Leesfragment: De stiefmoeder

03 oktober 2010 , door Renate Dorrestein
|

5 oktober verschijnt de nieuwe roman van Renate Dorrestein, De stiefmoeder. Vanavond kunt al een deel uit het eerste hoofdstuk lezen, en uw exemplaar bestellen.

De succesvolle quiltmaakster Claire Paagman vertrekt voor een week naar Whitby om een prestigieuze kunstprijs in ontvangst te nemen. Samen met echtgenoot Axel had ze er een romantisch uitje van willen maken, met een verblijf in een vijfsterrenhotel aan de Engelse kust. Maar op het laatste moment besluit Axel thuis te blijven, en belandt de forse Claire tot haar verbijstering alleen in een te kort hotelbed.

Stukje bij beetje wordt duidelijk dat Axels afwezigheid alles te maken heeft met zijn dochter Josefien, voor wie Claire al twaalf jaar nuchter maar liefdevol zorgt. Sinds Josefien haar stiefmoeder in vertrouwen nam, staat het gezin onder hoogspanning.

 

Een

Hoelang is het al geleden dat ze in haar eentje in een hotel verbleef? Eenmaal getrouwd ben je geneigd aan elkaar te klitten als de twee kersen aan één steeltje die je vroeger als kind om je oren hing. Ook nogal lang geleden.
Het verrast haar hoe prettig het is om even niet aan iemand anders vast te zitten. Armslag. Beenruimte. Toen ze thuis de deur achter zich dichtsloeg, had ze deze opluchting niet voorzien. Het was helemaal niet de bedoeling geweest dat ze alleen op pad zou gaan. Blijkbaar doet het iets met je wanneer je in je eentje een nacht op een ferry doorbrengt en vervolgens een paar honderd kilometer over onbekende wegen rijdt: onderweg is ze een andere versie van zichzelf geworden. De oude Claire. De eigenlijke Claire.
Daarom hebben ‘zakenreizen’ dus zo’n dubieuze reputatie. Wie ver van huis uit een vliegtuig stapt, en dat hoeft niet eens Shanghai Airport te zijn, is niet meer de persoon die op Schiphol door een liefhebbend gezin werd uitgezwaaid.
Achter de piccolo loopt ze de kamer in. De vloerbedekking is zo dik dat hij veert. Er ligt een gouden zweem over, die zich herhaalt in de stof van de gedrapeerde gordijnen. De piccolo vlijt haar koffer liefdevol neer op een speciaal daarvoor bestemd meubel met gekrulde poten. Dat maak je niet vaak mee, dat iemand een koffer neerlegt alsof het zijn vrouw is.
Als hij weg is, vraagt ze zich af of ze hem een fooi had moeten geven. Ze kijkt naar het bed, waarin ze zonder Axel zal slapen. Met die massa weelderige kussens ziet het eruit alsof slapen hier maar bijzaak is. Een vreemd bed lijkt iets te beloven: je zult er dingen in beleven die thuis buiten je bereik liggen of waaraan je gewoon nooit denkt. Zelfs voor mensen die sinds mensenheugenis samen reizen, kan zo’n bed een enorme opkikker betekenen.
Na hoeveel jaren eigenlijk gaan paren voor het gemak anders over seks denken? Wanneer beginnen we onszelf en elkaar wijs te maken dat de doorzwete nachten van weleer niets voorstelden in vergelijking met de knusse, verknochte, geroutineerde handelingen van nu? In hoeveel bedden, meestal thuis, wacht de een op een signaal van de ander, loyaal en berustend: als jij iets wilt, doe ik wel mee?
Al na twee jaar, volgens onderzoek. Axel is dol op populair- wetenschappelijk onderzoek, hij leest haar op zondagochtend bij het ontbijt graag voor uit krantenbijlages over de nieuwste inzichten op het gebied van breinsprongen of vogelmigratie. Maar van Axel en haar kun je niet zeggen dat ze al zo snel uitgeblust waren. Twaalf jaar getrouwd, en niettemin hebben ze drie dagen geleden nog hartstochtelijk gevreeën. Voordat de bom barstte, zogezegd.
Ze moet haar koffer uitpakken en een plan maken voor de rest van de middag, haar enige vrije middag, in plaats van hier om zich heen te staren als iemand die in een betoverd woud is beland. Het is maar een hotelkamer, Claire. Een hotelkamer met zeezicht, dat wel. Ze opent de balkondeuren en stapt naar buiten. Even bekruipt haar een onwezenlijk gevoel, alsof alles om haar heen van kleur verschiet. Alsof een grote schaar opeens een knip in de werkelijkheid zet waar al het rood, geel en blauw uit de wereld door weglekt, als ijs uit een hoorntje.
Ze loopt naar de rand van het balkon en leunt tegen de balustrade. Ze is bekaf van de lange autorit, dat moet het zijn. En het licht hier, zo pal aan zee, is natuurlijk anders dan ze gewend is, ijler, witter. Wat een mooie dag is het. Je zou je in Italië wanen in plaats van aan de Engelse kust. De zon vonkt in de frames van de ligstoelen op het strand beneden haar. Het is windstil, de zee ligt er loom bij.
Schoenen uit. Heeft ze eraan gedacht slippers mee te nemen? Door die hele toestand met Axel heeft ze er haar hoofd niet goed bij kunnen houden.
Op blote voeten loopt ze naar binnen en ritst haar koffer open. Boven op haar kleren ligt het plastic mapje met de toespraak die ze morgen zal houden. Mensen bedanken is nooit haar sterkste kant geweest. Het maakt haar bij voorbaat humeurig haar erkentelijkheid voor iets te moeten betuigen. En dankbaarheid betonen voor de waardering die haar werk nu opeens ten deel is gevallen, ligt haar al helemaal niet. Wat zij maakt is goed zoals het is, of beter gezegd, het is zoals het is. Andermans oordeel voegt er niets aan toe en doet er niets aan af.
Maar morgen zal niemand iets van haar tegenzin merken. Ze heeft een stem die onder alle omstandigheden zacht, warm en vriendelijk klinkt. Een ronduit lieve stem. Een suja-suja-kindjestem. Ze heeft haar hele leven hard aan die stem gewerkt. Inmiddels kan ze er de meest grove beledigingen mee uitspreken zonder dat de geadresseerden het lijken te merken. Die horen alleen maar het sujazoete timbre en hangen als gedrogeerd aan haar lippen. Ze denkt: ik word omringd door ezels en idioten.
Op de schrijftafel naast het bed, bij een boeket dat ongetwijfeld van Gregory afkomstig is, ziet ze de catalogus van haar expositie liggen. Ze zal er vanavond fatsoenshalve nog even in bladeren. Tot vervelens toe heeft ze de drukproeven gecorrigeerd.
Ze legt een stapeltje ondergoed in een la en stalt in de badkamer haar toiletartikelen uit op de brede rand van de wastafel. Sinds ze veertig is, smeert ze zoveel producten op haar gezicht dat het bijna lachwekkend wordt. Terwijl ze een tube zonnebrandolie opendraait, bestudeert ze de jacuzzi en de stoomcabine. De Royal Quilting Academy heeft in elk geval niet beknibbeld op het verblijf van hun eregast. Tevreden wast ze haar handen en keert terug naar haar koffer.
Ze schudt de kreukels uit het nachtblauwe zijden pak dat ze morgen bij het diner zal dragen. Het jasje heeft een geschulpte kraag en een zo uitgekiende snit dat zelfs een paard er nog een diva in zou lijken. Net heeft ze het over een ielig hotelhangertje gedrapeerd als de telefoon gaat. Ze ploft neer op het bed en grist de hoorn van de haak. Meteen wil alles in haar alleen nog maar snauwerig ‘Hello’ roepen, want ze merkt dat het bed te kort voor haar is. Wat heeft ze aan al die luxe hier als ze geen oog dicht zal kunnen doen tenzij ze zich diagonaal uitstrekt? Maar ze weet zich te beheersen en spint haar naam, zachtjes vibrerend, met een vraagteken erachter. ‘Claire Paagman?’
Dat ontwapent de mensen, zo’n vraagteken.
‘Claire Pacman!’
Ze trekt haar knieën op, maar blijft zich voelen als een sint-bernardshond in de mand van een teckel. ‘Hi, Gregory.’
‘Darling!’ zegt hij op een toon die geen tegenspraak duldt. ‘Love you heaps for coming over. Oh, sod it. It’s not just me. All of us adore you, of course.’
En in een flits heeft ze weer het gevoel dat er fundamenteel iets niet klópt. Dat ze vanuit haar ooghoek iets zíét, iets dat vervormd is, nee, niet vervormd, maar toch schrikbarend anders is dan het hoort te zijn. Of komt dat doordat er in haar hoofd opeens tientallen kleine poppetjes, struikelend over hun poppenbeentjes, een steiger op en af rennen terwijl ze met inspanning van al hun poppenkrachtjes een reusachtig spandoek omhoog hijsen waarop staat: serious opposition is a measure of succes?
Het zweet breekt haar uit. Waarin is ze terechtgekomen? Zal ze vanaf nu geen enkele weerstand meer ondervinden en louter met lof worden overladen? Heeft ze zich dan toch laten vermurwen, heeft ze onbewust willen behagen en is ze daardoor mainstream en salonfähig geworden?
Of ze een goede reis heeft gehad, informeert Gregory, voluit Sir Gregory Faithwhistle, van familiewege Earl of Duke van dit of dat en geridderd bovendien, maar bovenal de bestuursvoorzitter van de Royal Quilting Academy, oftewel de rqa, zoals hij de organisatie liefkozend noemt. En of ze hem het genoegen wil doen straks samen een hapje te gaan eten, dan kunnen ze meteen doornemen welke strategie ze zullen volgen met betrekking tot members of the press die een interview met haar hebben aangevraagd.
Ze kijkt naar haar vereelte vingertoppen. Dit gaat niet over mij, denkt ze, mijn verhaal gaat over iets anders.
Haar man is uiteraard ook welkom, hoort ze Gregory zeggen. Ze antwoordt dat ze alleen zal komen. Om half acht in de lobby? Goed, om half acht in de lobby, waar glimmende palmen in koperen potten staan die zo groot zijn dat je er een kind in zou kunnen gaarkoken, en waar het geklater van een fontein klinkt. Enigszins in de war legt ze de hoorn terug op het toestel. In plaats van zich bloot te stellen aan dit hele circus had ze het prijzengeld ook gewoon op haar bankrekening kunnen laten storten.
Vooruit, Claire. Het is feest. Zoiets maken we niet iedere dag mee. En het is pas half vier. Zal ze een strandwandeling gaan maken? Wat rondkijken in de ongetwijfeld pittoreske straten van het stadje? Iets drinken op een terrasje? De toerist uithangen, kortom. Heeft ze eigenlijk de pest aan.
Ze doorzoekt de half uitgepakte koffer. Geen slippers, geen sandalen. Dat geeft de rest van de middag in elk geval een doel. Snel verwisselt ze haar reiskleding voor een T-shirt en een wikkelrok. Beneden aan de balie zal een van de talrijke receptionistes, die eruitzien alsof ze driemaal daags met een strijkijzer worden bewerkt, haar wel de weg naar een schoenenwinkel kunnen wijzen. Vakvrouwen. Dat was daarnet al te merken aan het feit dat ze geen wenkbrauw optrokken toen zij de lobby binnenwandelde.

Buiten bespringt de badgastenpret haar. Rood verbrande vakantiegangers slepen krijsende kinderen voort over de boulevard. Straatverkopers leuren met parasols, badlakens, strandballen. Meeuwen maken onder kakelend gelach duikvluchten naar de uitpuilende prullenbakken. Er hangt een doordringende geur van frituur en zonnebrandolie.
Ze heeft nog geen twintig meter gelopen of ze voelt haar haar van de warmte al pluizen. Volgens haar kapper kan dat niet. Het pluizen niet en het voelen daarvan nog minder. Betweter. Het is al veertig jaar haar hoofd.
Bij de witte victoriaanse villa die dienstdoet als bingohal moet ze linksaf en dan steil omhoog, heeft het meisje achter de balie haar geïnstrueerd. You just follow the road, it will lead you directly into the High Street, Mrs Pacman.
Met het gevoel dat haar ziel en misschien zelfs ook haar verstand haar nog achterna moet reizen, stapt ze door. Haar lichaam is ontegenzeglijk hier aanwezig, maar het belangrijkste deel van haarzelf zit gewoon op haar atelier stoffen te sorteren, of is misschien net, traag en zonder veel animo, begonnen aan de overtocht van Hoek van Holland naar Hull. En dan volgt nog die hele rit aan de verkeerde kant van de weg: het kan best tot morgen duren voordat Mrs Pacman weer compleet en intact is.
Met de handen op de rug, als een schaatser, zwoegt ze over het beklinkerde wegdek omhoog. ‘Romantisch gelegen op een hoge klif’ heet dat in reisgidsentaal. Als Nederlander sta je er niet bij stil dat dit betekent dat iedere afstand tussen je hotel ‘paradijselijk pal aan zee’ en om het even welke andere bestemming in deze ‘koningin van de Engelse badplaatsen’ vrijwel verticaal zal moeten worden afgelegd.
Het rumoer van strand en boulevard vervaagt. Nu ze niet meer in de zon loopt, beseft ze dat ze een vest had moeten meenemen. Ondanks de inspanning krijgt ze het killer naarmate ze hoger klimt. De weg versmalt en wordt nog steiler. Het is alsof ze zich voortbeweegt over de ruggengraat van een reusachtig slapend prehistorisch reptiel dat haar elk moment, door het laten rollen van een enkele spier, van zich af zou kunnen werpen.
Zonder overgang denkt ze aan Axel. Ze heeft hem nog niet durven bellen om te zeggen dat ze veilig is aangekomen. Ze acht de kans te groot dat hij de hoorn op de haak zal smijten. Straks niet vergeten meteen tegen Sir Gregory te zeggen dat haar man op het laatste moment is... nou, ja, laat ze het maar verhinderd noemen. Anders zitten ze morgen bij het galadiner met een lege plek.
Zegeningen tellen, Claire. Met Axel erbij was dat hotelbed helemaal te krap geweest.
Maar ze voelt dat haar lippen beginnen te trillen.
Axel die altijd zegt: ‘Heerlijk dat er zoveel Claire is. Hoe meer Claire, hoe beter.’ Die dat altijd zei.
Ze is buiten adem wanneer ze eindelijk High Street in slaat, een middeleeuws smalle, duistere sleuf. De winkels zijn voorzien van namen zoals Ye Olde Tea Shoppe en Magick Musick Fayre, in al even rustieke belettering. Bijna loopt ze tegen een manshoge houten minstreel aan die met geloken ogen op een luit tokkelt. Wie op zoek is naar een spinnewiel of een maliënkolder, kan hier zijn hart ophalen.
Haar oog valt op een etalage vol identieke capes. Zwart, met een rode voering en een opstaande kraag. Midden op de ruit hangt een zwart omkaderde tekst, als een doodsbericht. ‘I am Dracula; and I bid you welcome, Mr Harker, to my house. Come in; the night air is chill, and you must need to eat and rest.’
Ernaast bevindt zich de schoenenwinkel, ziet ze nu. Volgens de receptioniste de beste in de stad. Ze moet zich bij het naar binnen gaan bukken om niet haar hoofd te stoten tegen het middeleeuwse deurpostje. Achter in de zaak staan twee vrouwen bij de toonbank te kletsen. Verder is er niemand. Hoe zat het ook alweer met die Engelse maten? Bewonderenswaardig eigengereid en halsstarrig volk.
Terwijl ze keurend langs de rekken sandalen loopt, voelt ze de ogen van de verkoopsters op zich rusten. Zo groot en dan ook nog zo dik, je moet het maar durven. Dat er inderdaad lef voor nodig is om zoveel ruimte in te nemen, kan ze niet ontkennen. Met haar volume gaat ze nooit eens op in de achtergrond. Ze zien je, of je dat wilt of niet.
Strijdlustig pakt ze een paar sandalen en loopt ermee naar de toonbank, een schoen in iedere hand, alsof het pistolen zijn. Met een klap zet ze ze neer. Dan wijst ze zwijgend naar haar voeten.
De dames stuiven als mussen uiteen. De een katapulteert zichzelf het magazijn in, de ander gaat in de verste hoek dozen opstapelen.
Ze denkt: come in; the night air is chill. Misschien moet ze zo’n cape voor Josefien kopen. Een gezellig cadeau voor haar stiefdochter.
‘No, ma’am, I’m sorry, I’m afraid...’ De verkoopster heft verontschuldigend haar handen. Sla mij niet.
Zal Gregory vanavond ook zo op haar reageren, als hij haar in de lobby tussen de palmen ontwaart? Ze hebben tot dusver alleen nog maar per e-mail en telefoon contact gehad. Als ze zegt dat Axel... verhinderd is, zal hij vast denken dat Axel niet eens bestaat. Met haar postuur overtreedt ze op een of andere wijze alle wetten omtrent vrouwelijkheid. Iemand als zij kan geen man hebben. Dat ze het gezicht van een engel heeft, maakt niet uit. ‘Claire is net een poesieplaatje,’ zei Josefien ooit vol adoratie.
Ze draait zich om, ineens zonderling terneergeslagen. Ze zal op de boulevard wel een paar plastic badslippers kopen, in een herenmaat. Nu eerst maar zo’n cape aanschaffen. Zie je wel, Axel, ik heb me uit mijn drukke schema los weten te maken om speciaal voor je dochter een cadeautje te kopen. Ben ik niet een toonbeeld van toewijding?
Ze gaat de winkel in, die op knullige wijze het interieur van een kerker uit de vijftiende eeuw beoogt na te bootsen. De houten vloer kermt en kraakt onder haar voeten. Uit geluidsboxen klinkt het naargeestige gepiep van een zware deur, het gerammel van kettingen en, als ze zich niet vergist, het monotone bonken van een hart, begeleid door een raspende ademhaling. Hoofdschuddend koerst ze af op het rek met capes. Weer dat gedoe met die Engelse maten. Onze Josefien draagt tegenwoordig maatje 34.
Uit het niets duikt een boomlange, graatmagere man op. Hij heeft een wit geschminkt gezicht en glimmend achterovergekamd haar. Terwijl hij zijn gele hoektanden bloot grijnst, kijkt hij haar vol verwachting aan.
‘Count Vlad, I presume?’ zegt ze ontoeschietelijk terwijl ze lukraak een capeje van het hangertje trekt. Het nylon knispert tussen haar vingers. Wat een zeldzame bagger, een vuilniszak is er heilig bij. En het rood van de voering had wel wat bloederiger gekund.
Opnieuw wordt een van haar lievelingstheorieën bevestigd. De mensen zijn bang voor de ware aard van de kleur rood. Zelfs de makers van deze Dracula-capes deinzen ervoor terug. Voor haar geestesoog rolt een schuimende vloedgolf van vermiljoen, karmozijn, cadmiumrood, ossenbloed, scharlaken, purper en rode oker voorbij; druipend, intens, gevaarlijk. Maar waar word je de hele dag mee doodgegooid? Met het rood van de verpakkingen van pure hagelslag en karnemelk en het label van Spa met bubbels. Vreemde Nederlandse gewoonte trouwens, om smaken aan te duiden in de kleuren rood en blauw.
‘You’ll need an extra-large,’ slist de vampier aan haar zij.
Ze werpt hem een koele blik toe. Hij staat met zijn kin tegen zijn borst gedrukt, de schouders gekromd, in de slechte houding van mensen die proberen minder lang te lijken dan ze zijn. Onder de schmink vertoont zijn huid pokdalige groeven. Zijn oren zijn twee keer te groot voor zijn smalle hoofd. Ze ontdooit. ‘It’s a present,’ zegt ze. Overbodig voegt ze eraan toe. ‘For my stepdaughter.’
Hij spert zijn opmerkelijk lichte ogen wijdopen. ‘So that makes you a stepmother. Evil, aren’t you?’
‘O yes,’ zegt ze, want tegen een wildvreemde kan ze gerust de waarheid spreken, hoe vaak krijgt een mens die kans, ‘I’m quite nasty.’
‘Lovely voice, by the way. You ought to be in a radioplay.’
‘I’m a quilter.’
‘How cute. My auntie from Brighton used to quilt.’
‘Was she a vampire as well?’ hoort ze zichzelf belangstellend vragen.
‘No, love. It doesn’t run in the family.’ Hij lacht, schor en aanstekelijk, en steekt haar zijn hand toe. De nagels zijn roodgelakt, ziet ze nu pas. Niet Venz-rood, maar diep vermiljoen. ‘I’m Alfred, by the way.’
‘Claire.’
‘Claire, the quilter. On your hollies, are you?’
‘No, I have a show, I mean an exhibition, in town. It opens tomorrow afternoon in the cathedral.’
‘How brilliant. I might peep in and have a look.’ ‘You’re more than welcome. It’ll be nice to see a friendly face in the crowd.’
Hij trekt spottend zijn wenkbrauwen op. ‘Pray, Madam, am I not supposed to inspire fear?’
Nog even en ze nodigt hem, in Axels plaats, uit voor het galadiner. It’s my party. Die Alfred is gewoon geknipt als haar tafelheer, al was het maar omdat er dan tenminste íémand aanwezig is met wie ze op ooghoogte kan converseren. En zo blijft Gregory ook niet zitten met dat overbodige couvert en die lege stoel.
Ammehoela, Claire. We zijn er gewoon op uit om de kunstpauzen, de ezels en de hele Royal Quilting Academy te choqueren. Zien we al voor ons hoe de bearnaisesaus van Alfreds slagtanden druipt? We kunnen niet zomaar toegeven aan iedere impuls, Claire. Dan zou het hek van de dam zijn.
Met een gevoel van spijt overhandigt ze hem de cape voor Josefien en haalt haar portemonnee uit haar tas.
Alfred slaat de ouderwetse kassa aan. Hij zegt dat ze hopelijk tijd zal overhouden om de omgeving te verkennen. Zelf gaat hij vrijwel iedere avond op pad voor een lange wandeling, weg van de drukke kust en de stranden die bezaaid zijn met peuken en chipsverpakkingen. Staintondale Moor, iets naar het zuiden, is zijn favoriete plek. Het landschap daar is zo prachtig, als je tenminste van wild and lonely houdt.
‘Wild and lonely,’ herhaalt ze, de woorden proevend. Om de een of andere reden boezemen ze haar een vage angst in, alsof haar eigen bestaan ermee wordt omschreven. Alsof haar leven, plotseling, niet meer behelst dan deze twee begrippen, misschien zelfs nooit iets anders is geweest en in elk geval nooit iets anders zal zijn.
‘It’s quite stark, you know,’ zegt hij terwijl hij haar het wisselgeld overhandigt. ‘Or barren. Maybe that’s the ultimate word for it. Barren.’

[...]

© Renate Dorrestein
© Auteursfoto Merlijn Doomernik

Uitgeverij Podium

MINDBOOKSATH : athenaeum