Leesfragment: De herontdekking van de liefde

27 november 2015 , door Wilhelm Schmid

27 oktober verschijnt het nieuwe boek van Wilhelm Schmid, De herontdekking van de liefde (Die Liebe neu erfinden, in de vertaling van Willem Visser). Vanavond kunt u de inleiding al lezen en uw exemplaar reserveren.

De liefde is in onze huidige tijd ingewikkeld geworden. Wij eisen te veel van haar: ze moet ons een oneindig geluksgevoel, onbedwingbare passie en eeuwige lust bezorgen, maar zonder dat ze onze vrijheid aantast. Het is geen wonder dat de liefde aan de enorme verwachtingen niet kan voldoen. Sommigen spreken al vertwijfeld over het ‘einde der liefde’ en veel mensen schikken zich in die droefgeestige praktijk. De liefde is gecompliceerd geworden, maar is dat een reden om haar maar te laten?

In De herontdekking van de liefde vraagt Wilhelm Schmid zich af waarom de liefde in onze tijd zo zelden slaagt. Hij laat zien dat de filosofie ons kan helpen bij de oplossing van de moeilijkheden met de liefde. Geliefden zouden zich niet alleen met elkaar, maar ook met zichzelf moeten bezighouden. Door bewuster in het leven te staan, kan men de liefde meer zin geven. Schmids levenskunst richt zich op een nieuwe lichtheid van het leven.

 

Inleiding

Alle omgang met anderen heeft met liefde te maken. En met het ontbreken ervan. Het pijnlijkst is dat gemis in de relatie die zeer velen als dé relatie beschouwen. Probleemloos is die relatie natuurlijk nooit geweest, terwijl de problemen in elk concreet geval steeds verschillen. In de moderne tijd werd uitgerekend de met zoveel moeite verworven vrije liefde een probleem. Nadat de liefde was bevrijd van religieuze normen, traditionele rolverdelingen, conventionele voorstellingen en van de natuurlijke doelmatigheid die mensen lang deed liefhebben omwille van de voortplanting, blijkt deze vrije liefde problematisch te zijn en roept ze met steeds meer klem de vraag op naar het waarom en waarvoor. Op een historisch ogenblik kan de romantische liefde de zinvraag nog met de belofte van gevoelens van oneindig geluk beantwoorden, totdat ze vermorzeld wordt tussen het weldadige gevoel dat van haar verwacht wordt en de problemen die men niet in haar dacht aan te treffen; steeds vaker raakt ze dan in conflict met de eindigheid waarmee ze zich niet wil inlaten. Geliefden zoeken er vurig gewenste versmelting van hun beider ik in, maar die botst keihard met de aanspraak op de vrijheid van hun eigen ik, waarvan ze geen beperking dulden, en bij elke mislukking staat er al spoedig veel meer op het spel dan de liefde zelf: namelijk hun verhouding tot het leven, tot de wereld in het algemeen. En zo muteert in de loop van de moderniteit de romantische liefde in een monsterlijke kwal, die tere wezens in zijn onzichtbare tentakels verstrikt, hen verteert en verzwelgt. Sommigen blijven met religieuze devotie in de liefde geloven, anderen zijn tot in het merg in haar teleurgesteld, en velen schikken zich in een alledaagse triestigheid als restant van wat ooit liefde was en stellen zich tevreden met het inzicht dat gevoelens van liefde uit een cocktail van elementen bestaan, waarvan niets overblijft als de roes is vervlogen.
Wellicht kan de filosofie, naast andere disciplines, helpen bij het verhelderen en oplossen van de moeilijkheden met de liefde. Het komt goed uit dat de filosofie zelf een soort liefde is, namelijk letterlijk liefde voor de wijsheid, een philia die op sophia is gericht en door haar wordt geïnspireerd, maar zonder het vooruitzicht de geliefde ooit helemaal te kunnen bezitten. Het begerenswaardige aan de wijsheid is het diepere inzicht, de grotere omzichtigheid, het meer overwogen handelen, en het met meer bewustzijn gepaard gaande ‘laten’. Filosoferen is even stilstaan en nadenken om gedane ervaringen te overzien, er conclusies uit te trekken en zich zo voor te bereiden op komende ervaringen. Deze steeds nieuwe oriëntatie op het leven in het denken is sinds Socrates een basisidee van de filosofie, en sinds Kant een uitdrukkelijke eis van de Verlichting. Wie filosofeert tracht samenhangen beter te begrijpen, teneinde er in het leven beter mee om te kunnen gaan. Deze oriëntatie in het denken stelt ons uiteindelijk in staat om het leven bewust te leiden, en tot een levenskunst te verheffen, waarmee we natuurlijk geen leven bedoelen met een voortdurende bewustheid van alles, maar een leven dat gebruikmaakt van de ‘heldere momenten’ die zich in het leven steeds weer vanzelf voordoen.
De oriëntatie in het denken die hier nu de liefde betreft, is erop gericht om bruikbare antwoorden te geven op prangende vragen waarvan een definitieve beantwoording nauwelijks te verwachten is: Waarom de liefde zo moeilijk is, en hoe we er toch mee kunnen leven. De wens iets definitiefs over de liefde te zeggen, is van begin af aan ijdel, maar de oriëntatie in het denken kan het individu helpen met heldere argumenten van haar af te zien of juist de weg naar haar te hervinden, dan wel die liefde zo nodig opnieuw uit te vinden. Dit boek wil ertoe bijdragen om mogelijkerwijs datgene te bereiken wat Socrates zich in Plato’s Symposion (Gastmaal), het oudste filosofische boek ‘Over de liefde’ (Peri erotos), ooit voornam: ‘Sterk zijn in liefdeszaken’. De homoseksuele liefde, die in socratische tijden nog werd geaccepteerd, maar tot ver in de moderne tijd in de ban was, is daarbij steeds inbegrepen. En telkens wanneer in dit boek sprake is van ‘hij’, staat dat tegelijkertijd voor ‘zij’. Een enkelvoud sluit geenszins een meervoud of een veelvoud uit van anderen die bemind kunnen worden, maar ook bij de pluralis heeft de beminnende meestal met maar één afzonderlijke, bepaalde ander te maken.
De weg van de filosofie is er een van bezinning, van ‘be-zinnen’ in de letterlijke betekenis van het woord: het gaat dan om het zoeken, vinden en voortbrengen van zin. De noodzaak daarvan komt aan het licht wanneer samenhangen verdwijnen en in de ontstane leegte voelbaar wordt welke hulpbronnen het leven daardoor ontbeert. Het zijn steeds samenhangen die ‘zin maken’; ze staan echter niet eenvoudig objectief en definitief vast, maar moeten steeds opnieuw doordacht en geduid worden. Deze hermeneutische filosofische handelwijze wil geen willekeurige interpretaties, maar interpretaties die plausibel zijn, te volgen zijn, overtuigen; en een bijzondere zin, betekenis genaamd, komt aan het licht wanneer de waarde en het belang van een fenomeen overtuigend worden vastgelegd. De filosofische vragen inzake de liefde zijn dan ook: wat is het eigenlijk, waar komt ze vandaan, waar dient ze voor, hoe werkt ze, welke betekenis heeft ze voor het leven? Welke betekenis heeft het verlangen naar de liefde überhaupt? De liefde staat op haar beurt niet alleen, maar heeft zin en betekenis in het bestek van een hele cultuur en een samenleving: wat hebben relaties in het algemeen met liefde te maken? In welke samenhangen is de liefde zelf ingebed? Welke plek aan de hemel der ideeën van een cultuur en een samenleving is haar thuis, welke rol vervult ze steeds, en hoe kon ze een zodanige betekenis krijgen dat de mensen in haar de zin van het leven zien, maar wanneer ze verflauwt wanhopig raken door de zinloosheid van alles? Wanneer het denken en duiden zich kunnen losmaken van gebruikelijke zienswijzen, kunnen we ook de vraag stellen welke andere voorstellingen van de liefde er nog mogelijk zijn en welke veranderingen er nodig zijn voor de verwezenlijking daarvan.
De voorwaarde voor alle denken en duiden is evenwel de bereidheid om heel precies te observeren: op de weg naar wijsheid wordt de filosofie een school van aandacht; het fenomeen in kwestie moet zo nauwkeurig mogelijk worden waargenomen en beschreven, zonder vrees voor een aanvankelijke naïviteit. Deze fenomenologische methode dient ertoe om de meest uiteenlopende aspecten van het fenomeen liefde te vatten en te reconstrueren teneinde uiteindelijk een veranderd begrip ervan mogelijk te maken: wat treffen we als realiteit van de liefde aan, en wat gebeurt er als mensen denken dat ze plaatsvindt? Hoe en waarom is de liefde geworden wat ze is, met alle regelmatigheden en onregelmatigheden die haar aankleven? De fenomenologie gaat uit van ervaringen zoals het individu, en vele individuen, die opdoen, en brengt zo mogelijk alle aspecten van het fenomeen aan het licht. Die fenomenologie brengt ook de artistieke verwerking van ervaringen in het spel, die haar neerslag vindt in films, literatuur, theater, muziek, schilderkunst, beeldhouwkunst en danskunst. Verder volgt ze het wetenschappelijke onderzoek naar ervaringen om ook genetische, epigenetische, biologische, biochemische, neurobiologische, psychologische, sociologische, etnologische, cultuurhistorische en theologische aspecten van het fenomeen in haar beschouwing te betrekken. Belangrijk zijn de bijkomstige (accidentele) aspecten, net zoals de wezenlijke (substantiële), zonder hiermee te beweren dat eenduidig is vast te stellen wat in het concrete geval wezenlijk of bijkomstig is. Het is bovendien belangrijk om het fenomeen niet alleen te beschouwen bij zijn aan-, maar ook bij zijn afwezigheid, om daaruit conclusies te trekken: wat gebeurt er als de liefde verdwijnt? Is er een leven zonder liefde mogelijk? Is er liefde mogelijk zonder haar notoire moeilijkheden? Is een leven zonder liefdesproblemen niet een beter leven? Waarom zouden we nog in de liefde geloven? Hebben mensen liefde nodig? En zo ja, waarom?

Liefde is om te beginnen alleen maar een woord. Het gaat erom wat eronder begrepen wordt. Dat ‘begrijpen’, aanvankelijk niet meer dan een vage notie, een onduidelijke gedachte, krijgt scherpere contouren in een begrip, dat meer is dan een woord, namelijk een woord plus x; plus alles wat aan ervaringen, verlangens, angsten en voorstellingen meevibreert en erbij wordt gedacht. De filosofie maakt dit impliciete complex expliciet en probeert het begrip te verhelderen en misschien opnieuw te definiëren. Het begrip (het Latijnse woord luidt terminus) is haar gereedschap en het ‘werk aan het begrip’ pakt ze terminologisch aan: dit begrijpen dient het beter doorgronden van samenhangen, van zin, en biedt een goed handvat om zich eventueel aan veranderingen te wagen. Men ziet de betekenis van dit werk gemakkelijk over het hoofd, maar begrippen behoren tot de binnenste kern van de mens, die zich in zijn leven voortdurend door begrippen laat leiden, zoals door het begrip vrijheid (‘kom niet aan m’n vrijheid’). Begrippen zijn ook onmisbaar als instrument voor communicatie, ofschoon ze vaak misverstanden veroorzaken, want verschillende mensen hebben verschillende begrippen die op verraderlijke wijze in dezelfde woorden gehuld zijn. Wat nu de liefde betreft zijn er geen twee mensen die over hetzelfde begrip beschikken, terwijl ze dat juist wel veronderstellen. Ze hebben verwachtingen van elkaar die de een of de ander op grond van zijn begrip volkomen vreemd zijn. Niets aan een begrip is vanzelfsprekend, en daarom moeten we steeds opnieuw vragen welke ervaringen, diepe verlangens, angsten en voorstellingen eraan ten grondslag liggen; of het begrip überhaupt nog een reëel gehalte heeft, dan wel een doel op zichzelf geworden is. In het uiterste geval moet het gewijzigd worden, zodat het beter strookt met de ervaringen, andere voorstellingen uitdrukt en mogelijkheden opent voor nieuwe ervaringen: hoe kunnen we de liefde op een andere manier begrijpen om beter met haar om te gaan?
Bij de omgang met het werkelijke en het zoeken naar het mogelijke komt de filosofie op haar weg naar de wijsheid uiteindelijk op een punt waarop het mogelijk is om het gehele fenomeen in zijn samenhang te zien, en dus synoptisch te werk te gaan: de filosofie opent een uitzicht over het geheel en kan voor een moment de vernauwing van de waarneming tenietdoen die onvermijdelijk in de onbewuste alledaagsheid van het leven optreedt. Voor de liefde vereist dit een verbreding van de blik, die alle soorten liefde moet omvatten, want het fenomeen strekt zich veel verder uit dan de liefde van geliefden en betreft ook de liefde tussen ouders en kinderen, tussen kinderen onderling en tussen grootouders en kleinkinderen; bovendien betreft het de liefde voor vrienden in enge en bredere zin, voor collega’s en voor onze ‘naasten’ in het algemeen, ook die jegens vijanden, en ten slotte de liefde voor dieren en de hele natuur, voor dingen, zowel materiële als ideële, voor het leven en de wereld in het algemeen; voor sommige mensen kan ook de liefde voor een dimensie van transcendentie, voor de kosmos en voor God van belang zijn. Wie ook maar een deel van het hele spectrum voor zichzelf ontsluit, hoeft nooit gebrek aan liefde te hebben en zal zich niet van het lukken of mislukken van één enkele relatie afhankelijk voelen. Bij alle plezier in het doorgronden, het beschouwen en begrijpen van een fenomeen als de liefde, in detail en over het geheel, is het op de weg naar wijsheid echter uiteindelijk het voornaamste om voor een weloverwogen omgang ermee te zoeken naar gronden, en die tegen elkaar af te wegen. Bij deze argumentatieve methode kan de filosofie behulpzaam zijn door een poristiek te worden; het zoeken naar de juiste weg (poros in het Grieks). Ze helpt dan door alles wat voor of tegen een bepaalde keuze pleit te overdenken, maar handhaaft daarbij de optionaliteit, dus zonder normativiteit die het individu al te zeer zou vastleggen. De concrete mens maakt zelf zijn keuze, en om die zinvol te maken gaat hij daarbij uit van gronden die hij in zijn denken en voelen voldoende heeft afgewogen en als overtuigend beschouwt: hijzelf moet later met zijn gehele leven ook voor de consequenties instaan. Die gronden kan hij alleen overwegen, maar als hij slim is doet hij dat met anderen, om met meer dan de eigen gronden rekening te kunnen houden en zo grotere zekerheid te verkrijgen. Het is heel belangrijk om een keuze zo goed mogelijk te funderen, want alleen wat goed gefundeerd is, heeft bestendigheid bij de vele moeilijkheden van het leven en het liefhebben. Als goede gronden komen niet alleen overwegingen, maar ook gevoelens in aanmerking, en niet alleen algemene gronden zijn van belang, die bijvoorbeeld voor of tegen relaties, en in het bijzonder de liefdesrelatie, pleiten, maar ook de specifieke gronden voor of tegen een gegeven relatie.
Waar dient dit alles voor? Wanneer mensen liefhebben, kan er klaarblijkelijk een overdaad aan zin, aan samenhangen ontstaan, en wel op verschillende niveaus van het mens-zijn: zelfs de negatie van de liefde verwijst nog naar dit potentieel van zin: het gemis aan liefde van waaruit men ernaar verlangt, de haat die haar doet vervloeken, de teleurstelling die ertoe leidt dat men niets meer van haar weten wil. ‘Geef de liefde op,’ eiste Kazimir Malevitsj in de tijd voor de Russische revolutie, en hij zag daarin de voorwaarde voor een nieuwe cultuur. Als we echter willen streven naar een culturele, en als voorwaarde daarvoor, naar een individuele vernieuwing, dan wordt daarvoor de liefde als bron van zin gebruikt en gaat het erom haar te hervinden en ook opnieuw uit te vinden: de heruitvinding van de liefde in een tijdperk dat aan haar wanhoopt. Juist het failliet van een overgeleverde idee kan het begin worden van een nieuwe, precies zoals de schilder Malevitsj zijn Zwart vierkant een nieuwe kunst liet inluiden toen hij klaar was met de oude. Ook in de liefde zouden we moeten teruggaan naar de idee ervan, om te kijken of we haar kunnen veranderen. Overal waar een werkelijkheid problematisch wordt, kan de reden daarvan een idee zijn die mede aan die werkelijkheid ten grondslag ligt. En als de liefde nu eens in essentie een onmogelijke idee is? In dat geval is er juist helemaal geen reden om van haar af te zien: de weg van de mensheid is geplaveid met onmogelijkheden die toch werkelijkheid werden. Een probleem is alleen dat elke idee die met ijzeren logica wordt nagestreefd tot een ideologie kan worden; dat lijkt het geval te zijn geweest met de romantische liefde: de idee van een geluk dat de geliefden tot in alle eeuwigheid goede gevoelens in het vooruitzicht stelt, terwijl de subjecten elkaar in het dagelijkse leven met een veel minder goed humeur in de weg staan.
De liefde stikt als ze steeds alleen maar liefde moet zijn. Een andere idee, die de liefde leefbaarder zou kunnen maken, is die van een ademende liefde; vooropgesteld dat een leefbare liefde wenselijk wordt geacht. De liefde opnieuw uitvinden betekent zoveel als de liefde laten ademen. En ze kan ademen als de geliefden zich niet alleen met elkaar, maar ook met hun eigen ik bezighouden, en ze tussen verschillende niveaus van de liefde heen en weer kunnen gaan, om elkaar op steeds andere wijze tegemoet te treden.

De liefde moet kunnen ademen tussen tegenstellingen die zo problematisch zijn voor wie op romantische wijze liefheeft: tussen nabijheid en afstand, vreugde en ergernis, lust en pijn, extase en de dagelijkse sleur, het ongewone en het gewone, gevoel en gewoonte, mogelijkheid en werkelijkheid, verlangen naar een gedroomde wereld en aanpassing aan de nare wereld die we om ons heen aantreffen, maar waarin het wel mogelijk is te werken aan een andere wereld wat het kleinste en het meest alledaagse aangaat. Ademen kan de liefde die enerzijds ruimte biedt aan een nuchter pragmatisme, maar anderzijds de gevoelvolle romantiek niet prijsgeeft, want aan louter nuchterheid kan niemand zich warmen; de liefde stikt ook wanneer ze nooit liefde mag zijn. Een pragmatisch-romantische liefde vormt het antwoord op de stormloop van het pragmatisme in de zeer recente moderne tijd, en waagt zich aan de redding van de romantiek; echter niet door pragmatische elementen af te weren, maar door die op te nemen, teneinde beter overweg te kunnen met ergernis, dagelijkse sleur, verraad, ruzie, het ontberen van liefde en andere uitdagingen.
De andere, ademende, liefde wordt het kenmerk van een alternatieve moderniteit, en een vernieuwde kunst van het beminnen kan onder gewijzigde auspiciën een element van de levenskunst worden. Die kunst moet alle verschijningsvormen van liefde en alle soorten relaties omvatten, en beginnen – niet eindigen – met de liefde tussen twee personen. De band tussen twee mensen, ooit gewaarborgd door schijnbaar objectieve krachten van religie, traditie, conventie en natuur, is nu aangewezen op de subjectieve krachten van grote welwillendheid jegens elkaar, anders zal, in elk geval gezien de eisen die de vrijheid stelt, een liefde van langere duur nauwelijks nog mogelijk zijn. Pas wanneer we de uitdagingen van de moderniteit het hoofd hebben geboden, zal er een nieuwe lichtheid van het beminnen ontstaan, die geen inspannende bewustheid meer nodig heeft. De heruitvinding van de liefde en een nieuwe fundering van de kunst van het beminnen zijn uiteindelijk echter een zaak van de geliefden zelf, die van hun eigen concrete voorwaarden moeten uitgaan om de mogelijkheden van deze zonderlinge wijze van existeren opnieuw te exploreren, uit te proberen en eruit te halen wat erin zit. Aan de pogingen die ze wagen, mogen ze geen algemene verplichtingen voor anderen verbinden. Een filosofie van de liefde en de levenskunst kan hun theoretische impulsen geven, maar waar het om gaat is hun eigen praktische creativiteit die de liefde steeds opnieuw een gezicht geeft, en zo haar geschiedenis ad infinitum voortzet.

Auteursportret © Benno Kraehahn

Uitgeverij Ambo|Anthos

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum