Leesfragment: Het negerboek

27 november 2015 , door Lawrence Hill

25 maart verschijnt Lawrence Hills Het negerboek (The Book of Negroes, in de vertaling van Ine Willems). Vanavond kunt u al enkele pagina's eruit lezen en uw exemplaar lezen.

Aminata is nog klein als ze uit de Afrikaanse binnenlanden wordt weggevoerd en in de hel van een slavenschip belandt. Op een indigoplantage in Virginia ontdekken twee oudere slaven dat ze kan lezen en schrijven en kennis heeft van kruiden en het vroedvrouwschap. Ze wordt hun geheime leerling. Een joodse handelaar neemt haar over nadat ze haar kind verloren heeft. Jaren later ontvlucht ze hem tijdens een reis naar New York. In de achterbuurten helpt ze morsige liefjes van Britse officieren te bevallen. Ondertussen bouwt ze een netwerk op, waardoor ze als vrije vrouw naar Nova Scotia kan reizen. Uiteindelijk keert ze terug in Afrika, maar haar dorp kan ze niet bereiken. Haar lange reis eindigt in Londen, waar ze een belangrijke rol speelt bij de discussies rond de afschaffing van de slavernij.

Lawrence Hill stamt zelf af van Amerikaanse slaven. Tijdens stamboomonderzoek ontdekt hij de opzienbarende rondreis van sommige slaven. En hij stuit op Het negerboek, een nauwkeurige opsomming van slaven die naar Nova Scotia vertrokken, hoe oud en fit ze zijn en hoe ze hun vrijheid kregen. Het inspireerde hem tot deze meeslepende roman, die met alle indrukwekkende details geen moment vaart verliest.


De (Engelse) trailer

Boek Een

Nu ik oud ben

{Londen, 1802}

Doodgaan kost me kennelijk moeite. Eigenlijk had ik zo lang niet mogen leven. Maar onraad pik ik nog steeds op, vanuit welke hoek de wind ook waait, even zeker als ik kan zeggen of daar op het vuur een stoofpot van kippennekken of varkenspoten pruttelt. En mijn gehoor is nog altijd even scherp als dat van een jachthond. Alleen omdat je niet rechtstaat als een groene twijg, denken mensen dat je doof bent. Of dat je hersens pompoenmoes zijn. Toen ik laatst een vergadering met een bisschop binnen werd geleid, zei een societydame tegen een andere: ‘We moeten die vrouw zo snel mogelijk voor het parlement krijgen. Wie weet hoe lang ze nog in ons midden zal zijn?’ Krom als ik was porde ik haar met mijn vingers tussen de ribben. De vrouw gaf een gil en draaide zich met een ruk naar me om. ‘Pas op,’ zei ik, ‘wie weet ga ik langer mee dan u!’
Er moet een reden zijn waarom ik in al die landen heb gewoond en al die zeetochten heb overleefd terwijl anderen vielen door een kogel of hun ogen sloten en simpelweg weigerden verder te leven. Heel vroeger, toen ik vrij was en niet anders kende, glipte ik vaak ons omwalde dorp uit, klom regelrecht de acaciaboom in met vaders koran wiebelend op mijn hoofd en zat dan hoog op een tak te peinzen hoe ik op een dag alle geheimen die in dat boek besloten lagen zou ontraadselen. Terwijl mijn voeten bungelden, legde ik het boek — het enige dat ik ooit had gezien in Bayo — neer en keek uit over de lappendeken van lemen muren en strooien daken. Altijd waren er mensen in de weer. Vrouwen haalden water uit de rivier, mannen bewerkten ijzer in vuur, jongens kwamen triomfantelijk terug uit het bos met buitgemaakte stekelvarkens. Het valt niet mee, vlees halen van een stekelvarken, maar als er geen dringender klussen lagen deden ze het toch, trokken de stekels uit, vilden het dier, sneden de ingewanden uit en oefenden met hun scherpe messen op het sneue kleine kadaver. Destijds voelde ik me vrij en gelukkig; de notie van veiligheid kwam niet eens in me op.
Keer op keer ben ik een gewelddadig einde ontglipt, al loerde het langs alle kanten. Maar nooit is het me vergund geweest mijn kinderen bij me te houden, hen om me heen te hebben en op te voeden zoals mijn ouders mij tien, elf jaar lang hebben opgevoed totdat onze levens uiteen werden gerukt. Ik heb mijn kinderen nooit lang weten te houden, wat verklaart waarom ze nu niet hier zijn en mijn eten klaarmaken, mijn bed vullen met vers stro, me een mantel brengen tegen de kou, met me bij het vuur zitten in de wetenschap dat ze uit mijn schoot zijn voortgekomen en dat onze gezamenlijke momenten gegroeid zijn als maisstengels in vochtige aarde. Anderen zorgen nu voor me. En dat is mooi. Maar het is niet hetzelfde als door je eigen vlees en bloed tot het graf toe gekoesterd worden. Ik hunker naar mijn kinderen in mijn armen, en hun kinderen als die er zijn, en mis ze zoals ik mijn ledematen zou missen.
Ze houden me druk bezig hier in Londen. Ze zeggen dat ik koning George zal ontmoeten. Ik word omringd door abolitionisten — mannen met dikke buiken, breedwiekende bakkebaarden en kale koppen — die suiker in de ban doen maar wel naar tabak ruiken en de ene kaars na de andere laten opbranden terwijl ze tot diep in de nacht plannen smeden. De abolitionisten zeggen dat ze me naar Engeland hebben gehaald om te helpen de loop der geschiedenis te veranderen. Tja. Dat moet ik nog zien. Al zal het een reden hebben dat ik zo lang heb geleefd.
Fa betekent vader in mijn taal. Ba betekent rivier, maar ook moeder. Toen ik nog klein was, was mijn Ba als een rivier die dag in dag uit met me mee stroomde en me ’s nachts beschermde. Het grootste deel van mijn leven ligt achter me, maar in gedachten zijn ze nog steeds mijn ouders, ouder en wijzer dan ik, en ik kan nog steeds hun stem horen, soms diep, sonoor, dan weer licht, zwevend als muzieknoten. Ik voel hun handen, die me van gevaar wegloodsen, om kookvuren heen leiden en meevoeren naar de mat in de koele schaduw van ons huis. Ik zie mijn vader nog voor me, zoals hij met een puntige stok vloeiende Arabische schrifttekens in de harde aarde kraste, terwijl hij over het verre Timboektoe praatte.
Soms, wanneer ik een moment voor mezelf heb en de abolitionisten niet als een tornado om me heen razen omdat ze mijn aanwezigheid verlangen bij deze afvaardiging of mijn handtekening onder die petitie, wilde ik dat mijn ouders er nog waren om voor me te zorgen. Is dat niet raar? Ik, een wrakkige oude zwarte vrouw die meer water is overgestoken dan haar lief is en meer mijlen heeft afgelegd dan een werkpaard, ik droom alleen van wat ik niet kan hebben: kinderen en kleinkinderen om te koesteren, en ouders die voor me zorgen.
Laatst namen ze me mee naar een school in Londen en lieten me met de kinderen praten. Eén meisje vroeg of ik echt de beroemde Meena Dee was, degene die in alle kranten stond. Haar ouders, zei ze, konden niet geloven dat ik op zoveel plaatsen had gewoond. Ik gaf toe dat ik die Meena Dee was, maar dat ze me Aminata Diallo mocht noemen als ze wilde, de naam die ik als kind had. We oefenden even op mijn voornaam. Na een keer of drie had ze het door: Aminata. Vier lettergrepen. Zo moeilijk is het niet. A-mi-naa-taa, deed ik voor. Ze zei dat ze wilde dat ik haar ouders kon ontmoeten. En haar grootouders. Ik zei dat het me verraste dat ze nog grootouders had. Hou maar veel van ze, zei ik, hou met hart en ziel van ze en elke dag. Ze vroeg waarom ik zo zwart was. Ik vroeg waarom zij zo wit was. Zo was ze geboren, zei ze. Ik ook, antwoordde ik. U moet heel mooi zijn geweest, ook al bent u wel erg donker, zei ze. Jij zou veel mooier zijn als Londen eens wat zon kreeg, zei ik. Ze vroeg wat ik at. Mijn grootvader zegt dat hij durft te wedden dat u rauwe olifant eet. Ik had nooit echt een hap van een olifant genomen, zei ik, maar bij tijd en wijle was ik er hongerig genoeg voor geweest. Ik had er in mijn leven wel drie-, vierhonderd nagezeten, maar het was me nooit gelukt er eentje op zijn dolle tocht door de dorpen lang genoeg stil te laten staan om een flinke hap te nemen. Ze lachte en zei dat ze wilde weten wat ik dan wel at. Hetzelfde als jullie, zei ik. Dacht je soms dat ik in de straten van Londen een olifant zou vinden? Worstjes, eieren, schapenbout, brood, krokodillen, de gewone dingen. Krokodillen? zei ze. Ik zei dat ik even wilde zien of ze wel luisterde. Ze zei dat ze heel goed kon luisteren en wilde ik haar alsjeblieft een griezelverhaal vertellen?
Liefje, zei ik, mijn leven is één groot griezelverhaal. Vertel het me dan, zei ze.
En zoals ik haar ook heb verteld: ik ben Aminata Diallo, dochter van Mamadu Diallo en Sira Kulibali, geboren in Bayo, een dorp op drie manen lopen van de West-Afrikaanse Greinkust. Ik ben een Bamana. En een Fula. Ik ben beide, zoals ik later zal uitleggen. Ik denk dat ik in 1745 ben geboren, of daaromtrent. En ik schrijf dit verslag zelf. In zijn geheel. Mocht ik sterven voordat ik mijn taak heb volbracht, dan heb ik John Clarkson — een van de minder luidruchtige abolitionisten, maar de enige die ik vertrouw — geinstrueerd niets te veranderen. De abolitionisten hier in Londen hebben me al gevraagd een kort stuk te schrijven, van een pagina of tien, over waarom de mensenhandel een gruwel is waar een eind aan moet worden gemaakt. Dat heb ik gedaan, en het artikel is beschikbaar ten burele van het genootschap.
Ik heb een diepdonkere huid. Blauwzwart, noemen sommigen het. Mijn ogen zijn ondoorgrondelijk, en zo heb ik ze graag. Wantrouwen, walging, weerzin: met dergelijke gevoelens loop je niet graag te koop. Volgens sommigen was ik ooit ongemeen mooi, maar ik zou geen enkele vrouw schoonheid toewensen als ze niet over haar vrijheid beschikt en als ze niet zelf bepaalt wiens handen haar opeisen.
Die schoonheid is goeddeels verdwenen. De ronde, pronte billen, zo zeldzaam in dit land van Engelse achterplatten. De volle, goedgevormde dijen en de stevige kuiten, rond als rijpe appels. Mijn borsten hangen, terwijl ze ooit als trotse vogels omhoogwezen. Ik heb op een na al mijn tanden nog en poets ze elke dag. Een schoon, wit, gaaf, blinkend gebit is waarlijk mooi, en drie- a viermaal per dag stevig poetsen met het twijgje houdt het zo. Waarom weet ik niet, maar hoe fanatieker de abolitionist, des te slechter zijn adem, lijkt het. Sommige mannen in mijn thuisland kauwen de bittere kolanoot zo vaak dat hun tanden oranje worden, maar in Engeland doen de abolitionisten meer kwaad met hun koffie, thee en tabak.
Mijn haar is grotendeels uitgevallen; wat ervan over is ligt in grijze krullen dicht tegen mijn hoofd, en ik laat het zo. De Oost- Indische Compagnie brengt bonte zijden sjaals mee naar Londen, en ik heb er af en toe graag een shilling voor over. Ik draag er altijd een wanneer men mij tevoorschijn haalt om de abolitionistenbeweging luister bij te zetten. Iets boven mijn rechterborst vloeien de initialen go in elkaar over in een krappe cirkel van nog geen drie centimeter doorsnee. Ik ben gebrandmerkt, en er is niets waarmee ik het litteken kan wegwassen. Ik draag het sinds mijn elfde met me mee, maar heb pas onlangs ontdekt waar de initialen voor staan. In elk geval zijn ze verborgen voor het oog van de wereld. Met de halvemaantjes in mijn wangen ben ik veel gelukkiger. Van beide jukbeenderen loopt een delicate maansikkel in een gracieuze boog omlaag, en ik heb de siertekens altijd mooi gevonden, al staren de mensen in Londen er wel naar.
Ik was lang voor mijn leeftijd toen ik werd ontvoerd, maar stopte daarna met groeien, zodat ik niet hoger reik dan een weinig opzienbarende een meter achtenvijftig. En eerlijk gezegd haal ik zelfs dat niet meer. Tegenwoordig hel ik naar opzij en ontzie mijn rechterbeen. Mijn teennagels zijn gelig, verkalkt en dik, en uitermate bestand tegen de nagelschaar. En mijn tenen staan eerder omhoog dan dat ze vlak op de grond rusten. Geen punt, ik draag schoenen, en er wordt niet van me gevraagd of gevergd om te rennen of zelfs maar afstanden van betekenis te lopen.
Ik hou mijn dierbaarste spullen naast mijn bed. Een ervan is een blauwglazen pot met crème. Elke avond wrijf ik die crème uit over mijn vale ellebogen en knieën. Na het leven dat ik heb geleid lijkt het witte goedje magische verwennerij. Wrijf me diep in, lijkt het te zeggen, dan gun ik jou en je rimpels nog een paar dagen respijt.
Mijn handen doen me, als enige van mijn onderdelen, nog steeds eer aan en laten een glimp zien van mijn vroegere schoonheid. Ondanks alles zijn mijn handen elegant, donker en glad, liggen de nagels goed in hun bed, nog altijd rond, nog altijd roze. Ik heb wonderbaarlijk mooie handen. Ik raak er graag dingen mee aan. Ik hou ervan boomschors te voelen, het haar op een kinderhoofdje, en voordat mijn tijd komt zou ik mijn handen op het lichaam van een goede man willen leggen, als de gelegenheid zich voordoet. Maar niets — geen mannenlichaam, geen slok whisky, geen stevig gekruide geitenstoofpot van thuis — kan in de schaduw staan van het genoegen dat ik zou scheppen in de ademhaling van een kleintje in mijn bed, een tegen me aan slapend kleinkind. Nu en dan word ik ’s morgens wakker bij de sprank zonlicht in mijn kleine kamer, met als enige wens — op het gebruik van de po en een kop thee met honing na — me met een kind in mijn armen in de zachte kuilen van het bed te nestelen. Te luisteren naar de geluidjes van een baby. De betovering te voelen van een handje dat zich, in de slaap, tegen mijn schouder, mijn gezicht schurkt.
Dezer dagen word ik gevoed door de hand van mannen die een einde willen maken aan de slavenhandel. Ze hebben me ruimschoots kleren gegeven om de Londense kilte te weren. Ik heb een beter bed dan ik sinds mijn vroegste kinderjaren heb gekend, toen mijn ouders me zoveel zacht gras onder een mat lieten proppen als ik kon vinden. Je niet om voedsel, onderdak of kleding hoeven bekommeren is werkelijk bijzonder. Wat moet een mens, als overleven het punt niet is? Je hebt natuurlijk de zaak van de abolitionisten, die tijd opslokt en me zeer vermoeit. Nog steeds kan ik in paniek raken wanneer ik word omringd door grote blanke mannen met een doel. Wanneer ze om me heen dringen om vragen te stellen, schiet me het hete brandijzer weer te binnen, rokend boven mijn borst.
Gelukkig zijn die officiële gelegenheden beperkt en laten ze me tijd om te lezen, waaraan ik verslaafd ben zoals anderen aan drank of tabak. En tijd om te schrijven. Ik heb mijn hele leven te vertellen, mijn hoogstpersoonlijke griezelverhaal, en wat voor nut zou dat leven van mij hebben gehad, als ik nu de gelegenheid niet aangreep om erover te verhalen? Na een poosje verkrampt mijn hand, en soms doen mijn rug en nek zeer als ik te lang aan de schrijftafel heb gezeten, maar het schrijven zelf is verteerbare kost — na een leven als het mijne zo verteerbaar als worst met jus.
Laat ik beginnen met een waarschuwing voor ieder die deze pagina’s onder ogen krijgt. Vertrouw grote wateren niet, en steek ze niet over. Als u, beste lezer, een Afrikaans aanzien hebt en u wordt naar water gevoerd met wijkende kustlijnen, grijp dan koste wat kost uw vrijheid. En leer de kleur roze wantrouwen. Roze geldt als de kleur van onschuld, van jeugd, maar wanneer het zich in het licht van de ondergaande zon over het water uitstort, trap dan niet in dat mooie pad. Pal eronder ligt een bodemloos kerkhof van kinderen, moeders en mannen. Ik huiver bij de gedachte aan al die Afrikanen die in de diepte wiegen. Op elke tocht overzee heb ik het gevoel gehad dat ik voortgleed over de onbegraven doden.
Sommigen noemen de zonsondergang een schepping van uitzonderlijke schoonheid en bewijs dat God bestaat. Maar welke goedwillende almacht zou de menselijke geest ooit beheksen door het pad van een slavenschip met roze te verlichten? Laat u geen rad voor ogen draaien door die zoete kleur, geef geen gehoor aan zijn verlokking.
Wanneer ik eenmaal de koning heb ontmoet en mijn verhaal heb verteld, wens ik hier te worden begraven, in Londense aarde. Afrika is mijn thuisland. Maar ik heb genoeg reizen doorstaan voor vijf mensenlevens, dank u zeer, ik heb er mijn bekomst van.

 

Kleine handen zijn een zegen

{Bayo, 1745}

Ongeacht leeftijd of continent, de scherpe, bevrijdende geur van muntthee heeft me altijd teruggevoerd naar mijn jaren in Bayo. Dankzij handelaren die manen lang met bundels op hun hoofd hadden gelopen, doken even vaak magische dingen op in ons dorp als er mensen uit verdwenen. Hele dorpen en steden werden omwald, en wachtposten met in gif gedoopte speren moesten mensenroof voorkomen, maar bij de komst van vertrouwde handelaren liepen dorpelingen van alle leeftijden te hoop.
Mijn vader was edelsmid, en op een dag ruilde hij een gouden halsketting voor een metalen theepot met een bolle buik en een lange, dunne, gebogen tuit. Volgens de handelaar was de theepot de woestijn overgestoken en bracht hij een lang en gelukkig leven aan ieder die eruit dronk.
De nacht daarop schudde papa me aan mijn schouder wakker, zachtjes, omdat iemand die slaapt een kwetsbare ziel heeft en daarom voorzichtig moet worden gewekt.
‘Kom theedrinken met mama en mij,’ zei hij.
Ik kroop uit bed, holde naar buiten en klom bij mijn moeder op schoot. Het dorp sliep. De hanen zwegen. De sterren knipperden als de ogen van een horde nerveuze mensen die een verschrikkelijk geheim kenden.
Mama en ik keken toe terwijl papa met dubbelgevouwen dikke bananenbladeren de theepot van de brandende takken pakte. Hij lichtte het mysterieus scharnierende deksel op en schraapte met een puntige stok honing van een raat in de borrelende thee.
‘Wat doe je?’ fluisterde ik.
‘De thee zoeten,’ zei hij.
Ik hield mijn neus dichter bij de pot. Er zaten verse muntblaadjes in, en het aroma leek te vertellen over het leven in verre oorden. ‘Hmmm,’ zei ik, de geur diep opsnuivend.
‘Als je je ogen dichtdoet,’ zei papa, ‘kun je helemaal tot aan Timboektoe ruiken.’
Met haar hand op mijn schouder snoof ook mijn moeder de geur op en zuchtte diep.
Waar lag dat precies, vroeg ik, Timboektoe? Ver weg, zei hij. Was hij daar weleens geweest? Ja, zei hij, hij was er geweest. Het lag aan de machtige Joliba-rivier, en hij was er een keer heen gereisd om te bidden, te leren en zich te ontwikkelen, iets wat iedere gelovige zou moeten doen. Het maakte dat ik me ook wilde ontwikkelen. Ongeveer de helft van de mensen in Bayo was moslim, maar mijn vader was de enige die een koran bezat en die kon lezen en schrijven. Ik vroeg hoe ver het was naar de overkant van de Joliba. Was het net zoiets als wanneer je de rivieren rond Bayo overstak? Nee, zei hij, het was tien keer de afstand die een man met een steen kon gooien. Zo’n rivier kon ik me niet voorstellen.
Toen de thee sterk was en zoet van het bijengeschenk, hield papa de dampende pot hoog op, dipte de tuit en schonk de kokende vloeistof in kleine kalebassen, een voor mij, een voor mama en een voor hemzelf. Hij morste geen druppel. Hij zette de theepot terug op de gloeiende sintels en maande me de thee te laten afkoelen.
Ik hield mijn handen om de warme kalebas en zei: ‘Vertel nog eens, papa, hoe jij en mama elkaar hebben ontmoet.’
Ik genoot ervan te horen hoe ze nooit voor elkaar bestemd waren geweest omdat mama een Bamana was en papa een Fula. Ik vond het geweldig zoals hun verhaal het onmogelijke trotseerde. Ze hadden elkaar niet eens mogen tegenkomen, laat staan samenkomen en een gezin stichten.
‘Puur geluk in deze vreemde tijden,’ zei papa, ‘anders was jij nooit geboren.’

Precies één regenseizoen voor mijn geboorte was papa met een groep andere Fulbe-mannen uit Bayo vertrokken. Ze hadden vijf zonnen gelopen om hun sheaboter tegen zout te ruilen op een verre markt. Op de terugweg gaven ze het hoofd van een bevriend Bamana-dorp een zakje zout. Hij nodigde hen uit om in het dorp uit te rusten, om te blijven eten en overnachten. Tijdens de maaltijd zag papa mama voorbijkomen. Op haar hoofd hield ze een dienblad in evenwicht met daarop drie yams en een kalebas geitenmelk. Papa dronk haar gracieuze gang in, haar kalme gezicht, haar geheven kin, de welving van haar rug, haar lange, krachtige benen en haar rood geverfde hielen.
‘Ze leek me oprecht en betrouwbaar, maar niet iemand die met zich liet spotten,’ zei papa. ‘Ik wist meteen dat ze mijn vrouw zou worden.’
Mama nam een slokje thee en lachte. ‘Ik had het druk,’ zei ze, ‘en je vader liep me in de weg. Ik moest een vrouw helpen die op het punt stond haar baby te krijgen.’
Mijn moeder had toen nog geen kinderen, maar ze had al heel wat baby’s ter wereld geholpen. Papa zocht mama’s vader op om meer te weten te komen. Hij hoorde dat haar eerste echtgenoot vele manen geleden was verdwenen, kort nadat ze getrouwd waren. Men ging ervan uit dat hij dood was, of ontvoerd. Papa’s vrouw — met wie hij al verloofd was voordat ze beiden zelfs maar geboren waren — was kortgeleden aan een ziekte gestorven.
Mama werd erbij gehaald om met mijn vader kennis te maken. Het verstoorde de bevalling, en dat zei ze ook. Papa glimlachte en merkte haar gespierde benen op toen ze zich op haar hielen omdraaide om weer aan het werk te gaan. De onderhandelingen over de vergoeding van mijn moeders vader voor het verlies van een dochter werden voortgezet. Ze schudden uiteindelijk de hand op zes geiten, zeven staven ijzer, tien koperen armbanden en vierhonderd aaneengeregen kaurischelpen.
Het waren tumultueuze tijden, en zonder alle beroering zou een huwelijk tussen een Fula en een Bamana nooit zijn toegestaan. Maar er verdwenen mensen, en de dorpelingen waren zo bang om in handen van ontvoerders te vallen dat er nieuwe allianties ontstonden tussen naburige dorpen. Jagers en vissers gingen in groepen op pad. Mannen bouwden dagen aan een stuk aan de omwalling van steden en dorpen.
Papa nam mama mee naar zijn dorp Bayo. Hij maakte sieraden van ragfijn goud- en zilverdraad en reisde rond om zijn handelswaar op markten aan te bieden en te bidden in moskeeënn. Soms kwam hij terug met een koran of met andere Arabische geschriften. Hij beweerde dat het niet aan meisjes was om te leren lezen en schrijven, maar liet zich vermurwen toen hij me zag proberen om met een stok Arabische woorden in het zand te schrijven. En dus leerde ik, in de beslotenheid van ons huis en met mijn moeder als enige getuige, een rietje, gekleurd water en perkament gebruiken. Ik leerde Arabische zinnen schrijven, zoals Allahoe akbar (God is groot) en La ilaha ila Allah (Niemand behalve God is aanbidding waardig).
Mama sprak Bamanankan, haar moedertaal, de taal die ze gebruikte als we met zijn tweeënn waren, maar had ook veel van het Fulfulde opgepikt en een paar gebeden geleerd van papa. Soms zag ik een stel kwebbelende Fulbe-vrouwen elkaar plagerig met de ellebogen aanstoten als mama zich vooroverboog en met een puntige stok Al-hamdoelillah (God zij geprezen) in de aarde kraste om de dorpsvrouwen te bewijzen dat ze een paar Arabische gebeden had geleerd. In de buurt maalden de vrouwen gierst met zware houten stampers zo lang als mensenbenen, zo glad als babyhuid en zo hard als steen. Wanneer ze de stampers in de met gierst gevulde vijzels lieten ploffen, klonk het alsof drummers een ritme sloegen. Af en toe stopten ze om wat water te drinken en hun eeltige handpalmen te bekijken, terwijl mama de woorden die ze van papa had geleerd opzei.
Tegen de tijd dat ik kwam werd mijn moeder gerespecteerd in het dorp. Net als de andere vrouwen plantte ze mais en gierst en verzamelde ze sheanoten. Ze droogde de noten in een houtoven en maalde ze vervolgens met haar stamper om er de olie uit te winnen. Mama hield het grootste deel ervan zelf, maar zette steeds een beetje apart om bij bevallingen te gebruiken. Ze werd er altijd bij geroepen wanneer een vrouw klaar was om haar kind in het licht te brengen. Ooit had ze zelfs een ezelin geholpen waarvan het veulen op zich liet wachten. Ze had een vredige glimlach als ze gelukkig was en zich veilig voelde, een glimlach die me elke dag door het hoofd heeft gespeeld sinds ik van haar werd weggerukt.
Toen mijn tijd aanbrak, weigerde ik ter wereld te komen. Volgens papa strafte ik mijn moeder, omdat ze van me in verwachting was geraakt. Uiteindelijk liet mama papa komen.
‘Praat met je kind,’ zei ze tegen hem, ‘want ik begin het moe te worden.’
Papa legde zijn hand plat op mama’s buik en hield zijn mond vlak bij haar navel, die uitpuilde als een tulp in de knop.
‘Zoon,’ zei papa.
‘Je weet helemaal niet of het hierbinnen om een zoon gaat,’ zei mama.
‘Als het zo lang blijft duren, zitten we straks nog met een geit,’ zei papa. ‘Je hebt me zelf gevraagd om met het kind te praten, en ik heb een zoon in gedachten. Dus, beste zoon, kom naar buiten. Je luie leventje heeft lang genoeg geduurd, slapen en je vastklampen aan je moeder. Je komt nu meteen, of ik geef je een pak slaag.’
Volgens papa antwoordde ik hem vanuit de baarmoeder.
‘Ik ben geen jongen,’ zei hij dat ik zei, ‘en voordat ik eruit kom moeten we praten.’
‘Zeg het maar.’
‘Als ik nu naar buiten kom, wil ik warme maiskoek, een kalebas verse melk, en dat lekkere spul dat de ongelovigen uit de boom tappen...’
‘Geen palmwijn,’ onderbrak mijn vader me. ‘Niet voor iemand die Allah vreest. Maar zodra je tanden hebt krijg je koek van me, en mama zorgt voor de melk. En als je je goed gedraagt, geef ik je op een dag bittere kolanoten. Tegen kolanoten heeft Allah geen bezwaar.’
En daar kwam ik dan; ik gleed los van mijn moeder als een otter van een rivieroever.

[...]

Oorspronkelijke titel The Book of Negroes
Copyright © 2007 Lawrence Hill
Copyright Nederlandse vertaling © 2011 Ine Willems / Uitgeverij Ailantus
Foto © Lisa Sakulensky

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum