunnen bestuderen. Daar zwom ik ook, op de plek waar het water dieper en kouder was en de stromingen als ribben in rotsen liepen, en meer dan eens moesten ze me redden, werd ik kuchend weer aan boord gesleept. Terug op de kust legden de mannen kampvuurtjes aan, ze brachten hun offers en maakten wat onverkoopbaar was voor zichzelf klaar. Op een keer ben ik met hen op dolfijnenjacht geweest. In hun kano’s van boomstammen omcirkelden ze een school, en ze sloegen met hun riemen op het water om zoveel mogelijk lawaai te maken. Bij hun vluchtpogingen kwamen de dieren op het strand terecht. Zodra we aan land waren sprong ik uit de kano, ik klotste door het ondiepe water en eigende me er eentje toe. De vissers waren verbijsterd over mijn belangstelling voor de ingewanden die oneetbaar waren en voor hen dus afval. Ze verbaasden zich over mijn tekeningen van ontledingen, wezen verwonderd naar vogels en muizen en slangen en torren, en juichten wanneer ze een vis herkenden. Maar zoals tijdens de zonsondergang oranje reeds binnen enkele seconden tot blauw verflauwt, zo snel verflauwt in de meeste mensen verwondering tot afschuw. Een mooie metafoor voor de harde les die ik lang geleden heb geleerd. De grotere tekeningen – van een koe, een schaap, een geit, een hert, een hond, een kat, een kind – liet ik thuis.
Ik zie het ijzige onbegrip van mijn collega’s in Athene al voor me. Wetenschap is het werk van de geest, zullen ze zeggen, en ik zit hier een beetje mijn tijd te verdoen met zwemmen en wat rondscharrelen.
‘Pas als we de feiten hebben zullen we de oorzaken te weten komen,’ zeg ik. ‘Dat is het voornaamste wat we moeten begrijpen. We moeten de wereld bestuderen, snap je wel? Van de feiten gaan we naar de principes, en niet andersom.’
‘Vertel me nog eens wat feiten,’ zegt de jongen.
‘Inktvissen leggen net zoveel eitjes als giftige spinnen. De hersens bevatten geen bloed en in de rest van het lichaam kan het bloed alleen maar in bloedvaten zitten. Berenjongen worden zonder gewrichten geboren, en hun ledematen moeten in vorm worden gelikt door hun moeders. Sommige insecten worden voortgeplant door de dauw, en sommige wormen planten zich spontaan voort in mest. In jouw hoofd is een doorgang die loopt van je oor naar je gehemelte. Verder komt de luchtpijp vrij dicht bij de opening van de achterkant van de neusgaten de mond binnen. Daarom komt de drank ook je neus uit als je te snel drinkt.’
Ik knipoog, en voor het eerst lacht de jongen flauwtjes.
‘Volgens mij weet u over sommige dingen meer dan mijn leermeester.’ De jongen zwijgt even, alsof hij een reactie verwacht op deze opmerkelijke uitspraak.
‘Dat is goed mogelijk,’ zeg ik.
‘Mijn leraar, Leonidas.’
Ik haal mijn schouders op alsof die naam me niets zegt. Ik wacht tot hij nog iets zal zeggen, om me te helpen of me tot last te zijn, maar hij stuift het paleis weer in, gewoon een jongen die wegrent voor de regen.

[...]

© 2009 Annabel Lyon
© 2011 Nederlandse vertaling Ambo | Anthos uitgevers, Amsterdam en Marja Borg
© auteursportret Philip Chin

Uitgeverij Ambo|Anthos

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum