Leesfragment: Het kinderziekenhuis

27 november 2015 , door Chris Adrian
| |

1 maart verschijnt de nieuwe roman van Chris Adrian, Het kinderziekenhuis (The Children's Hospital, vertaald door Leen Van Den Broucke, An de Greef & Marijke Versluys). Vanavond kunt u al de pagina´s volgend op de voorpublicatie door uitgeverij Ailantus lezen, én uw exemplaar reserveren.

Jemma besluit van niemand meer te houden: daar komt alleen ellende van. Tijdens haar nachtdienst in het ziekenhuis woedt er een gruwelijke storm. De kindervleugel raakt los van het hoofdgebouw en bij daglicht lijkt de wereld vergaan in een grootse watervloed. Alleen het kinderziekenhuis dobbert op de golven. Tussen alle zieke kinderen, artsen, vrijwilligers en ouders die er toevallig die nacht waren is Rob, Jemma’s geheime minnaar. Niemand weet raad en voorlopig wordt iedereen ingezet om de kinderen te redden. Alles is veranderd. Het ziekenhuis is uitgedijd, via de intercom lijkt een stem over ze te waken en als er na weken een overlevende aanspoelt, is duidelijk dat ze op een onbekende missie zijn. Jemma kan niet anders dan zich overgeven aan haar liefde voor Rob.

Het kinderziekenhuis van Chris Adrian is een wereld op zich. Elke samenvatting doet het boek tekort. Als je zegt dat het een meesterwerk is, gelooft niemand je. Toch is er geen ander woord voor.

[...]

‘Verder lijk je me best een aardige jongen.’
‘Ik ben al door en door verrot,’ zei hij.
‘Toch ruik je nog steeds lekker,’ zei ze spontaan en ze bloosde hevig.
‘Ik bedoel als je echt verrot was, zou je naar bedorven vlees of zure yoghurt ruiken of…’ Ze nam een worteltje om zichzelf de mond te snoeren.
‘En jij?’ vroeg hij.
‘Ja, ook heel erg verrot.’
‘Ik bedoel, wat wil je uiteindelijk gaan doen?’
‘Chirurgie,’ zei ze. ‘Chirurgie, chirurgie – mijn vader was chirurg.’
‘Verrotting als familietraditie,’ zei hij lachend. Nu had hij haar beledigd – reden genoeg om een wortel naar hem te smijten, maar niet om hem te vermoorden; toch bleef ze gewoon zitten, onzeker en bewonderend. Hij had heel grote handen.
Ze nam het zich weer heilig voor: niet zoenen. En verder zwoer ze dat ze, als hij haar zou proberen te zoenen, een hand zou opsteken en haar hoofd zou buigen. Ze had dit gebaar voor de spiegel geoefend en aan haar glimlach gewerkt totdat hij alleen nog geïnterpreteerd kon worden als zedig en spijtig, en het achterwaartse loopje ingestudeerd. ‘Ik kan het niet,’ had ze tegen haar spiegelbeeld gezegd. ‘Het kan gewoon niet.’ Woorden die ze had gekozen omdat ze waarachtig waren en omdat ze de meeste kans hadden de minste pijn te veroorzaken. Met haar hand nog omhoog zou ze achterwaarts naar de deur lopen, niets zeggen, geen antwoord geven als hij iets zei en vervolgens naar boven gaan, aan haar keukentafel gaan zitten en de kakkerlak zien huiveren van plezier terwijl ze hem vertelde dat het allemaal voorbij was.
Toen ze Rob was voorgegaan op de trap, zat de kakkerlak op hen te wachten. Nog geen anderhalve meter van de deur leek hij zijn gewicht ongeduldig van het ene stel pootjes naar het andere te verplaatsen. ‘Ik pak hem wel,’ zei Rob en hij deed een stap naar voren om het beest plat te stampen. Jemma gooide zich met haar volle gewicht tegen hem aan en bracht hem uit balans. Hij struikelde door de kamer, viel en stootte zijn hoofd tegen de zachte rand van de bank. De kakkerlak sloeg op de vlucht.
‘Sorry!’ zei ze zowel tegen hem als de kakkerlak. ‘Sorry,’ had hij gezegd toen ze wegdook van zijn nachtzoen. Ze had haar hand opgestoken met het ingestudeerde gebaar van een definitief verbod, maar in plaats van het gebaar te maken dat ze dacht te willen maken – stop, ga weg, dit kan niet – was de hand blijven hangen bij zijn warme oor en had zijn gezicht naar het hare getrokken. Even bleef hij languit bij de bank liggen, en ze was bang dat hij al dood was. Toen ze hem overeind hielp, bleef ze zijn hand vasthouden en trok ze hem mee naar de slaapkamer. Kwam dat gebons van het hoofdeinde van het bed dat tegen de muur bonkte of gooide de kakkerlak zich vol woede tegen de deur? Ze had de kier dichtgemaakt met een handdoek, om hem de toegang te versperren als hij, door boosheid gedreven, hun onuitgesproken overeenkomst mocht willen verbreken, maar ze hoorde hem in de keelklanken die haar nieuwe vriend voortbracht: diepe, grommende lettergrepen die zich in haar hoofd weer tot woorden vormden – wat doe je, wat doe je en toen wat heb je gedaan?
‘We kunnen elkaar niet meer zien,’ zei ze de volgende dag tegen hem. Het ging makkelijker dan ze had gedacht. De woorden kwamen in een soepele, vloeiende stroom haar mond uit.
Op het bruggetje over de sloot liep ze met hem mee naar huis; hij liep op de reling maar hield zich vast aan haar hand. Toen ze klein was liep ze zo met haar moeder, zodat ze haar evenwicht ontleende aan haar moeders arm en de reling of het bankje hen op gelijke hoogte bracht. Maar deze reling maakte hem veel langer dan Jemma en hij had haar niet nodig om zijn evenwicht te bewaren.
‘Zeg dat nou niet,’ zei hij. De zon stond vlak achter hem, zodat zijn hoofd vervangen leek door een vuurbal. Ze deed haar ogen voor hem dicht en zag niet alleen de flikkerende oranje bol, maar ook zijn gezicht als een teleurgesteld nabeeld.
‘We kunnen elkaar niet meer zien,’ zei ze weer, terwijl ze haar ogen niet opendeed maar een stap naar achteren deed en haar hand lostrok.
‘Waarom niet?’
‘Daarom niet,’ zei ze.
‘Wat heb ik verkeerd gedaan?’
‘Niets,’ zei ze. ‘Het is gewoon geen goed idee. Nee, gewoon omdat het… het is gewoon onmogelijk.’
‘Waarom?’
‘Daarom.’
‘Maar dat is niet zo,’ zei hij. Ze gaf geen antwoord, en ze stonden zwijgend tegenover elkaar. Ze deed haar ogen een voor een open – ze gluurde eerst even omdat ze dacht dat hij misschien verdwenen was, maar hij stond er nog steeds en keek haar van bovenaf met zijn armen over elkaar aan. Er liepen mensen langs, alleen, met z’n tweeën of in het gezelschap van een hond, en sommige keken nieuwsgierig naar hen.
‘Luister,’ zei hij ten slotte, ‘het is altijd onmogelijk, toch? Dit is ook onmogelijk, maar het gebeurt toch. Kijk.’ Hij slingerde zijn armen naar achteren, zwierde ze toen weer naar voren boven zijn hoofd en toen volgde de rest van zijn lichaam: eerst zijn buik, toen zijn bovenbenen en daarna vlogen zijn voeten rakelings voor haar neus langs, wat een briesje langs haar oren veroorzaakte. Hij maakte een salto en landde weer stevig op de reling. Het ging perfect. Hij zou niet gevallen zijn als Jemma hem niet beet had willen pakken en daardoor uit balans had gebracht. Ze gilde en stak beide handen uit om hem naar zich toe te trekken, waardoor ze hem juist het water in duwde. Hij was zichtbaar verbaasd en keek tijdens zijn val zelfs alsof ze hem had verraden, maar hij gaf geen kik toen hij in het water belandde.
Nu heb ik het voor elkaar, dacht ze rustig, maar ze kon de neiging niet weerstaan om van ellende aan haar gezicht te plukken. Door haar hoofd flitste een visioen van zijn hagelwitte botten die kwamen bovendrijven in het verzuurde water en een beetje ronddobberden voordat ze in het mergachtig roze schuim oplosten.
‘Het is me gelukt!’ riep hij naar haar. ‘Ik had hem goed en toen gaf je me een duw!’ Ze rende van de brug af om zo zijn leven voorgoed uit te rennen. Hij had een aanvaring met haar gehad, maar zou niet doodgaan. Hij zou er een beetje gebutst uitkomen en dan weer gewoon doorleven. Vaarwel, vaarwel! riep ze in gedachten terwijl ze wegrende en aan de andere vrouw dacht die hij zou tegenkomen. Ze zou mooier zijn dan Jemma, maar dommer, en ze zou het type vrouw zijn dat alles wilde weten over de eerdere vriendinnen van haar vriend. Als ze zou horen hoe Jemma zich had gedragen, zou ze er helemaal niets van begrijpen.

‘Ik bel alleen om je te laten weten dat ik nooit meer met je kan afspreken,’ zei ze vier dagen later tegen hem. ‘En om te zeggen dat je me niet meer elke dag moet bellen.’
‘Oké,’ zei hij.
‘Ik heb last van plaatsvervangende schaamte,’ zei ze. ‘Al die berichtjes.’
‘Ja. Wil je dat ik vanavond langskom?’
‘Natuurlijk,’ zei ze, waarmee ze eigenlijk wilde zeggen dat ze dat natuurlijk graag wilde, maar dat het niet kon. Maar hij had opgehangen en was al onderweg naar de brug. Toen hij onder haar raam stond en haar riep ging ze naar beneden, terwijl een stemmetje in haar hoofd – van haar moeder of haar broer of haar vader of haar geliefde – zei dat ze de standvastigheid van een gepelde banaan had.
Maar ik vind hem leuk, zei ze tegen zichzelf, tegen hen – steeds langzamer op de draaiende trap.
Maakt niet uit.
En hij vindt mij leuk, geloof ik.
Maakt niet uit.
En ik heb hem nodig.
Hoezo, nodig? Wat stelt jouw behoefte voor vergeleken met zijn leven? Je bent gewoon bijgelovig.
Is het bijgeloof om vol te houden dat de zon opkomt in het oosten?
Hou op, zei ze, maar niet hardop – zo gek was ze ook weer niet. Hoewel ze hen vanuit het duister kon oproepen om zwijgend rond haar bed te staan, en hoewel ze voortdurend figureerden in haar dromen, en hoewel ze nog steeds aan haar moeder vroeg wanneer het een broekendag was en wanneer een rokjesdag, en nog steeds samen met haar broer in vervoering kon raken als ze onwijs stoned of knalbezopen was, en hoewel ze nog steeds denkbeeldige, zelfbevredigende seks beleefde met haar overleden geliefde, wist ze dat ze niet echt waren als ze voor haar stonden op de laatste vier treden, en hun handen opstaken in het gebaar dat zij had geoefend: stop, geen stap verder, terug de trap op. Vier is genoeg, zei haar vader. Ze liep dwars door hen heen.
Ze dacht dat ze de kakkerlak wel kon vangen om hem buiten vrij te laten, maar hij verstopte zich als ze hem zocht. Een paar keer voelde ze zich bekeken toen ze op haar bank zat te studeren, en dan keek ze op en zag hem op het aanrecht, zwaaiend met zijn voelsprieten alsof hij haar wilde vermanen of waarschuwen. Als ze hem achternazat, ontweek hij haar behendig. Ze had de meeste kans hem te verbannen als Rob Dickens kwam. De kakkerlak zat dan altijd bij de deur te wachten, maar als ze hem ving zou ze het beest langs hem heen moeten toveren of het in haar handtas moeten stoppen tot er ’s avonds een moment kwam dat ze hem vrij kon laten. Het rampzalige etentje had zich al een paar keer in haar hoofd afgespeeld: haar tasje onzorgvuldig dichtgeslagen, gekriebel langs haar been, buik, borst en hals, de kakkerlak die achter haar oor opdook, parmantig boven op haar hoofd ging zitten en de bedreigde rivaal gadesloeg, het gegil van de serveerster.
Hij hield van kaarsen. Zijn slaapkamer leek daardoor wel een offerplaats; ze stonden overal om zijn bed, in ijzeren blakers op de grond, op de nachtkastjes en de ladekast, in een enorme kroonluchter die hij had overgehouden aan een jaar België. Als ze allemaal brandden was het in de kamer bijna even licht als in een ziekenhuisgang. Het was de slaapkamer van een priester of van een rituele moordenaar, en toen ze hem voor het eerst zag leefde even de hoop in haar op dat hij ook gek was. Ze vroeg hem altijd er een paar te doven, zodat het licht zachter zou zijn. Als ze hem aankeek flakkerde zijn druipnatte gezicht in het licht op, en het werd het gezicht van haar eerste. Hij zei haar naam, maar ze antwoordde niet met de zijne, bang om ze door elkaar te halen.
Diep in slaap in het bed van haar nieuwe geliefde droomde ze van haar oude geliefde. Ze stond een heel eind van het huis van haar ouders op een hoek te wachten tot hij haar zou ophalen. Dat was een vaste gewoonte geworden: zij kroop stiekem het raam uit, klom rap via de berkenboom naast het huis naar beneden en wachtte dan boven op de heuvel op hem. Hij reed voor net als altijd, maar zijn droomauto was een gebutste versie van zijn wakkere auto, en hij een gebutste versie van zichzelf.
Stap in, zei hij, en zij maakte zich klein om onder het doorgebogen dak te passen.
Wat ben je laat, zei ze.
We gaan het nu niet over mij hebben, zei hij. We gaan het over belangrijke zaken hebben. Heb je enig idee waar je mee bezig bent?
Schreeuw niet zo tegen me, zei ze, net zoals toen hij nog leefde.
Heb je enig idee? Enig vaag besef? Heb je eigenlijk wel hersens in je hoofd?
Schreeuw niet zo tegen haar, zei een stem van de achterbank. Ze keek om en zag haar broer, nog kleiner opgevouwen dan zij. Zijn blauwe ogen leken te gloeien in de donkere auto. Hij was nog helemaal gaaf, niet opengesneden en verbrand en verkrampt.
Had je wat?
Niet zo hard, zei Jemma, want het landschap was veranderd toen ze met haar aandacht bij de achterbank was, en inmiddels raasden ze over een mistige weg langs bomen met dode bladeren in de vorm van handen.
Ben je helemaal besodemieterd? vroeg Martin. Hij liet het stuur los om wild naar haar te gebaren en ze reden frontaal tegen een boom. Zij werd uit de auto geslingerd of de auto was in rook opgegaan, maar uiteindelijk zat ze op de koele grond naar de boom te kijken. Hij stond in brand. De handvormige bladeren werden opgetild door de vlammen en stegen tollend de lucht in. Wat is het toch? vroeg haar broer. Wat is er zo mooi aan hem?
Toen ze wakker werd, mompelde Rob Dickens wat vlak bij haar oor. Hij praatte in zijn slaap. Ze had al twee nachten ingespannen liggen luisteren naar zijn gebazel, omdat ze dacht dat hij misschien een of ander fascinerend geheim zou onthullen, maar er kwam alleen maar gebrabbel uit. Hij had een kamerbreed tweepersoonsbed dat hij, net als de kroonluchter, in België had gescoord. Waarom een Belg zo’n groot bed nodig had, was haar niet duidelijk – ze had al sinds de kleuterschool het idee dat er in kleine landen kleine mensen woonden – of het moest om dezelfde reden zijn als zij die nacht: zodat ze zich ver van hem kon verwijderen en toch nog bij hem in bed kon liggen. Ze schoof naar het uiterste randje van het bed en bekeek hem in zijn slaap. In het donker volgde ze ingespannen de lijn van zijn lichaam, van teen tot kruin, en daarna probeerde ze zijn gezicht en zijn gedachten met haar blik te doorgronden, en de hele tijd dacht ze bij zichzelf: wat is er nu níét mooi aan hem?
Terwijl ze hem naar hem keek, deed hij zijn ogen open.
‘Wat doe je?’ vroeg hij.
‘Niets,’ zei ze. Hij strekte zijn hand naar haar uit, maar kon er ondanks de lengte van zijn arm niet bij.
‘Kom eens hier.’
‘Nee.’ Ze bedacht niet voor het laatst dat ze slecht voor hem was. ‘Je weet het gewoon,’ had zuster Gertrude de klas vol bibberende groepvijfleerlingen verteld. ‘Je weet gewoon vanzelf wat verkeerd is en je zult er altijd uit vrije wil voor kiezen.’ Zuster Gertrude bevond zich nu lichtjaren hiervandaan, en al die jaren hadden haar triest en klein gemaakt – ze was niets meer dan een nonvormig klompje aan een ketting vol nonnenklompjes om de hals van haar dode broer. Maar Jemma had echt altijd gewoon vanzelf geweten wat verkeerd was en ervoor gekozen, en nu dus ook. Er zouden engelen moeten zingen of duivels krijsen of muren beven. Nee, nee, nee, nee, schreeuwden haar spoken, maar ze legde hun het zwijgen op. Wat voor haar de waarheid was, schoof ze terzijde voor wat verstandig was. Wat veilig was, schoof ze terzijde voor wat gevaarlijk was voor hem. Wat eenzaamheid was, wat haar zou verlossen, wat haar tot de heilige van haar eigen obsessie zou maken, schoof ze terzijde voor een zelfzuchtige behoefte, of voor de liefde. Ze pakte zijn uitgestrekte hand.

Terwijl ze met haar mond bezig was, keek ze tussen zijn benen door naar de bliksem achter het raam. De flitsen drongen door de regen heen – die zo hard tegen het glas sloeg dat ze moest denken aan de keer dat ze hadden zitten zoenen in een wasstraat – en wierpen hun schaduw op de muur van de donkere kamer. Ze stopte even om op adem te komen en keerde zich naar de muur om hun vreemde silhouet te zien: zijn nek en schouders groeiden tussen haar dijen uit en zijn benen, die uit haar schouders staken en er in het schaduwbeeld uitzagen als haar derde en vierde arm, sidderden en zwaaiden. Ze richtte haar aandacht weer op hem, maar gluurde tussendoor, synchroon met de bliksemschichten, naar de muur om te zien hoe ze insecten, bomen en oosterse goden op de muur tekenden, tot ze van het bed af rolden en zijn mond langs haar lichaam omhoog kroop op zoek naar de hare. Daarna zag ze alleen zijn gezicht, steeds dichterbij. Toen de bliksem weer opflitste, beeldde ze zich in dat de flits weerkaatste in zijn oogbol.
Heel raar dat ze hiernaar verlangde doordat ze een bevalling had meegemaakt, maar nog raarder dat ze haar genot probeerde te verpesten met donkere gedachten. Iedere keer dat ze zo samen waren, vooral bij zo’n wanhopig en wild samenzijn als dit, als ze echt nergens anders aan hoorde te kunnen denken dan aan indringend, overweldigend genot, zelfs terwijl Rob en zij naar elkaar klauwden en aan elkaar trokken, opstonden en gingen liggen, en opstonden en hurkten, en knielden en weer opstonden, namen haar broer, haar ouders en haar eerste geliefde nog steeds het overgrote deel van haar gedachten in beslag. Eerst dacht ze altijd dat haar spoken in haar hoofd opdoken – steeds weer, elke dag en nacht van haar leven voor altijd en eeuwig – om haar te waarschuwen voor het onmiskenbare gegeven: iedereen van wie ze hield moest dood. Daarna dacht ze dat ze misschien toeschouwer bij deze vleselijke manifestaties waren omdat ze er zelf nooit meer aan zouden kunnen deelnemen, en ze betrapte zich erop dat ze vervolgens ook uit hun naam van de smaken, stoten en spannende verstrengelingen genoot. En ten slotte wist ze dat ze er op dit schijnbaar zeer ongepaste moment bij waren omdat ze altijd bij haar waren, en dat ze hen op haar eigen perverse initiatief uit haar herinneringen opdiepte. Maar nu kon ze er in een oogwenk van af zijn, van de gedachte aan hen. Zo gezwind als een dolle dans waarin ze steeds werd doorgegeven ging ze van de een naar de ander – vader, moeder, geliefde, broer. Ze gunde zichzelf een paar tellen voor elke begrafenis en zag de doodskisten van haar vader en moeder, en het kistje waarin de as van haar broer zat, het enige wat over was na de slachting die hij op zichzelf had verricht. En ze zag het gezicht van haar geliefde, toegetakeld door de weerzinwekkende reconstructie van de begrafenisondernemer. Op verzoek van zijn rare moeder waren zijn ogen opengelaten. Jemma wist zeker dat hij naar haar had geknipoogd toen de kist dichtging.
Rob drukte zijn voorhoofd tegen het hare, zo hard dat ze dacht dat hun hoofden zouden openbreken en hun hersens zich zouden vermengen als eidooiers. ‘Kom eens terug,’ zei hij.
Jemma moest denken aan een gravitron op de kermis, zoals ze langs de muren rolden. Het zou haar nauwelijks hebben verbaasd als ze haar ogen had opengedaan en door Robs prachtige heupen tegen het plafond werd gedrukt. Ze rolden tegen de deur. Even later, toen ze een nieuw geluid hoorde, dacht ze eerst dat het haar voet was die tegen het hout sloeg, maar er werd geklopt. Ze vielen stil en Jemma vroeg zich af of de deur op slot zat. Er werd weer geklopt, luider en krachtiger. De deurklink ging heen en weer en door de deur klonk een stem: ‘Hallo? Is daar iemand? Ik heb mijn etui laten liggen.’ Er werd wel een volle vijf minuten aan de deurklink gerammeld. Snap je dan niet dat de deur op slot zit, dacht Jemma. En wie liep er na groep acht trouwens nog met een etui rond?
Rob kromde zijn rug en nek om haar aan te kijken – hij was bijziend en had zijn bril niet op. Terwijl de deurklink rammelde hief hij zijn hand en streek met een vinger langs haar voorhoofd, over haar neus, mond, kin, langs haar hals, borst en buik tot zijn vinger precies in haar navel rustte. Zelfs nadat de figuur aan de andere kant van de deur het eindelijk opgaf, bleef Rob haar zwijgend aankijken.
‘Wat is er?’ fluisterde ze, en hij kwam zo dicht met zijn gezicht bij het hare dat het zweet dat van haar neus rolde heel even aan de zijne bleef plakken voordat het op haar voet viel. ‘Ik hou van je,’ zei hij. O nee! Dat is verleden tijd, Jemma. Dit kan totaal geen kwaad, en het betekent ook echt geen onheil, en echt, ik schrijf in het Boek van ’s Konings Dochter hoofdstukken lang over alle verdorvenheden die jij en hij nu zouden kunnen begaan, en ook al heft God op dít moment Zijn hand om de wereld te verdelgen, dan is dat niet om jouw genot te bestraffen of omdat een goed mens van je houdt, of omdat jij van hem houdt, of omdat jij je doden hebt vertoornd of verraad hebt gepleegd tegen de akelige ingebeelde proefondervindelijkheden die jouw deprimerende logica bevestigen. Prima, slik je woorden maar in – die lage, trillende grom bevat net zoveel lettergrepen als ik hou van jou en Rob neemt er genoegen mee. Prima, verweef je genot maar met angst, maar niet stoppen nu, alsjeblieft niet stoppen nu.
Goede orgasmen riepen eerdere hoogtepunten op. Ze was niet iemand die de volgende dag de hele tijd aan haar genot terugdacht en uren verspilde aan een dagdromerig verlangen ernaar. Maar toen ze met Rob Dickens aan de eindmeet kwam dacht ze aan de keer met haar eerste geliefde, toen ze zeker wist dat ze heel even alles had gevoeld wat hij voelde en daar teleurgesteld over was, want het leek maar zo miniem, een siddering die minder dan een seconde bevredigde en een afschuwelijke leegte achterliet. Ze dacht aan de keer toen ze net op de universiteit zat en heel voorzichtig naar huis was gelopen na een avond paddothee drinken met haar vriendin Vivian en een groepje vreemde meiden van het scheikundecollege. Ze had de vroege ochtenduren doorgebracht met een banaan en een denkbeeldige figuur die ze de Apenkoning noemde. En wat ze als haar eerste beschouwde, toen ze nog op de lagere school zat en Jezus in een droom uit de hemel naar beneden was gekomen om onder haar lakens in een zuivere witte gloed te veranderen.
Nu boog ze zich naar de vloer en zat ineengedoken in een houding van aanbidding, met Rob achter zich. Hij kon het niet in stilte. Heel duidelijk hoorde ze zijn zangerige gekreun – het raakte een gevoelige snaar en verhoogde haar genot – maar zelf zweeg ze, daarbij geholpen door het Hello Kitty-etui dat ze onder het bed had gevonden en in haar mond had geklemd. Ze voelde de potloden tussen haar tanden rollen en knarsen terwijl ze er steeds dichterbij kwam en ze hoorde het nog steeds donderen, al was het opgehouden met bliksemen. ‘Ik ben er bijna,’ zei Rob. ‘Ik ben er bijna.’
Toen Jemma opkeek naar het raam, zag ze dat het helemaal zwart was, zonder ook maar een spoor van de stromende regen. Ze voelde zich plotseling opgetild, alsof iets haar hoog in de lucht wierp, of alsof ze in een lift zat die met krankzinnige snelheid honderden meters de hemel in vloog. Het was bijna niet uit te houden en ondanks haar inspanningen om zich stil te houden schreeuwde ze het uit. Heel even was ze van de wereld, en ze beeldde zich in dat ze met een heerlijke explosie uit elkaar spatte. Ze keek rustig toe hoe veertig Jemmaatjes (ze had alle tijd om ze te tellen) in spiralen rondvlogen terwijl er een spoor van elfenstof uit hun achterste dwarrelde. Ze vervaagden allemaal op eentje na: die keek Jemma rustig aan met een gezicht dat veranderde in het gezicht van de koningsdochter, wijs en misvormd. Ze bleef haar aanstaren tot Jemma haar ogen opendeed.
‘O, god,’ zei Rob, waarna hij zich naar voren boog, zijn borst tegen haar rug drukte, zijn gezicht in haar nek en zijn handen om haar buik legde.
‘Wat gebeurt er?’ vroeg Jemma, verward en een beetje misselijk omdat ze nog steeds het gevoel had dat ze opsteeg. Ze voelde hoe ze steeds verder omhoog werden getrokken. Het raam leek van leisteen: toen ze wankel op hun verkrampte benen overeind kwamen om erdoorheen te kijken weerspiegelde het hen niet. Vervolgens werden ze met hernieuwde kracht omhooggetild, zo hard en zo snel dat ze vielen en allebei met hun gezicht op de vloerbedekking neerkwamen. Ze wist vrijwel zeker dat er iets heel ergs gebeurde en dat het allemaal door haar kwam – uiteindelijk heb ik hem toch gekregen, dacht ze, en: Daar zul je het hebben, en: Wat stom om te denken dat het anders had kunnen aflopen. Ze hoorde een stem, beleefd en mechanisch, die beslist geen deel uitmaakte van het snaterende koor in haar hoofd. De stem zei: ‘Schepselen, ik ben de behoedende engel. Vrees niet, ik zal over jullie waken. Vrees niet, ik zal jullie beschermen. Vrees niet, jullie blijven onder mijn hoede. Vrees niet, ik breng jullie naar de nieuwe wereld.’ 29 30 Het probleem in mij is het probleem in de wereld. Het probleem in de wereld is het probleem in mij. Dat heb ik altijd al geweten. Zelfs toen ik het nog niet begreep zat het al in me, de vraag en het antwoord ineen, verstrengeld als een paar handen gevouwen in een erbarmelijk gebed vol pijn. Toen ik vijf was heb ik geprobeerd mijn zusje te vermoorden. Ik probeerde het de hele dag. ’s Ochtends stopte ik mottenballen in haar bakje cornflakes, maar moeder werd wakker en gooide het weg, niet omdat ze de kamfer had geroken, maar omdat ze vond dat cornflakes iets was voor kinderen uit het stacaravanpark, en als ze wel op tijd uit bed kwam – geregeld lag ze tot de middag onder het gewicht van een eeuw vol geesten te slapen of naar het plafond te staren in de donkere kamer – maakte ze heerlijke omeletten voor ons. Ik ging wandelen met mijn zusje en probeerde haar te offeren op een stenen picknicktafel in de arena van Severna Forest. Ik kende het verhaal van Isaak. Ik kende het hele Oude Testament toen al. Ik hief een gladde steen zo groot als mijn vuist en stond klaar om een gat in haar schedel te slaan. Doordat ik me het bloed op de steen voorstelde met een bosje haar eraan geklit, wachtte ik te lang. Er kwam een groep padvindertjes door het ritselende gras – een rijke baptist met een passie voor Griekse tragedie en openluchttheater had de arena laten bouwen, maar nadat hij was verhuisd werd er niet meer naar omgekeken en raakte alles in verval – en Jemma sprong van de tafel en rende weg om met hen rond een van de halfvergane gipsen standbeelden te dansen. Ik probeerde haar in het bad te verdrinken. Moeder gaf een feestje voor de crème de la crème van onze buurt, dat wil zeggen voor iedereen, want iedereen die hier woonde was weerzinwekkend rijk; de kattenvoertycoon had een traditie van exclusiviteit gevestigd in dit bosrijke schiereiland aan de Severn. Ze zette ons samen in bad en ik waste het haar van mijn zusje, zoals het mij was geleerd, en toen ze onder water dook om uit te spoelen hield ik haar daar vast. Ik had nooit geleerd hoe ik iemand moest verdrinken, maar ik wist gewoon wat ik doen moest. Mijn handen voelden oud en wijs boven haar geworstel. Ik breng je naar Jezus, zei ik tegen haar. Maar ik herinner me dat moment nog heel goed en ik weet dat ik haar niet probeerde te vermoorden omdat ik dacht dat ze daar gelukkig van zou worden.

© Chris Adrian
Foto © John Earle

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum