Leesfragment: Geschiedenis van een genotzoeker

27 november 2015 , door Richard Mason

12 mei verschijnt Richard Masons nieuwe roman Geschiedenis van een genotzoeker (History of a Pleasure Seeker, vertaald door Dennis Keesmaat). Dit weekend kunt u al de eerste pagina's lezen en uw exemplaar reserveren.

De geschiedenis van een genotzoeker is het verhaal van een charmante, intelligente jongeman, die de privéleraar wordt van de zoon van een puisant rijke familie die aan de gouden bocht woont van de Herengracht. Museum Willet-Holthuysen stond model voor het huis waar de familie woont. De jongen is vastberaden om met hulp van de familie een weg te vinden naar de hogere klassen, maar al snel komt zijn zorgvuldig uitgedachte toekomst in gevaar.

Hij werd geboren in 1977 in Johannesburg, maar verhuisde op zijn tiende met zijn ouders naar Engeland. Op zijn achttiende schreef hij zijn debuutroman Verloren zielen, waarvoor hij in Engeland het hoogste voorschot ooit kreeg voor een debutant: £ 1.000.000,-. Het boek verscheen tijdens zijn eerste studiejaar in Oxford en werd een ongekend verkoopsucces: het werd vertaald in 22 talen, wereldwijd werden er meer dan 7 miljoen exemplaren van verkocht en het maakte hem tot een rijke jonge man.

De Gouden Bocht
Amsterdam, 1907

De avonturen in zijn adolescentie hadden Piet Barol duidelijk gemaakt dat hij voor de meeste vrouwen en veel mannen aantrekkelijk was. Hij was oud genoeg om pragmatisch om te gaan met dit voordeel, jong genoeg om onbescheiden te zijn en ervaren genoeg om te vermoeden dat dit feit in dit geval, net als in andere gevallen, weleens van doorslaggevend belang kon zijn.
Toen hij uit de trein uit Leiden stapte en zich in de maalstroom begaf die uit het Centraal Station kwam, keken verscheidene voorbijgangers steels naar hem om. Hij had een open gezicht met schalkse blauwe ogen, een zelfverzekerde neus en dik zwart haar dat om zijn oren krulde. Hij had een gemiddeld postuur, maar hij was gespierd en goedgebouwd, met grote zachte handen waarvan mensen zich afvroegen hoe het zou voelen om erdoor gestreeld te worden.
In een van die handen bevond zich op deze koude februariochtend een envelop die te groot was voor de zakken van zijn Engelse pak. Er zat een kopie van zijn doctorsbul in, alsmede een aanbevelingsbrief van een professor die zijn vader nog een wederdienst had moeten bewijzen. Piet stak de drukke Prins Hendrikkade over en dacht terug aan het besluit dat hij had genomen zodra hij Jacobina Vermeulen- Sickerts’ uitnodiging voor een persoonlijk onderhoud had ontvangen: dat hij zou aankloppen bij de voordeur van het huis, als een gelijke, in plaats van bij de ingang voor het dienstpersoneel.
Het gezin woonde op het voornaamste stuk van de voornaamste gracht van Amsterdam. Piet had in de kranten gelezen dat Maarten Vermeulen brood gaf aan de bewoners van achterbuurten en een grote rol had gespeeld bij de aanvoer van schoon drinkwater naar de armste wijken van de stad. Hij wist dat Vermeulen eigenaar was van het chicste hotel van het land en dat hij verspreid over Europa nog een aantal kleinere etablissementen bezat. Tevens was Piet bekend met zijn dochters Constance en Louisa, evenals met het feit dat ze de voorhoede van de ‘jonge beau monde’ vormden en dat hun moeder, Jacobina, zich daar naar verluidt bezorgd over maakte. Al met al had het gezin de reputatie kleurrijk, modern en heel erg rijk te zijn: drie kwaliteiten die volgens Piet de taak een verwend ventje les te geven ongetwijfeld een stuk minder eentonig zouden maken.
Hij kuierde over de Blauwburgwal en stak de straat over naar de Herengracht. Aan weerszijden van het water keken huizen die waren gebouwd voor de magnaten van de zeventiende eeuw toe op de wereld met de sereniteit die ze hadden verkregen door drie eeuwen onrust ongedeerd te doorstaan. Ze waren hoog maar smal en ontbeerden de bombast van de huizen van rijke mannen die zijn moeder hem in Parijs had getoond, en toch was het onmiskenbaar dat dit huizen van rijke mannen waren, iets wat subtiel duidelijk werd gemaakt door de overvloed aan ramen.
Piet ging linksaf en in zijn gedachten liep hij weg van Leiden, weg van Herman Barols kleine huisje aan het Pieterskerkhof en het leven van universiteitsmedewerker dat daarbij hoorde. Vier jaar lang had Piet zijn vader bijgestaan in het bestraffen van studenten die verzuimd hadden hun bibliotheekboete te betalen, die afgekeken hadden tijdens hun examens of die betrapt waren in het gezelschap van vrouwen met een slechte reputatie. Van die jongemannen had hij geleerd het nonchalante air van de rijken voor te wenden, maar hij was niet van plan hen de rest van zijn leven achterna te lopen.
Hij hield een frisgewassen zakdoek voor zijn mond en ademde diep in. Het kanaal stonk met een heftigheid waarop het leven in de betrekkelijke eenvoud van een provinciestad hem niet had voorbereid. In de complexe geur scholen kaaskorsten, wegrottende schoenen, rattenurine, menselijke ontlasting, olie, teer en een lading industriële chemicaliën die uit een schip in de haven waren gelekt. Het effect van dit geheel was verstikkend, maar de mensen die langs hem liepen schonken er geen aandacht aan. Hij was ervan overtuigd dat hij er na verloop van tijd zelf ook wel aan zou wennen. Met kwiekere tred liep hij verder. Naarmate de huisnummers opliepen, werd de gefluisterde boodschap sterker: hier woonden welgestelde, vooraanstaande mensen. De smallere woningen, met twee of drie ramen naast elkaar, op het eerdere stuk van de gracht nog zo prominent aanwezig, kwamen nu minder vaak voor. Toen hij de Nieuwe Spiegelstraat was overgestoken zag hij er vrijwel geen meer. Op dit stuk was het smalste huis vier ramen breed. Welk huis was het hunne? Hij raadpleegde zijn horloge: hij was twintig minuten te vroeg. Om te voorkomen dat hij gezien zou worden, stak hij de gracht over en liep aan de andere kant verder.
Een huis met zes ramen op de onderste verdieping duidde op een verdere toename in status en het begin van de Gouden Bocht. Naarmate de luister toenam, raakte hij bevangen door een licht gevoel van paniek. Hij was niet altijd een ijverige student geweest, en een zorgvuldige lezer zou opmerken dat zijn professor een halfhartige aanbeveling voor hem had geschreven. Piet was veel slimmer dan velen die konden aantonen hoe slim ze waren, maar dat was amper een argument dat hij kon aanvoeren. Hij sprak volmaakt Frans – zijn moeder, Nina, was geboren in Parijs – en zijn Engels en Duits waren adequaat, maar op de piano was hij hoogstens bekwaam, en in de annonce had duidelijk gestaan dat Egbert Vermeulen een muzikaal genie was en dat men zocht naar een privéleraar die minstens zo goed was als hij en die zijn spel nog kon verbeteren.
Hij ging op een gietijzeren bankje tussen twee bomen zitten en riep zichzelf tot de orde. Hij had niet de beste papieren, maar zelfs met zijn vierentwintig jaar was hij wijs genoeg om te begrijpen dat mensen niet alleen beslissingen nemen op basis van eervolle vermeldingen op een stuk papier. Een privéleraar was immers meer dan een dienstbode. De kandidaat die de baan zou krijgen zou met de familie dineren in plaats van hun te serveren, en hoewel de familie Vermeulen deze vereiste niet had verwoord, was hij er zeker van dat mensen die zo à la mode waren onderhoudende conversatie op prijs zouden stellen. En daar was hij heel goed in, aangezien hij op de knie van zijn moeder de kunst van het charmeren had opgedaan.
Hij haalde Jacobina’s brief tevoorschijn en maakte op de achterkant van de envelop een schets van de strenge, indrukwekkende voorgevel van het huis tegenover hem. Toen hij het lastige perspectief van water en stenen had vastgelegd, voelde hij zich kalmer en optimistischer. Hij stond op en liep verder, en toen de gracht weer een bocht maakte, zag hij het huis op nummer 605.
Bij de gedachte dat hij binnenkort wellicht in een van de kamers op een van de bovenste verdiepingen zou slapen, rilde Piet Barol onder zijn kasjmieren jas met de fluwelen kraag die hij had gekocht van een welgestelde student met dwingende schulden. Het huis was vijf ramen breed en vijf verdiepingen hoog, met honderden ruitjes die glinsterend de gracht en de lucht weerspiegelden. De voordeur bevond zich op de eerste verdieping, te bereiken via een mooi dubbel bordes van grijs steen, en de gevel met zijn kleine rechthoekige tegels zou zonder de sierlijke krullen van wit pleister een strenge indruk hebben gemaakt. Ondanks de afmetingen had het pand niets pronkerigs, geen overdaad aan versiersels en niets onzekers.
Het droeg Piets onverdeelde goedkeuring weg.
Hij liep net de brug op toen uit de dienstingang onder het bordes een man van achter in de twintig kwam. Hij droeg geen nette kleding, en zijn pak, dat was aangeschaft toen hij magerder was, was overduidelijk zijn ‘zondagse goed’. Hij had iets weg van een jongeman die de zomer ervoor koppig achter Piet had aangelopen: donker en voorovergebogen, met een afhangende kin en een vettige neus. Piet had die knul niet zijn zin gegeven, en hij was ook geenszins van plan deze jongen te laten zegevieren. Toen zijn mededinger in de richting van het station liep, zag hij dat hij al na honderd meter enigszins buiten adem was. Die aanblik monterde hem op.
Hij streek zijn stropdas glad en liep de brug af. Net toen hij de trap naar de voordeur op wilde gaan, ging de deur van het dienstpersoneel open en een vrouw met een strenge kin zei: ‘Meneer Barol? We verwachtten u al. Wilt u zo goed zijn binnen te komen?’

*

De stank van de grachten verdween meteen en werd vervangen door de zoetheid van een volmaakt bruine appeltaart die de geuren accentueerde van poetsmiddel en schoon haar en een grote emmer oranje rozen die op een tafeltje bij de provisiekamer stond. ‘Ik ben mevrouw De Leeuw, de huishoudster. Wilt u meekomen?’ De vrouw ging hem voor naar een grote keuken waar stille, gechoreografeerde efficiëntie heerste. In een van de hoeken stond een grote ijskast. De eiken deur had een paneel van wit glas en werd opengehouden door een knappe blonde kerel van ongeveer dezelfde leeftijd als Piet, zodat een vrouw er een glanzende puddingvorm in kon zetten. ‘Voorzichtig, Hilde!’ Piets begeleider sprak zonder enige warmte. ‘Mag ik uw jas aannemen, meneer Barol? Meneer Blok zal u mee naar boven nemen.’
Meneer Blok verscheen in de deuropening in een donker jacquet: een wasbleke man van achter in de vijftig met een zorgvuldig gladgeschoren kin. Iets in zijn blik maakte duidelijk dat hij zich bewust was van Piets charmes, wat Piet bezwaarlijk vond, aangezien hij zich niet tot hem aangetrokken voelde. In de zeldzame gevallen dat Piet Barol met mannen ging, had hij ze het liefst atletisch en van rond zijn eigen leeftijd. De butler was geen van beide. Hij hielp Piet uit zijn jas en gaf hem aan Hilde, die de pudding zonder ongelukjes in de ijskast had weten te zetten. ‘Deze kant op, meneer Barol,’ zei hij.
Meneer Blok liep de kamer uit en ging een smalle trap naar de voorhal op. Piet wilde niet provinciaal overkomen, en van zijn gezicht viel niet af te lezen hoeveel indruk het huis op hem maakte. Panelen met citaten van de romantische schilders liepen boven zijn hoofd langs een marmeren lambrisering die was doorschoten met roze en grijs. Op een halvemaantafel stond een zilveren schaal voor visitekaartjes. Meneer Blok liep rechtsaf onder een vergulde lantaarn door en bracht Piet naar een open deur aan het einde van de gang, waardoor hoge balkondeuren zichtbaar waren.
Toen hij de eetkamer passeerde, ving Piet een glimp op van olijfgroen en gouden behang en een tafel die gedekt was voor vijf personen, wat betekende dat Constance en Louisa thuis aten. In de krant had hij gelezen dat ze dat zelden deden en hij vatte dat volkomen terecht op als een teken van belangstelling voor de nieuwe privéleraar van hun broer.
Hij kon niet wachten hen te ontmoeten en vriendschap met hen te sluiten.
De trap naar de bovenste verdieping was gestoffeerd met warme rode wol en werd gadegeslagen door een drietal beelden onder een glazen koepel. Meneer Blok liep erlangs en bracht hem de kamer met de balkondeuren binnen, die slechts een kleine achthoek bleek, opgetrokken uit glas en steen en uitgerust met twee harde sofa’s. Dit maakte Piet duidelijk dat de pracht en praal van de zitkamer voorbehouden was aan betere en voornamere mannen dan hij, en aangezien hij een sterk gevoel van eigenwaarde had, nam hij aanstoot aan dit oordeel, en hij nam zich voor te zegevieren over de persoon die besloot voor wie het huis zijn deuren opende.

*

De butler trok zich terug. Piet legde de envelop met zijn aanbeveling op een tafeltje dat zo smal was dat het deze last amper kon dragen, en ging zitten. Boven hem keek een kandelaar met vijf vergulde griffioenen laatdunkend op hem neer, alsof elke gevleugelde leeuw recht in zijn ziel kon kijken en afkeurde wat hij daar zag. De voornaam van mevrouw Vermeulen-Sickerts riep beelden op van harige patriarchen en hij hoopte dat ze niet al te lelijk was. Het was moeilijker om te flirten met een lelijke vrouw.
Hij was aangenaam verrast toen er lichte voetstappen op de tegels klonken en Jacobina verscheen. Hoewel ze bijna zesenveertig was, was de erfenis van een sportieve jeugd zichtbaar aan haar smalle middel en haar vlugge, gedistingeerde bewegingen. Ze droeg een middagjapon van appelgroene wol met een hoge kanten boord en een korte sleep: in vele opzichten een onpraktisch kledingstuk, maar Jacobina Vermeulen-Sickerts had geen dringende noodzaak om praktisch te zijn. ‘Goedemiddag, meneer Barol.’ Ze stak een hand uit en schudde de zijne stevig. ‘Blijft u alstublieft zitten.’ Maar Piet stond al en hij glimlachte verlegen toen Jacobina zich op een van de sofa’s vlijde en zei: ‘Vergeeft u ons de ongemakkelijke meubels. Mijn echtgenoot is dol op Louis Quinze en de stoffering is te fijn om de zittingen van nieuwe vering te voorzien. Mag ik u een kop thee aanbieden?’ ‘Graag.’
Met een uiterst fijn bewerkte telefoon bestelde Jacobina versnaperingen. ‘Mag ik uw aanbevelingen zien?’
Het kon geen kwaad om er maar direct van af te zijn. Toen Piet de brief overhandigd had, ving hij Jacobina’s blik en hij begreep dat hij een gunstige eerste indruk had gemaakt. En inderdaad, Piets geur – de geur van een heer – en zijn kleding – de kleding van een heer – stelden Jacobina gerust op een manier waarvan ze zich geenszins bewust was. Ze keek vluchtig naar de papieren in haar hand, zag dat Piet de universiteitsgraad had behaald die de functie vereiste en zei: ‘Vertelt u me eens over uw familie. Uw vader werkt als klerk voor de universiteit van Leiden, meen ik?’
‘Inderdaad, mevrouw.’ Herman Barol bekleedde een respectabele positie op de administratie van Hollands oudste universiteit. Piet deelde dat mee zonder erbij te zeggen dat dergelijke posten in de regel worden bekleed door onbeduidende autocraten die niet bij machte zijn elders invloed uit te oefenen.
‘En uw moeder?’
‘Die is gestorven toen ik zeventien was. Ze was zanglerares.’
‘Wat erg voor u. Zingt u zelf ook?’
‘Ja, mevrouw.’
‘Kijk eens aan, mijn echtgenoot ook.’
Piet had het aan zijn moeder de zanglerares te danken dat hij bij Jacobina Vermeulen-Sickerts een subtiel vleugje belangstelling waarnam dat niet geheel professioneel was, lang voordat ze zich er zelf bewust van werd. Sinds haar zoon kon lopen had Nina Barol tegen Piet gepraat alsof hij een verfijnde en charmante vertrouweling van haar eigen leeftijd was. Ze had de persoonlijke omstandigheden van haar leerlingen beschreven met een openhartigheid die hen met afschuw zou hebben vervuld, en toen Piet haar later had begeleid, had hij ruimschoots de gelegenheid gehad op zoek te gaan naar bewijzen voor wat zijn moeder hem allemaal had verteld. Hij was nu uiterst gevoelig voor tekenen die wezen op persoonlijke gevoelens. Terwijl hij Jacobina’s vragen beantwoordde, nam hij een overdaad aan details in zich op over de vrouw die wellicht overgehaald kon worden zijn leven te veranderen. Ze was zeer gesteld op fatsoen, zoveel was wel duidelijk, maar niet meer dan andere eerbiedwaardige vrouwen die Piet kende en die dat voor hem met alle plezier hadden laten varen. ‘En de jongeheer Egbert?’
Jacobina schonk thee in. ‘Mijn zoon is uiterst intelligent, maar soms kan dergelijke intelligentie een last zijn. Hij heeft altijd een levendige verbeelding gehad. Dat heb ik zelfs gestimuleerd. Maar misschien ben ik te inschikkelijk met hem geweest. Mijn echtgenoot is van mening dat hij strenger aangepakt moet worden, hoewel ik op zoek ben naar een privéleraar die gezag kan verenigen met vriendelijkheid.’
Jacobina had dit verhaal afgestoken bij elk van de zestien mensen die ze tot dusver had gesproken, maar toen ze het woord ‘vriendelijkheid’ gebruikte tegen Piet Barol schoot haar blik naar zijn handen, alsof die volmaakt uitdrukten waarnaar ze zocht. ‘Egbert doet zijn schoolwerk zeer goed. Hij spreekt Engels, Duits en Frans en wijdt zich met lovenswaardige discipline aan de beoefening van zijn muziek. Hij is elke muziekleraar die ik heb kunnen vinden inmiddels ontgroeid, maar...’
‘Is hij wellicht verlegen?’
‘Niet bovenmatig, meneer Barol. Als u hem leert kennen zou u niet denken dat er iets aan hem mankeerde. Het probleem is... Hij weigert naar buiten te gaan.’
‘Weigert hij het?’
‘Misschien kan hij het niet. We hebben speciale permissie moeten verkrijgen om hem thuis te onderwijzen. Hij is anderhalf jaar geleden voor het laatst in de tuin geweest, maar al sinds zijn achtste weigert hij resoluut de straat op te gaan. Aanvankelijk moedigden we hem aan en daarna dwongen we hem, maar ik ben bang dat zijn driftbuien zo aangrijpend waren dat ik mijn man zijn pogingen heb laten staken. Dat was misschien onverstandig, maar het is voor een moeder heel moeilijk om te zien hoe bang haar kind is en niets te doen.’
‘Natuurlijk.’
‘Zo liggen de zaken. We zijn op zoek naar een privéleraar die in staat is... die in staat is Egbert te vinden, waar hij zichzelf ook is kwijtgeraakt, en hem weer naar ons terug te brengen.’
Het was de vierde keer die dag en de twaalfde keer die week dat Jacobina zich gedwongen zag zichzelf te vernederen met deze eerlijke uiteenzetting over haar moederlijk falen. Het was geen ervaring die haar genoegen schonk, maar Piet keek haar heel attent en bezorgd aan en had niets van de gêne van de andere gegadigden, wat haar ertoe aanzette nog meer gevoelens met hem te delen. ‘Ik heb hem te zeer vertroeteld toen hij nog klein was, meneer Barol. Ik had ervoor moeten zorgen dat hij kraniger werd, maar dat heb ik niet gedaan, en nu waagt hij zich nog niet eens op het bordes voor het huis. Hebt u ervaring met moeilijke kinderen?’ Piet had geen enkele ervaring met kinderen. ‘Het leven in een universiteitsstad maakt je vertrouwd met allerlei geniale zonderlingen,’ zei hij voorzichtig.
Jacobina glimlachte om te verhullen dat ze ook in tranen had kunnen uitbarsten. Ze hield vurig van elk van haar kinderen, maar van Egbert het vurigst omdat hij haar het meest nodig had. Ze nam een slokje thee. ‘Het is ook noodzakelijk dat een gouverneur op muzikaal vlak een band met hem voelt. Hij is verknocht aan muziek.’
‘Ik was vanaf mijn negende jaar repetitor voor mijn moeder en haar leerlingen.’
‘Uitstekend. Zou u misschien iets voor me willen spelen?’ ‘Met genoegen.’
Jacobina stond op. ‘Ik zal u voorgaan naar de lesruimte. Egberts zusters, mijn dochters Constance en Louisa, hebben hem verbannen naar het huis hiernaast. Gelukkig is dat van mijn tante, die tegenwoordig het grootste deel van het jaar doorbrengt in Baden-Baden. We hebben een tussendeur laten aanbrengen zodat Egbert niet over straat hoeft. Ik vermoed dat dat een verkeerde beslissing is geweest, maar hij kan soms heel... dwangmatig zijn wat zijn spel betreft, en met name Louisa is heel gevoelig voor geluid. In de zitkamer van mijn tante kan hij net zoveel kabaal maken als hij wil, zonder iemand te storen.’ Ze ging Piet voor naar de eetkamer en hij zag dat aan één kant van de haard in het behang heel kunstig de omtrek van een deur was opgenomen. Jacobina deed de deur open en er werd een hal zichtbaar met witte en zwarte tegels, iets kleiner dan die van Herengracht 605.
Hij hield de deur open voor haar en ze ging naar binnen.

Copyright © 2011 Richard Mason
Copyright Nederlandse vertaling © 2011 Dennis Keesmaat
Oorspronkelijke titel History of a Pleasure Seeker
Copyright foto © Benjamin Morse

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum