Leesfragment: Dood van een leraar

27 november 2015 , door Cyrille Offermans
| |

Volgende week verschijnt het romandebuut van Cyrille Offermans, Dood van een leraar. Deze Nacht kunt u alvast de eerste pagina's lezen, en uw exemplaar bestellen.

Freek Moerdijk is op zoek naar passend werk,maar wat is passend voor een net afgestudeerde filosoof? Hij kiest na een aantal korte baantjes uit volle overtuiging voor het leraarschap. Maar zijn school blijkt een gesloten instelling, vooral geïnteresseerd in imago en scores. Als een van de docenten op onduidelijke manier om het leven komt, wordt Moerdijk als onbevangen nieuwe collega gevraagd de rouwtoespraak te houden. Maar hoe? Zal hij eerlijk zijn of liegen en slijmen en zich verstoppen achter clichés?

Proloog

Vierentwintig uur respijt kreeg ik, maximaal, daar zijn er nu nog achttien van over. In die zes uur ben ik niet dichter bij een antwoord gekomen, het ontbrak me aan de rust erover na te denken. Ik had het kunnen verwachten, die vraag, toch was ik er niet op voorbereid, stom genoeg.
Als ik besluit die toespraak niet te houden, moet hij het zelf doen. Dat zou ook niet meer dan normaal zijn, je bent directeur of je bent het niet. Alleen weet ik dan al precies wat ons te wachten staat: een treurige opsomming van biografische data, vooral of uitsluitend gekoppeld aan Peters helaas vroegtijdig afgebroken carrière aan onze school.
En dat alles gelardeerd met lovende clichés uit het handboek gelegenheidstoespraken, afdeling: van de doden niets dan goeds. Peter zal worden geprezen om zijn onvoorwaardelijke inzet, zijn niet afl atende plichtsbesef, zijn grote verantwoordelijkheidsgevoel. Misschien had hij het niet altijd even gemakkelijk, maar hij zal desondanks ongetwijfeld dag en nacht hebben klaargestaan voor de leerlingen, een leraar in hart en nieren, niets was hem ooit teveel.
In werkelijkheid was alles hem teveel. Weet de directeur daar ook maar iets van? Ja, íets in elk geval, hij heeft nog geprobeerd hem voorgoed in de lappenmand te krijgen, al zal hij zich dat nu liever even niet herinneren. Zonder gêne liet hij me gisteren weten dat Peter voor hem een onbeschreven blad was, en dat terwijl zij hier een jaar of zes hebben rondgelopen als collega’s. Ik heb hem er niet naar gevraagd, maar uit alles bleek dat hij van Peters dramatische levensverhaal niets wist. Dat vond ik schokkend.
Hij had ons wel vaker bij elkaar zien zitten. Ja, wacht, waren wij geen buren? Ineens herinnerde hij zich dat onplezierige voorval met die lastige jongen, kom, hoe heette die ook weer? Ik had het toen nog voor mijn collega opgenomen, heel solidair vond hij dat. Hij meende dat wij vrienden waren. Ik zou dus beter dan wie ook in staat zijn een mooie en passende toespraak te houden, dan was ook het meer persoonlijke gedeelte van de plechtigheid in goede handen. Zelf zou hij natuurlijk het offi ciële deel voor zijn rekening nemen.
Maar wij waren helemaal geen vrienden. Hoe zou dat ook hebben gekund met dat leeftijdsverschil? We kwamen elkaar tegen, veel meer was het niet. Als nieuwkomer, en dus nog niet gewend aan de omgangsvormen in deze educatieve instelling, zag ik waarschijnlijk wel scherper dat de leerlingen over hem heen liepen, dat ze hem als voetveeg gebruikten en dat niemand een poot uitstak om hem te helpen. Maar dat zou de directeur ook allemaal kunnen weten, dus hield ik het voor me.
Zo lang hoefde mijn verhaal ook niet te duren, zei hij, vijf minuten, tien hooguit, de ervaring leerde dat de aandacht daarna algauw verslapte. Als directeur zou hij zelf de bijeenkomst openen. Hij zou kort in herinnering roepen welke droevige gebeurtenis ons hier bij elkaar bracht, hij zou de ceremoniële gang van zaken schetsen. Over het noodlottige ongeluk zou hij ons alleen kort en feitelijk informeren, in essentie ging het daarbij om dezelfde tekst die hij gisteren voor het persbericht had geschreven. Dan zou hij mij, met mijn meer persoonlijke verhaal, het gras niet voor de voeten wegmaaien.
Dat heeft hij, toen hij zag dat ik aarzelde, wel drie of vier keer herhaald. Maar als hij zich werkelijk tot de vaststaande feiten beperkt en niet gaat speculeren, is hij gauw uitgepraat. Dan moet ik nog zien dat hij daar een enigszins samenhangend en begrijpelijk verhaal van maakt, een retorisch talent is hij allerminst. Anderzijds, te veel mysterie kan hij ook niet hebben, dat is me gisteren wel duidelijk geworden.
Zolang het verhaal nog grote open plekken bevat, zullen de vermoedens, de roddels, de verdachtmakingen blijven rondzoemen. Postuum zal Peter binnen de kortste keren meer belangstelling genieten dan in al die jaren dat hij hier heeft gewerkt. Ongezonde belangstelling, vrees ik. Geen enkele communicatiediscipline, hoe dol de directeur ook is op dat belachelijke woord, zal kunnen verhinderen dat de pers er lucht van krijgt. En daarvoor is hij als de dood, zoveel is zeker.
Maar voorlopig is dat mijn zorg niet. De vraag is of ik me deze problemen op de hals moet halen. Eigenlijk ben ik gek als ik dat doe. Niemand zal vreemd opkijken als Peter straks uitgeleide wordt gedaan met de vertrouwde clichés, uit wiens keel die komen is volmaakt onbelangrijk. De collega’s zouden het eerder gek vinden als ik daar ineens achter het spreekgestoelte zou verschijnen om op uitnodiging van de directeur de meer persoonlijke aspecten van Peters leraarsleven te belichten — wat wist die nieuweling daar in godsnaam van?
Bovendien is de kans groot dat die nieuweling volgend jaar al weer is vertrokken.
Maria wordt ongeduldig. Ze zei zojuist nog dat ik de knoop moest doorhakken, liever vandaag dan morgen. Na het laatste bedrijf van dit gruwelverhaal heeft zij haar mening over wat me te doen staat drastisch bijgesteld — weg uit dat gekkenhuis. En zeker nu ik hoor dat het Jan Swammerdam College voortaan waarschijnlijk Futurecollege.nl gaat heten, bezopen.
Lisa zal me met open armen ontvangen. Daar zal het wel op uitdraaien — experiment mislukt, jammer, terug naar af. Mijn vader snapt niet waarom ik nog twijfel. Prachtbanen als die bij Cultuurshock liggen niet voor het oprapen, bovendien zou ik dan eindelijk eens serieus werk kunnen gaan maken van de verhalen en essays waar ik het weleens met hem over heb en waarvoor mijn dagboeken het nodige materiaal bevatten. Maar ik wil die beslissing niet onder druk van de omstandigheden nemen. Straks, als deze heisa voorbij is, doe ik dat in alle rust, nog even geduld alstublieft.

Deel 1

Leerjaren


Het afgelopen jaar, vooral de laatste hectische weken, heb ik vaak aan mijn eigen schooltijd gedacht. Misschien was ik te onnozel om het waar te nemen, maar dramatische gebeurtenissen als op het Swammerdam College hebben zich daar volgens mij niet voorgedaan. Sterker, het leek me onmogelijk dat ze zich daar hadden kunnen voordoen, daarvoor ging het er op die school te beschaafd en ook te relaxed aan toe.
Natuurlijk, helemaal vergelijkbaar is de situatie niet. Het Swammerdam is een grote scholengemeenschap, ik zat op een betrekkelijk klein, betrekkelijk elitair gymnasium in een tijd dat het woord elite nog niet werd uitgesproken met het dedain waarmee dat nu vaak gebeurt. Docenten en leerlingen behoorden tot dezelfde soort, spraken dezelfde taal en woonden vaak zelfs in dezelfde buurt. Ordeproblemen werden niet met verbetenheid en tot de laatste snik uitgevochten, ze hoorden naar mijn gevoel eerder tot het domein van het spel dan van de vete, laat staan van de oorlog, hoewel het er ook toen al om ging dat spel te winnen. Maar ik herhaal het: misschien was ik te onnozel om te zien wat er zich buiten mijn blikveld afspeelde.
Dat ik nog ooit als leraar in het onderwijs zou terugkeren had ik werkelijk niet gedacht. Niet dat ik zo’n ongelukkige schooltijd heb gehad, integendeel, als jongen van veertien of vijftien voelde ik me zonder meer happy, ondanks of dankzij de school, zozeer zelfs — ik moet het mijn vader en moeder ook meer dan eens hebben verzekerd — dat ik hoopte dat er nooit meer iets zou veranderen. Hoewel ik natuurlijk wist dat dat onzin was. Want ik zag, merkte, voelde dat alles veranderde, daarvoor hoefde je niet over een speciaal talent te beschikken.
Ik herinner me dat ik op mijn twaalfde voor het eerst uitrekende hoe ik er zelf qua tijd voorstond. Het was oudjaar, ik zat in de brugklas. Voor we met zijn allen, drie volledige gezinnen, elf man sterk, naar de oudejaarsconference van Freek de Jonge gingen kijken, moesten we onze mooiste en onze rottigste herinnering van het afgelopen jaar op een papiertje schrijven. Die papiertjes verdwenen opgevouwen en anoniem in een schaal, waarna mijn vader ze even later voorlas en wij moesten raden wie wat geschreven had. In mijn geval was dat geen kunst: dat ik naar de brugklas was gegaan was mijn mooiste herinnering, dat ik van de lagere school af was mijn rottigste. En toen had ik het voor mezelf, uit mijn hoofd, uitgerekend.
Als de gemiddelde leeftijd van de Nederlandse man nog iets zou stijgen, tot vierentachtig, zoals ik zojuist in de krant had gelezen, had ik nog zeszevende van mijn leven voor de boeg, maar dus ook al een zevende achter de rug. Dat vond ik verontrustend veel. Want ik had het idee dat mijn leven nog maar nauwelijks was begonnen. En eigenlijk was dat ook zo, stelde ik mezelf gerust, eigenlijk mocht ik de eerste drie, vier jaar niet meetellen, die waren verstreken zonder dat ik er ook maar iets van wist, dus strikt genomen had ik er pas een jaar of acht opzitten, oftewel, als ik uitging van de gemiddelde leeftijd, minder dan een tiende. Daar viel voorlopig mee te leven.
Het spelletje met de papiertjes behoorde tot de familietradities. Er lag altijd wel iemand dwars vanwege een pechjaar, maar die werd dan ook altijd wel weer afgebluft door een ander met een extreem goed jaar. Wie de auteur was van de diverse hoogte- en dieptepunten was meestal niet moeilijk te raden, hoe geheimzinnig sommigen — mijn neef, twee klassen verder dan ik, was er een meester in — hun mededelingen ook verpakten. En intussen hield ik, zodra het spel begon, mijn eigen geheime boekhouding bij. Op mijn veertiende, ik zat in de derde, had ik al een zesde achter de rug, een onrustbarend snelle afkalving van levenstijd, die me, hoewel er rekenkundig geen speld tussen te krijgen was, als onrechtvaardig voorkwam.
Misschien had mijn moeder toch gelijk. Volgens haar ging het leven sneller als je ouder werd. Nog zo’n wijsheid waar ik niets mee kon beginnen. Maar ik moest toegeven, althans aan mezelf, dat ik de tijd wel zou willen vertragen, voor mijn part bleef hij eens een tijdje stilstaan. Zo mooi en zo spannend als het leven nu was zou het nooit meer worden, daar was ik op mijn veertiende vast van overtuigd.

Tot die tijd was ik een ijverige en meegaande leerling geweest. Op mijn rapporten wemelde het van de hoge cijfers en de loftuitingen van klassendocenten. Maar halverwege de derde klas begon ik te ontdekken dat die cijfers niets voorstelden, ze lieten alleen maar zien hoe ongelooflijk braaf ik was. Omstreeks die tijd ontdekte ik de betekenis van het woord ‘interessant’, belachelijk laat eigenlijk, want dat er ongelooflijk veel interessante dingen te beleven waren wist ik allang. Maar niet op school. Onbewust moest ik me er van meet af aan mee verzoend hebben dat school en interessant niet samengingen, bij school hoorde saai en je tijd zonder morren uitzitten. Dat moest nu maar eens afgelopen zijn.
Die overtuiging werd gevoed door de schoonheid van de meisjes in mijn klas. Niet dat ze nieuw waren, die meisjes, de meeste kende ik van vorige jaren, maar pas nu besefte ik hoe mooi ze waren, zoals ik ook omstreeks deze tijd pas zag hoe mooi een paar schilderijen bij ons thuis waren. Die hingen daar al jaren zonder dat ik ze ooit behoorlijk bekeken had, ik kon me wel voor mijn kop slaan. De schilderkunst vond ik interessant. De meisjes ook? De meisjes ook. Interessant was: iets mooi want raadselachtig vinden en er dus dichterbij willen komen en er alles van willen weten. En dan al snel ontdekken dat je niet de enige bent die dat wil.
Mijn klas zat vol mooie meisjes, maar de allermooiste waren Minnie en Michelle, in die volgorde. Ook sommige leraren konden hun ogen niet van die twee afhouden, ze leken wel alleen aan hen les te geven, belachelijk zoals ze zich konden aanstellen. Zo moest het dus niet, wist ik al gauw. Hoe het wel moest, daarvan had ik geen flauw idee.
Met de uitmuntende rapportcijfers was het in één keer gedaan. Tussen Kerst en Pasen van dat jaar was ik per vak gemiddeld 1,8 punt gekelderd, overigens nog altijd lang niet erg genoeg om te blijven zitten. ‘Aandacht moet beter,’ stond er op het paasrapport. Mijn moeder vroeg wat er met me aan de hand was, mijn vader wist dat zonder iets te vragen. De meisjes. Minnie, niet Michelle. Vaak had ik aan het eind van een les geen benul waar het over gegaan was. Soms wist ik aan het begin van een volgend uur niet eens wie de docent van het voorafgaande uur was geweest.
Dan kwam het wel voor dat ik mezelf tot de orde riep. Aandacht moet beter, Moerdijk, want stel je voor dat er straks nog eens gemiddeld per vak 1,8 punt afgaat. Zoals ik in het zwembad het aantal seconden telde dat ik onder water kon blijven, zo noteerde ik nu in de marge van boek of schrift de precieze duur van de intervallen waarin het me was gelukt niet naar Minnie te kijken. Maar veel hielp dat niet. Want juist als ik zo nadrukkelijk mijn best zat te doen om mijn dag- of weekrecord te verbeteren, was ik alleen pro forma bij de les, in mijn hoofd compenseerde ik de afwezigheid van reële beelden met droombeelden, en die brachten mijn hoofd pas werkelijk op hol.
‘Niets dat de fantasie zo verhit als afwezigheid van het begeerde object.’ Niet veel later kwam ik die zin tegen in een boek van mijn vader. Het klonk interessant, tot ik erachter kwam dat je haast geen gedicht kon lezen zonder op een variant van die gedachte te stuiten. Maar al ging het om een waarheid als een koe, ik was blij haar nog juist op tijd zelf ontdekt te hebben. En nog blijer was ik met de ontdekking dat je ook met die afwezigheid van het begeerde object kon spelen. Als ik een tijdje niet naar Minnie had gekeken, gaf ik mezelf opdrachten: wat heeft ze aan vandaag, welke schoenen, broek of rok, en van welke kleur, draagt ze wel of geen oorbellen. Ook van die testresultaten hield ik de boekhouding nauwkeurig bij.
Intussen keek ik instemmend knikkend in de richting van de leraar, in de hoop dat die geen argwaan zou krijgen. Een enkele keer leidde dat tot een pijnlijk incident. Een natuurkundeleraar die in de waan verkeerde dat ik een dictaat met talloze ingewikkelde definities en redeneringen ijverig noteerde, riep mijn hulp in om een opzichtig suffende leerling op zijn lapzwanserigheid te attenderen. Hij vroeg me voor te lezen wat hij zojuist had gedicteerd. Maar ik had me uitsluitend beziggehouden met de exacte registratie van de complete outfit van Minnie. Ik schrok me rot, begon te hakkelen, herhaalde met een vuurrood hoofd een halve zin die ik meende te hebben opgevangen, waarna de man me aanmoedigde mijn notities voor te lezen. Ik hoefde echt niet al meteen alles uit mijn hoofd te kunnen.
Ik voelde me betrapt, bereidde me voor op een geweldige uitbrander en zocht naar woorden die mijn afgang draaglijker konden maken. Maar nog voor ik er een ietwat samenhangende zin uit had, greep mijn buurman, als het om Minnie ging tevens mijn grootste rivaal, mijn aantekenschrift. Hij wist wel ongeveer wat ik had zitten uitspoken en wilde de kans op een fantastische rel niet onbenut laten. Met zo nuchter mogelijke stem las hij voor: ‘Hoofdstuk 21: een donkergroen T-shirt met ronde hals, daarover een antracietkleurig jasje met driekwart mouwen, aan haar linkerpols een kettinkje van groene toermalijnen.’
Verder kwam hij niet. De klas lag dubbel, iedereen begreep onmiddellijk dat het om Minnie moest gaan. De docent was verbijsterd, een fikse straf kon niet uitblijven. Maar toen het minuten later tot hem doordrong wat er aan de hand was, zag ook hij het komische van de situatie in. Uit dank voor zijn sportiviteit nam ik me voor me voortaan in zijn lessen als een asceet te onthouden van blikken in de richting van de aanbiddelijke Minnie. Een absurd voornemen. Na minder dan één les moest ik het bijstellen, het was onbegonnen werk.

[...]

© 2010 Cyrille Offermans en Uitgeverij Cossee

Utgeverij Cossee

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum