Leesfragment: Het voorseizoen

27 november 2015 , door David Pefko
| |

21 april verschijnt het nieuwe boek van David Pefko, Het voorseizoen. Maar vanavond kunt u bij Athenaeum alvast een fragment lezen en uw exemplaar reserveren.

Ik kan u natuurlijk vertellen dat Steve Mellors lijdt onder zijn kaalheid en de omvang van zijn buik, of dat hij een politierechercheur is die sudoku's oplost op de wc. Dat hij elke avond porno kijkt en op hetzelfde moment treurt om zijn ex-vrouw die ervandoor ging met een siergootspecialist. Of dat hij hevig verliefd wordt op een prostituee met de naam Anca en dat hij lichtelijk geobsedeerd is door Travis Bickle uit de film Taxi Driver. Dat hij Anca wil redden zoals Travis Iris redde. Dat hij er getuige van is als zij verkracht wordt in een cellencomplex midden in zijn stad. Ik kan u natuurlijk in de waan laten dat Steve Mellors dit meisje uiteindelijk zal redden, maar het beste lijkt me om u te waarschuwen voor de kans dat u zelf Steve Mellors wordt, of erger nog: dat u hem eigenlijk al bent.

Zie ook de voorpublicatie op de website van Uitgeverij Prometheus, waarin Pefko zijn roman en zijn hoofdpersoon introduceert.

14

‘Je bent gescheiden, hè,’ zegt ze de volgende avond.
‘Kun je dat dan aan me zien?’
Ze knikt. ‘Overduidelijk,’ zegt ze.
Misschien krijgt ze gewoon veel gescheiden mannen over de vloer en kan ze ze er inmiddels uitpikken, maar toch, wat zou het zijn dat me zo overduidelijk een gescheiden man maakt?
‘Was het fijn?’ vraagt ze.
‘De scheiding?’
‘Nee suffie, je huwelijk natuurlijk. Was het een fijn of naar huwelijk?’ Ik probeer me te herinneren wat nou de fijne momenten waren, maar alles wat in me opkomt lijkt verbonden met mijn tuin; alsof ons huwelijksgeluk samenhing met wortels en radijzen. Er waren absoluut momenten waarop ik dolverliefd op haar was. Dat waren broeierige avonden in de zomer en ijskoude winternachten. Het was in de tijd dat ik er nog van overtuigd was dat het altijd zo zou zijn, we altijd bij elkaar zouden blijven, maar nu alles voorbij is lijken er alleen nog maar onbenullige details van over. Terwijl ik Anca’s hand vasthoud, vloeien flarden door mijn hoofd. Ik zie het plankje in de badkamer met Susans huidverzorgingsproducten, haar warrige handschrift op een stukje papier, kleren die naar sigaretten ruiken, lippenstiften in haar handtas, de per seizoen van kleur veranderende kussentjes voor de stoelen in de eetkamer… Haar naakte lichaam in een handdoek na het douchen, haar naakte lichaam in mijn armen, maar echt goed herinner ik me die dingen niet. Het is eigenlijk gek, ik ben vijftien jaar met die vrouw geweest en het enige wat ik me nu haarfijn weet te herinneren is juist de periode toen het stukliep.
Opeens moet ik denken aan de foto van haar moeder die op de afzuigkap geplakt zat.
‘Maakt dat niet uit, het is warm daar, Sue,’ had ik gezegd.
‘Ze had het altijd koud, dat weet je toch,’ was het antwoord dat me weer op slag verliefd had gemaakt.
‘Je glimlacht,’ fluistert Anca in mijn oor.
‘Ach ja, ik weet niet of ik nou kan zeggen dat het een slecht huwelijk was, het was meer dat ze na een tijd alles kapotmaakte.’
‘Als het aan jou had gelegen waren jullie nu nog bij elkaar geweest?’ ‘Ja, dat denk ik wel. Ik denk wel eens dat we nu nog samen zouden zijn als ik mijn regenpijp niet had laten vernieuwen.’
We drinken glaasjes brandewijn. Ik lig languit naast haar op bed. Ze trekt haar benen op en gaat dicht tegen me aan liggen, houdt me stevig vast, zo stevig als mogelijk. Ik zoen alles wat maar in de buurt van mijn mond komt.
‘Vertel verder,’ fluistert ze in mijn oor.
‘Het is een stom verhaal, Anca, je wilt het niet horen.’
‘Kom nou, ik vertel jou ook genoeg stomme dingen, ik vind iets niet zo gauw stom.’
‘Nou oké,’ zeg ik, ‘het was ergens in oktober. De bladeren waren van de bomen gevallen, Wigston is erg mooi in deze tijd van het jaar, weet je dat? Echt heel mooi, alles is roestbruin en vochtig. Maar goed, de goot zat constant verstopt, en toen begon het dagen achtereen te regenen, zo hevig dat we binnenbleven. We speelde spelletjes en Susan kookte de laatste groente uit de tuin. De oogst was gigantisch geweest die zomer en ik had de hele vriezer vol met bonen en courgettes, aubergines, paprika’s, ga zo maar door. Die dag maakte ze iets met de courgettes, geloof ik. Ja, ik kan me ook nog precies herinneren wat het was dat ze maakte: een stoofschotel met lamsvlees. Die avond zat de goot zo verstopt dat het regenwater niet meer weg kon. Toen begon de ellende… Het eerste kwam de goot naar beneden, met een enorme klap, toen de regenpijp…’
‘Jullie huwelijk liep stuk om een kapotte goot en regenpijp?’
‘Nee, toen nog niet. Ik belde een loodgieter, of iemand die de goot kon repareren, en toen kwam Peter Bird, de siergootspecialist, in mijn leven. Of eigenlijk in het leven van Susan. Hij kwam de volgende ochtend de schade opnemen, liep rondjes om het huis en maakte aantekeningen op een blocnote. peter bird, siergoten en regenpijpen specialist, stond erop met krulletters. Het leek een aardige man, erg vriendelijk, heel behulpzaam, de klootzak.’ Ik schrik van wat ik zeg. Anca zegt dat het niet geeft, dat ik verder moet gaan met mijn verhaal.
‘Niets van de oude goten zou gered kunnen worden, ze waren allemaal kromgetrokken en daarnaast, ze waren al jaren aan vervanging toe, zei die Peter Bird, dus het moest maar: nieuwe goten, nieuwe regenpijpen. De volgende dag ging ik naar mijn werk, Susan zou hem ontvangen, koffie aanbieden, in de buurt blijven als hij de goten zou installeren. Zo geschiedde. Die middag is Susan dus verliefd geworden op de siergootspecialist, en vanaf dat moment werd alles anders. Ze ging opeens een paar keer per week ’s avonds met vriendinnen kaarten terwijl ze dat eerst nooit deed. Ik wist niet eens dat ze kon kaarten. Tegen het einde van het jaar was het me wel duidelijk. Ik had eigenlijk ook helemaal geen contact meer met haar. De enige communicatie die we hadden, bestond uit boodschappenlijsten, meldingen dat er ergens een lampje vervangen moest worden, of dat ik niet meer mocht vergeten ’s nachts de televisie uit te zetten. Dat als hij op stand-by staat de hele boel in de fik kon vliegen. Ik stond soms perplex, ik kreeg geen normaal woord meer uit haar, ze sprak in korte, onpersoonlijke opdrachten en boodschappen, en op een avond zei ze: “Het gaat niet meer, ik wil ermee stoppen, Steven.” Dat was een stuk duidelijker dan daarvoor, dacht ik nog. Nou, en dat was het dan, toen woonde ik binnen een paar weken alleen, duwde soms een uur lang een karretje door de supermarkt zonder het te vullen met boodschappen, zonder dat ik eigenlijk wist wat ik daar deed, waste me soms dagen niet en bestelde elke avond een lading voedsel om wat minder pijn te lijden. Ik bestelde pizza’s en Indiaas eten. De bezorgers stonden soms met elkaar te praten voor mijn deur als de bestellingen op hetzelfde moment werden bezorgd. Soms rookten ze een sigaret - je met elkaar als er blijkbaar geen haast was. Ik keek dan naar ze door de vitrage. Ik werd misselijk bij de gedachte dat deze personen de enigen waren met wie ik buiten mijn werk om contact had. Ik was doodongelukkig, ik was er heilig van overtuigd dat het mijn dood zou worden, daar in dat huis aan Britford Avenue. Ze zouden me een week later vinden, tussen de lege bakjes curry en de lege blikken bier. Zo, nu weet je alles, en zit ik dus hier.’
Ze wrijft over mijn rug en ik zie hoe ze met haar andere hand onder haar kussen zoekt.
‘Moet ik opstaan,’ vraag ik.
‘Nee, het moet hier ergens zijn… Het is misschien een raar moment maar…’ Ze trekt een klein envelopje onder het kussen vandaan. Het is van het Wereld Natuur Fonds, er staat een panda op.
‘Wat is dit?’ vraag ik als ze het in mijn handen drukt.
‘Als je tijd niet om zou zijn, zou ik nog even gewacht hebben, maar dit is wat ik aan jou verdien, na aftrek van het percentage van mijn baas. Ik wil dat je het terugneemt.’
‘Dat kan ik niet aannemen, echt niet,’ zeg ik en duw het envelopje terug onder het kussen.
‘Steve, ik wil niet dat jij betaalt. Je moet het aannemen, alsjeblieft, neem het aan!’
Ik schud mijn hoofd, voel de tranen in mijn ogen, maar kan ze bedwingen.
‘Ik kan dat echt niet,’ zeg ik zachtjes, ‘hoe lief het ook is.’
‘Doe het dan voor mij,’ fluistert ze en haalt het weer tevoorschijn, legt het op mijn kruis.
Ik omhels haar en zoen haar kruin die naar kokos ruikt en een tintelend gevoel op mijn lippen achterlaat.

Buiten, op het parkeerterrein voor Montfort House, leun ik tegen de fietsenstalling en kijk naar de grote blauwe deuren van het slachthuis. Ze weet het natuurlijk niet, maar ik woon op nog geen honderd meter afstand. Vanaf de vijftiende verdieping kan ik over haar waken.
Ik zal geduldig moeten zijn, het heel voorzichtig aanpakken en geleidelijk moeten laten verlopen, maar dan zal ik haar iets voorstellen wat ze onmogelijk kan weigeren. Een voorstel dat haar zal helpen aan een normale baan, liefde en veiligheid, en mij aan ongekende gemoedsrust en geloof in het goede.
Als ik van een afstand zie hoe hier en daar lichten aan worden gedaan en gordijnen worden gesloten, zie ik een vrouw bij de ingang staan. Ze draagt een roze windjack dat strak om haar enorme billen gespannen staat, rood pluizig haar dat zo dun is dat het door de wind meegenomen kan worden, witte gymschoenen met reflecterende strepen. Als ik naar de voordeur loop zie ik dat ze met de portier praat van wie ik de naam nog steeds niet weet. Als ik langs ze naar de lift loop, hoor ik hem tegen haar zeggen dat hij geen informatie mag geven over de bewoners in dit complex. Als de liftdeuren zich sluiten zie ik nog net hoe ze het gebouw verlaat.

© David Pefko

Uitgeverij Prometheus

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum