Leesfragment: Het hoorcollege

10 oktober 2011 , door Pola Oloixarac
| | |

17 oktober verschijnt Pola Oloixaracs roman Het hoorcollege (Las teorías salvajes, vertaald uit het Spaans door Adri Boon). Vanavond kunt u er al de eerste pagina's uit lezen - en uw exemplaar reserveren om af te halen of thuis te laten bezorgen.

Rosa Ostreech is de koningin van de faculteit der filosofie, vindt ze zelf. Ze is slimmer dan je zou denken, mooier dan zou mogen en arroganter dan draaglijk is. Wat haar betreft houden de theorieen die zij en de andere studenten krijgen voorgeschoteld de vooruitgang tegen, zeker in deze multimediale tijden. Maar dan valt ze voor een oudere uitgebluste professor, wiens levenswerk ze wil herschrijven. Zijn ideeen kloppen in haar ogen nét niet, en Rosa gaat er vol passie mee aan de slag in de hoop zijn aandacht te krijgen. De stoffige filosofiefaculteit van de Universiteit van Buenos Aires is het decor van deze uitdagende, filosofische roman. Onuitstaanbare medestudenten, seks, drugs en een vergevorderd plan om Google Earth te hacken, vormen de ingredienten van een veelbesproken literaire sensatie in de Spaanstalige literatuur: Het hoorcollege is een brutale en wellustige roman.

Deel een

I

Tijdens de passageriten bij de Orokaiva-volken op Papoea Nieuw-Guinea worden de kinderen, zowel meisjes als jongens, eerst bedreigd door volwassenen die zich hebben verstopt achter de struiken. De indringers, zogenaamd geesten, achtervolgen de kinderen onder het schreeuwen van ‘Je bent van mij, van mij, van mij’ en drijven hen zo naar de slachtplaats voor varkens. De doodsbange kinderen krijgen een kap over hun hoofd waardoor ze niets meer kunnen zien; dan worden ze naar een eenzame hut in het bos gebracht waar ze getuige zijn van geheime godsoordelen en martelingen die de geschiedenis van de stam symboliseren. Volgens antropologen is het niet ongewoon dat er tijdens deze ceremonies enkele kinderen sterven. Ten slotte keren degenen die het hebben overleefd terug naar het dorp, uitgedost met maskers en veren zoals de geesten die hen aanvankelijk bedreigden, en doen ze voortaan mee met de jacht op varkens. Ze zijn nu geen prooi meer maar jager en schreeuwen dezelfde woorden die ze hun belagers hoorden gillen: ‘Je bent van mij, van mij, van mij.’ Onder de Nootka, Kwakiutl en Quillayute, in het noordoosten van de Stille Oceaan, zijn het wolven – mannen met wolvenmaskers – die de jonge geïnitieerden bedreigen met de punt van hun lans en net zo lang opdrijven tot ze zich midden in de rituelen van de angst bevinden; na die esoterische kwellingen worden ze ingewijd in de geheimen van de wolvencultus.
Het leven van de kleine Kamtchowsky begon in de stad Buenos Aires ten tijde van de vuile oorlog; het bereiken van de jaren des onderscheids viel samen met de ‘lente’ van het presidentschap van Alfonsín. Haar vader, Rodolfo Kamtchowsky, kwam uit een Poolse familie die zich in de jaren dertig in Rosario had gevestigd. Hij was de enige man thuis; door de vroegtijdige dood van zijn moeder was hij bij een stel tantes terechtgekomen. Reeds in de eerste klas van de lagere school gaf hij blijk van een buitengewoon talent voor abstract denken; in de vierde klas liet de lerares wiskunde, die aan de universiteit had gestudeerd, zich lovend uit over zijn formele vernuft. De kleine Rodolfo vertelde het zijn tantes; die schrokken er een beetje van en besloten hem zodra hij dertien was naar Buenos Aires te sturen zodat hij daar verder kon leren. Rodolfo was een vrolijke knaap, ook al was hij erg verlegen; hij was stil en leek soms niet te horen wat er tegen hem werd gezegd. Toen het zover was, kwam Rodolfo in huis bij een andere tante, die in Buenos Aires tegenover het Lezama-park woonde. Hij volgde een opleiding aan de technische school Otto Krause en haalde in recordtijd zijn ingenieurstitel.
Zijn studiekeuze en schuwe aard waren niet bevorderlijk voor contact met meisjes; tijdens zijn opleiding leerde hij er zegge en schrijve twee kennen en hij zou niet met zekerheid kunnen zeggen of hun eigenschappen volstonden voor het predicaat ‘meisje’: ze hadden de gedaante van een vormeloos propje, zoals later ook zijn dochter. Algauw zou blijken dat het lot en het werken met het hoofd een noodgedwongen trouw, monogaam en heteroseksueel element van Rodolfo hadden gemaakt. Het kon niet anders dan dat zodra de Voorzienigheid zijn pad zou laten kruisen door een vrouwspersoon (een die wel echt tot de verzameling ‘meisjes’ behoorde), Rodolfo zich aan haar zou vastklampen zoals bepaalde weekdieren, die in de oceaan rondzweven tot ze hun gespierde voet als een bijl in het sediment slaan; de schelp of mantel zet kalk af rondom de glibberige slijmlaag en als hij na een tijdje opengaat laat het weekdier zich weer meedrijven met de stroom, de oceaan of de dood in.
Hij zag haar lopen over de Avenida Corrientes. Het was een opdondertje met donker haar, een nauwsluitend shirtje en bruine ogen in een masker van oogschaduw. Hoewel Rodolfo op de hoogte was geweest van dergelijke empirische gegevens, waarvan de enige geweldige kwaliteit school in het vermogen doodnormaal en heel algemeen te worden, was er iets te midden van die lawine van details – de elkaar afwisselende plooien onder de billen, het buskaartje dat uit haar achterzak stak – dat een bovennatuurlijke indruk maakte. Iets duidde op een overdaad ten aanzien van wat Rodolfo van de wereld verwachtte. Deze passage tussen het geheel aan omgevingsfactoren en zijn strikt persoonlijke en onvervreemdbare hoedanigheid van getuige, samengebald in ‘zij’, maakte dat Rodolfo wist wat hem te doen stond. Hij volgde haar over straat, alsof hij haar schaduwde; hij zag dat ook andere mannen naar haar keken. En omdat hij in al die blikken van vreemden het bestaan bevestigd zag van wat er in hemzelf opbloeide (in zekere zin zijn moed) concludeerde hij dat het onmogelijk was dat ze niet doorhad dat ze al ten minste tien huizenblokken lang gevolgd werd, al was deze gedachte van geen enkel belang voor de huidige fase (hij had al een vermoeden van het programmatische van het proces) en besloot hij er niet langer over na te denken.
Toen geschiedde het wonder: het begon te regenen en Rodolfo had een paraplu bij zich. De jonge ingenieur zette er de pas in; geëmotioneerd zag hij hoe ze lachend, enigszins afwezig, zijn bescherming tegen de elementen accepteerde. Ze gingen het café La Giralda binnen om warm te worden en op te drogen. Rodolfo was bijna niet nat geworden zodat hij alleen het eerste deed; hij bloosde een beetje, maar zij leek het niet te merken. Zij deed haar shirt uit waarbij even een stukje van haar vleeskleurige bh te zien was, en Rodolfo verborg zijn erectie door zo snel mogelijk te gaan zitten. Ze bestelden warme chocolademelk, zij verorberde er een paar croissants bij. Enigszins onder de indruk van zowel zijn eigen woordenvloed als die van zijn nieuwe vriendin, maar verheugd over zijn duidelijk aangeboren talent om te praten en zich tegelijk voor te kunnen stellen hoe ze er naakt uitzag, vertelde Rodolfo die middag dat zijn tante in Buenos Aires tegen hem had gezegd dat zijn tantes in Rosario als prostituee moesten werken om hem te kunnen onderhouden. Zijn jonge gesprekspartner was tweedejaarsstudente psychologie en antwoordde loom dat hij waarschijnlijk dacht dat het eigenlijk zijn eigen moeder was die een dergelijk beroep uitoefende. Nadat ze dat had gezegd, keek ze naar Rodolfo’s weerspiegeling in de ruit als een psychotherapeut die met afgewende blik luistert naar zijn patiënt, en observeerde zijn reactie. Rodolfo’s moeder was overleden aan kanker en was de laatste jaren van haar leven aan bed gekluisterd geweest; verbaasd nam Rodolfo Kamtchowsky een hap van zijn in de chocolade gedoopte churro die hij in zijn hand had en dacht na.
De volgende dag haalde hij haar op bij de faculteit. De vakgroep psychologie zat in het letterengebouw in de Calle Independencia. Er waren twee richtingen: psychosociale studies en humanistiek. Net als Rodolfo behoorde ook de moeder van de kleine Kamtchowsky tot de eerste generatie middenklasse die zich min of meer massaal op de markt van de universitaire carrières had gestort. In het jaar ’68 was het aantal afgestudeerden in psychologie al verdubbeld; daarna nam het explosief toe met uitschieters van meer dan vierhonderd tussen 1973 en 1975. Toen de peronisten aan de macht kwamen, werden de studieprogramma’s radicaal omgegooid en de verplichte vakken vervangen door facultatieve onderdelen. In het jaar ’73 betekende dat voor psychologie dat de nadruk kwam te liggen op het sociale, waardoor de studie zich nu voornamelijk richtte op collectiviteit en veldwerk. Door de epistemologisch marxistische benadering kreeg de strijd van het volk voorrang boven de zucht naar kennis op gebieden buiten de reikwijdte van wat de partij voorschreef en daalde het niveau van een opleiding, waarbij elke studierichting een eigen pakket aan vakken en verplichtingen kende. De aanwas van eerstejaars vertoonde een opmerkelijke onbalans: van alle vrouwen die zich inschreven voor een universitaire studie koos ruim vijfenveertig procent voor psychologie, met daarbij de verhouding vrouwelijke en mannelijke studenten van acht staat tot één.
Elke afgestudeerde man had grote kans in contact te komen met een psychologe in opleiding of al werkzaam als zodanig, maar in het geval van Rodolfo was dat tot dan toe nog niet gebeurd. Hij had nog nooit zo’n blik van wetenschappelijke minzaamheid toegeworpen gekregen, op zoek naar diepere verbanden tussen onwetenschappelijke hypothesen en de wereld. In die tijd stond het vakjargon toe dat gerespecteerde psychotherapeuten of zij die hun beroep nog maar kort uitoefenden en bezig waren naam te maken, dezelfde naar de genitaliën verwijzende woorden bezigden waarvoor in een openlijk volkse setting, zoals de revue, nog werd gestreden – vooralsnog zonder succes. Shows met vedetten werden op last van de autoriteiten stopgezet, sommige films werden verboden, terwijl de psychoanalyse zich in alle varianten straffeloos in de vochtige kieren van de middenklasse kon nestelen; de verklaring lag ongetwijfeld in de medische oorsprong, in de claim pijn te kunnen verzachten – en misschien ook in het feit dat het werd gezien als een soort aan vrijdenkerij verwante linguïstische avantgarde. Rodolfo beschouwde heel de constellatie van woorden die doodkalm rondom de anale en vaginale openingen draaiden als iets onbeschrijflijk gewaagds, volwassens, anders dan alles was hij kende (en vanwege het contrast gelijkend op liefde); de mogelijke gevolgen brachten hem op de rand van het priapisme. Onder het praten sloeg zij nu en dan haar ogen neer, liet ze veelbetekenende stiltes vallen; het leek een pienter meisje, al was Rodolfo daar niet zeker van. Toen ze vertelde over de mythe van Oedipus, de getande vagina en de mama-auto van Melanie Klein, deed Rodolfo zijn best zijn verbazing te verbergen; hij monsterde haar in een poging zich onder de mascara en de oogschaduw een idee te vormen van die selecte schare geleerde vrouwen die dat soort flauwekul serieus nam. Al met al begreep hij wel dat ze met alle perikelen van verloving en activisme geen tijd had om een echte studie te volgen. Wanneer zij praatte over de bezieling van de strijd, over het van onderaf mobiliseren van de massa’s en het bevrijden van de mens uit zijn individuele isolement, had Rodolfo zoveel erecties dat hij de mond van al die houthakkers uit Chaco wel had kunnen vullen met proteïnen en vette vezels made in Kamtchowsky. In een van die pauzes verwekten ze de kleine K.

2

In dezelfde tijd van het seksuele gestoei dat zou leiden tot de geboorte van de kleine Kamtchowsky, kreeg een andere jonge Argentijn, indertijd tweedejaars studentassistent bij filosofie, een baan ad honorem in de Colonia Montes de Oca als verzorger van adolescenten die leden aan microcefalie. Onverzorgd, bot in de omgang en verwaand in zijn proza was zijn toekomst als fundamentele theoreticus nog onzeker; strikt genomen was er geen spoor van te bekennen. In die tijd bestond de intellectuele habitat van Augusto García Roxler slechts uit schaduw. Zijn bestaan, terwijl hij rondsnuffelde in de scabreuze bibliotheken van de faculteit geneeskunde en zijn aandacht concentreerde op zijn eigen ideeën (en op de geweldige tekens waardoor ze bevestigd leken te worden), speelde zich af buiten de even bloedige als majestueuze gang waar de grote gebeurtenissen van zijn tijd doorheen trokken.
Te schuchter om pedant te zijn, te gewoon om mysterie op te wekken zou het geheim van zijn genie pas decennia later het licht zien. Goed beschouwd zou dat licht slechts zwak zijn, qua intensiteit en gedrag vergelijkbaar met de benige extremiteiten van een blinde die moeizaam de duisternis aftast; belangrijker nog: het zou slechts een enkel bewustzijn bereiken. Eentje maar (het geschikte, het volmaakte) zou het lot van dat licht bepalen, zijn gehavende deeltjes voeden, ze herschikken door als een geest boven de gruwelijke aanschijn van de feiten te zweven. Maar daarvoor, lang daarvoor, toen de jonge Augusto zich uitgaf voor student psychiatrie en uren doorbracht met het opmeten van door microcefalie misvormde schedels en het uitkleden van aan oligofrenie en catatonie lijdende adolescenten voor zijn experimenten, bestond er al een boek, en daarmee een opeenvolging van huiveringen – een nacht – waarin de Theorie voor het eerst aan de aardkorst rook. Augusto was dertig, of misschien iets ouder, toen hij klaar was met de eerste kladversie van wat later bekend zou worden als de Egotransmissistheorie.

In 1917, in wat beschouwd zou kunnen worden als de eerste aanzet tot de ontwikkeling van de egotransmissies, beschreef de Nederlandse antropoloog Johan van Vliet bepaalde experimenten met mensen in een artikel, gepubliceerd in het tijdschrift Nature. Als verklaarde bewonderaar van Jean-Jacques Rousseau en onvermoeibare globetrotter wilde professor Van Vliet zich er niet bij neerleggen dat zijn onderzoeksgebied zich zou beperken tot gefortuneerde westerlingen of proletariërs uit verre Europese streken: voor het formuleren van een heuse theorie over de menselijke psychologie, een theorie die uitspraken deed over de diepere gronden van menselijk gedrag, was het nodig te werken met materiaal dat wezensvreemd was aan het proces van choreografische aanpassing dat cultuur wordt genoemd.
Voor zijn experiment Ad intra res cogitans (de titel van zijn dagboek) rustte Johan van Vliet een bescheiden expeditie uit naar Dahomey, het huidige Benin, in West- Afrika. Dahomey was redelijk toegankelijk voor een Europese reiziger dankzij het feit dat het land als producent van palmolie en slaven al twee eeuwen lang handelscontacten onderhield met de blanken. In die tijd was de laatste zwarte dynastie door Frankrijk van de troon gestoten; de dienstdoende consul (die een opmerkelijke gelijkenis vertoonde met Voltaire) wees hun hoe ze op weg naar de noordelijke jungle het kamp van het Fon-volk konden bereiken. Bij de dokterspost van het consulaat kregen de artsen Fodder en Fisher, twee uit Engeland afkomstige leerlingen van Van Vliet, een dosis kinine tegen malaria. Brandend van ongeduld om eindelijk het oerwoud te kunnen betreden bladerde Van Vliet langzaam een oud exemplaar van Le Figaro door.
Ze werden tamelijk vriendelijk ontvangen door de Fon-mensen: ze mochten hun intrek nemen in een van hun tenten met uitzicht op het bos, ze kregen rookwaar. De Fon geloven niet in een aparte, almachtige god; voor hen is de wereld van de geesten die de aarde bewonen veel veranderlijker en complexer. Kort na aankomst in het kamp begon professor Van Vliet – een heuse pionier op het gebied van psychologische experimenten – slechts gekleed in een schaamlap de omgeving te verkennen. Hij besmeerde zijn lichaam van sedentaire academicus in met aarde om zich ‘ongezien’ door de duisternis te bewegen. Hij liep blootsvoets en bleef urenlang kijken naar de maan, die veel groter was en veel feller scheen dan de maan die hij had leren kennen op zijn expedities naar de Noordelijke IJszee toen hij zich wijdde aan het onderzoek naar mogelijke conflictsituaties bij vogelspinnen in het poolgebied. Soms viel hij met zijn schrift in zijn hand op de poreuze grond in slaap. Hij schreef zijn observaties neer met inkt die hij maakte van hars, palm en verbrande botten; terwijl hij bezig was met het mengen sloot hij vriendschap met een kleine apin met spleetogen. Hoewel hij eigenlijk de taal van de lokale mensen wilde leren spreken, leerde hij al snel de taal van de vogels en installeerde hij zich met zijn schriften in een afgeknotte boomkruin, ooit het nest van lemuren, die de academicus inrichtte als provisorische werkkamer.

[...]

Copyright © 2008 Pola Oloixarac
Copyright Nederlandse vertaling © 2011 Adri Boon en J.M. Meulenhoff bv, Amsterdam
Copyright auteursportret © Sebastian Freire

Uitgeverij Meulenhoff

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum