Leesfragment: Een geheimzinnig veemgericht. Bij Kafka's Het proces

27 november 2015 , door Willem van Toorn
| | | |

Op 5 januari verschijnt een nieuw deel uit de Perpetuareeks: Willem van Toorns nieuwe vertaling van Franz Kafka's Het Proces. Dit weekend, op de grens van 2011 en 2012, publiceren we het nawoord voor dat Van Toorn voor deze uitgave schreef.

Meer weten? Van Toorns Perpetualezing, bij Athenaeum Haarlem, vindt 21 februari 2012 plaats. Of lees ons interview met Van Toorn over zijn vertaling van De gedaanteverwisseling en andere verhalen. Meer aanschaffen? In januari 2012 zijn bijna alle Perpetuadelen € 25% goedkoper.

Op een morgen wordt Josef K. 'zonder dat hij iets kwaads had gedaan' gearresteerd. Dat is het begin van een vreemde, ellendige procesgang waar zelfs een gedisciplineerd en evenwichtig procuratiehouder als Josef K. aan ten onder moet gaan. K. wordt ondergedompeld in een vreemde wereld: armoedige griffieburelen in afgelegen buitenwijken, grote, onverlichte ruimten waarin plotseling advocaten, rechters van instructie, aalmoezeniers en hoeren opduiken, brutale ranselaars in gewelven, in keurige bewoordingen gevatte chicanes: het is de wereld van Kafka bij uitstek die hij in dit boek heeft vastgelegd en die zelfs buiten zijn boeken om zijn naam is gaan dragen.

Een geheimzinnig veemgericht

'Iemand moest kwaad van Josef K. hebben gesproken, want zonder dat hij iets slechts had gedaan werd hij op een ochtend gearresteerd.' Dat is wel een heel mooi voorbeeld van de soort openingszin waarover S. Vestdijk schrijft in zijn essay 'Het pernicieuze slot' - een eerste zin waarin het wezen van het hele boek al vervat is: in het geval van Het proces de hopeloze strijd van het individu tegen de ongrijpbare machten in de buitenwereld die erop uit zijn het te vernietigen. Van een pernicieus slot is overigens in Het proces geen sprake; weinig romans kennen zo'n genadeloos einde: als K. ten slotte door twee bizarre heren, die hij zelf typeert als 'oude tweederangs acteurs' in een troosteloos nachtelijk decor aan de stadsrand met een slagersmes klungelig wordt afgemaakt, neemt de roman afscheid van de lezer met de zin: '"Als een hond," zei hij, het was alsof de schaamte hem moest overleven.'

Tussen die twee zinnen speelt zich de misschien wel beroemdste roman uit de wereldliteratuur af, een boek dat in alle denkbare talen vertaald is, dat aanleiding was en is tot films en theaterbewerkingen, tot een bibliotheek aan commentaren en interpretaties, dat door kennelijk steeds weer herkenning op te roepen als het gaat om de confrontatie tussen individu en gemeenschap de taal verrijkte met de term 'kafkaësk' (of, zoals Guus Middag onlangs schreef in een bespreking van een biografie van de Russische dichter Brodsky: 'Dit was Kafka. Het individu vermalen door het systeem.').

Dat is des te opvallender waar het om een onvoltooide roman gaat waarvan we alleen de hoofdstukken kennen die Kafka, op één vertelling na, had willen vernietigen omdat hij het een mis lukt boek vond. In zijn 'Bij deze uitgave' geeft Malcolm Pasley een nauwkeurig beeld van de bewaard gebleven hoofdstukken en van zijn overwegingen om ze in de Duitse uitgave naar het handschrift (waarop mijn vertaling is gebaseerd) op deze wijze te ordenen. Anders dan in de versimpelde vorm die Max Brod na de dood van zijn vriend aan Het proces gaf, maar die het boek en de auteur wereldberoemd maakten. Na een aantal 'scènes' die goed bij elkaar lijken aan te sluiten, vallen er gaten in de handeling, de lezer is gedwongen grote sprongen in de tijd te maken, over afgronden die in een voltooide roman overbrugd zouden zijn, en er blijven enige losse fragmenten over die suggereren dat voor sommige figuren nog een belangrijke rol zou zijn weggelegd als Kafka het boek had voltooid - maar die rol kennen we niet.

Wat gebeurt er in Het proces zoals we het nu lezen? Tussen 'arrestatie' en smadelijke dood probeert Josef K. gerechtigheid te vinden bij een gerecht dat daarin volstrekt niet in is geïnteresseerd, maar dat er alleen op uit is de verdachte, die zelfs niet weet waarvan hij wordt verdacht, schuldig te verklaren omdat hij per definitie schuldig is. K. legt een uitzichtloze zwerftocht af langs absurde 'rechtelijke' instanties, gehuisvest in duistere labyrinten van kantoren op zolders in achterbuurten, langs advocaten en mogelijke helpers, waarbij je als lezer voortdurend tegen hem wilt zeggen: 'Loop er toch niet in jongen, het is niet echt. Ga met je vriendin de stad in en lach erom.' Maar zoveel relativeringsvermogen is in K.'s wereld ondenkbaar. Aanvankelijk neemt hij zelf weliswaar zijn arrestatie ook niet erg serieus - hij blijkt bijvoorbeeld gewoon naar de bank te kunnen gaan waar hij een belangrijke positie heeft. Het feit dat hij op een zondag wordt ontboden voor een eerste vooronderzoek door de rechtbank lijkt ook eerder bizar dan verontrustend, en dat eerste 'onderzoek' verloopt zó clownesk dat het wel tot niets moet leiden. Maar dan verschijnt op een dag onverwachts zijn oom uit de provincie - die van zijn 'zaak' blijkt te weten - op de bank om K. mee te tronen naar advocaat Huld, een studievriend die kennelijk deel uitmaakt van het juridische spinnenweb waaraan K. van dat moment af niet meer zal ontsnappen. K. zoekt op zijn zwerftocht hulp en troost bij een paar vrouwen, de overspelige echtgenote van een bode van de rechtbank, en de erotisch al even gulle Leni, de verzorgster van de zieke Huld - maar uiteindelijk blijken alle spelers onderdeel te zijn van het netwerk van het onzichtbare gerecht. Als K. tegen het einde van zijn directeur op de bank opdracht krijgt een belangrijke Italiaanse zakenrelatie door de stad rond te leiden, vindt hij in de kathedraal waar ze hebben afgesproken niet de Italiaan, maar een priester die hem in de gigantische lege ruimte, terwijl buiten een onweer woedt, onderhoudt over de onontkoombaarheid van zijn schuld en hem afraadt zijn heil bij vrouwen te zoeken.

Kafka begon aan Het proces te schrijven in augustus 1914, kort nadat zijn tegen beter weten in volgehouden verloving met Felice Bauer tijdens een dramatische confrontatie in Hotel Askanische Hof in Berlijn verbroken was. Hij werd in Berlijn geconfronteerd met een soort jury, bestaande uit Felice zelf (met wie hij zich nog maar zes weken eerder officieel had verloofd), haar zuster Erna en haar vriendin Grete Bloch. Kafka werd bijgestaan door zijn vriend Ernst Weiss. In zijn dagboek beschrijft hij de ontmoeting als een 'Gerichtshof im Hotel'. De verwijten die Felice hem maakt laat hij zwijgend over zich heenkomen. Er is geen verdediging. Hij is weliswaar onschuldig, maar toch de aanstichter van alle kwaad: 'Teuflisch in aller Unschuld.' Het begin van Pasley's 'Bij deze uitgave' beschrijft hoe gelukkig Kafka is als hij na deze bevrijding weer kan schrijven - aan Der Procesz. En het is interessant te zien hoe belangrijke elementen van het 'Gerichtshof im Hotel' in het boek lijken terug te komen. De kwestie van schuld of onschuld bijvoorbeeld. 'Hoe kan een mens nu eigenlijk schuldig zijn?' vraagt K. aan de priester in de duistere kathedraal. En de priester legt hem uit dat alleen schuldigen die vraag stellen, dat de schuld onvermijdelijk is: '...de procedure gaat geleidelijk over in het vonnis.' Een ander belangrijk element is de rol die vrouwen spelen in het verloop van Het proces. K.'s pogingen steun te vinden bij vrouwen leiden tot weinig meer dan het erotisch gefriemel dat Kafka zelf kende van zijn omgang met 'gewillige' vrouwen als prostituees en serveersters; zijn afstand tot 'nette' vrouwen als juffrouw Bürstner in Het proces, bij wie wellicht wél redding te vinden was geweest, blijft onoverbrugbaar - zoals in Kafka's leven de afstand tot Felice, bij wie hij had gehoopt iets te vinden wat op een 'normaal' burgerlijk leven leek. Het is opvallend dat de figuur van juffrouw Bürstner, die in een paar fragmenten en dan ineens weer in de marge van het slothoofdstuk optreedt, oningevuld blijft, onbereikbaar. Maar ik probeer hier natuurlijk niet van Het proces zoiets als een directe verwerking van Kafka's eigen ervaringen te maken. De figuur van de eenling die het tegen de macht van het systeem buiten hem, tegen het vreemde, moet opnemen is daarvoor te universeel, en te kenmerkend voor Kafka's drie onvoltooide grote romans: Amerika, Het slot en Het proces.

Het is moeilijk, voor de lezer van Kafka's werk, het los te zien van de talloze interpretaties die het heeft opgeroepen. Georg Steiner stelt bijvoorbeeld in Language and Silence (1976) zonder een spoor van twijfel vast: 'Het proces verbeeldt het klassieke model van de terreurstaat. Het voorspelt het verborgen sadisme, de hysterie die het totalitarisme sluipenderwijs oproept in het persoonlijke en seksuele leven, de gezichtsloze verveeldheid van de moordenaars.' En in dezelfde passage benadrukt Steiner enkele malen dat Kafka letterlijk een profeet is. Het is voor de beginnende Kafkalezer die deze zelfverzekerdheid serieus neemt vrijwel ondoenlijk Het proces te lezen zonder het dreunen van laarzen in de straat te horen en prikkeldraad met wachttorens te zien. Misschien is het goed, die lezer erop te wijzen dat 'het klassieke model van de terreurstaat' in Europa nog niet bestond toen Kafka in 1914 aan Het proces begon te werken. Dat hij die terreurstaat nooit heeft meegemaakt, maar een Duitssprekend Joods burger was van een deel van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie. (Dat Kafka een moeizame relatie onderhield met het Duits, de emancipatie-taal voor de Joodse minderheid in de dubbelmonarchie, is een interessante kwestie, waar hij zelf indringend over schreef, maar die los staat van Steiners suggesties. Zie ook het citaat van Dora Diamant, Kafka's laatste vriendin, aan het einde van dit Nawoord.) Dat Steiner bijvoorbeeld Auschwitz inbrengt om de betekenis van Kafka's werk te verduidelijken, vind ik ongepast: 'Hij zag het onmenselijke tot wasdom komen en tekende het onverdraaglijke gezicht ervan.' Lezen wat er staat in Het proces is al aangrijpend genoeg, zou ik zeggen.

Legio zijn de interpretaties die Kafka's relatie met zijn vader tot uitgangspunt nemen, zijn moeizame verhouding tot vrouwen, zijn Jood-zijn, zijn psychologische problemen of al die zaken tegelijk. Ook de indrukwekkende Kafka-kenner Hartmut Binder (auteur van onder veel meer het Kafka-Handbuch in zwei Bänden) kan er af en toe wat van. Midden in de honderden pagina's aan onmisbare informatie vind je bij hem ineens kleine, pedante karakteranalyses (op grond van de typologie van Kretschmer), die Kafka 'ein schizoïdes Temperament' toedichten en daaruit zijn ontwikkeling verklaren: 'Zijn op zichzelf verliefde hypochondrie uitte zich in zijn angst om zijn spijsvertering, voor verkromming van de ruggengraat, haaruitval, impotentie, in vrees voor bacteriën en regen en een beslist ziekelijk te noemen gevoeligheid vooral tegenover lawaai.' Veel wezenlijker lijkt mij het beeld van Kafka dat oprijst uit een verhaal van Dora Diamant, en dat wel heel sterk in tegenspraak is met de inktzwarte figuur die Steiner meent te zien:

'Toen hij op een wandeling in Berlijn (1923) een huilend meisje ontdekte, dat haar pop was kwijtgeraakt, legde hij haar uit dat de pop, die hij net nog gezien had, op reis was en had beloofd te schrijven. Zelf schreef hij nu wekenlang brieven, waarin hij de pop liet vertellen over haar reiservaringen. Uiteindelijk gaf hij het kind een nieuwe pop, en om haar ervan te overtuigen dat dit echt de verloren pop was, verklaarde hij haar veranderde uiterlijk uit de invloeden die ze in vreemde landen had ondergaan.'

Een voorbeeld van een interessante omgang met Kafka's teksten is voor mij de zoektocht die Roberto Calasso onderneemt in K. (2005) - een zoektocht die romans, verhalen, dagboeken, brieven en vele andere bronnen doorkruist en verrassende verbanden legt, mogelijke interpretaties opwerpt, waarbij de schrijver zich gefascineerd in Kafka's labyrint begeeft, maar zich nooit als een welwillende dokter over de patiënt buigt of de lezer een zelf-gefiguurzaagde legpuzzel van de westerse cultuur voorlegt waar Kafka een passend stukje in moet zijn. Calasso oppert bijvoorbeeld dat landmeter K. uit Het slot dezelfde figuur is als Josef K. uit Het proces, die na zijn gruwelijke dood terugkomt, nu niet als veroordeelde maar als uitverkorene: de landmeter is immers gekozen, benoemd - al is het duister door welke instantie. 'Het slot en Het proces hebben eenzelfde uitgangspunt,' schrijft Calasso: 'dat uitverkiezing en veroordeling bijna hetzelfde zijn. Dat bijna is de reden waarom er twee boeken zijn en niet één. De gekozene en de veroordeelde zijn de uitverkorenen, degenen die uit velen, uit allen, zijn geïsoleerd.' De waaier aan mogelijkheden die Calasso de lezer voorlegt kan het werk van Kafka voor hem verrijken en verdiepen, maar stelt zich er nooit boven door het mystieke, voorspellende eigenschappen toe te dichten of het ijverig te relateren aan gegevens uit het dagelijks leven van de auteur. Een interessante vaststelling van Calasso is ook dat er bij Kafka nogal eens belangrijke gedachtewisselingen plaatsvinden waarbij de deelnemers op de rand van een bed zitten. Dat van de schilder Titorelli bijvoorbeeld, in Het proces, en dat van secretaris Bürgel in Het slot. 'De rand van het bed is de drempel van een andere wereld,' zegt Calasso. Het mooie van een dergelijke interpretatie vind ik dat ze de alledaagse ervaring van op randen van bedden zitten, in studentenkamers, bij het voorlezen aan zusters, vrienden en geliefden, bij de aarzelende inleiding van verliefde handelingen, niet uitsluit, maar een mogelijke nieuwe betekenis geeft - die van een drempelervaring tussen de wereld van alledag en een wereld waarin andere wetten gelden, waarin de meest wezenlijke vragen van het leven zonder omwegen gesteld kunnen worden.

Ik begon dit stuk met een verwijzing naar Simon Vestdijks essay 'Het pernicieuze slot' - en niet zonder reden. In de bundel Lier en lancet waarin het is opgenomen staat ook zijn in 1938 geschreven essay 'De realiteit bij Kafka', dat voor mij tot het beste behoort dat over Kafka's werk geschreven is. En dat vooral, stel ik bij herlezing vast, omdat het zo hoffelijk is, zo ontdaan van neerbuigende buitenliteraire exercities. Het gaat, met grote bewondering, over Kafka's werk en bevat ook over Het proces een aantal inzichten en formuleringen die het boek werkelijk voor de lezer kunnen verhelderen.

Vestdijk verzet zich tegen wat hij noemt 'sterk generaliserende, zij het op zichzelf niet onjuiste interpretaties, als daar zijn Kafka als religieuze figuur, als Joods schrijver, e.t.q.' Hij meent dat deze interpretaties, juist door hun pogingen Kafka tot vertegenwoordiger van iets algemeners te maken, het zicht op zijn werk vervagen. Als kenmerkend voor Kafka's hele werk ziet Vestdijk 'de irrationaliteit van het rationele', anders geformuleerd de vraag 'hoe is het mogelijk dat onze ratio - en daarmee onze morele bestrevingen - op de werkelijkheid betrokken is?' Verder ziet Vestdijk in Kafka's werk een uiterst merkwaardige vermenging van dat rationalisme met een kinderlijke onbevangenheid tegenover de werkelijkheid, 'twee tegenstrijdige tendensen die men in deze mate te zamen niet alleen nimmer bij een filosoof zal aantreffen, maar bij geen enkele andere romanschrijver, voor zover mij bekend is'. Een zuivere naïveteit observeert Vestdijk in wat hij Kafka's 'fantastische miniatuurnovellen' noemt (bijvoorbeeld de vroege verhalen uit De gedaanteverwisseling en andere verhalen), maar zodra de structuur iets gecompliceerder wordt 'slaat die naïeveteit om in iets wat men satirisch of parodistisch noemen kán [...] zonder dat in de vormgeving iets van deze tendentieuze opzet is binnengedrongen'. Daarmee karakteriseert Vestdijk naar mijn mening treffend de eigenaardige humor van Kafka, waarvan ook in Het proces verbluffende staaltjes te vinden zijn. Bijvoorbeeld de scène waarin een oude, vermoeide beambte van de 'rechtbank', die door de vasthoudendheid van een advocaat een dag en een nacht lang stukken heeft moeten bestuderen, besluit zich verdekt boven aan de monumentale toegangstrap op te stellen en elke advocaat die zich voordoet naar beneden te smijten. De advocaten besluiten tot een list om toch binnen te komen: ze zullen de oude heer uitputten door om de beurt naar boven te rennen en zich naar beneden te laten gooien. De humor, een scène van Harold Lloyd of Laurel en Hardy waardig, zit inderdaad in de droge feitelijkheid waarmee de gebeurtenissen worden verteld.

Het is goed voor de lezer, te weten dat Kafka vaak ook zelf erg om zijn werk moest lachen. Binder schrijft in zijn Kafka-Handbuch, op grond van getuigenissen van vrienden, dat Kafka vaak en graag lachte, vooral als het over merkwaardige feiten of mensen ging, of als hij bij het voorlezen verrassende wendingen of opvallende eigenaardigheden tegenkwam. 'Zo kon hij bijvoorbeeld niet verderlezen van het lachen, toen hij voor vrienden het eerste hoofdstuk van Het proces ten gehore bracht.'

'Het begin van de roman Het proces,' schrijft Vestdijk, 'is voor deze unieke combinatie van naïeveteit en rationalisme (in zijn beide aspecten: redelijkheid en formalistische beperking) in hoge mate kenschetsend, zowel wat Kafka zelf als wat zijn alter ego Josef K. betreft, die op een ochtend door twee handlangers van een geheimzinnig veemgericht, dat later de hele samenleving zal blijken te beheersen, gevanggenomen wordt, zonder dat er van enige overtreding, enige "schuld" sprake is. K.'s reacties zijn eensdeels die van een kind, dat alles gelooft, - anderdeels die van de typische verstandsmens, die het ongewone op de meest vernuftige wijzen tracht te verklaren, zonder datgene te doen wat werkelijk voor de hand ligt, i.c. de politie opbellen. Uit deze mentaliteit groeit de roman met een meedogenloze consequentie.'

Vestdijks beheerste benadering van Kafka's werk en zijn afwijzing van de neiging Kafka voortdurend model te laten staan voor grote, dreigende, zware elementen van het wereldgebeuren, is merkwaardig verwant aan de visie van Dora Diamant op zijn werk: 'Jaren later [dat wil zeggen jaren na Kafka's dood in 1924, WvT.] heb ik Kafka's boeken vaak gelezen, altijd met de herinnering aan hoe hij er mij zelf hardop uit voorlas. Dan voelde ik, hoezeer de Duitse taal mij daarbij in de weg zat. Duits is een al te moderne, actuele taal, Kafka's hele wereld verlangt naar een oudere taal; in hem school een oeroud bewustzijn, oude dingen en oude vrees. Zijn hersens kenden fijnere nuances dan moderne hersens kunnen bevatten. Hij is even weinig de vertegenwoordiger van een periode als hij de vertegenwoordiger van een volk en zijn noodlot is. Zijn realisme geeft ook niet het leven van alledag weer: het is een absolute, verdichte logica waarin je maar een paar korte ogenblikken kunt leven.'

Athenaeum - Polak & Van Gennep

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum