Leesfragment: Het meisjeseiland

31 januari 2011 , door Hans Ree, Rudy Kousbroek
| | |

Eerder deze maand verscheen Het meisjeseiland, een selectie uit het oeuvre van Rudy Kousbroek, die in 2010 overleed. Het wordt voorafgegaan door een essay van Hans Ree, dat u deze Nacht kunt lezen.

Rudy Kousbroek (1929-2010) was een van de grootste essayisten van ons taalgebied. Zijn werk is springlevend. Niemand schreef zo hartstochtelijk en glashelder, zo geestig en zo nijdig, in bewondering en in wanhoop over zoveel verschillende fenomenen. De eerste verliefdheid in een Indisch zwembad. De bouwtekening van de kat. Het funeste van de stroomlijn en de troost van de pornografie. Heidegger, varkensoortjes, Japanse ravijnen en Hollandse lelijkheid. De dood. Polemisch zwaartepunt van Kousbroeks oeuvre is Het Oostindisch kampsyndroom. Aan de hand van haarscherpe jeugdherinneringen analyseerde hij zowel de verhoudingen in koloniaal Indië als de omstreden werkelijkheid van de interneringskampen, waarmee hij de verhitte discussie voorgoed bepaalde.
Rudy Kousbroek schreef in een halve eeuw meer dan veertig boeken. Uit die hoorn des overvloeds maakten schrijfster Marja Roscam Abbing en journalist Wout Woltz een rijke selectie.

 

Laten we beginnen met Rudy als knutselaar. Rudy Kousbroek was behalve een ernstig man ook een begaafd grappenmaker, zowel op papier als in het dagelijks leven. Ik weet niet of hij over de practical joke die ik nu ga navertellen zelf heeft geschreven; het ligt voor de hand van wel, want Rudy gebruikte zijn eigen leven als een goudmijn voor zijn geschriften, en dit is zeker een verhaal dat het verdient om opgetekend te worden.
Het gebeurde in zijn Parijse tijd. Hij logeerde een paar weken – misschien om op de katten te passen – in het appartement van een bevriend echtpaar dat met hun kinderen op vakantie was. Rudy merkte dat er op een muur van de badkamer streepjes stonden met een datum erbij. Hij begreep wat dat betekende. De ouders hadden in de loop der jaren om de paar maanden de lengte van hun kinderen gemeten.
Het was voor Rudy een uitnodiging tot een bijna satanische ingreep. Hij zorgde dat de bovenste streepjes een paar centimeter hoger kwamen en kon daarna met een voldaan gevoel de deur van het appartement achter zich dichtslaan op de dag dat zijn vrienden weer thuis zouden komen.
Het moet een lastig karwei zijn geweest. Hij kon er niet mee volstaan om alleen de meest recente meetresultaten een stukje omhoog te brengen, want dat zou onmiddellijk opvallen. Om de recente metingen op een natuurlijke manier een paar centimeter hoger te krijgen, moest de tussenruimte tussen alle metingen een fractie van een millimeter vergroot worden.
Als knutselaar was Rudy een perfectionist die met eindeloos geduld voorwerpen kon repareren waaraan een slordig oog de beschadiging niet eens kon zien. Voor zo’n precisiewerkje in de badkamer draaide hij dus zijn hand niet om, ook al was het er hem alleen maar om te doen een vluchtig effect te bereiken waar hij zelf niet eens getuige van zou kunnen zijn. Het was hem genoeg om zich voor te stellen hoe zijn vrienden na hun terugkomst hunkinderen weer zouden opmeten en dan de afschuwelijke ontdekking zouden doen dat die in de vakantie een paar centimeter waren gekrompen.
Titanenarbeid voor een efemeer effect, dat lijkt wel een metafoor voor het werk van iemand die voor kranten en weekbladen schrijft. Zo efemeer was het effect dat Rudy in die badkamer voorbereidde trouwens niet. Ik moet er nog vaak aan denken en dan moet ik altijd lachen.
Het geldt ook voor de grappen op papier. Toen ik de stukken herlas die in deze bloemlezing zouden komen, vielen me steeds passages in die ik tientallen jaren geleden had gelezen in Vrij Nederland of het Algemeen Handelsblad. Zou ik ze terugvinden in de bloemlezing? Soms wel, soms niet. In ieder geval bestaan ze behalve in de krantenarchieven en in Rudy’s boeken ook nog steeds in mijn hoofd.
Aan een manipulatie van de werkelijkheid waarover Rudy in ieder geval wel heeft geschreven maakte hij zich schuldig toen hij in Parijs voor de Unesco werkte. Hij moest gewichtige culturele rapporten vertalen en vrolijkte die wat op door er zelfverzonnen pornografische scènes in te vlechten.
Stel je het gezicht voor van een bloedserieuze culturele ambtenaar als hij plotseling stuit op... Dat gezicht kun je je wel voorstellen, maar in werkelijkheid heeft niemand het ooit gemerkt, omdat niemand die culturele rapporten las. Een denkbeeldig effect dat nooit gerealiseerd zou worden, was voor de kunstenaar Rudy Kousbroek voldoende.

De vrolijke manipulatie van de werkelijkheid heeft een sombere tegenhanger; de angst dat de eigen werkelijkheid niet echt is. Ik denk dat iedereen wel eens met de gedachte heeft gespeeld dat het decor waarin hij zich beweegt niet echt is, maar neergezet om hem voor de gek te houden. Buiten het raam van de achterkamer regent het pijpenstelen, maar als je je bliksemsnel naar het raam van de voorkamer zou kunnen verplaatsen, zou je bij heldere lucht de zon zien schijnen, doordat je de regenmachine van de Grote Gestichtsdirecteur net te vlug af was. In werkelijkheid ben je steeds te laat om hem te betrappen.
Van de krant waarin je schrijft worden maar drie of vier exemplaren gedrukt, die door de gestichtsdirecteur op strategische punten voor je worden neergelegd. Ongeveer zoals in de film The Truman Show, waarin een televisieregisseur de wereld van de hoofdpersoon heeft ingericht.
Je denkt natuurlijk niet echt dat je zelf in zo’n show rondloopt, want dan was je gek. Rudy dacht het ook niet, dat spreekt vanzelf, want hij was tenslotte rationalist, maar het gevoel dat er iets mis is, was bij hem sterker dan bij de meeste mensen.
Een paar keer schreef hij, of vertelde hij in interviews, over zijn kinderangst dat mensen een taal zouden spreken die sterk op het gewone Nederlands leek, maar waarin alle woorden iets anders zouden betekenen, zodat hij er niets van zou begrijpen, of erger nog: iets zou menen te begrijpen dat in werkelijkheid niets te maken had met wat de sprekers zeiden.
Goed, dat was een kinderangst, primitief concreet. Als volwassene beschreef Rudy in een brief aan Gerard Reve met beeldspraak de onmogelijkheid van communicatie. Rudy schrijft daar dat het leven zich ongeveer aan hem voordeed alsof je vanaf je geboorte in een kerker zit waarin je na een leven van krankzinnigmakende eenzaamheid ook weer dood gaat, zonder te weten wat er buiten die kerker is of wat je misdaan hebt om er in terecht te komen.
‘Van buiten de cel komen weliswaar klopsignalen en als je zelf klopt komt er antwoord; het lijkt erop of er nog meer van zulke kerkers zijn, ook met iemand erin. Vormen ze een heel stelsel, en hoe zet het zich voort? Waar dient het voor? Daar is niet achter te komen en de bewoners krijg je nooit te zien, wat je ook doet.’ De kerker is het bewustzijn, schrijft Rudy erbij, alsof hij bang was dat Reve het anders niet zou begrijpen.
Overbodige angst waarschijnlijk. Toen ik het citaat overtikte bedacht ik dat het misschien nog meer overeenkwam met het wereldbeeld van Reve, de ontvanger van de brief, dan met dat van Rudy zelf, maar ik kan me vergissen.
Over de werkelijkheid waartoe niet valt door te dringen gaat het ook in Rudy’s gedicht ‘Verborgenheden’:
Het landschap verbergt zich./ Het heeft zich verscholen/ Achter de bomen en de struiken,/ Achter de golvende groene heuvels/ En achter de blinkende rivier./ Hoe zou het er toch/ In werkelijkheid uitzien?
Dit doet denken aan de grot van Plato, waar de geketenden alleen de schaduwen van de werkelijkheid zagen en niet de dingen buiten de grot en de zon die erop scheen. In een optimistische interpretatie, in de geest van Plato, is de verborgen werkelijkheid nog mooier dan het zichtbare landschap dat zich aanbiedt.
Ik ben bang dat het niet de juiste interpretatie is. Rudy geloofde tenslotte niet in die zon buiten de grot. Dat hoeft nog niet te betekenen dat hij er geen gedicht over zou kunnen schrijven, maar zijn weemoedigheid kennende denk ik eerder dat hij het omgekeerde bedoelde: achter de schijn van de golvende groene heuvels en de blinkende rivier gaat een kaal landschap schuil.
Een baldadige verandering van de werkelijkheid, zoals in die badkamer waarmee ik begon, wordt ook beschreven in ‘Sabotage’. Rudy krijgt als reclamegeschenk door Unilever een stukje margarine toegestuurd en schrijft vervolgens een teleurgestelde brief aan de fabrikant waarin hij klaagt dat het stukje zeep dat hij ontving buitengewoon slecht voldeed en dat de zeep na het douchen heel moeilijk te verwijderen was. Helaas kwam er geen antwoord.
Een paar maanden later kreeg hij nog een kans om de wereld van de reclame voor de gek te houden toen hij bezoek kreeg van een studente die hem kwam ondervragen in opdracht van een groot instituut voor opinie-onderzoek.
Ze liet hem een plaatje zien van een aantal ineengestrengelde lijnen en Rudy wist wat dat betekende: de lijnen stonden voor ‘zuiver wol’.
Betekent dat niet ‘oppassen, kunststof’, vroeg hij. Het meisje zette een paar kruisjes in haar boekje en vroeg nieuwsgierig: ‘Oppassen, hoezo?’ Rudy’s antwoord paste in het hem goed bekende zwakzinnige universum van de reclame: ‘Nou, oppassen met kopen, neem ik aan, want die kunststoffen kunnen smelten in de was, of vlam vatten als je er hete sigarettenas op laat vallen. Zjoef! gaat het dan, en weg is het. Dat weet toch iedereen?’ Het meisje schreef alles op.
Rudy schrijft dat hij ten behoeve van dit consumentenonderzoek zijn natuurlijke neiging om het meisje meteen mee te voeren naar zijn slaapkamer had onderdrukt. Gek eigenlijk. Talloze keren lezen we in zijn werk de klacht dat hij er niet in is geslaagd om alle vrouwen van de wereld in zijn bed te krijgen, maar hier zie je dat het zijn eigen schuld was. Een kans om iemand voor de gek te houden vond hij belangrijker. Lezers van Rudy Kousbroek moeten er rekening mee houden dat ze zelf ook soms voor de gek worden gehouden.

Rudy Kousbroek is geboren in 1929 op Sumatra, wat toen – ik zeg het erbij voor de jongeren – een deel van Nederlands-Indië was. Hij heeft zijn geboorteland altijd beschreven als een paradijs waaruit hij verdreven is. De overweldigende kleuren van het landschap, waar hij pas goed oog voor kreeg nadat hij in het kale Nederland was gekomen. De dieren in en om zijn ouderlijk huis, de geuren en de geluiden in de nacht.
De definitieve verdrijving uit het paradijs was in 1946, maar in feite was het paradijs al op slot gegaan toen hij zes jaar was, want toen moest hij naar een kostschool, eerst in Siantar en later in Brastagi.
Het internaat is in Rudy’s werk de hel. In ‘Het Perzische principe’ schrijft hij: ‘Ik heb er talloze pakken ransel ontvangen zonder te weten waarom, maar zonder dat het me verwonderde: de verbodsbepalingen waren er zo talrijk en zo onbegrijpelijk dat je min of meer leefde met het gevoel permanent in overtreding te zijn. Het internaat was het universum van de straf.’
In de vakanties mocht hij naar huis, maar dan was hij bang dat zijn ouders hem niet zouden herkennen, of dat ze de eerder genoemde taal zouden spreken waarin alle woorden andere betekenissen hadden dan normaal. Om op alles voorbereid te zijn oefende hij zich soms door zelf al de betekenissen van woorden te veranderen.
In een interview met Lien Heyting uit 1986 noemde hij de taalspelletjes die hij later als schrijver speelde een bezwering en een bevrijding, en hij had het ook over de angst die erachter zat, een angst die hij herkende in de taalspelletjes van Hugo Brandt Corstius en bijvoorbeeld niet in die van drs P.
Als het internaat zo verschrikkelijk was voor de jonge Rudy, heeft hij dan nooit zijn ouders verweten dat ze hem daar aan zijn lot overlieten? In zijn werk is bij mijn weten geen woord van verwijt hierover te vinden. Zijn vader, schrijft hij, is de mens van wie hij het meest gehouden heeft en aan wie ‘in petto’ (verborgen in het hart) al zijn werk is opgedragen. Over zijn moeder is hij wat gereserveerder – hij denkt dat ze nooit een boek van hem heeft gelezen – maar ook zij, de grote dierenvriendin die alles met dieren kon doen, wordt liefdevol beschreven in ‘Timbertown. De eeuw van mijn moeder’.
Er zullen zeker praktische redenen zijn geweest om hem naar het internaat te sturen. Misschien was er geen gewone Europese school voor lager onderwijs in de buurt van de plantage waar zijn vader werkte. Misschien kon er geen bekwame huisonderwijzer worden gevonden en misschien hadden zijn ouders het te druk om hem zelf onderwijs te geven. Maar kunnen zulke praktische redenen voor een kind de rechtvaardiging zijn om hem in het universum van de permanente zinloze straf te plaatsen?
Onder de Japanse bezetting, vanaf 1942, werden de Nederlanders in kampen geïnterneerd, ook Rudy en zijn ouders. Het klinkt cru, maar heeft hij nooit ook maar even gedacht: nu zijn jullie zelf aan de beurt? Over mevrouw Ubu, de directrice van het internaat, dacht hij dat wel. Zij was natuurlijk een hoofdschuldige aan zijn ongeluk, maar waren zijn ouders niet medeplichtig?
Misschien is het gewoon voor een kind om zich die vraag niet te stellen. Toch treft het ontbreken van ook maar een woord van verwijt hierover, of van een zelfonderzoek naar eventuele verborgen rancuneuze gevoelens, mij als een vreemd gat in Rudy’s Indische herinneringen. Heel veel uit die Indische jeugd beschrijft hij tot in de kleinste details en vaak met grote ontroering, maar nooit is er de vraag: hoe konden mijn geliefde ouders me deze ramp aandoen?
Er lopen, wat uiteraard niet verwonderlijk is, duidelijke lijnen van Rudy’s Indische jeugd naar de belangrijke thema’s van zijn schrijverswerk. De liefde voor dieren, alle dieren, die gevormd was in een kindertijd waarin een hele menagerie zijn ouderlijk huis in en uit liep. Zijn belangstelling voor de exacte wetenschappen en de techniek, en de technische vaardigheid die hij zelf in allerlei opzichten had, lijken terug te voeren op de eerbied voor voorwerpen die in de Japanse kampen van levensbelang konden zijn.
Samen met zijn vader had hij een sigarettenroller, een machientje waarmee ze sigaretten rolden voor de Japanse bewakers (zie het ontroerende ‘Thee met zout’). Het was een veel minder uitputtend baantje dan andere werkzaamheden in het kamp en het had nog een ander voordeel. De Javaanse huishoudster van de Japanse commandant maakte het kommetje kleefrijst dat nodig was voor het draaien van de sigaretten extra vol, zodat ze er ook van konden eten. En aan het eind van hun draaiwerk smokkelden ze in het machientje tabak mee als handelswaar waar sommige andere geïnterneerden een heel dagrantsoen voor overhadden. ‘Het is niet onmogelijk dat we daar ons leven aan te danken hebben,’ schrijft Rudy.
Elders schrijft hij dat hij veel later, in zijn volwassen leven, als hij ’s nachts de slaap niet kon vatten, in gedachten vaak lijstjes maakte van de dingen die hij mee zou moeten nemen voor een nieuwe internering. Er mocht niets vergeten worden, want de voorwerpen vormden samen een uitrusting die het verschil kon maken tussen leven en dood.
Rudy’s oorlog tegen religie begon ook vroeg. De oerscène heeft hij een paar keer beschreven. Hij was twaalf jaar. De Japanners waren er al, maar het was nog steeds op het internaat in Brastagi, waar het echtpaar Ubu onder de hoede van de Japanners in de woorden van Rudy ‘een eigen mini-concentratiekampje’ had ingericht. Ik neem aan dat hij het echtpaar uit barmhartigheid een pseudoniem heeft gegeven, ontleend aan de monsterlijke Vader en Moeder Ubu uit het baldadige toneelstuk Ubu Roi van Alfred Jarry.
Hij had weer eens straf, deze keer doordat moeder Ubu, luisterend aan de deur van de slaapzaal, had ontdekt dat hij de andere jongens een verhaal met een erotische episode had verteld.
Rudy werd een nacht opgesloten in de badkamer, met de dreiging dat de Heer hem die nacht zou laten sterven als hij Hem niet om vergiffenis vroeg. Hij twijfelde al aan de waarheid van het Evangelie, maar die twijfel was nog niet tot zekerheid verhard. Maar hij gaf geen krimp, hij vroeg niet om vergiffenis, al was hij wel doodsbang in die langste nacht van zijn leven.
Het werd weer licht en toen mevrouw Ubu hem uit de badkamer verloste, kon hij haar vertellen dat haar God niet bestond. ‘Het was oorlog op leven en dood en de vrede is nooit getekend.’

Als Rudy over religie schreef was het inderdaad altijd totale oorlog. Hij schreef wel eens dat de gelovigen het eigenlijk niet waard waren om ernstig te worden bestreden en alleen hartelijk uitgelachen moesten worden, maar in de praktijk kon hij zich, als het om religie ging, zelden onttrekken aan een barse grimmigheid. Gelovigen, en zeker als ze aangesloten waren bij een godsdienstige organisatie, konden voor hem niet anders zijn dan dom of slecht, of allebei zoals mevrouw Ubu.
Gerard Reve was zijn vriend, dus echt slecht kon die niet zijn. Omdat Reve niet slecht was, moest hij dus wel dom zijn, en in ‘Het mannetje in de radio’, de brief waarover ik het eerder had, wordt Reve door Rudy dan ook toegesproken als een achterlijk kind dat geen benul heeft wat sterren zijn en zelfs niet weet dat ze erg ver weg zijn, een kind dat Rudy de oren van zijn hoofd vraagt omdat het zelf niet weet wat zijn eigen religie inhoudt.
Reve reageerde indertijd op die brief met geintjes die Rudy ernstig teleurstelden. Dat deed Reve vaker, ernstige zaken met geintjes uit de weg gaan. Maar wat had hij in dit geval anders kunnen doen?
Toen Rudy’s dierenliefde botste met zijn afkeer van godsdienst, won de afkeer. Hij was in 2006 lijstduwer geweest van de Partij voor de Dieren, maar toen hij een jaar later ontdekte dat de leidster van die partij een zevendedagsadventist was, keerde hij zich in het openbaar fel tegen haar en tegen haar partij.
‘Houd toch op Rudy, het gaat tenslotte om de dieren en het zal hun heus niet uitmaken of hun zaak door een christen of door een atheïst wordt bepleit!’ Maar hij was onverbiddelijk.
Er was geen mens die zo eigenwijs kon zijn als Rudy Kousbroek, dat wist hij zelf heel goed. Hij vertelde vaak dat hij op het internaat door de andere jongens iwa werd genoemd, wat ‘Ik Weet Alles’ betekende en beslist niet vriendelijk bedoeld was.
Ik kreeg een keer een prachtige Japanse prent van hem waarop een partij go werd gespeeld. ‘Het zijn schakers, geen go-spelers,’ zei Rudy. Wel heb je ooit, zou ik het verschil tussen Japans schaak en go niet kennen? Het was alsof ik aan Rudy een prent van een paard zou geven en stug vol zou houden dat het een koe was.
De volgende keer dat ik hem zag had hij een woordenlijstje meegenomen waaruit moest blijken dat het toch schakers waren. ‘Nu weet je in ieder geval hoe het zit,’ zei hij. Ik verdenk hem ervan dat hij wel beter wist en alleen maar in zijn rol van allesweter volhardde uit gewoonte en om mij te plagen.

In het interview met Lien Heyting zei Rudy dat hij de roman Vincent en het geheim van zijn vaders lichaam als het belangrijkste van zijn gepubliceerde werk beschouwde. Het is, zoals in deze bloemlezing te zien is, een vreemde roman.
Sommige van de vreemde gebeurtenissen spelen zich af in de Helvetische Volkstheocratie, een terreurstaat gesticht en geleid door de H. Stoelganger, grote Bevrijder en Dialectische Onfeilbaarheid Guido Gezellig. Een belangrijk instrument van de theocratische terreur is de biecht, in dit geval een eufemisme voor een marteling die eindigt met de dood van de biechteling.
Het standbeeld van Gezellig aan de kust van Helvetië, een baken voor de naar het vaderland terugkerende Helveten, heeft een opgeheven wijsvinger. Wat betekent dat? De korporaal – het zou te ver gaan om hier uit te leggen wie de korporaal is – zegt: ‘Dat is een symbool. Onze grote Bevrijder leert dat in elke biecht, in iedere autokritiek, altijd één ding wordt vergeten. Hoeveel iemand ook heeft bekend, er is altijd nog één ding.’
Aalgladde gelovigen die probeerden te ontsnappen door te zeggen dat je hun mirakels symbolisch moet opvatten, hoorden altijd bij Rudy’s bêtes noires, maar daar gaat het nu niet om. Die Helvetische theocraten zijn weliswaar stapelgek, maar wat de korporaal hier zegt is ernst. Er is altijd een ding dat door de biechteling niet wordt bekend, en dat is de schuld die hij zelf niet kent.
Vincent
is het belangrijkste van mijn gepubliceerde werk, zei Rudy. Is er ongepubliceerd werk dat hij als nog belangrijker beschouwde? Misschien doelde hij op zijn ongeveer twaalf romans, die allemaal tot over de helft of voor twee derde klaar waren, maar nooit waren afgemaakt. Daarover zei hij: ‘Het is meer of ik een hele serie achtereenvolgende deuren open heb weten te maken – iedere keer voor ieder boek weer andere – en dan voor de laatste deur sta, en dat is steeds dezelfde. Die durf ik niet open te doen. Ik zou niet kunnen zeggen wat er achter die deur zit, maar ik weet dat ik het zal herkennen en dan ben ik als verlamd.’
Hij kon niet zeggen wat er achter de laatste deur was, maar volgens mij liet hij de H. Stoelganger er met de vinger naar wijzen.

Poezenminnaar Rudy had het vaak over ‘mijn hondenleven’, dat was een vaste uitdrukking van hem, en daarom kan het bijna niet anders of hij heeft behalve aan echte honden ook een beetje aan zichzelf gedacht toen hij ‘Fenomenologie van de hondsheid’ schreef.
Hoe zag Rudy de hond en dus misschien zichzelf? Een fundamentele hondse eigenschap is volgens hem de schuldbewustheid. Als je zijn kop in je handen neemt en met een zachte, verwijtende stem zegt: ‘Wat heb je me teleurgesteld. Waarom heb je het gedaan?’, dan wordt de hond verpletterd door schuldgevoel, al heeft hij niets misdaan. Toch blijft hij je trouwe vriend. De hond droomt van ‘verdrinkende kinderen redden’ en is ‘dankbaar voor beentjes en voor brood’.
Stel dat de gelovigen wonder boven wonder toch gelijk zouden hebben met hun fantasieën over het hiernamaals, zou Rudy dan door de hemelbewoners worden uitgelachen om zijn dwalingen en door een tirannieke bullebak naar de hel worden verwezen vanwege zijn blasfemische gedachten over dieren en zijn zondige gevoelens over seks, zoals hij soms schreef?
Gelukkig wist Rudy, al was hij dan IWA, niet echt alles, al wist hij wel fabelachtig veel. Een god die ook maar een knip voor de neus waard is zal Rudy als een eregast in zijn hemelrijk opnemen, genieten van zijn prachtige verhalen, en een oogje toeknijpen als Rudy hem uitlegt dat hij maar een zinsbegoocheling is.

Uitgeverij Augustus

MINDBOOKSATH : athenaeum