Leesfragment: De Revisor, halfjaarboek 2011-1

26 augustus 2011 , door Elke Geurts
| | | |

Dit weekend verschijnt het tweede halfjaarboek van De Revisor. Dit tweede nummer onder nieuwe redactie bevat proza van Sanneke van Hassel, Gerbrand Bakker, Rob van Essen, Elke Geurts en Bart Koubaa. Poëzie van Anneke Brassinga, Martijn den Ouden, Hans Groenewegen, Euf Lindeboom en Victor Schiferli. Essays van Daniel Cunin, Erik Lindner, Daan Stoffelsen, Mischa Andriessen en Jan van Mersbergen. En in het hart van De Revisor: brieven van Peter Terrin aan Christophe Vekemans.

Deze nacht kunt u alvast het verhaal lezen van Elke Geurts.

 

Terug naar huis

‘Is er wel iemand bij wie ze op dit tijdstip terechtkan?’ zegt de nachtverpleegkundige. Mijn vader, Leo, staat in het midden van de hal en staart over het mens heen naar de draadglasdeuren. Zolang de gang daarachter maar leeg blijft.
‘Is er iemand, meneer Van der Poelgeest?’
‘Ze heeft de huissleutels,’ zegt Leo. ‘Dat is voldoende.’
In dit licht zie ik dat ik hem weken geleden al had moeten bijknippen. Achter de brillenglazen valt zijn pony in zijn ogen. Leo’s haar heeft een vreemde valling, kaarsrecht naar voren, de structuur ervan is dik en stug, en het laat zich nauwelijks dwingen, maar dat is een uitdaging voor iemand die de kappersopleiding doet. Het ziet er nu extra beroerd uit omdat er helemaal geen hair shaper in zit. Niets. Ik doe ’s ochtends de fixatie. Maar sinds de baby schiet dat er soms bij in.
‘Het is haar zusje, meneer Van der Poelgeest.’
‘Erica is bijna zestien,’ zegt Leo.
Toen ik mijn zusjes dikke, donkere bos voor het eerst zag, herkende ik de structuur ervan meteen. En de valling. Al was het nog nesthaar. Ik denk dat het bij hen zo naar voren valt, omdat hun kruinen veel verder naar achteren liggen dan bij normale mensen. Mijn moeder, Erna, is kruinloos en ik ook. We hebben aardige krullen, maar wie iets beter kijkt, de professional, of wie naar de kappersschool gaat, ziet onze hoofdhuid erdoorheen schemeren en de schilfers die loslaten. Ik moet ons haar elke dag föhnen om de lege plekken te vullen. Om volume te creëren.
‘Meneer Van der Poelgeest,’ zegt het mens. En nog een keer.
‘Erica is heel zelfstandig.’
‘Ze heeft nu iemand nodig, meneer.’
De stem van het mens klinkt niet om aan te horen zo serieus, met dat gemeneer steeds, dat ik moeite moet doen om niet te lachen. En dan die strokop erbij.
‘Wij hebben niemand nodig,’ zeg ik. ‘Wij Poelgeesten.’
‘Zelfstandigheid heeft bij ons de hoogste prioriteit,’ zegt Leo.
Ze komt op me af lopen. Hoe langer ik naar het mens in haar witte uniform kijk, hoe vermoeider ze eruit begint te zien, hoe meer vlekken er in haar gezicht en hals tevoorschijn komen en nu transformeert ze hier, voor mijn neus, ook nog in een bonte koe. Ik houd het niet langer.
‘Ze kan in shock zijn,’ zegt ze.
‘Ik ben niet in shock!’ Ja, ik zal misschien in shock raken als ik de rest van de nacht nog tegen deze koeienkop aan moet kijken. Het is ook maar het beste dat ik ga. Ze buigt zich naar me toe, haar koeienogen op mij gericht, en ik krijg ontzettend de slappe lach. Het idee dat ze, als ze dadelijk haar mond opendoet, ook nog zal gaan loeien.
Ze zegt: ‘Weet je nog waar je vandaan kwam?’
‘Kun je nog meer dieren?’
‘Even serieus. Weet je nog waar de spoedeisende hulp zit? Daar zullen ze een taxi voor je bellen.’
‘Ik ben serieus. Ik hou meer van honden.’
Ik val bijna van de rij aan elkaar gemonteerde, oranje ziekenhuisstoeltjes. Terwijl het helemaal niet om te lachen is. Dit. En ook nog eens allemaal mijn schuld.
‘U hoeft zich over Erica geen zorgen te maken,’ zegt Leo, ‘zij vindt de weg wel.’
‘Mevrouw Van der Poelgeest?’ zegt het mens.
‘Laat haar met rust, ja,’ zeg ik.
Erna, mijn moeder, zit op de rij stoelen tegenover me onophoudelijk aan de muizen van haar hand te knagen. Ze heeft nog geen woord gezegd. Maar goed ook. Niemand anders zou haar rare brabbeltaaltje hebben kunnen verstaan. Met haar achterwerk neemt ze twee zittingen in beslag, maar haar hoofdje neemt nauwelijks plek in. Ter compensatie. Omdat ze voor mij hetzelfde vreesden, hebben die lui van het consultatiebureau de groei van mijn schedelomtrek jarenlang scherp in de gaten gehouden. Het had niet veel gescheeld of mijn schedel moest worden opengezaagd om mijn hersenen de ruimte te geven, maar precies op tijd, de zaagtanden stonden al in mijn hoofdhuid, boog de curve af. Toch nog de goede kant op. Mijn hoofd begon met groeien. Al moeten de contouren ervan nog steeds ergens op de onderste ondergrens schommelen.
Ik denk dat ze het beter wel hadden kunnen doen. Als ze hier, in mijn hersenpan, niet zo opgepropt hadden gezeten met z’n allen, had ik meer overzicht gehad. Mijn hersens vreten elkaar aan, als beesten in de bio-industrie.
Dan hadden we nu niet in de wachtruimte van het Academisch Medisch Centrum gezeten, om drie uur ’s nachts. Met aan de ene kant de liftdeuren naar het leven en aan de andere kant de glazen deuren waarachter kinderen op sterven liggen. Mijn ouders hebben het recht om hier te blijven maar er is geen plek voor dríé extra mensen en nee, ik mag absoluut niet op deze stoeltjes overnachten. Dat is nu eenmaal het protocol en als het protocol niet nageleefd wordt, zou het een zootje worden en dat willen we niet. We zijn hier namelijk wel op de afdeling voor doodzieke kinderen.
‘Doodziek?’ zeg ik.
‘Doodziek,’ zegt het mens. ‘Doodziek, Erica.’
Al vanaf het eerste moment dat ik haar zag, haat ik haar.
Ik heb mijn zusje nog maar net overgeleverd aan het personeel, of nou ja, zij hebben haar bij de ingang van de spoedeisende hulp zonder iets te zeggen uit mijn handen gegrist, ik ben de taxi nog niet uit of ik zie mezelf door lange ziekenhuisgangen hollen, achter de witte troepen aan, het mortuarium voorbij, lift in, lift uit, alsof mijn zusje ineens hun eigendom is geworden, en ergens helemaal bovenin leggen ze haar vast aan apparaten, slangen en zakjes, ze knippen haar nieuwe zonnetjespyjama doormidden en het rompertje ook, ze scheuren de luier van haar billen en drukken een naald in het onderruggetje, ik zie hoe die vadsige kinderarts – met zijn jas nog aan – het botte ijzer op het heiligbeen van mijn zusje zet en duwt, met zijn hele gewicht duwt hij, waarop mijn zusje weer begint te kotsen en te kotsen, al komt er niets meer uit, ik herhaal haar naam – die ik bedacht heb – en probeer in haar ogen te kijken maar die draaien steeds weg, en dan doet ze niets meer, het bellen begint, de artsen rennen van links naar rechts, haar naam gonst overal, en ik zit hier maar en ik zie verpleegkundigen dingen naar elkaar seinen, ik zie de naar buiten gedraaide voetzooltjes van mijn zusje, en meteen de gipsen afdrukken ervan op mijn nachtkastje, als aandenken, naast een geplastificeerd plukje haar, en ik zit hier maar in het oog van de orkaan, met de neuzen van mijn All Stars naar buiten gekeerd, met mijn doorschijnende krulhaar, anderhalf uur geleden bestond er op de wereld alleen een hangerige baby waarmee ik voor de zekerheid eventjes langs de avonddokter fietste, omdat ik zelf zo graag wilde slapen, anderhalf uur geleden vervloekte ik mijn zusje nog gewoon, nu zit ik hier en beweegt ze dus niet meer, en alle apparatuur om ons heen piept, haar bed piept, de hele ruimte piept, golft en licht steeds verder op, totdat ze de baby – zonder op of om te kijken – van mij weg beginnen te rollen, de kamer door, de gang op, ik hoor iemand haar naam schreeuwen, haar geweldige naam, steeds harder en harder, en het duurt best lang voor ik in het geschreeuw mijn eigen stem herken.
Het mens staat ineens recht voor mijn neus. Ze heeft haar jas nog aan. Wallen. Futloos haar. Gespleten punten. Daarom haat ik haar meteen.
‘Laat me erdoor,’ zeg ik.
Ze verspert de doorgang, terwijl achter haar mijn zusje in een wolk van artsen verdwijnt. Ze zou bodybuilder shampoo moeten gebruiken om het weer een beetje tot leven te brengen en daarna dynamite rebuilder extra strong. De meest intensieve haarherstelbehandeling die er bestaat. Maar dan nog zou ik haar haten.
‘Mijn zusje.’
‘Ik weet het allemaal. Baby Van der Poelgeest. Ze brengen haar naar de afdeling radiologie.’
‘Summer is haar naam,’ zeg ik. ‘Summer van der Poelgeest. Mooi toch?’
Ze pakt mijn arm.
‘Laat me los.’
‘Kalm maar.’
‘Ik moet naar haar toe.’
‘Ze krijgt nu een mri-scan. Daar mag niemand bij zijn. Het is gevaarlijke straling.’
‘Waarom krijgt ze dat?’
‘Om abcessen uit te sluiten.’
Ze zet me in een bloedheet kamertje en trekt de deur dicht. Ze geeft me een bekertje lauw water. Ik haat ook haar uitpuilende ogen en de manier waarop ze haar jas uittrekt, hoe ze naar de wasbak loopt en de kraan opendraait om haar handen te wassen. Alsof deze avond routine is, alsof mijn zusje en haar abcessen routine zijn.
Het mens blijft haar handen maar insmeren met desinfecterende gel, terwijl op datzelfde moment ergens in dit gebouw een meisje – nog geen meter lang, nog geen jaar oud – in een scanner wordt geschoven. Als een opbakbroodje. Met voetjes waar nog nooit op is gelopen, van hetzelfde materiaal als ik, mijn zusje. Misschien gaat ze op dit moment al wel het vriesvak in. Baby Van der Poelgeest. Deurtje dicht. Begin- en einddatum erop. Poppetje gezien. Nooit meer kiekeboe. En even verderop zit de schuldige slokjes lauw water te drinken.
‘Waar zijn jullie ouders?’
Ik denk dat ik haar om die vraag nog het meest haat. Ik moet er meteen van huilen. Leo en Erna weten van niets, of misschien intussen al wel, het schiet me ineens te binnen dat ergens iemand in de afgelopen uren iets over hen heeft gezegd, maar ik weet niet meer wie dat was en wat er is besproken. Ik weet alleen dat ik zelf niet over die twee begonnen ben. Het is al erg genoeg zo.
Ik huil denk ik omdat ik daarvoor nog hoopte dat ik ’s ochtends met mijn zusje thuis zou komen, alsof er niets gebeurd was. Als ze maar niet steeds spuugt, als ze maar iets meer toonbaar is en een beetje levendiger. Dan zou ik dit allemaal gemakkelijk hebben kunnen vergeten, daar ben ik goed in, dingen vergeten. Ze in eerste instantie niet eens onthouden. Vanwege mijn kleinhoofdigheid. Maar waarschijnlijk huil ik omdat ik ook wel begrijp dat als zo’n mens ineens over mijn ouders begint, het wel echt heel slecht moet gaan met de baby. En de hond is ook al een tijdje dood.
Het eerste wat mensen mij altijd vragen als ze mijn ouders gezien hebben, is hoe het in godsnaam mogelijk is dat zij ooit bij elkaar zijn gekomen.
‘Twee zulke verschillende mensen, met zulke verschillende manieren van denken.’ Al heeft Erna helemaal geen manier van denken.
‘Hoe bestaat het dat er tussen die twee een vonk is overgeslagen?’
‘Dat is het raadsel van de liefde.’ Het is mijn standaardantwoord. Want hoe moet ik dat nou weten? Ik was er toch niet bij toen Leo en Erna elkaar ontmoetten. Dat kan mijn schuld tenminste niet zijn. Leo, toen nog student taalwetenschappen, trok zestien jaar geleden op zijn fiets langs dorpjes aan de rafelrand van Nederland en toen hij ergens in een supermarkt Erna hoorde praten, dacht hij dat hij met de vakkenvulster van de Troefmarkt een heel nieuwe taal had ontdekt, of een alweer verdwijnende taal, in elk geval nog door niemand in kaart gebracht, en hij zag voor zich hoe hij de geschiedenis in zou gaan als de redder én de ontdekker ervan.
‘Toen ik haar voor het eerst hoorde praten, dacht ik dat het Oppersorbisch was,’ zegt Leo altijd. ‘Hoe je moeder mij in die supermarkt de weg naar de pitloze, groene druiven vertelde. Ik was dit idioom nog nooit in het wild tegengekomen. Dit moest de bedreigde taal zijn. Het was in elk geval een minderheidstaal en het had absoluut verwantschap met het Oppersorbisch. De tranen sprongen in mijn ogen. In het begin vond ik alles prachtig, wat ze ook zei. Het was allemaal even mysterieus.’
‘In het begin ja.’ Hier onderbreek ik zijn verhaal meestal. ‘En toen kwam ik. En toen zat je aan het mysterie vast. De ellende.’
‘Op zo’n moment is het in feite je verantwoordelijkheid of je leven,’ zegt mijn vader dan altijd. ‘Maar wil een taal gezond blijven dan moet hij door kinderen worden gesproken.’
Dus hij koos voor mij.
Ik lig nog steeds gestrekt over het rijtje stoelen te schudden van het lachen. Het mens heeft op het liftknopje gedrukt. Ergens beneden komt er beweging in de zaak.
‘Kalm maar, Erica.’ Ze trekt me aan mijn arm omhoog.
‘Het is zowat stro,’ zeg ik. ‘Doe je wel iets aan haircare? Dat is heel belangrijk.’
‘Je mag trots op jezelf zijn,’ zegt ze. ‘Je had geen halfuur later hier moeten arriveren.’
‘Je haar is bijna dood.’ Leo’s grote missie is dode talen nieuw leven inblazen en ik heb een beetje hetzelfde met dood haar. Al weet ik best dat dat er niet zoveel toe doet in de wereld.
‘Je bent een geweldige grote zus.’
‘Laat me los.’
‘En jíj laat je zusje nu los, goed? Jij gaat thuis even slapen. En dan kom je morgen gewoon weer hier terug.’
Ze zegt ook nog dat mijn zusje hier in goede handen is, in betere handen kan ze niet zijn. We kunnen nu met z’n allen toch niets anders doen dan afwachten of de antibiotica aan gaat slaan en hoe ze erop zal reageren. De bacterie die haar hoofd in is gekropen, wordt in het laboratorium op kweek gezet.
‘We moeten wachten tot er een beestje uit is gegroeid,’ zegt ze. ‘Om te kijken wat voor beestje het precies is. Zodat we hem gericht kunnen gaan bestrijden.’
‘Een beestje?’
‘Ja, een beestje,’ zegt ze. ‘We dragen allemaal beestjes met ons mee, dat is verder normaal, maar dat ze ons hoofd binnen dringen is niet normaal.’
‘Hebben ze ook pootjes?’
‘Eh nee, geen pootjes,’ zegt ze.
‘Maar hoe...’
‘Eh, volgens mij glijden ze,’ zegt ze.
Terwijl het mens haar goede hoop uitspreekt dat mijn zusje deze nacht rustig door zal slapen, dat slaap nu het belangrijkste is wat er bestaat, voor mij trouwens ook, en ze me ervan verzekert dat ze echt meteen zal bellen als er ook maar iets in haar situatie verandert, zie ik de beestjes een voor een het hoofd van mijn zusje in glijden en ik heb er niets aan gedaan om ze tegen te houden.
De liftdeuren schuiven open en ik stap in.
‘Nou, dan ga ik maar,’ zeg ik tegen mijn ouders. ‘Bal, bal, hè?’
De gang waar Leo onafgebroken naar staart, ligt er nog steeds verlaten bij. Dat is goed. Geen leven in de gang, betekent dat iedereen ademt. Erna kluift haar handen af als karbonaadjes. Regel één in deze wereld: onze moeder nooit storen als ze bezig is.
‘Welterusten dan maar, hè? Wel echt bellen, hè? Hou jullie taai, hè? Sorry. Voor alles.’ Ik zwaai naar hen, mijn hand open- en dichtknijpend, zoals mijn zusje zwaait.
Als ik wegga, steekt ze één arm in de lucht en begint haar handje open te maken en dicht te knijpen, almaar open en dicht. Ze lacht hard.
‘Dag, dag,’ zeg ik dan.
‘Bal, bal,’ zegt zij. Mijn zusje heeft voor alles in de wereld nog maar één woord.
Als ik dan even later, met mijn fiets in mijn hand, stilsta om door de erker naar binnen te gluren, zit ze nog op de vloer van onze woonkamer te zwaaien. Met haar gezicht naar de dichte deur toe gedraaid. En als ze me per ongeluk voor het raam ziet staan, barst ze in huilen uit.
Zoals gisteren. De tranen stroomden over haar wangen, achteraf gezien waren die toen al abnormaal rood. Ze stak allebei haar armen naar mij uit. Maar in de spiegeling van het glas fatsoeneerde ik mijn haar nog snel. Ik kneedde volume in mijn krullen, zoals je je dekbed opschudt om lucht tussen de veertjes te houden. Het duurde lang, ik kreeg er haast geen lucht in, omdat ik een bad hair day had. Daarna draaide ik me om en fietste weg. Zodra ik de hoek van de straat om was, vergat ik haar totaal en haar wangen. Ik dacht aan de Duitse jongen die in het Vondelpark op mij zou wachten. Ik dacht vooral aan mijn bad hair day en dat ik in de Cosmo gelezen had dat bad hair days nadelig zijn voor je mentale gezondheid. Het is wetenschappelijk aangetoond dat ze een negatief effect op je eigenwaarde hebben. De liftdeuren zijn al aan het dichtgaan als Erna plotseling haar handen uit haar mond haalt. Ze kijkt naar me en knijpt haar dikke, natte vingers open en dicht, open en dicht. Van haar lippen lees ik: ‘Bal, bal.’ Maar waarschijnlijk verzin ik dat.
Dan zak ik in één keer weg. Het leven in.
Ik volg de bordjes spoedeisende hulp in een spookachtig, half verlicht gebied. Een uitgestorven labyrint van ziekenhuisgangen. Dat is alleen maar goed. Deuren die zich openen en ook weer vanzelf achter mij sluiten. Overal dat geurtje. Ik ken het alleen van chemische kleurspoelingen.
In de taxi krab ik de restjes van mijn zusjes braaksel van mijn hand. De teller draait. De kale chauffeur steekt een sigaret op. Ik had hem meteen herkend, van de heenweg. Aan de vorm van zijn schedel. Ik was bang dat hij me nu niet mee zou willen nemen, vanwege de kots op zijn achterbank.
‘Waar moet je naartoe?’ vraagt hij alleen maar.
‘Terug naar huis,’ zeg ik. ‘Weet u nog?’
‘Hoe moet ik dat weten?’ zegt hij.
‘Mijn zusje is doodziek zeggen ze.’
‘Elk mens heeft zo z’n eigen problemen,’ zegt hij. ‘Daar moet je de ander niet mee lastig vallen. Waar gaan we heen?’
‘Sorry,’ zeg ik. En: ‘Let niet op mijn haar. U dacht zeker: heb je dat meisje met dat haar weer?’
‘Adres,’ zegt hij, ‘is dat nou zo moeilijk? A-dres.’
We draaien de snelweg op, maar goed dat ik de gordels omgedaan heb. Met mijn vinger volg ik de contouren van de vieze vlek naast mij. Het bewijs dat ze hier net was. Traanogen van de rook. Ik bevoel mijn haar. Het kan zo niet langer. Dit is al de derde dag op een rij. Misschien moet ik me opsluiten tot deze dagen voorbij zijn. Misschien moet ik me kaalscheren.

© Elke Geurts

Uitgeverij  Querido

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum