Leesfragment: De tovenaar

27 november 2015 , door Lila Azam Zanganeh

Dit voorjaar verscheen van Lila Azam Zanganeh De tovenaar. Nabokov en het geluk (The Enchanter: Nabokov and Happiness, vertaald door Maarten Polman). Vorige maand bezocht zij Amsterdam en ging in gesprek met Arnon Grunberg over Nabokov. Vanavond kunt u een compilatie van die avond bij Spui25 bekijken en het voorwoord bij het boek lezen.

Vladimir Nabokov was eigenlijk een heel gelukkig persoon en dat is terug te vinden in al zijn boeken. Zijn werk bevat vele wijsheden over hoe we het geluk kunnen vinden, en Lila Azam Zanganeh is de gids die ons die levenslessen brengt. De journalist Lila Azam Zanganeh zet in vijftien hoofdstukken verschillende aspecten van het gelukkig zijn uiteen aan de hand van het werk van Nabokov. Maar De tovenaar is ook een speelse biografie waarin Azam Zanganeh Nabokov in haar net probeert te vangen en te tonen aan de lezer. Lila Azam Zanganeh is geboren in Parijs en is van Iraanse afkomst. Net als Nabokov heeft ze in meerdere landen gewoond, en ze verdeelt nu haar tijd tussen de Verenigde Staten en Parijs. Ze spreekt 6 talen en ze schrijft voor diverse kranten en tijdschriften, waaronder Le Monde, La Repubblica en The New York Times.

‘Een prachtig klein boekje – net zo speels als de vlinders waarvan de grote schrijver zelf hield – waarin Lila Azam Zanganeh de vlinderjager op kostelijke wijze zelf in haar net vangt.’ – Salman Rushdie

‘De boeken van Nabokov zouden speels benaderd en gelezen moeten worden; iets wat velen in het verleden nagelaten hebben. Maar die aanpak is het thema van het boek van Lila Azam Zanganeh.’ – Dmitri Nabokov

Zie ook de Complete Review over het boek, en haar website, lazanganeh.com 

Registratie

Voorwoord
Waarom zou u dit boek of andere boeken lezen?

Ik ben altijd beducht geweest voor lezen en boeken. Toch sta ik op het punt het verhaal te vertellen van een handvol boeken die een wending aan mijn lot hebben gegeven. De avonturen die ze me hebben laten beleven, waren geheel denkbeeldig. Of althans, in het begin. Ze vergden geen bezoeken aan verscholen Amazonestammen of bewoners van het vergelegen Moskovië. Ze eisten niet hun tol van luie voeten en een weerspannige maag.
Want kijk, daar lag ik languit, laat op een middag in een Noord-Amerikaanse stad aan de oostkust, op een plompe sofa onder een klokvormige lamp. De lente buiten was nog pril. Het was bewolkt en koud. En weldra zou de avond de woonkamer bekruipen. Ik stond op het punt me te verdiepen in een tekst van mijn keuze, toen… nou ja, toen rezen de eerste problemen. Het onweerstaanbare verlangen in slaap te vallen. Wat een slinkse, moeilijk te bestrijden aandrang is, dus mijn persoonlijke voorkeur is eraan toe te geven, en wel liever vroeg dan laat.
Na een korte, lichte sluimer hernam ik mezelf, met wijd open ogen. Even later rekte ik me loom uit, stond op, keurde een mandarijn, liep lukraak op zoek naar het een of ander de kamer rond en deed alsof ik nadacht over de schoonheid van een openingszin, alvorens weer schoorvoetend op de sofa af te gaan. Ik meende dat het me deze keer beter af zou gaan als ik rechtop zat. Toen sloeg het toe: de angst. De samengeperste, in een schrikbarende orde toegemeten letters van het alfabet. Bij het inspecteren, een paar uur eerder, was het oordeel ondubbelzinnig geweest: 589 pagina’s. De gruwel. Ik liet een uitspraak van Hobbes door mijn hoofd gaan, die ik, als algemene stelregel, niet gewoon ben voor mezelf te citeren. ‘Als ik net zoveel als anderen had gelezen, zou ik net zo onwetend zijn.’ Helaas stelde Hobbes mij maar heel kort gerust.
Voorlopig, met Ada schuin in de hand, ploegde ik door de vreemde zinnen van pagina 1. Nadat de letters zich op de een of andere manier tot woorden hadden samengevoegd en een schijn van zin hadden verkregen, werd de tweede horde gevormd door de afschrikwekkende topografie van de alinea. ‘Dolly, enig kind, geboren in Bras, trouwde in 1840 op de prille, eigenzinnige leeftijd van vijftien jaar met generaal Ivan Durmanov, commandant van Fort Yukon en een vreedzaam grondbezitter met landerijen in de Severn Tories (Severnïya Territorii), het rijk geschakeerde protectoraat dat ook thans nog liefdevol “Russisch” Estotië wordt genoemd en dat geologisch en organisch vervloeit met “Russisch” Canadië, ook wel “Frans” Estotië geheten, waar niet alleen Franse, maar ook Macedonische en Beierse kolonisten van een rustig klimaat genieten onder onze Stars en Stripes.’ Goeie genade! Wat een gruwelijk labyrint! Ik sloeg het boek dicht. Enkele ogenblikken later sloeg ik het met een steek van intellectueel schuldgevoel weer open.
Hier en daar begonnen op de volgende pagina’s diverse dingen te lonken… Een vlinderorchidee in een oeroud dennenwoud, zonnevlekken en gekneusde vleugels die op het middaguur boven een zomerdag zweven, een glinsterende morgen van groene regen. Ik las reikhalzend door, terwijl ik stil bleef staan bij de nuances, zo niet de wendingen van het zich ontvouwende verhaal, dat op het moment vooral een bizarre maalstroom vormde. Maar ik hield mijn hoofd koel en ging door. Een literair gerucht wil dat men tot de magische honderdste bladzijde moet lezen om het universum van een roman te kunnen bewonen. Dus baande ik me een weg door de bladzijden terwijl ik mijn ogen nauwgezet op elk woord liet rusten en er op hetzelfde moment angst opdoemde bij het idee dat ik bijna alles in me op moest nemen (een hardnekkige obsessie van me). Vandaar dat ik in het voorbijgaan moet bevestigen wat u natuurlijk reeds vermoedt – dat ik nooit een alleslezer ben geweest, en dat ook niet kan zijn. Ik word, bij de ene zin na de andere, door zo’n gevoel van paniek bevangen dat ik vaak elke regel onwillekeurig verscheidene keren overlees voor ik verderga of een bladzijde omsla.
Toegegeven, een zo aandachtige manier van lezen is, volgens de meeste voorschriften op het gebied van geestelijke gezondheid, een nodeloos moeizame taak. Waarom zou je zelfs maar de moeite doen? Emerson – als er ooit een alleslezer was, dan hij wel – zou zo’n kieskeurige lezer waarschijnlijk als een volstrekte dwaas beschouwen. ‘We zijn te hoffelijk tegenover boeken,’ zei hij ooit tegen een student. ‘Voor een paar gouden zinnen bladeren we een boek van vierhonderd of vijfhonderd bladzijden door, en lezen het zelfs.’ Waarom zou ik niet openlijk onhoffelijk zijn jegens deze ene schrijver, Vladimir Nabokov, auteur van Lolita, Geheugen, spreek en Ada? En als ik toch bezig ben: waarom zouden we deze en andere boeken lezen? Waarom zouden we onszelf confronteren met het algemene schrikbeeld van talloze ongelezen bladzijden, de eskadrons van woorden die ons uiteindelijk zullen verslaan, al was het maar omdat we tegen de klok in lezen?
Het antwoord is, in mijn ogen, altijd stralend helder geweest. Wij lezen om de wereld te hertoveren. Dat heeft natuurlijk een prijs, zelfs voor de soepeler lezer: ontcijferen, voortploeteren door onbekende regionen, zich een weg banen door een ingewikkelde atlas van zinnen, een schrikbarende duisternis, een onbekende flora en fauna. Toch zal er, indien men met koppige nieuwsgierigheid en een zegevierende geest volhardt, nu en dan een rijkelijk vergezicht opdoemen, een zonovergoten landschap, glinsterende zeedieren.
Om deze reis te beginnen, moeten we eerst raden welke boeken we echt wensen of nodig hebben. Noem het in mijn geval intuïtie of noodlot (een familieaangelegenheid waarvan later verslag zal worden gedaan). Maar ik had verwacht bij Nabokov tovenaars en demonen aan te treffen. Huiveringwekkende magie. Het materiaal van sprookjes, ‘nobele regenboogkleurige schepsels met doorschijnende klauwen en machtig uitslaande vleugels’. De rest was, om de waarheid te zeggen, iets wat verwant was aan verliefd worden, een opgejaagd gevoel van aangeboren anders-zijn.
Het heeft te maken met de listen van een nieuwe taal. Een taal waarvan de kronkels en wendingen bijna opnieuw uitgevonden lijken. Men bespeurt een stralende boog, zwelgt een roerloos moment in zijn licht, zijn balans. Het is alsof men binnendringt in een elementair mysterie, een onzichtbare structuur, in één keer zichtbaar gemaakt door een verbuiging van woorden, een rimpeling van klanken, waarin de exacte toon van zelfs het meest triviale of het laagste weerklinkt. Een fluistering die je overal volgt en het bestaan samenvat.
Maken wij ons dit eigen, dan is dat onze kans om te worden wat Nabokov een ‘creatieve lezer’ noemt, wat wil zeggen: een mededromer, die de minieme details van de wereld observeert. Als zodanig ‘vallen wij vanaf de bovenste verdieping van onze geboorte te pletter en verbazen wij ons met een onsterfelijke Alice in Wonderland over de patronen van de passerende muur’, schrijft Nabokov. ‘Deze terzijdes van de geest, deze voetnoten in het boek des levens zijn de hoogste vorm van bewustzijn.’ De romanschrijver is een onsterfelijke Alice in de echte wereld. Zijn inspiratie is een steek van verrukking en herbeleving, waarmee in één ogenblik verleden, heden en toekomst worden ontwaard, de cyclus van de zuivere tijd wordt opgeroepen, en klokken dus in stilte worden opgeblazen. Als lezers kunnen wij dit mirakel beroeren. Het is iets wat het grauwe gezonde verstand tart en heimelijk glimlacht in het gezicht van de knarsende logica van de lineaire tijd. Een kinderlijk vermogen zich te verbazen over onbeduidendheden, de zwaartekracht over het hoofd te zien en zich te verlustigen in ‘de irrationele, onlogische en onverklaarbare’ pigmenten der schoonheid.
Maar om dat te doen moeten we ons eerst met gekmakende precisie een roman proberen voor te stellen, en dat wonderbaarlijke optische speelgoed dat vergezichten van beelden binnen beelden opent, grondig onderzoeken. Omdat elk verloren beeld een verloren kans op geluk is. En terwijl we het boek doorbladeren, moeten we ook op zoek naar een onderkant, dat wil zeggen: een verscholen wereld die we elk op onze eigen manier worden aangezet te dromen, een wereld die tegelijkertijd wél en niet langer de roman is die we in handen hebben, aangezien die uitsluitend betrekking heeft op ons. Dan, en alleen dan, zullen de kleuren en de ordening van onze nieuwe omgeving versmelten met een werkelijkheid die haar ‘aanhalingstekens als klauwen’ zal kwijtraken. Het menselijk avontuur zal voltooid zijn, door een daad van de verbeelding.
Daar ontdekte ik de textuur van geluk. Literatuur – en Nabokov in het bijzonder – werd geen handleiding, maar een ervaring in geluk. Met zijn taalkundig genie en drietalige elegantie wist Nabokov dat levendiger op te wekken dan ieder ander die ik ooit had gelezen.
Natuurlijk kan het aanvankelijk verwarrend lijken het geluk volgens Vladimir Nabokov te roemen, een schrijver die zo vaak geassocieerd wordt met morele en seksuele malaise. Toch ben ik ervan overtuigd dat hij de schrijver is die het best over geluk schrijft. En met geluk bedoel ik niet een algemeen gevoel van verdwaasd welbevinden en voldoening (want zijn niet alleen koeien in die zin tevreden?). Nabokovs geluk is een speciale manier van zien, zich verwonderen en greep krijgen, met andere woorden: van het vangen van de lichtdeeltjes die om ons heen twinkelen. Het behoort tot zijn eigen definitie van kunst als nieuwsgierigheid en extase, een kunst die ons aanspoort in de opwekkende taak ons bewust te worden. Zelfs in het duister of de dood, zo houdt Nabokov ons voor, trillen dingen van een zacht stralende schoonheid, en is overal licht te vinden. Hoewel gelukzalig staren niet de kern van de zaak is. De kern van de zaak is, het licht te doen herleven door het prisma van taal en kennis van de meest verfijnde soort. Deze kennis, tot de n-de macht verheven, bevat ‘volmaakt geluk’. Want met deze kennis veranderen we hetgeen zakelijke, alledaagse voorvallen zouden kunnen lijken in unieke verrassingen, bereid met oneindig vernuft en een alles op losse schroeven zettende intelligentie. En gelukkigerwijs ligt in het Nabokoviaanse landschap de heldere bron die de microscoop vormt, verborgen in het volle zicht, wat ons ertoe verleidt er elke seconde doorheen te turen.
Misschien zou ik eraan moeten toevoegen dat het feit dat hij het best over geluk schrijft niet betekent dat hij blije verhalen vertelt met platte blije personages. De diepe vreugde die ik in Lolita of Ada vond, ontleent haar bron elders. Die is verbonden met een ervaring van uitersten, een ervaring van grenzen (in de quasi-wiskundige zin van een open einde), die op haar beurt een uiterst poëtische ervaring wordt. En deze poëzie is gelukzaligheid, of zoals Nabokov het in zijn Russische moedertaal noemde: ‘blazhenstvo’. Hoewel gelukzaligheid, zoals altijd bij Nabokov, geen algemene vorm van extase is. In zijn werk is de extase verborgen in uiterst originele verhalen over verlangen dat bijna tot waanzin wordt gedreven, ongeacht de gevolgen. Zodat, paradoxaal genoeg, gelukzaligheid niet gespeend is van zelfzucht en wreedheid. Soms is deze gelukzaligheid zelfs ‘het geluk voorbij’, een domein van onaardse bedwelming. Daar lijken bewoordingen op een nieuw niveau van gevoeligheid thuis te horen. Een taal die elementen met zo’n verbluffende artisticiteit en bezieling hercombineert dat de grenzen van de taal zoals wij die kenden worden uitgewist.
Toen ik aanvankelijk nadacht over het schrijven van dit boek, dacht ik dat ik voornamelijk over geluk zou schrijven. Ik meende dat ik mij, als lezer, vlijtig zou toeleggen op research, denkwerk en compositie. Maar toen het schrijven begon, riep een onbeduidend detail uit het Nabokoviaanse universum soms plotseling, als door magnetische kracht, een (bestaand of misschien verbeeld) fragment van mijn eigen leven op. Dingen die ik nooit eerder onder woorden leek te hebben gebracht, of nauwelijks had opgemerkt, kwamen stormenderhand aan de oppervlakte.
Ik trachtte de juiste woorden te vinden en ermee te spelen tot hun melodie zo nauwkeurig mogelijk overeenkwam met het beeld in mijn hoofd. En terwijl ik dit deed, verschoof er iets in mijn vertellers-‘oog’. De echte ‘ik’, degene die hier en nu schrijft, loste langzaam op in een denkbeeldiger ‘ik’, die de dingen zag en heruitvond door een Nabokoviaanse lens. De eenheid van lettertype, vorm en verhaallijnen maakte plaats voor een nieuwe logica, die kronkelpaden volgde. Het ware verhaal van een extatische schrijver vermengde zich met de spiegelfantasie van een maniakale lezer. Herinneringsflitsen van Nabokov riepen heldere kleuren op, verhaalfragmenten evoceerden nietvertelde verhalen, zinnen brachten grillige echo’s voort. Telkens weer moest ik denken aan een kort verhaal dat Nabokov in Berlijn had gepubliceerd, waarin een jonge Russische dichter, hoewel hij zich ervan bewust is dat hij simpele, jeugdige poëzie schrijft, zelfs in de zwakste glimp van creativiteit een absoluut geluk ervaart.
De tovenaar is het verslag van een avontuur. Elk hoofdstuk – zoals op de plattegrond aan het begin van dit boek te zien is – vormt een idee van geluk. En het boek ontvouwt zich via vijftien Alice-achtige variaties, dooltochten waarbij begin en eind soms slechts één en hetzelfde zijn, en zijsprongen fonkelende spiegels blijken.

© 2011 Lila Azam Zanganeh
© 2011 Nederlandse vertaling Maarten Polman
Oorspronkelijke titel The Enchanter: Nabokov and Happiness
Foto © Hank Gans

Uitgeverij Contact

MINDBOOKSATH : athenaeum