Leesfragment: Een duivel met een ziel

27 november 2015 , door Richard Osinga

Zaterdag 19 november om 17.00 uur wordt in Athenaeum Boekhandel Haarlem Een duivel met een ziel, het nieuwe boek van Richard Osinga, feestelijk gepresenteerd. Vanavond nemen we daar een voorschot op, met de eerste pagina's van het boek.

In 2012 is het precies 100 jaar geleden dat de Fransen Marokko binnenvielen. De jaren daarvoor werden gekenmerkt door politieke spanningen, militaire strategieën en avontuurlijke vrijbuiters. Dit vormt de basis van Osinga’s Een duivel met een ziel.

Het is augustus 1909. Le Moine en Pisani, twee officieren in dienst van het Franse leger, moeten de sultan in Marokko helpen met zijn strijd tegen opstandige Berbers. Tijdens een vergeldingsactie redt Le Moine een jong Berbermeisje, Ibtisam, en hun lot lijkt bezegeld. Le Moine voelt zich verantwoordelijk voor haar, zoals vroeger voor zijn zusje Colette. In de laatste roerige dagen van Marokko verliest Le Moine Ibtisam uit het oog. Zijn zoektocht voert hem van Fez naar Marrakech. Als die stad haar poorten opent voor opstandelingen uit de woestijn, ligt zijn lot in de handen van Ibtisam.

Na drie lichtere boeken is Een duivel met een ziel serieuzer. Maar Osinga blijft trouw aan zichzelf, de dialogen en de toon sprankelen als vanouds.

Richard Osinga (Haarlem, 1971) studeerde Economie en Algemene Letteren, met als specialisatie Franse en Arabische Letterkunde. Tijdens zijn studie verbleef hij een jaar in Marokko. Hij was korte tijd in diplomatieke dienst in Algerije en Senegal. Momenteel heeft hij een bedrijf in ‘interactieve toepassingen’. Een duivel met een ziel is zijn vierde roman. Eerder verschenen van hem de titels Bor in Afrika en Klare Taal.

Caporal

Fort Bois-Bourrus, bij Verdun, augustus 1916

‘Als dat Nummer Zeven niet is!’
Daar stond Pisani voor me, geen spat veranderd. Ongeschoren, dikke wenkbrauwen en hemd uit de broek. Als je niet beter wist zou je denken dat het een Arabier was, een Moor in een te ruimzittend uniform van het Franse leger.
Merde! Wat doe jij hier, Pisani?’ riep ik uit. Ik liep op hem toe om hem te omhelzen. Ik kon bijna niet geloven dat die vent na twee jaar ineens weer voor me stond, met zijn verweerde kop, zijn brede glimlach en de spot in zijn ogen.
‘Kapitein Pisani!’ Hij tikte met zijn wijsvinger op de strepen op zijn mouw.
‘Hebben ze je eindelijk kapitein gemaakt? Dat werd tijd ook. Maar wat kom je hier in hemelsnaam doen?’
‘Ik was in Parijs en ik hoorde dat mijn oude maat Le Moine hier gelegerd was. Dus ik dacht: ik ga even langs.’
‘Jij komt even langs. Wat ben je toch een fijne vriend. En een idioot. Straks knallen de moffen je kop eraf.’
‘Ach les boches, als je bukt kunnen ze je niet raken in de loopgraven. Dat is het idee, toch?’
‘Dat is het idee, ja,’ zei ik. ‘Maar als we eruit komen voor een offensief dan gaan we er ook meteen aan. Dan krijg je een salvo voor je kop.’
‘Je gaat nog terugverlangen naar ons fijne Marokkaanse leger, waar iedereen deed waar ie zin in had,’ lachte Pisani.
Ik deed mijn best te glimlachen, maar ik vond het niet grappig. Het was niet grappig. Als Pisani hier dit voorjaar was geweest, had hij deze grap niet gemaakt. Niemand die hier in april geweest was, maakte nog grappen. Ik keek Pisani strak aan. ‘Dit is één grote schijtoorlog, één grote schijtoorlog.’
Pisani haalde zijn schouders op. ‘Elk leger heeft zijn eigen waanzin, wij zijn rationeel op het absurde af. Wij voeren oorlog met passer en liniaal, trekken strepen op een stafkaart. Dat vinden we mooi. Dan roepen we: “Ils ne passeront pas.” En de waanzin is dat we duizenden levens opofferen voor die strepen.’ Pisani spuugde omhoog op het zand. ‘De waanzin van het Marokkaanse leger was van een compleet andere orde. Daar was het een grote psychose, waar je niemand kon vertrouwen. Je moest samenwerken met je grootste vijanden en je was van niets en niemand zeker. Maar het blijft allebei waanzin.’
Een praatjesmaker, die vent, maar ik was ondanks alles wat blij dat smoel van hem te zien. Ik schudde mijn hoofd. ‘Maar vertel, wat deed je in Parijs? Word je overgeplaatst?’
‘Ik ga naar Caïro.’
‘Zit Brémond daar niet?’
‘Inderdaad. Onze eigen Brémond, in een of ander schitterend paleis in de oude stad, volgestouwd met meubels die uit de mairie van een of ander dorp uit de Vendée komen. Ik ga naar Caïro en van daaruit mag ik uitstapjes maken naar het Arabisch schiereiland. Kijken of ik de Arabieren daar kan helpen met hun opstand tegen de Turken. Aan de rue Saint-Dominique denken ze: Pisani heeft in 1910 de Marokkanen leren schieten, dan sturen we hem nu naar Mekka om het die zandhazen te leren. Zou ook wel wat voor jou zijn, denk ik.’ Pisani liet zich neerploffen op een zandzak. ‘Bied je me niks te drinken aan?’
‘Ik heb koude koffie. Verder niks.’
‘Het lijkt hier godsamme Marokko wel.’ Pisani snoof. ‘Koude koffie. Heb je wat te roken?’
Ik wierp hem een pakje sigaretten toe.
‘Toe maar. Echte sigaretten.’ Pisani bekeek de verpakking van alle kanten. ‘Gauloises Caporal, nog wel. Is het wat?’
‘We roken ons gek,’ zei ik. ‘En zij geven ons sigaretten alsof we daarmee de oorlog kunnen winnen.’
Pisani nam een trek van zijn sigaret. ‘Doe maar wat van die koffie. Het moet maar,’ zei Pisani. ‘Nom d’une pute en bois, vier jaar, kun je het geloven? De laatste keer dat wij elkaar zagen was in Fez, toen we een feestje bouwden om te vieren dat de sultan opdonderde. Toen hadden we gelukkig wel iets anders dan thee en koude koffie.’
‘Dat was net te vroeg, dat feestje.’
Pisani lachte. ‘Te vroeg… te vroeg… Ach, echt spannend is het nooit meer geworden. Je moet niet alles geloven wat Lyautey de mensen in Parijs wijsmaakt. Je hebt niks gemist.’
Ik schonk twee mokken vol met koude koffie, overhandigde er een aan Pisani en nam een slok uit mijn eigen mok. In de verte werd weer geschoten.
Pisani wreef over zijn stoppelbaard. ‘Zo was het ja. Jij hebt die belegering niet meer meegemaakt, Nummer Zeven, omdat je zo nodig dat meisje moest redden.’
‘Zo was het.’

 

De dood van de tegensultan

Terwijl de consuls de stad via het plateau van Dar Mahrès bereikten, haastten de sultan en zijn kamerheer zich op hun ezels naar het paleis. De tegensultan was toen reeds overleden.

Misschien gaf de sultan de opdracht om hem aan de leeuw te voeren. Officieel is er niets over bekend, want de getuigen zijn bijna zonder uitzondering uitermate discreet. Het enige wat we bijna met zekerheid kunnen zeggen is dat het lichaam van de tegensultan ter plekke verbrand werd onder een stapel hout en sluiers die men haastig uit de harem had laten komen, het geheel overgoten met petroleum. We weten het omdat de dikke zwarte rook die recht opsteeg in de kalme, zware lucht van die dag van buitenaf te zien was. Volgens een kaïd die in het paleis werkte, werden de halfverbrande resten van de tegensultan begraven in het talud waarop zijn kadaver rustte toen het aangestoken werd.

Maurice Le Glay, De dood van de tegensultan

 

De zegen van Sidi Mbarek

De zaouia van Sidi Mbarek al-Hindi, tussen Fez en Taza, augustus 1909

Lage struiken, zwarte stenen, kale heuvels. Een dor dal en daarmiddenin een witte koepel, schitterend als een struisvogelei. De sherifijnse mahalla, het leger van sultan Moulay Hafid, hield de pas in. Negenduizend koppen: kamelen met kanonnen, vrouwen, ezels met munitie, kinderen, schapen, zwervers, dansers en militairen. Deze wanordelijke colonne, die van Fez naar het Oosten was getrokken slingerend als een dronken matroos, zingend en in de lucht schietend, plunderend en stelend, zonder enige discipline, vormde zich nu naar het terrein als geleid door een onzichtbare hand, in een halve cirkel rond de koepel van het heiligdom, op eerbiedige afstand.
Ik keek op naar het verweerde gezicht van adjudant Rosario Pisani.
‘Waarom stoppen we?’
‘Hij zit daar.’ Pisani klopte het stof van de bruine djellaba die hij in plaats van zijn blauwe legerjas droeg. Met zijn kin wees hij naar de witte koepel, de zaouia van Sidi Mbarek al-Hindi. ‘Hij zit in dat gebouwtje, dat heiligdom, en de soldaten van de sultan weten niet wat ze nu moeten doen.’

Het leger dat kort ervoor als een helse machine met duizenden armen door de vlakte stroomde, stond nu roerloos, alsof er zand in het mechaniek gestrooid was. De Moren maakten geen aanstalten hun kamp op te slaan. Ze stonden en deden niets. Ze zwegen en keken. Ze wachtten op een bevel van hun aanvoerder, de negentienjarige kaïd Mohammed, de zoon van de Glaoui.
‘Heb jij wat te drinken?’ vroeg ik Pisani. Mijn verhemelte was droog alsof ik een handvol meel had gegeten.
‘Is het weer op? Je moet niet de hele tijd aan die waterfles lurken,’ zei Pisani nors terwijl hij zijn veldfles naar me toe wierp.
Voorzichtig dronk ik een slok uit zijn fles. Eén slok. Dat moest genoeg zijn. Ik liet het warme water rondgaan in mijn mond, duwde het met mijn tong tegen mijn verhemelte, probeerde elke hoek van mijn mond te bevochtigen, zodat ik in elk geval weer normaal kon slikken.
‘Ik kan geloof ik niet zo goed tegen de hitte,’ zei ik verontschuldigend toen ik Pisani zijn fles teruggaf.
‘Niemand kan tegen de hitte van dit pays de merde,’ zei Pisani. ‘Ik niet, Ben Sedira niet, de Moren niet. Geloof me, we hebben het allemaal net zo heet als jij. Een hagedis kan tegen de hitte. Een mens niet. Die zweet zich kapot en die droogt uit. Maar een mens weet hoeveel water hij in zijn fles heeft en hoelang hij nog te gaan heeft. Dan kun je uitrekenen hoeveel je kunt drinken. En meer drink je niet. Dan heb je een droge bek ja en daar is verder niks aan te doen.’ Hij draaide de dop weer strak op zijn veldfles en maakte die onder zijn djellaba vast aan zijn riem en keek in de verte. Uit de okeren heuvels ver weg, de eerste uitlopers van het Rif, kwamen mannen in wijde, bruine wollen boernoesen, de kap over hun hoofd, zodat je hun gezichten niet kon zien, het geweer in de aanslag. Ze lieten zich niet afschrikken door de soldaten van de sultan en namen hun plaats in rond de koepel.
‘Wat gaan we doen?’ vroeg ik aan Pisani.
‘Dat weet alleen pappa’s kleine Negertje,’ zei Pisani met een blik op kaïd Mohammed. In de schaduw van de parasol zag je alleen het wit van diens ogen, zijn gelaatstrekken losten op in het zwart van de schaduw.
Een jongen zonder benul, en van hem werd verwacht dat hij een bevel zou geven: sla het kamp op, omsingel de zaouia, bestorm die, maar uit zijn schorre keel kwam geen woord. Hij zweeg, staarde en plukte aan zijn baardje alsof daar de antwoorden uit te trekken waren. De vragen zoemden als vervelende vliegen rond zijn hoofd. Wat kon kaïd Mohammed doen? Kon hij tegen het woord van de sultan in gaan? Nee. Kon hij het heiligdom schenden? Nee. Kon hij iets anders doen dan wachten en hopen dat god hem te hulp zou schieten? Nee. Hoelang zou hij zijn troepen hier bijeen kunnen houden? Niet lang.
Het landschap was leeg. Nergens bomen, nergens beschutting, niets te eten; er was een bron, maar die bevond zich binnen de ommuring van het witte heiligdom. Het zou niet lang duren of de bewoners van de douars in de heuvels zouden hun huizen verlaten, hun schapen en geiten in veiligheid brengen, zich tot de tanden gewapend in diepe rotsspleten terugtrekken. De plundertochten van het leger zouden steeds verder moeten gaan om voldoende proviand te vergaren om de duizenden mensen te voeden. De wispelturige stammen die zich de afgelopen weken hadden aangesloten bij de strafexpeditie zouden terugkeren naar hun eigen gebied. Geduld was een schone zaak, zei de koran, maar voor wie een leger van duizenden hongerige soldaten aanvoerde, was geduld geen optie.
Dus plukte kaïd Mohammed aan zijn rafelige baardje en wachtte, terwijl de augustuszon steeds hoger aan de hemel klom en de Berbers in hun bruine boernoesen met rechte rug om de zaouia stonden, zonder te bewegen, zonder een krimp te geven.

Pisani liep naar een kist met munitie die op de rug van een schurftige ezel gebonden was. Ik liep achter hem aan zonder iets te zeggen en samen inspecteerden we de munitie. ‘Ben Sedira,’ riep Pisani zonder zijn blik van de kist te halen. ‘Vraag ’s aan het Negertje wat we gaan doen.’
Kapitein Ben Sedira zag eruit als een Griekse held, met zijn zwarte, licht krullende haar, zijn atletische bouw, zijn lengte en zijn blik die altijd streng en serieus was. Ik wist dat hij uit het westen van Algerije kwam, en ik had gezien dat als de Moren gingen bidden hij soms meedeed, maar verder wist ik vrijwel niets van hem. Zo open en eenvoudig als Pisani leek, zo gesloten was de lange Algerijn.
Met lange passen liep Ben Sedira naar kaïd Mohammed, die honderd meter verderop op de grond was gaan zitten, nog steeds in de schaduw van de parasol die een slaaf boven zijn hoofd hield. Ben Sedira bleef op een paar passen afstand staan en bromde de oude legeraanvoerder in het Arabisch iets toe, maar kaïd Mohammed liet niet merken dat hij hoorde wat de Franse militair zei. Hij bleef zitten op de grond, staarde in de verte, trok aan zijn baard.
‘Kaïd Mohammed weet het niet,’ riep Ben Sedira naar Pisani zonder zich om te draaien.
‘Ik weet het wel,’ zei Pisani. ‘Pappa’s Negertje is bang. Voor zijn eigen hachje. Als hij de zaouia bestormt, haalt hij de wraak van de Berbers hier op zijn hals, als hij die ouwe dwaas laat zitten dan slaat de sultan zijn kop eraf. Of zijn vader. Een kakkerlak, dat is het. Hoe kan zijn vader denken dat hij een leger kan aanvoeren?’ Pisani spuugde op de grond. ‘Wat een schijtland.’
‘Daarom zijn wij er,’ zei Ben Sedira. ‘Wij zijn er om de sultan bij te staan.’
‘Wens die kakkerlak sterkte met zijn beslissing,’ riep Pisani. ‘Hij zal het nodig hebben.’
In de schaduw van zijn parasol bleef kaïd Mohammed zitten, roerloos, zonder te laten merken of hij begreep dat de Franse militairen die aan zijn leger toegevoegd waren het over hem hadden.
Ik trok de leren gespen waarmee de kist munitie bevestigd was recht en aaide de ezel over zijn rug op een plek waar geen zweren of wonden waren. Het donkere haar was onwerkelijk warm. Mijn mond was alweer droog, maar ik had geen water en tot we bij een put zouden zijn, zou ik niet drinken.
‘Hij schijnt een soort goochelaar te zijn,’ zei Pisani terwijl hij een slok uit zijn veldfles nam.
‘Wie?’ vroeg ik. ‘’t Negertje?’
‘Nee, dat denk ik niet. Ik bedoel die vent in die koepel. De Rogui.’ Pisani sprak de naam uit met de g diep in zijn keel alsof hij een oude alim was die buiten de moskee gebeden verkocht. ‘Bou Hmara. De tegensultan.’
‘Ik hoop voor hem dat hij een goede verdwijntruc kent,’ zei ik. ‘Want anders komt hij niet levend uit z’n koepeltje.’
Pisani lachte. ‘Ik ben bang dat dat wat hoog gegrepen is voor onze Rogui. Hij heeft een nogal beperkt arsenaal aan trucs. Hij heeft een tijdje met een groep Franse zigeuners rondgetrokken door Algerije. Hij kent een paar kaarttrucs. Simpele dingen. Dat was lang voor hij tegensultan werd, natuurlijk.’
Pisani speelde met zijn waterfles, hij wond de draagriem om zijn hand en liet de fles schommelen. Hij wist dat ik ernaar keek als een kat die zijn ogen niet van een muis kon afhouden.
Eén slok, dat zou voldoende zijn. Ik zou weer kunnen slikken, praten zonder dat mijn tong aan mijn verhemelte bleef plakken. Nee, ik zou er niet om vragen. Ik zou nee zeggen als hij het me aanbood. Ik hoefde zijn water niet.
‘Hoe is de Rogui eigenlijk tegensultan geworden?’ Ik kende het antwoord, maar ik moest iets zeggen om niet aan het water te denken.
Pisani liet de ketting waarmee de dop aan de fles vastzat door zijn vingers gaan alsof het een rozenkrans was. ‘Zo gaat het hier altijd. Al eeuwen. De sultan maakt vijanden. Die vijanden zoeken een broer of een neef van de sultan die wel iets ziet in een avontuur. Zo heeft de Glaoui ooit deze sultan op de troon gezet ten koste van zijn broer. Onze vriend de Rogui hier heeft het in ieder geval origineel aangepakt. Hij is niet op zoek gegaan naar een of ander vergeten familielid van de sultan, hij heeft gewoon gezegd dat hij zelf de broer van de sultan was.’ Pisani draaide de dop los en tuurde met één oog in de fles. ‘Was jij erbij twee weken terug toen de sultan zijn broer aan het volk toonde om te bewijzen dat deze de gehele tijd in het paleis had gewoond?’
Ik knikte. Het was een potsierlijke vertoning geweest. De echte oudste broer van de sultan was een zonderling, mank en eenogig, eenzaam opgesloten in het paleis, waar hij zijn dagen biddend doorbracht. De sultan had hem twee vrijdagen geleden aan het volk getoond. Hij had hem op een paard gezet en het paard achter zich aan meegevoerd op weg naar de moskee. De arme man keek verdwaasd rond, terwijl het volk zich aan hem vergaapte.
Oude, tandeloze vrouwen wierpen zich op de grond, buiten zichzelf, in trance, gillend: ‘Schenk ons uw baraka, schenk ons uw zegen, sidna. Ontferm u over ons.’ De dwaas sloeg zijn blik neer en zijn onbeholpenheid werd begrepen als de bescheidenheid van een heilige. Kinderen drongen naar voren om de manen van zijn paard aan te raken, de staart van het beest, zelfs een schop met de hoeven kon genoeg zijn om te delen in de baraka. De sultan keek om en zag de volkse waanzin die zich om zijn hulpeloze broer verspreidde. Een kort bevel volstond om zijn wachters de menigte uiteen te laten slaan.
‘Wil je een slok?’

Ik schudde mijn hoofd. Het was een beproeving, maar Pisani zou me niet kleinkrijgen.
‘Als tegensultan had de Rogui in ieder geval wat aan zijn goochelkunsten,’ zei Pisani. ‘Wat munten uit de oren van een arme Berber tevoorschijn toveren, en zo de bijgelovige Berbers ervan overtuigen dat hij een soort heilige was.’

Het middaguur was aangebroken. De hitte in de kom zonder beschutting werd met het uur ondraaglijker. De duizendkoppige slang van het leger van de sultan lag stil in het stof. De lastdieren stonden in groepen bijeen. De kamelen hinkelden rond, de poten aan elkaar gebonden, op zoek naar gras.
Vanuit zijn plek onder de parasol gaf kaïd Mohammed een teken, een bevel.
‘Wat gaan we doen?’ vroeg Pisani aan Ben Sedira. ‘Wat zegt ie?’
‘Tenten opzetten,’ zei Ben Sedira droog.
‘Kijk!’ zei Pisani. ‘Een heel goede beslissing. Hij heeft er een uur of wat over nagedacht.’
‘Le Moine,’ zei Ben Sedira. ‘Zorg jij voor het kanon en de munitie?’
Ik knikte. ‘Yasir! Hamidu! Span de paarden weer voor het kanon.’

De zon stond al laag, maar de hitte leek aan de grond geplakt, onbeweeglijk. Pisani leunde tegen de glimmende loop van de 75 mm-kaliber.
‘Misschien mag je wel schieten. Kun je een beetje schieten?’
‘Ik denk het,’ zei ik.
‘Hoeveelste was je van je jaar?’
‘Zevende.’ Ik was zevende en ik had het verdiend. Ik had hard gewerkt op Saint-Cyr, zonder me af te laten leiden, ik wilde slagen. Jongens uit goede milieus zetten de bloemetjes buiten. Ik deed niet mee. Ik bleef uit de problemen, ik was er om te studeren. Ik was klein van stuk en niet sterk, maar ik wist mijn kleine gestalte en beperkte fysiek te compenseren met inzet en inzicht. In mijn eerste jaar was ik weleens het mikpunt van hoon, ‘krekeltje’ noemden ze me, omdat ik zo tenger was, maar ik liet me er niet door van de wijs brengen. Aan het einde van de opleiding studeerde ik als een van de besten van mijn jaar af. Ik kon kiezen bij welk onderdeel ik wilde dienen. Ik had iets bewezen. Ik hoefde voor niemand onder te doen.
Pisani bulderde van het lachen. ‘Zevende? Ben Sedira, hoor je dat? Le Moine was zevende van zijn jaar! Nou dan mag jij schieten vandaag. Bordel! Kerel, wat doe je hier als je zevende bent? Waarom zit je niet bij de cavalerie in Normandië, of bij de staf in Parijs, lekker papier schuiven? Wat kom je in deze godvergeten uithoek van de wereld doen? Negerkogels vangen? Als ik naar Saint-Cyr was gegaan dan zat ik niet hier! Nom de dieu de putain de bordel! Zevende.’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik heb ervoor gekozen hier te komen.’
‘Waarom?’
Ik keek Pisani strak aan en zei: ‘Hier kun je een verschil maken.’ Pisani lachte. ‘Nom d’une pute borgne! Meen je dat?’
Ik kende kerels zoals Pisani. Niets kon ze schelen, er was niets waar ze om gaven en niets waarin ze geloofden. Ik zou niet zo worden zoals hij.
‘Jij gaat een mooie tijd krijgen hier. Wat voor verschil wil je maken?’ Ik duwde de hak van mijn laars in het zand en keek in de verte. Dat je ergens in geloofde was misschien niet makkelijk om uit te leggen aan cynische soldaten zoals Pisani, maar ik was niet bang voor hem.
‘Ik geloof…’ zei ik, maar verder dan dat kwam ik niet, want Ben Sedira kwam met grote passen aanlopen en riep ons van een afstandje toe. ‘Het is zo ver.’
Ben Sedira keek met een grimmige blik op de Berbers die nog steeds in de volle zon om de zaouia heen stonden.
‘Heeft ’t Negertje iets gezegd?’
‘Ja, hij heeft iets gezegd,’ zei Ben Sedira op vlakke toon. ‘Hij laat het aan ons.’
‘Aan ons?’
‘Ja. Wij mogen de zaouia kapotschieten. En hij wil dat we het vandaar doen.’ Ben Sedira wees op een kleine met gras begroeide verhoging waar kamelen graasden. ‘In onze eigen uniformen.’
Pisani schudde het hoofd. ‘Wat een kakkerlak,’ zei hij. ‘Geniet er maar van, Nummer Zeven. Rijd je kanon daarheen, trek je jas aan, zet je pet op en laat ons eens zien wat ze je allemaal geleerd hebben op Saint-Cyr.’

[...]

Copyright © Richard Osinga 2011 / Nieuw Amsterdam Uitgevers
Copyright auteursportret © Mark Sassen

Uitgeverij Nieuw Amsterdam

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum