Leesfragment: Het gym

27 november 2015 , door Karin Amatmoekrim

22 september verschijnt de nieuwe roman van Karin Amatmoekrim, Het gym. Vanavond kunt u al de eerste pagina's eruit lezen, en uw exemplaar reserveren.

De Surinaamse Sandra woont in een achterstandswijk. Ze gaat als enige uit haar klas naar het zelfstandig gymnasium. Alles op ‘het gym’ is anders dan ze gewend is. Haar klasgenoten zitten op hockey, praten onverstaanbaar bekakt en hebben belachelijke namen als Jojanneke en Liselotte.
Hoe moet Sandra omgaan met de kakkers die ze nu vrienden noemt? En wat moet ze doen met die ene klasgenoot die vastberaden is haar het leven zuur te maken? Sandra vecht voor een plek in een wereld waarin oude regels niet meer gelden en nieuwe regels volkomen onbegrijpelijk zijn.
Het gym is een briljant en schrijnend verhaal over de multiculturele kramp van Nederland, eindelijk eens van binnenuit en met ongelooflijk veel humor beschreven door een van Nederlands meest getalenteerde schrijvers.

Karin Amatmoekrim publiceerde eerder drie romans, die allemaal lovend werden ontvangen door de pers. Voor haar laatste roman Titus (2009) won ze de Black Magic Woman Literatuurprijs. Ze schrijft regelmatig voor nrc.next, De Groene Amsterdammer en de Volkskrant.

I

De zomer hing als een muffe vaatdoek tussen de flats van de wijk. De wind die normaliter van zee kwam en alles – hitte, fietsers, zwerfvuil – ongenadig heen en weer beukte, bleef al weken weg.
Sandra likte het zoute zweet van haar lippen en hield haar ogen strak op de weg gericht. Naast haar zat Tanya: groot en zwart. Zelf was ze klein voor haar leeftijd. Naast haar vriendin leek ze smal en onbeduidend. Van tijd tot tijd rechtte ze haar rug om niet helemaal weg te vallen.
Ze zaten op het muurtje dat het schoolplein omsloot. Achter hen het lege plein, met zand dat zich in de hoeken en in de knikkerpotjes ophoopte en dat pas weg zou spoelen bij de volgende regenbui omdat niemand de moeite nam het aan te vegen. Voor hen lag de brede weg die de wijk met de stad verbond. Alles wat de wijk in kwam, kwam over deze weg. Het was zaak de boel goed in de gaten te houden, want weten wie er kwam en ging, was weten wat er te gebeuren stond.
‘Daar heb je Bep,’ zei Tanya. Sandra keek opzij. Een dikke, blanke vrouw schommelde in slow motion achter een rollator hun kant op.
‘Wedden dat ze oversteekt.’
Een moment later kreeg de vrouw hen in de gaten. Twee opgeschoten meiden in het uniform van de wijk (een dun, neonkleurig trainingspak met badslippers eronder. De echt stoere jongens droegen slippers van Nike. Op die van Tanya en Sandra stond bata). Ze hingen wat rond voor het schoolplein op een zaterdagmiddag. Dat betekende gegarandeerd rottigheid. De vrouw stopte, keek aarzelend om zich heen en stak toen de straat over. Aan de overkant vervolgde ze haar weg, zonder op te kijken van het mandje op haar rollator en de stoep die daaronder tergend langzaam wegliep.
‘Zal ik wat roepen?’ vroeg Tanya met een kwaadaardige grijns.
‘Doe maar niet,’ antwoordde Sandra. ‘Ze is oud, man.’
‘Een ouwe nare heks is ’t,’ reageerde Tanya. ‘Zag je hoe ze expres overstak? Gewoon bang voor niks.’
Sandra haalde haar schouders op.
Minuten gingen voorbij.
Ze wiebelden met hun benen en keken afwisselend naar links, richting stad, en naar rechts, richting wijk. Er gebeurde weinig.
‘Heb je zin in school?’ vroeg Tanya.
‘Honderd procent niet,’ antwoordde Sandra.
‘Zeker balen dat je alleen gaat, hè?’
Ze knikte.
‘We blijven wel vrienden, hoor.’
‘Echt?’ Sandra keek haar weifelend aan.
‘Ik zweer het. Op m’n moeders graf.’ Tanya schraapte rochelend haar keel en spuugde tussen haar vingers op de grond.
‘Ik ook,’ antwoordde Sandra. Ze kon niet zo goed rochelen als Tanya, dus maakte ze een spuuggeluid en deed haar na. ‘Vrienden voor altijd.’

De dag ervoor was de afsluiting van het schooljaar geweest. Een musical. Het ging over een weermachine. Sandra kon er niet over uit hoe dom het was. Met een bordkartonnen decor en liedjes die niemand echt wilde zingen.
De avond van de opvoering kwamen alle ouders kijken. Alleen die van Willem waren er niet. Z’n ma was dood, en de meester had vlak voor de voorstelling aan z’n pa gevraagd om weg te gaan omdat hij te dronken was. Hij deed het, maar vloekte wel de hele boel bij mekaar. Iedereen kijken, natuurlijk. Dat was wel zielig voor Willem, maar aan de andere kant was zijn vader meestal wel dronken, dus zo bijzonder was het ook weer niet.
Sandra’s moeder was er ook. Ze had bloemen meegenomen en moest na afloop bijna huilen, maar gelukkig bleven de sluizen dicht. Daarna dronken de ouders bier en wijn en praatten na over hoe goed de kinderen het hadden gedaan en dat ze nu allemaal naar de grote school gingen. Haar moeder dronk cola, want ze lustte geen alcohol. Na de scheiding vond ze mensen die bier dronken heel stom, maar omdat eigenlijk iedereen in de wijk wel bier dronk zei ze dat niet hardop, tenzij ze alleen met Sandra was.
De kinderen verzamelden handtekeningen van de leraren voor later, en de ouders hadden het over naar welke school hun kind zou gaan. Dat was makkelijk, want iedereen ging ofwel naar het Valeriuscollege ofwel naar de lts, die naast het Valerius stond en wat dus eigenlijk op hetzelfde neerkwam. Iemand vroeg: ‘Is het waar dat Sandra naar het gennasium gaat?’ Haar moeder knikte trots: ‘Ze heeft er veel zin in.’ Dat was een leugen.
De moeder van Anouk, die net zo’n rotkop had als d’r dochter, zei: ‘Weet je wel zeker of ze dat wel ken?’, en de andere ouders keken bezorgd van Sandra naar haar moeder en weer terug.
‘Natuurlijk kán ze dat,’ antwoordde haar moeder, met de nadruk op ‘kan’.

‘Ik haat die school,’ zei Sandra tegen Tanya.
‘Misschien valt het mee,’ antwoordde Tanya. Ze waren van het muurtje af gegleden en liepen in de richting van Tanya’s flat. ‘Jij hebt makkelijk praten. Iedereen gaat naar het Valerius.’
‘Zijn er op dat gennasium dan helemáál geen leuke lui?’
Ze schudde haar hoofd.
‘Nou ja, als het niks is ga je er volgend jaar vanaf. Kom je gewoon bij ons in de klas.’
‘M’n moeder ziet me aankomen,’ antwoordde Sandra.
‘Nou, dan zeg je toch gewoon dat het door die andere mensen komt? Wie wil er nou tussen Albert Heijn en Jan Klaassen in de klas zitten. Doe effe normaal zeg.’ En toen spuugde ze nog een keer op de grond, zonder reden, gewoon omdat ze dat kon. Bij haar eigen flat stopte ze en gaf Sandra een klap op haar schouder. ‘Hou je taai, kleintje.’
‘Let op je woorden, hè.’
‘Ja ja.’ Tanya lachte een rij witte tanden bloot. ‘Doe die ouwe van Chantal de groeten van me.’
‘Mooi niet.’ Sandra hief groetend haar hand op en liep naar de overkant, waar Chantal woonde. Chantal was haar andere beste vriendin. Haar vader was vandaag jarig. Hij heette Piet, ome Piet voor haar. Ome Piet had het niet zo op buitenlanders, maar voor vriendinnen van zijn dochter maakte hij een uitzondering. Tanya kende Chantal ook, maar zij was te zwart om echt vrienden met haar te zijn. Sandra en haar moeder waren wel een beetje zwart, maar niet helemaal. Dat verschil was heel subtiel. Je kon te zwart zijn, zoals Tanya, en dan wilden witte mensen niet met je omgaan. Als je een beetje meer bruin was, zoals Sandra’s familie, dan was je oké. Zolang je tenminste altijd even aardig deed en het niet te veel had over dingen die niet Nederlands waren.

Het bezoek op ome Piets verjaardag had het over de nieuwe moskee. Die werd gebouwd omdat er zo veel Turken in de wijk woonden. Hij lag aan de rand, dus niet direct in de buurt van de meeste mensen. Toch waren de mensen er niet blij mee. Voor de supermarkt werden gestencilde papieren uitgedeeld waarop stond: stop de moskee! zeewijk niet naar de knoppen!
Het had niet geholpen, want de moskee was inmiddels bijna af. In de Wijker Courant stond een interview afgedrukt met verontwaardigde buurtbewoners die eisten dat de gemeente een andere plek voor de moskee zou zoeken. ‘Het is toch niet te geloven,’ zei de moeder van Chantal, ‘je bent in je eigen wijk niet eens meer veilig. Je ken niet eens over straat lopen zonder al die hoofddoekkies tegen te komen.’
Een buurman viel haar bij: ‘Je zal maar naast die moskee wonen. Het gespuis dat daar niet op afkomt. En dan nog elke dag dat gejank. Weet je wel hoe hard dat klinkt?’ Hij zette een keel op alsof- ie een lam was en geslacht werd. Iedereen lachte heel hard. Tante Ans wreef de tranen uit haar ogen en zei steeds: ‘Ik kom niet meer bij, ik kom niet meer bij...’
Sandra hield met moeite haar lachen in. Haar moeder zat al vanaf de andere kant van de kamer kwaad naar haar te kijken. Die kon helemaal niet tegen opmerkingen over buitenlanders, ook niet als ze stiekem best grappig waren.

Chantal woonde in een van de nieuwe flats. Hij was best chic want hij was maar drie verdiepingen hoog. De onderste mensen hadden bovendien een tuintje. Chantal woonde op tweehoog. Haar broer had een keer ruzie met de onderbuurvrouw, en toen had hij vanaf hun balkon in haar tuin gepist. Daar moest Sandra steeds aan denken als ze vanaf het balkon op de vierkante postzegeltjes keek die voor tuinen moesten doorgaan. Op tv zagen tuinen er heel anders uit. Groen, en ruim. En niet met een kwaaie buurjongen die er van bovenaf in stond te pissen.
Het lawaai van de volwassenen was op Chantals kamer duidelijk te horen. Hoe later het werd, hoe luider. Uiteindelijk zouden ze kacheltjelam worden, zo ging dat altijd, en dan eindigde het ermee dat ze gearmd heen en weer wiegden en liedjes van bzn zongen. Sinds Annie Schilder weg was en dat jonge grietje haar plaats had ingenomen, was Chantals moeder fan. bzn was volgens wijkenaren de allerbeste band van heel Nederland, misschien wel van heel Europa, hoewel ze niet veel van Europa wisten, dus vooruit, van heel Nederland in elk geval. Het maakte veel bijzonders in de mensen los. De langzame nummers deden Chantals moeder aan opa denken. Nog even en ze zou snikkend vertellen hoeveel ze van haar vader hield en dat-ie te vroeg uit de wereld genomen was. In de wc hingen tegeltjes die ze van hem had geërfd. Daarop stonden dingen als van het concert des levens krijgt niemand een program en een goede buur is beter dan een verre vriend. Op feestjes moest ze aan haar overleden pa denken omdat hij ook hield van een borreltje op z’n tijd, en dan vertelde ze iedereen dat hij te hard had gewerkt om zo vroeg te sterven en dat het niet eerlijk was dat sommige mensen doodgaan terwijl andere die dat helemaal niet verdienen blijven leven tot hun tachtigste.
Sandra zat met Chantal op haar kamer. Uit de woonkamer klonk het gezang van de dronken moeder, en van de anderen die het refrein meededen. ‘Tering,’ mompelde Chantal, terwijl ze door een Tina bladerde. ‘Wedden dat ze morgen weer een kater heb? Legt ze weer de godganse dag op bed.’
Sandra grijnsde goedmoedig. Ze hield ervan als Chantal ‘leggen’ zei wanneer het ‘liggen’ moest zijn. Ook al zei haar moeder dat het walgelijk was, en dat niemand in Nederland meer behoorlijk Nederlands sprak, behalve de Surinamers.

II

De wijk bestond uit flatgebouwen. Er waren flats van driehoog en flats van achttienhoog, en allerlei flats daartussenin. Er waren flats die bijna een hele straat lang waren en flats die in een driehoek naar elkaar toe gekeerd stonden. Er waren grijze flats (dat waren de meeste) en er waren flats die door de gemeente onder handen waren genomen en waarvan de galerijen mosterdgeel of mintgroen gespoten waren zodat ze iets minder deprimerend oogden. Vanuit die gedachte werden er ook duur klinkende namen op getimmerd. Centurion-flat. Keerkring-gebouw. Groen of geel, dure namen of niet, lelijk bleven ze.
Bovendien gebruikten de mensen uit de wijk voor de meeste flats andere, zelfbedachte namen. Zoals de heel hoge flat van achttien etages. Hij bestond uit drie gebouwen die als een ster tegen elkaar aan stonden. Vanwege de vorm heette hij officieel de ‘Sterreflat’. Maar door de uitzonderlijke hoogte van de Sterreflat was hij uitermate populair bij zelfmoordenaars. Er sprongen om de haverklap mensen vanaf. In de wijk heette hij daarom de Sterfflat. Bij de Sterfflat werden uiteindelijk perkjes aangelegd. Dat gaf minder troep dan op de parkeerplaats die er eerst lag.
Van Sandra’s flat sprong nooit iemand af. Hij had maar zes etages. Dat was niet hoog genoeg om te pletter te vallen. Dat betekende echter niet dat je niet moest uitkijken als je in de bosjes onder de balkons speelde. Mensen op de vijfde en zesde etage waren te lui om hun vuil naar beneden te brengen. Ze gooiden de zakken vaak gewoon naar beneden. Een keer lag er een kapotte bank – als je die op je kop had gekregen was je nog niet jarig.

In het jaar dat Sandra en haar familie de flat betrokken, verhuisden de meeste Nederlanders, zoals Chantal en haar familie, naar de vlakken. Dat waren de blokken in de wijk met lagere en beter onderhouden flats. Die hadden ook nog eens een groter balkon. En dat was fijn omdat daar meer tuinstoelen op pasten. Je kon er zelfs een tafel kwijt, waaraan je dan ’s zomers koffie dronk of bier als het er laat genoeg voor was. Chantals moeder hing beschilderde houten klompen aan de muur, met in de holte een klein plastic plantenpotje met daar weer een hangplantje in. Het plastic tuinmeubilair was brandschoon. Chantals moeder ging er elke avond voordat ze de boel opklapte even met een doekje overheen. ‘Zo gebeurd, en wel zo netjes’, was haar motto. Aan die stoelen én aan de ramen kon je zien dat er Nederlanders woonden: die hielden van vitrage met patronen en borduursels van bloemetjes en fantasiekringeltjes. En als iemand boerenbont spaarde, zag je dat ook meteen. Chantals moeder zette de stukken waar ze het meest trots op was achter het raam, onder de korte witte gordijntjes met borduursels.
Buitenlanders deden minder moeite. Die hadden niet eens tuinmeubels. Als Sandra thuis op het balkon wilde zitten, tilde ze de eettafelstoelen naar buiten. Aan boerenbont of vitrage deden ze niet. Maar hoe meer buitenlanders er in een wijk kwamen wonen, hoe meer boerenbont er voor de andere ramen werd uitgestald. En zo was er dan een soort evenwicht.

Het gebouw waarin Sandra woonde, stond langs de uiterste rand van de wijk; na deze straat kwam er niks meer. Alleen maar duinen en industriegebied, met fabrieken die hun schoorsteen als een opgestoken vinger naar de hemel richtten. Als je de lift nam naar de hoogste etage, kon je vanaf de galerij bijna over de duinen kijken. Niet helemaal, want daar was het niet hoog genoeg voor, maar ver genoeg om je er een leegte voor te stellen. Dan kon er van alles achter de duinen liggen. Iets heel anders dan een industriegebied, of het strand, of de Noordzee. Als je dat wilde.
Ze woonde halverwege de flat, op driehoog, en ook halverwege de galerij. Precies in het hart van de flat, overal omgeven door mensen; van boven, opzij, onder, overal mensen met hun dingen. Boven haar woonde de man die zijn vrouw sloeg, wat een prestatie op zich was, want zij was heel dik en hij zat in een rolstoel. Aan de kant van Sandra’s kamer was de flat van de familie Turgüs met zes of zeven kinderen. Hoeveel precies wist niemand, het was niet bij te houden hoe vaak die vrouw er eentje baarde. Aan de andere kant woonde Annie, die blond en mooi was, maar volgens haar moeder een slechte smaak in mannen had. Precies onder hen woonde de man met de regenjas die je nooit aankeek, ook niet als je samen in de lift stond met verder niemand anders dan jij en hij. Ze was wel eens met haar oor tegen de vloer gaan liggen, in de hoop dat ze kon horen naar wat voor programma’s hij keek, of dat hij misschien aan de telefoon met iemand was en een gek lachje bleek te hebben. Ze hoorde niets.
Te midden van al die mensen was dus hun huis. Van Sandra, haar moeder en het zusje. Hun huis telde twee slaapkamers, een smalle keuken aan de kant van de galerij en een woonkamer die uitkeek op de straat en de identieke gebouwen aan de overkant. Officieel deelde ze haar slaapkamer met haar kleine zusje, maar meestal kroop die ’s nachts bij haar moeder in bed. Die vond dat niet erg, want ze was toch maar alleen.

Als ze mocht zeggen aan welk deel van het huis ze de grootste pesthekel had, dan koos ze de badcel. Daar hing een plastic douchekop die het nooit had gedaan, maar die er om een duistere reden altijd was blijven hangen. Aan de kraan die halverwege de leiding zat, hing een rubberen slangetje waaruit nooit meer dan een laf straaltje water stroomde. Je haar wassen was steeds weer een uitdaging.
Als ze mocht kiezen wat ze het leukst aan hun flat vond, dan was dat niks. Behalve misschien de duinen erachter, als dat meetelde. Er was een speeltuin met houten toestellen waar de rot in zat, en waar geen kind in de wijk interesse in toonde. Maar daarbuiten, als je over de beschutting klom en de duinen op klauterde, daar begon het. Daar rukte de wind hoe hoger hoe harder aan je haar, striemde het duingras tegen je blote benen en stoof het zand alle kanten op, het liefst in je ogen. Je kon er goed in bomen klimmen of hutten bouwen. En ook al werd ze er een beetje te groot voor, verstoppertje spelen deed je nergens beter dan in de duinen. Als de zomer voorbij was, stierf het er van de bramen. Die plukte ze samen met Chantal, want haar moeder maakte er jam van in van die ouderwetse glazen potten. Ze moesten er wel snel bij zijn want de Turken waren er ook gek op – en zij kwamen met hele emmers en families aanzetten.

Sinds kort kwam haar vader langs. Eerst zag ze hem praktisch nooit, maar nu kwam hij opeens vaker en bleef hij langer. Soms kwam ze thuis en lag hij op de bank, met zijn arm om haar moeder geslagen. Als de lamlendige lapzwans die hij was.
Het zusje, dat niet van hem was, bekeek hem wantrouwend.
Haar moeder had opeens de hele dag haar alles-goed-gezicht op.

[...]

© 2011 Karin Amatmoekrim
Auteursportret © Sanderr

Uitgeverij Prometheus

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum