Leesfragment: Hoe te leven

27 november 2015 , door Sarah Bakewell
| | |

Op dinsdag 27 december verschijnt bij uitgeverij Van Gennep Hoe te leven. Of, een leven van Montaigne in één vraag en twintig pogingen tot een antwoord van Sarah Bakewell, dit kerstweekend publiceren we voor en stellen u in de gelegenheid uw eigen exemplaar te reserveren. Aansluitend kunt u dit weekend een totaal andere, maar even lezenswaardige tekst, 'De asfaltering van het kunstbeleid' lezen uit Andreas Burniers De zwembadmentaliteit, dat heruitgegeven is in de Athenaeum Boekhandel Canon.

Michel Eyquem de Montaigne wordt wel gezien als de eerste moderne mens. In zijn befaamde Essays (‘pogingen’) schrijft hij over grote thema’s als vriendschap, liefde, seks en dood, religie en politiek. Maar juist ook zijn kleine persoonlijke ontboezemingen – hij kan niet zingen, hij houdt van vis, zijn oren jeuken vaak – maken zijn Essays zo modern. Er rijst een beeld uit op van een levenslustige man die hartstochtelijk bleef proberen het antwoord te vinden op die ene centrale vraag: hoe te leven.

In de geest van deze Essays schreef Sarah Bakewell een onorthodoxe biografie. Zich baserend op zijn werk, maar ook op talloze andere bronnen, probeert zij op haar beurt te reconstrueren tot welke antwoorden Montaigne uiteindelijk kwam. Niet om pasklare adviezen te kunnen geven – daar was het Montaigne zelf ook niet om te doen – maar om de buitengewone figuur van Montaigne over de eeuwen heen tot leven te brengen.

Daarin is zij wonderwel geslaagd. ‘Wees nieuwsgierig’, ‘Filosofeer alleen bij toeval’, ‘Bewaak je menselijkheid’. In haar twintig pogingen tot een antwoord slaat Bakewell een brug tussen Montaigne en onze tijd. Hoe te leven leest als een wegwijzer bij de Essays, een boek dat je het gevoel geeft in de nabijheid van Montaigne te verkeren en de dilemma’s en vragen waar hij mee worstelde beter te begrijpen.

Hoe te leven?

Michel de Montaigne in één vraag en twintig pogingen tot een antwoord

De eenentwintigste eeuw is vol mensen die vol zijn van zichzelf. Een halfuur vissen in de oceaan van blogs, twitters, tubes, spaces, faces, pages en pods op het internet brengt duizenden personen naar boven die gefascineerd zijn door hun eigen persoonlijkheid en die heel graag aandacht willen. Ze hebben het voortdurend over zichzelf; ze houden dagboeken bij, chatten en uploaden foto’s van alles wat ze doen. Ze zijn ongeremd extravert, maar kijken ook als nooit tevoren naar binnen. Ook wanneer bloggers en netwerkers zich in hun persoonlijke ervaring verdiepen, communiceren ze met hun medemensen in een collectief festival van het zelf.
Sommige optimisten hebben geprobeerd van deze wereldwijde ontmoeting de basis te maken voor een nieuwe benadering van internationale betrekkingen. De historicus Theodore Zeldin heeft een website geopend die ‘The Oxford Muse’ heet en die mensen aanspoort korte verbale zelfportretten samen te stellen, waarin ze hun dagelijkse leven en de dingen die ze hebben geleerd beschrijven. Ze sturen die portretten in om ze aan anderen te laten lezen en hen erop te laten reageren. Zeldin meent dat gedeelde zelfonthulling de beste manier is om op de hele planeet vertrouwen en samenwerking te laten ontstaan, zodat nationale stereotypen worden vervangen door echte mensen. Het grote avontuur van onze tijd, zo zegt hij, is ‘ontdekken wie de wereld bewonen, met één persoon tegelijk’. Dus staat ‘The Oxford Muse’ vol met persoonlijke teksten of interviews met opschriften als:

Waarom werkt een hoogopgeleide Rus als schoonmaker in Oxford?
Hoe ik als kapster mijn perfectionisme kan uitleven
Door een zelfportret te schrijven kom je te weten dat je anders bent dan je dacht
Wat ontdek je als je niet drinkt of danst?
Wat voeg je toe aan je gesprekken met anderen als je over jezelf schrijft?
Hoe kun je lui zijn en tóch succes hebben?
Hoe een chef-kok vriendelijk kan zijn

Door te beschrijven wat hen anders maakt dan álle anderen onthullen degenen die hieraan meedoen wat ze met íedereen gemeen hebben: de ervaring een mens te zijn.

Dit idee – over jezelf schrijven om anderen een spiegel voor te houden waarin ze hun eigen menselijkheid herkennen – heeft niet van oudsher al bestaan. Het moest uitgevonden worden. En in tegenstelling tot veel andere culturele ontdekkingen vindt het zijn oorsprong in één persoon: Michel Eyquem de Montaigne, edelman, bestuurder en wijnbouwer, die van 1533 tot 1592 leefde in de streek Périgord in het zuidwesten van Frankrijk.
Montaigne heeft het idee gecreëerd door het simpelweg uit te voeren. In tegenstelling tot de meeste kroniekschrijvers uit zijn tijd deed hij dit niet om zijn eigen grote daden en prestaties te boekstaven. Hij gaf evenmin een rechtstreeks ooggetuigenverslag van historische gebeurtenissen, ook al had hij dat wel kunnen doen; hij maakte gedurende de tientallen jaren waarin hij op zijn boek broedde en het schreef een religieuze burgeroorlog mee die zijn land bijna heeft verwoest. Hij behoorde tot een generatie die beroofd was van het hoopvolle idealisme van de tijdgenoten van zijn vader, en paste zich aan de publieke ellende aan door zijn aandacht op zijn privéleven te richten. Hij doorstond de wanorde, hield toezicht op zijn landgoed, sprak als magistraat zijn oordeel uit in rechtszaken en bestuurde Bordeaux als de meest tolerante burgemeester die de stad ooit heeft gehad. En al die tijd schreef hij bespiegelende stukken over de meest uiteenlopende onderwerpen waaraan hij eenvoudige titels gaf:

Over de vriendschap
Over kannibalen
Over de gewoonte kleding te dragen
Wij lachen en huilen om hetzelfde
Namen
Over geuren
Over de wreedheid
Over duimen
Hoe onze geest in zichzelf verstrikt raakt
Over afleiding
Over koetsen
Over de ervaring

Alles bij elkaar heeft hij honderdzeven van die essays geschreven. Sommige beslaan maar een bladzij of twee, andere zijn veel langer, zodat de meeste recente uitgaven van de complete verzameling meer dan duizend bladzijden tellen. Ze leren of verklaren ons zelden iets. Montaigne presenteert zich als iemand die, wanneer hij zijn pen ter hand nam, alles noteerde wat in hem opkwam, en aldus ontmoetingen en gemoedstoestanden vastlegde terwijl ze zich voordeden. Hij gebruikte deze ervaringen om zichzelf vragen te stellen, vooral de grote vraag die hem, net als veel van zijn tijdgenoten, fascineerde. Die vraag kan in drie simpele woorden worden geformuleerd: ‘Hoe te leven?’

Dit komt niet op hetzelfde neer als de ethische vraag: ‘Hoe horen we te leven?’ Montaigne had belangstelling voor morele dilemma’s, maar was minder geïnteresseerd in wat mensen hoorden te doen dan in wat ze in werkelijkheid deden. Hij wilde weten hoe je een goed leven moest leiden, en bedoelde daarmee een fatsoenlijk of respectabel leven, maar ook een leven dat volledig menselijk, bevredigend en bloeiend was. Deze vraag dreef hem tot schrijven én tot lezen, want hij was nieuwsgierig naar het leven van alle mensen, in het verleden en in het heden. Hij verwonderde zich voortdurend over de emoties en motieven achter wat mensen deden. En aangezien hijzelf het meest voor de hand liggende voorbeeld was van een mens in het leven van alledag, verwonderde hij zich evenzeer over zichzelf.
De nuchtere vraag ‘Hoe te leven?’ waaierde in talloze andere praktische vragen uiteen. Net als iedereen stuitte Montaigne op de grote, verbijsterende levensproblemen: hoe bied je het hoofd aan angst voor de dood, hoe verwerk je het verlies van een kind of een dierbare vriend, hoe verzoen je je met mislukkingen, hoe haal je het beste uit ieder moment, zodat je leven je niet zonder dat je het op volle waarde hebt geschat door de vingers glipt? Maar er waren ook kleinere problemen. Hoe vermijd je een zinloze ruzie met je vrouw of je knecht? Hoe stel je een vriend gerust die denkt dat hij behekst is? Hoe troost je een treurende buurman? Hoe bewaak je je huis? Wat is de beste strategie als je door gewapende bandieten staande wordt gehouden die lijken te aarzelen of ze je zullen vermoorden of losgeld voor je zullen eisen? Als je hoort dat de gouvernante van je dochter haar iets leert wat volgens jou niet klopt, is het dan verstandig om in te grijpen? Hoe ga je om met een bullebak? Wat zeg je tegen je hond als hij buiten wil spelen, terwijl jij aan je schrijftafel aan je boek wilt blijven werken?
Montaigne geeft geen abstracte antwoorden, maar vertelt ons wat hij in elke situatie deed en hoe dat aanvoelde. Hij geeft alle details die we nodig hebben, en soms meer, om die situaties reëel te maken. Zonder specifieke aanleiding vertelt hij ons dat meloen de enige vrucht is die hij lekker vindt, dat hij liever liggend dan staand de liefde bedrijft, dat hij niet kan zingen en dat hij dol is op vrolijk gezelschap en vaak in vuur en vlam raakt door sprankelende gevatheid. Maar hij beschrijft ook gewaarwordingen die moeilijker onder woorden te brengen zijn en waarvan je je niet zo makkelijk bewust bent: hoe het voelt om lui te zijn, of dapper, of besluiteloos, of om toe te geven aan een moment van ijdelheid, of om een angst die je in zijn greep houdt van je af te schudden. Hij schrijft zelfs over het loutere gevoel in leven te zijn.
Montaigne heeft zulke verschijnselen meer dan twintig jaar lang onderzocht, stelde zichzelf telkens opnieuw vragen en construeerde een beeld van zichzelf – een voortdurend bewegend zelfportret, zo levendig dat het praktisch uit de bladzijde tevoorschijn stapt en naast je over je schouder meeleest. Hij kan verrassend uit de hoek komen: sinds zijn geboorte, bijna vijfhonderd jaar geleden, is er heel veel veranderd, en de gebruiken en opvattingen van toen zijn niet altijd meer herkenbaar. Toch houdt lezen van Montaigne in dat je telkens een schok van herkenning krijgt waardoor de honderden jaren tussen hem en de lezer uit de eenentwintigste eeuw wegvallen. Lezers blijven zichzelf in hem zien, net zoals bezoekers van de ‘Oxford Muse’ zichzelf of aspecten van zichzelf zien als ze lezen waarom een goed opgeleide Rus als schoonmaker werkt of over hoe het is om een hekel aan dansen te hebben.
De journalist Bernard Levin schreef in 1991 in een artikel voor The Times over dit onderwerp: ‘Ik durf te wedden dat iedere lezer van Montaigne het boek op een zeker moment neerlegt en vol ongeloof uitroept: “Hoe weet hij dat allemaal over mij?”’ Het antwoord is natuurlijk dat hij dit weet doordat hij het uit eigen ervaring weet. Op hun beurt begrijpen mensen hem doordat ook zij ‘dat allemaal’ al uit eigen ervaring kennen. Blaise Pascal, een van zijn vroege lezers die bijzonder door hem geobsedeerd was, schreef in de zeventiende eeuw: ‘Niet in Montaigne, maar in mijzelf tref ik alles aan wat ik in zijn werk tegenkom.’
De schrijfster Virginia Woolf stelde zich voor hoe mensen langs het zelfportret van Montaigne lopen als bezoekers van een galerie. Bij het passeren blijven ze voor het schilderij staan en buigen zich naar voren om naar de weerspiegelingen op het glas te turen. ‘Er staat altijd een drom mensen in de diepte van dat schilderij te staren; ze zien hun eigen gezicht erin weerspiegeld, en hoe langer ze kijken, hoe meer ze zien, maar ze zijn nooit in staat te zeggen wát ze precies zien.’ Het portret en hun eigen gezicht versmelten tot één gelaat. Woolf herkende daarin de manier waarop mensen in het algemeen op elkaar reageren:

Als we in de bus of de metro tegenover elkaar zitten, kijken we in de spiegel [. . .]. En toekomstige schrijvers zullen meer en meer beseffen hoe belangrijk deze weerspiegelingen zijn, want er is natuurlijk niet één spiegelbeeld, maar een vrijwel oneindig aantal; dat zijn de diepten die ze zullen verkennen, de fantomen die ze zullen najagen.

Montaigne schiep als eerste schrijver literatuur die doelbewust op deze wijze werkte, en hij deed dit op basis van het overvloedige materiaal uit zijn eigen leven, en niet door middel van louter filosofie of louter fantasie. Hij was de menselijkste aller schrijvers, en de meest sociabele. Als hij had geleefd in het tijdperk van de massacommunicatie en het internet, zou hij verbijsterd zijn geweest over de schaal waarop een dergelijke sociabiliteit mogelijk was geworden: niet tientallen of honderden mensen in een galerie, maar miljoenen zien zichzelf vanuit verschillende hoeken weerkaatst.
Het effect, in de tijd van Montaigne en in die van ons, kan ons bedwelmen. Tabourot des Accords, een bewonderaar uit de zestiende eeuw, heeft gezegd dat ieder die de Essays las het gevoel had dat hij ze zelf had geschreven. Meer dan tweehonderdvijftig jaar later zei de essayist Ralph Waldo Emerson hetzelfde, in bijna dezelfde bewoordingen: ‘Het kwam me voor dat ik het boek zelf geschreven had, in een vorig leven.’ ‘Ik heb hem mij zo eigen gemaakt,’ schreef de twintigsteeeuwse schrijver André Gide, ‘dat het lijkt of hij en ik samenvallen.’ En Stefan Zweig, een Oostenrijkse schrijver die zelfmoord zou plegen nadat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog tot ballingschap was gedwongen, ontdekte in Montaigne zijn enige ware vriend: ‘Hier is een “jij” waarin mijn “ik” wordt weerspiegeld; hier wordt aan alle afstand een einde gemaakt.’ De gedrukte bladzijde verdwijnt uit zicht, en in plaats daarvan stapt een levend mens de kamer binnen. ‘Vierhonderd jaar gaan in rook op.’
Enthousiaste kopers bij de onlineboekhandel Amazon.com reageren nog altijd op dezelfde manier. Een van hen noemt de Essays ‘eigenlijk geen boek, maar een vriend voor het leven’ en een ander voorspelt dat het ‘de beste vriend zal worden die je ooit hebt gehad’. Een lezer die altijd een exemplaar op zijn nachtkastje heeft liggen betreurt het feit dat het (in de volledige versie) te dik is om het ook de hele dag bij zich te dragen. ‘Je kunt er je leven lang in blijven lezen,’ zegt een andere. ‘Hoe dik en klassiek ook, het leest alsof het gisteren is geschreven, maar als het echt gisteren was geschreven, zou het tijdschrift Hello! nu vol over hem staan.’
Dit alles is mogelijk doordat de Essays geen verheven boodschap willen overdragen, geen standpunt willen verdedigen, geen argumenten willen aanvoeren. Ze hebben niets met je voor, je kunt ermee doen wat je wilt. Montaigne geeft zijn materiaal de vrije teugel en maakt zich er nooit zorgen over dat hij op één bladzijde het ene zegt en het tegenovergestelde op de andere, of zelfs in de volgende zin. Hij zou de dichtregels van Walt Whitman als motto hebben kunnen nemen:

Do I contradict myself?
Very well then I contradict myself.
(I am large, I contain multitudes.)

[Spreek ik mezelf tegen? / Heel goed, dan spreek ik mezelf tegen. / (Ik ben omvangrijk, ik omvat menigten.)

Om de paar zinnen valt hem een nieuwe manier van kijken in, dus verandert hij van koers. Zelfs wanneer zijn gedachten volkomen irrationeel en droomachtig zijn, volgt hij hen al schrijvend. ‘Ik kan mijn model maar niet laten stilstaan,’ zegt hij. ‘Hij zwalkt en waggelt in een natuurlijke dronkenschap.’ Als lezer staat het je vrij met hem mee te gaan zolang je dat wilt, en hem daarna op zijn eigen houtje te laten afdwalen. Vroeg of laat kruisen jullie paden zich weer.
Montaigne had door deze wijze van schrijven een nieuw genre gecreëerd en hij noemde het essais, zijn nieuwe woord daarvoor. Tegenwoordig heeft het woord essay een saaie klank. Het doet veel mensen denken aan de opstellen die ze op school of op de universiteit moesten maken om hun kennis van de literatuurlijst te tonen: oplepelen van de argumenten van andere schrijvers met een oninteressante inleiding aan het begin en een voor de hand liggende conclusie aan het slot, als twee vorken die in de uiteinden van een maiskolf zijn gestoken. Zulke verhandelingen bestonden in de tijd van Montaigne ook, maar essais nog niet. Essayer betekent in het Frans gewoon: proberen. Iets proberen is iets toetsen of proeven, of het gewoon eens doen. Een volgeling van Montaigne uit de zeventiende eeuw omschreef het als een pistool afschieten om te zien of het recht schiet, of een ritje op een paard maken om te zien of het goed berijdbaar is. Meestal ontdekte Montaigne dat het pistool alle kanten op schoot en dat het paard op hol sloeg, maar daar maakte hij zich niet druk om. Hij was verrukt als hij constateerde dat zijn schrijfsels een onvoorspelbare wending namen.

© Sarah Bakewell
Auteursportret © Tündi Eugenia Haulik

Uitgeverij Van Gennep

MINDBOOKSATH : athenaeum