Leesfragment: Gitte

27 november 2015 , door Kristien Hemmerechts

15 januari verschijnt de nieuwe roman van Kristien Hemmerechts: Gitte. Vanavond kunt u al enkele pagina's lezen en uw exemplaar reserveren.

Gitte woont met haar ouders en broers op een heuvel buiten het dorp. Hun tuin grenst aan een bos, waar haar overgrootvader Lionel door stropers is vermoord. Over de moord doen tientallen jaren later in het dorp nog steeds verhalen de ronde. Het gezin leeft in paradijselijke onschuld, tot de oudste zoon Woud waanbeelden krijgt over het verleden.
Gitte voelt dat er iets verzwegen wordt en probeert haar eigen weg te gaan. Ze stort zich in amoureuze avonturen waarvan ze het gevaar niet overziet en de afloop niet kent. Maar telkens opnieuw stuit ze op sporen van het verborgen verleden, dat haar lokt én benauwt.

9

Ik sloeg mijn armen om zijn hals en probeerde hem te omhelzen.
‘Ik ben moe’, zei Woud.
Zijn ogen lagen diep in hun kassen. Hij droeg kleren waarin ik hem nooit eerder had gezien.
Mama en papa stonden links en rechts van hem met zijn spullen en tassen.
‘Wil je even rusten op je kamer?’ vroeg mama.
Hij knikte.
‘Je hebt een nieuwe matras’, zei Onno. ‘Door ons voor jou getest!’
‘Laat jullie broer met rust’, zei mama. ‘Ik wil niet dat jullie hem storen. Heb je het gehoord?’
Onno en ik keken naar elkaar. Bijna tegelijkertijd haalden we onze schouders op.
Hij was zwaarder geworden en zijn gezicht leek opgeblazen. Dat kwam door de medicatie, zei mama, en door het gebrek aan lichaamsbeweging. Blijkbaar had hij koppig geweigerd om met de andere patiënten te gaan zwemmen. Dat was het enige minpuntje op zijn palmares.
Ik sloop naar zijn kamer en keek door een kiertje naar het logge lichaam op de nieuwe matras. Je bent een potvis, dacht ik. Een aangespoelde potvis.
In de garage zat hij voor de televisie te roken. Mama had een asbak opgediept die ik nooit eerder had gezien. Het was een oranje plastic ding waarin peukjes harder leken te stinken dan in een gewone asbak. Sigaretten die er ooit in waren uitgedoofd, hadden er bruine afdrukken in gebrand. Voorzover ik wist, was nooit eerder in ons huis een sigaret opgestoken.
‘Tja,’ zei mama gelaten, ‘dat is een slechte gewoonte die ze in zo’n ziekenhuis oppikken.’
Na een paar dagen begon hij in zijn navel te pulken. Zijn wijsvinger dook in het dal, verkende het grondig en trok vervolgens naar zijn neus om zich te laten besnuffelen. Wanneer ik het niet langer kon aanzien, nam ik zijn hand weg. Of ik sloeg erop. Mama zei dat ik geduld moest oefenen. Ik moest aanvaarden dat hij veranderd was. Over een maand werd zijn toestand opnieuw geëvalueerd. Dan zou ook bekeken worden wanneer hij de lessen opnieuw kon bijwonen. Het eerste trimester werd hoe dan ook een verloren trimester. Je kon niet altijd winnen.
‘Waarom mag hij niet meer naar het bos, mama?’
‘Ik ben bang dat het weer fout gaat’, zei ze.
‘Nu gaat het ook fout’, zei ik.
Maar zij hield vol dat er beterschap was.
Soms stond ik ’s nachts bij zijn deur te luisteren. Ik overwoog naar binnen te gaan, hem te wekken en mee te nemen naar het bos. De vrees dat mijn moeder gelijk kon hebben verlamde me. Zij was tenslotte therapeute. Patiënten stuurden haar kaartjes om haar te bedanken. Ze noemden zich herboren. Dankzij haar.
Wanneer Elien via de tuindeur naar binnen wandelde, kon Woud vanwege de schutting niet langer geruisloos verdwijnen naar het bos. Maar hij ontsnapte ook niet naar zijn kamer of naar de garage. Hij glimlachte niet naar haar en hij vertelde haar niets, maar hij at de verse vruchtensalade die ze voor hem had gemaakt en luisterde naar de nummers die ze voor hem op haar iPod had opgenomen. Soms zat ze zwijgend naast hem, soms vertelde ze honderduit. Ook zij nam zijn hand weg als hij in zijn navel peuterde. Of ze pakte de sigaret uit zijn mond voor hij de kans kreeg die op te steken. Als ze een paar dagen oversloeg, vroeg Woud naar haar. Mama putte moed uit deze vriendschap en stak Elien geld toe voor het eten dat ze voor hem meebracht. De eerste keren reageerde Elien verontwaardigd. Daarna leek ze te begrijpen dat mama haar dankbaarheid moest kunnen laten blijken. Ze was een rustig meisje met een paardenstaart, die op en neer wipte. In het volleybalteam op school stond ze bekend als een geduchte aanvalster. Ze had de reputatie dat je haar niet mocht onderschatten, maar toch lieten haar tegenstanders zich telkens opnieuw door haar onopvallende uiterlijk verschalken.
Wanneer ze chocoladekoekjes voor hem had, at hij het hele pak systematisch op. Het ene koekje na het andere verdween in zijn mond. Precies zoals hij zijn pillen naar binnen werkte.
‘Ze moet veel van hem houden’, zei Onno.
Meer dan ik, dacht ik. Anders.
De Woud van wie ik gehouden had, was weg.
Onno reed nu op Wouds fiets omdat die meer versnellingen had dan de zijne. We brachten geen vrienden of vriendinnen mee naar huis, maar dat hadden we vroeger ook niet vaak gedaan.
‘Wat wilde hij nu weer?’ vroeg Onno, die na school op me had gewacht terwijl Frenkelmans me dringend iets moest vertellen.
‘Niets. Heb jij al nieuws?’
‘Nee, daar is het nog te vroeg voor.’
Onno had een aanvraag ingediend om de laatste twee jaar van de humaniora in Boston te volgen op een school die leerlingen klaarstoomde om aan Harvard wiskunde te studeren. Als hij werd aanvaard en een beurs kreeg, verhuisde hij over tien maanden naar de andere kant van de oceaan. Zijn lerares wiskunde had hem geholpen het dossier in orde te brengen.
Zwijgend reden we voorbij de Spar. Altijd bad ik dat Josiane niet naar buiten zou komen hollen om ons uit te horen. Soms stond ze ons op straat op te wachten.
‘Hoe is het met Woud? Is er al nieuws van Woud? Kun je hem mijn groetjes doen?’
Ze greep mijn stuur vast zodat ik niet kon ontsnappen.
‘Wil je hem zeggen dat Mon en ik voor hem bidden?’
Vroeger hadden we dikwijls een reep chocola met nootjes gekocht voor we aan de klim naar huis begonnen, maar nu meden we haar winkel als de pest. Mama was zich met een doos pralines namens Woud uitgebreid gaan excuseren. En ook bij de politie was ze langs geweest. In ruil voor een fles whisky had ze weten te verkrijgen dat er geen proces-verbaal werd opgesteld.
‘We zijn die mensen veel verschuldigd’, zei ze.
Ik had een hekel aan mijn moeder wanneer ze zulke onzin verkondigde. Die mensen hadden gewoon hun werk gedaan. En ja, ze hadden Woud niet in een donkere gevangeniscel gegooid. Moesten we daarom elk moment van de dag onze dankbaarheid lopen te betuigen?
Zodra we thuis waren, ging Onno in het tuinhuisje met chatvrienden wiskundige problemen zitten bespreken. Papa bracht hem er zijn eten op een blad dat altijd prachtig was verzorgd met een servet in een servetring en een bloem die zich elegant tussen het bestek vlijde. Onno kwam alleen nog in het huis om zich te wassen en te slapen. Een enkele keer keek hij samen met mij televisie als die niet door Woud was ingepalmd. Wanneer Elien niet in de buurt was, ondernam hij soms een halfslachtige poging om met zijn broer zeeslag te spelen.
Mama vroeg of ik haar kon helpen de sokken op te vouwen.
‘Wie is de sokkendief in dit huis?’ vroeg ze met gespeelde vrolijkheid. Want altijd bleven er eenzame sokken over waarvan de partner spoorloos verdwenen bleek. Mama gebruikte ze om de kasten te boenen. Zo had alles zijn nut.
Ze glimlachte naar haar dochter, die zich aan haar moeder zou spiegelen wanneer zij op een dag haar eigen huishouden bestierde.
Ze nam een sigaret uit een van Wouds pakjes en stak hem op.
‘Daar snak ik naar’, zei ze.
Nooit eerder had ik mijn moeder zien roken. Tot mijn verbazing inhaleerde ze de rook diep en gulzig.
‘Ik moet je iets vragen. Kom bij me zitten.’
Kon het, vroeg ze, dat Woud mij soms lastigviel? En zo ja, wanneer was het begonnen?
‘Wat bedoel je?’
‘Waarom doe jij ’s nachts je kamer op slot, Gitte?’
Ik barstte in lachen uit. ‘Soms ben jij ongelooflijk grappig. En vaak ook een beetje dom.’
Boos duwde ze de sigaret uit.
‘Ik neem mijn verantwoordelijkheid, Gitte. En ik hoop dat jij dat ook zult doen!’
De volgende dag gooide ze het over een andere boeg. Deed ik de deur op slot omdat ik onder de donsdeken met een vriendje lag te bellen? Ze zwaaide met haar vinger.
‘Geen gsm’s in huis, Gitte. Dat was de afspraak. En kieskeurig zijn. Niet vallen voor de eerste de beste.’
Ik dacht aan Frenkelmans, over wie iedereen zei dat hij verliefd op me was, en schoot opnieuw in de lach. Hij had me al een paar keer mijn telefoonnummer gevraagd en weigerde te geloven dat wij bij thuiskomst onze telefoons in de brievenbus moesten deponeren.
‘Hoe heet hij?’ vroeg mama nieuwsgierig.
‘Misschien is het wel een “zij”.’
‘Dat zou me sterk verbazen van jou.’
Ze had een cadeautje voor me.
‘Als het niet past, mag je het gaan ruilen.’
Het was een rood bloesje met een decolleté en het zat me als gegoten.
‘Het is voor ons allemaal een zware tijd geweest,’ zei ze, ‘maar het ergste ligt achter ons. Ik hoop zo dat je gelukkig wordt.’
Ze kuste me en drukte me even tegen zich aan. Ik kon haar borsten voelen.
‘Als je wilt,’ zei ze, ‘kan ik een afspraak voor je maken bij de gynaecoloog.’
Vandaag was ze de ik-ben-jouw-vriendin-en-bij-mij-kun-je-met-al-je-problemen-terecht-want-wij-vrouwen-moeten-solidair-zijn-moeder.
In de deur draaide ze zich gewoontegetrouw om. ‘Waarom gebruik je niet af en toe een vleugje make-up? Je hebt mooie ogen, maar ze liggen nogal diep. Met een zwart lijntje kun je ze naar voren halen. Zal ik je tonen hoe? Weet je, als je vader en ik zeker hadden geweten dat het vierde kind een meisje was geweest zouden we er nog eentje hebben gemaakt. Zou je dat fijn hebben gevonden?’
‘Euh …’
‘Wel,’ drong ze aan, ‘zou je graag een zusje hebben gehad?’
‘Misschien.’
Ze glimlachte en gaf me een extra kus. Dan beschouwde ze haar missie als volbracht. Ze had me met de familiejuwelen getooid om me op de huwelijksmarkt tentoon te stellen. Of me aan de meestbiedende pooier te verkopen.
Wanneer ik haar hakken niet langer hoorde klikklakken, liep ik de trap op naar Wouds kamer om hem te vertellen wat mama nu weer had uitgekraamd. Net als vroeger luisterde hij met een half oor. Toen hielden grootse dingen hem bezig. Nu nam zijn navel hem in beslag.
Mijn verhaal bracht hem in verwarring. Op wie was ik dan wel verliefd? wilde hij weten.
‘Op niemand! Wij worden toch niet verliefd, jij en ik?’
Ik hurkte bij de stoel waarin hij zijn dagen sleet sinds hij uit het ziekenhuis was teruggekeerd.
‘Als je wilt kunnen we een wandeling maken.’
Ik pakte zijn hand en legde hem op de leuning. Verstoord keek hij ernaar. Dan dook zijn vinger opnieuw in zijn navel.
‘Ik mag alleen met papa gaan wandelen. Of met Elien.’
‘Wie zegt dat?’
‘Mama. Zij weet wat goed is voor mij. Ooit zat ik in haar buik.’
‘Dat is heel lang geleden, Woud.’ Opnieuw probeerde ik die hand van zijn navel weg te houden. ‘Zullen we een beetje wandelen in de tuin?’
‘Als mama zegt dat ik in de tuin mag wandelen, dan zal ik dat doen.’
‘Alleen dan?’
‘Ik doe wat mama zegt. Zij zorgt voor mij.’
‘En ik niet?’
‘Dat is anders.’
Had ik mij alles ingebeeld?
Josiane stond Onno en mij in het midden van de straat met twee glimmende appels op te wachten.
‘Voor op school’, zei ze.
Ze greep mijn stuur stevig vast en vuurde haar vragen af. Hoe ging het met Woud? Was er beterschap? Ze keek naar me alsof ze me het liefst had opgegeten. Geen seconde nam ze haar ogen van me af. Onno, die zijn kans zag, fietste weg. Terwijl ik hem woest achterna keek, ratelde Josiane verder. Wie had dat ooit van Woud kunnen denken? Maar je hoorde het meer en meer. Vooral jonge mensen werden getroffen. Ze konden de druk niet aan. Een nichtje van haar was kleuteronderwijzeres en in haar klasje zaten kleutertjes die al therapie kregen. Waar ging dat naartoe? En waar zou het eindigen? Hadden wíj het zien aankomen? Maar mijn moeder was toch therapeute? Als die mensen zoiets niet konden voorspellen, wie kon het dan wel?
‘Volgens mij komt het door die mast. Hij heeft zich dat veel te veel aangetrokken.’
‘Jij trekt je dat veel meer aan dan hij!’
Ik greep haar hand en duwde haar weg. Ik trapte zo hard ik kon, maar Onno’s voorsprong was te groot.
‘Doe dat nooit meer’, zei ik toen ik hem op de speelplaats zag.
‘Jij zou precies hetzelfde hebben gedaan. Jij en Woud.’ Hij spuwde de naam uit.
‘Wat zou je ervan denken’, zei papa, ‘als we een brommer voor je kochten?’
‘Meen je dat?’
‘Ja.’
‘Ik krijg zomaar een brommer van jullie?’
Ik vloog hem om de hals.
‘Je moet één ding beloven.’
‘Ja, ja,’ zei ik, ‘altijd een helm dragen en voorzichtig zijn en geen risico’s nemen en niet overmoedig zijn.’
‘Beloof het, Gitte.’
‘En ook niet in mijn blootje rondrijden.’
‘Dat is niet grappig, Gitte.’
‘Sorry, pap. Weet Woud het al?’
‘Waarom zou Woud het moeten weten?’
‘Omdat …’
Ik haalde mijn schouders op.
Alles wat ik had, was ook van hem. Iets was pas echt als ik er met Woud over had gepraat.
Papa zei: ‘Er zijn andere mensen op aarde dan Woud, Gitte.’
Mama zei: ‘We willen dat je gelukkig bent, Gitte. Welke keuzes je ook maakt, we zullen je altijd steunen.’
‘Zijn jullie gelukkig?’
‘Ja’, zei papa.
‘Ja’, zei mama.
Woud kreeg geen brommertje, maar ook hij moest op zoek naar het geluk. Hij zou in een abdij gaan wonen samen met andere jonge mensen die een bewogen tijd achter de rug hadden. Bewogen. Dat was het woord dat mama dit keer had gekozen om het aan Onno en mij uit te leggen.
Woud zat naast mama en nam zijn ogen geen seconde van haar af. Goddank liet hij zijn navel ongemoeid. Meer en meer gedroeg hij zich als een hond die slechts één meester kende.
‘Ze leven niet samen met de monniken,’ zei mama, ‘maar er wordt wel samen gewerkt in de tuin, de bibliotheek, het atelier, op de boerderij … En er wordt ook samen gebeden. Oswald kan waarschijnlijk in de tuin aan de slag. En als het allemaal een beetje meezit, kan hij daar in de buurt naar school. Hè, jongen?’
Ze streelde zijn gezicht.
Kijk naar mij, dacht ik. Kijk alsjeblieft naar mij.
‘Wanneer is dit beslist?’ vroeg ik.
‘We zijn er al een tijdje mee bezig. Hier thuis wordt hij onvoldoende gestimuleerd. Er wordt voor hem gezorgd, maar hij hoeft zelf geen initiatief te nemen.’
‘En aan wie ligt dat?’ zei ik.
Mama negeerde mijn vraag.
‘Oswald heeft heel veel geluk dat hij in de abdij terechtkan.’
‘Wij mogen geen mis meer spelen van jou, maar je stuurt hem wel naar een abdij.’
‘Als jij het verschil niet wilt zien, Gitte, kan ik het aan jou niet uitleggen.’
‘Ik zou iemand die aan godsdienstwaan lijdt niet naar een abdij sturen.’
‘Dus je geeft toe dat er een probleem is.’
‘Jij zegt dat er een probleem is, dus als er een probleem is, dan lijkt dit mij de oplossing niet.’
‘En wat is de oplossing volgens jou? Met jou en je broer als halve wilden rondzwerven in het bos? Met mensen spreken die al jaren dood en begraven zijn?’
Ik stak mijn handen omhoog. ‘Ik geef me over. Wat je ook zegt, je hebt gelijk!’
‘Het gaat niet om gelijk, Gitte. Het gaat om de gezondheid van je broer.’
Tranen sprongen in mijn ogen. ‘Is hij dan ziek?’
‘Hij is ziek geweest, Gitte. Hij …’
Ze liep naar de keuken en snoot haar neus in een stuk keukenrol. Woud wilde haar achterna.
‘Blijf zitten, jongen. Ik ben zo terug.’
Straks likte hij haar hand.
Nu kwam ook papa erbij zitten. Hij en mama hadden Woud onder hun hoede genomen. Morgen brachten ze hem naar de abdij, waar ze hem iedere week zouden bezoeken en de steun geven waar hij recht op had. Onno en ik hadden hen niet nodig om gelukkig te zijn. Wij konden op eigen benen staan.
Was het mogelijk dat ik niet meer dan stukken van hem had gezien, fragmenten die belicht werden terwijl andere in de schaduw bleven? Onno had zich altijd voor hem uitgesloofd en ook ik had alles gedaan om hem te behagen. De afgelopen weken had Elien praktisch iedere dag voor hem klaargestaan. Mama en papa zorgden voor zijn natje en droogje.
‘Weet je nog dat café in Frankrijk aan de andere kant van de berg?’
‘Met al die vrouwen die met Woud wilden dansen?’ Onno begon het liedje te neuriën waarnaar het café was genoemd.
‘Waarom willen mensen hem altijd verwennen?’ onderbrak ik hem.
‘Omdat hij Woud is’, zei Onno.
Omdat hij Woud was, dacht ik. Maar dat zei ik niet hardop.
Die avond bracht mijn gloednieuwe brommer me naar het café enkele kilometers over de grens waar dag en nacht werd gezopen en gedanst en waar de gordijnen altijd gesloten bleven. Afgelopen zomer waren Woud, Onno en ik er op een van onze tochten verzeild geraakt. Iedereen in dat hol had het een kolossale grap gevonden dat wij water wilden drinken. Het was bier of wijn of pastis of whisky of bier of wijn of pastis of whisky. Of port of wodka. Maar uiteindelijk hadden ze ons onze kruiken laten vullen aan de kraan, want in La Claire Fontaine, zeiden ze, deed iedereen zijn zin en gaf niemand bevelen. En als er bevelen werden gegeven, dan mochten die worden genegeerd. ‘Tout est négociable ici!’ had de cafébaas gezegd, waarop iedereen eensgezind had geklonken.
Een vrouw had Woud bij de hand naar de dansvloer getrokken en daarna had elke vrouw met hem willen dansen. De ene na de andere was hem komen halen. Eerst brachten ze een verse laag lippenstift aan en fatsoeneerden hun kleren en hun haar. Of ze liepen gauw naar het toilet om hun blaas en darmen te laten leeglopen voor ze zich op hem stortten. Hij was een lekker hapje waarvoor ze de sigaret uit hun mond wilden nemen om er hun vergeelde tanden in te zetten. Ze schrokken toen ze hoorden hoe jong hij was, maar ze bleven dansen alsof ze schoenen droegen die hen daartoe dwongen. Schaamteloos hadden ze de ‘beau garçon’ op de mond gekust. Ze hadden bloemen uit de vaasjes op de tafels gepakt en in zijn haar gestoken, en later hadden ze geld onder de rand van zijn broek gestopt. Allemaal zagen ze er minstens tien jaar ouder uit dan mama. Woud had het zich goedmoedig laten aanleunen. Ik geloof dat het toen voor het eerst echt tot me doordrong hoe ongelooflijk knap hij was. Net als die vrouwen dongen Onno en ik naar zijn aandacht. Al die jaren hadden we om zijn aandacht gewedijverd.
‘Viens’, zei iemand nog voor ik de kans had gekregen iets te bestellen. Hij trok me tegen zijn buik en we hotsten over de dansvloer. Soms trapte ik op zijn voeten of hij op de mijne maar we hotsten dapper verder, zelfs wanneer we tegen andere dansers botsten, die net als wij struikelden of vielen en overeind krabbelden om voort te dansen.
‘Changez’, werd er geroepen en iemand anders greep me vast. Ook hij had een dikke buik en hij zweette nog meer dan de vorige. Telkens als een nummer ten einde was, kwam ik in andere armen terecht. De ene danste goed, de andere danste slecht; de ene leidde me met vaste hand, de andere sleurde me ruw met zich mee; de ene was oud en de andere iets minder oud; de ene rook lekker, de andere stonk; de ene rook naar whisky en de andere naar bier; de ene probeerde me te kussen, de andere fluisterde iets in mijn oor. Of brulde het, maar ik kon geen woord verstaan. En dan waren er plotseling donkere ogen onder een voorhoofd dat tegen het mijne rustte. Handen pakten mijn kont vast en een hard gespierd lichaam wiegde het mijne. Ik werd van de grond getild en weer neergezet. Zijn voorhoofd opnieuw tegen het mijne, een lichaam als een straalkachel die me verwarmde, mijn lippen die de zijne kusten.
Een absurde seconde lang was ik bang dat Frenkel zonder dat ik het in de gaten had was binnengekomen en bij de toog – de ‘zinc’, zoals ze hier zegden – naar mij stond te gapen. Hij zag wie ik echt was. Ik was geen jonge vrouw om verliefd op te zijn, nee, nee, en ook was ik geen jonge vrouw die alles begreep wat je haar wilde zeggen zelfs zonder dat je het zei, en zeker was ik geen jonge vrouw bij wie een man, zelfs een man die twee keer zo oud was als zij, zichzelf kon zijn. Ik verdiende zijn bewondering niet. Ik was een sletje dat zich graag door klamme handen van wildvreemden liet bepotelen. Hier was mijn thuis, bij deze luidruchtige, baldadige mensen, die glas na glas naar binnen goten en huilend of lachend aan elkaar hingen. Soms staken ze een sigaret aan terwijl de vorige nog niet was opgerookt. Want je zou maar eens zonder moeten vallen.
Een tweede en derde nog absurdere seconde lang dacht ik hem te herkennen. Daar naast die struise vrouw met meloenen van borsten. Was hij me gevolgd? Wilde hij weten wat ik deed na school? Maar nee, hij was het niet. Hoe zou hij hier komen?
En zelfs als hij het was, wat maakte het uit?
Voorhoofd tegen voorhoofd schuifelden we over de bonte tegels. Niemand zag me, niemand kende me, ik kon doen wat ik wilde. Mijn hand werd gegrepen en mijn partner draaide zich om. Hij greep mijn andere hand en we dansten rug aan rug. Ik sloot mijn ogen. Ik was in het paradijs.
Toen het nummer was afgelopen liet hij me abrupt los en verwijderde zich met een korte buiging. Nu werd er niet ‘changez’ maar ‘choisissez’ geroepen. Al mijn partners stonden in een kring en ik moest een van hen kiezen. Ze hijgden en zweetten en lachten en namen een slok van hun pint en trokken hun broek op. Ik wilde niet kiezen, maar ik moest. Waarom wist ik niet. Ik legde een hand voor mijn ogen en draaide met uitgestoken arm rond mijn as. De man naar wie mijn vinger wees had een snor en blozende kaken. Zijn overhemd spande over zijn bierbuik. Onder luid applaus strompelde hij naar me en kuste me lang en innig en nat. Toen ik vond dat het lang genoeg had geduurd, duwde ik hem weg. Op dat moment waggelde een vrouw naar mij. Ze had geblondeerd haar, een gezwollen gezicht, rooddoorlopen ogen en zware borsten, waarvan een gul stuk uit haar gebloemde jurk puilde. Er zaten vetvlekken op buikhoogte alsof iemand er zijn vieze handen aan had afgeveegd. Ze nam haar sigaret van tussen haar rode lippen en wees ermee naar me. Haar lippenstift had er een afdruk op achtergelaten.
‘Ik ken jou.’
‘Dat kan niet.’
‘Toch wel. Waar is je broer?’
‘Ik weet niet over wie je het hebt.’
‘Je bent hier geweest met je broers.’
Ze keek om zich heen. Er werd heftig geknikt.
‘Waarom heb je hem niet meegebracht?’
Ik haalde mijn schouders op.
‘Hoe is het met je moeder? Wij kennen de Ghyssels hier goed, maar de Ghyssels kennen ons niet. Of willen ons niet kennen. Of willen ons niet langer kennen.’ De vrouw kwam vlak voor me staan. ‘Die nuance is cruciaal. Cette nuance.’ Ze tuitte haar gestifte lippen. ‘Ben je niet bang dat je zult worden zoals wij als je hier komt dansen? Een beetje vulgair, een beetje volks, te vet, te rond, te geil, te pront, te zat, te plat?’
‘Laat haar met rust, Monique’, zei een man.
‘Zij is onschuldig’, zei een ander.
‘Ze is een Ghyssels’, zei de vrouw. ‘Ze denkt dat ze hier kan doen wat ze wil. Dat niemand haar hier kent. Ik ken dat slag vrouwen. Thuis heilige maagden, maar als ze zich anoniem wanen, mag het sletje uit het kooitje.’
‘Ik heet Gitte’, zei ik. ‘Gitte Vandenavenne.’
‘En ik heet Monique.’ Iedereen lachte.
Tevergeefs zochten mijn ogen mijn laatste danspartner in de hoop dat hij het voor me zou opnemen. In een futiele poging mijn waardigheid te bewaren draaide ik me om en verliet het café. Even bleef ik bij mijn brommertje staan treuzelen, maar niemand volgde me naar buiten. Een Ghyssels interesseerde hen niet. Of ze wilden geen interesse laten blijken.
Bijna een uur lang had ik niet aan Woud gedacht.

© Kristien Hemmerechts
Foto © Eveline Renaud

Uitgeverij De Geus

MINDBOOKSATH : athenaeum