Leesfragment: Ik, voor eeuwig

27 november 2015 , door Sacha Sperling

28 februari verschijnt Ik, voor eeuwig (Mes illusions donnent sur la cour), de debuutroman van het jonge Franse talent Sacha Sperling, in vertaling van Kiki Coumans. Vanavond kunt u alvast de eerste pagina's lezen, en uw exemplaar bestellen om thuis te laten bezorgen of af te halen.

Sacha Sperling is 18 jaar. Zijn ouders zijn bekend. Hij komt uit een goed milieu. Hij schreef deze roman. Ik, voor eeuwig. Jong, rijk en verveeld. Lees dit.

Ik had geen idee hoeveel melancholie een nazomerhemel, hoe blauw ook, bij me kon opwekken.
De stilte wanneer je op iemand wacht is beklemmend, zeker als je weet dat die persoon niet zal komen, of niet echt. De bel gaat. Ik noem de verdieping door de intercom terwijl ik me afvraag of hij die vergeten kan zijn. Ik hoor de lift. Ik doe open, bekijk hem, dan weet ik het weer en heb ik spijt. Hij verontschuldigt zich dat hij te laat is. Hij kijkt me niet aan. Hij vraagt of hij een Coca-Cola mag, ik zeg dat ik alleen light heb. Hij loopt naar de keuken en zegt dat hij dat weet. Hij bijt in een appel en legt hem weer neer. We zeggen niets meer, en tegen de tijd dat hij voorstelt om naar boven te gaan, is de appel bruin uitgeslagen. In mijn bed doet hij alsof hij televisie kijkt. Hij vertelt over zijn vakantie en stelt vragen over de mijne zonder naar de antwoorden te luisteren. Hij kust me, ik aarzel. Ik zeg: ‘Ik hoop dat...’ Het is lastig de juiste woorden te vinden als je niks meer te zeggen hebt. Ik begin opnieuw: ‘Ik ben geen opblaaspop, weet je...’ Hij antwoordt niet. Ik vraag hem: ‘Hou je van me?’ Hij kijkt naar het plafond en zegt rustig: ‘Wat denk je?’ Ik moet me laten gaan. Hermetisch worden. Ik ga langs zijn buik naar beneden. Trek zijn onderbroek omlaag. Een robot worden. Ik sluit mijn ogen. Hij ziet het, zegt niets. Ik kom weer overeind, ik geloof dat hij ergens is klaargekomen. Ik vraag hem een sigaret, hij geeft me er een, dat is niet duur betaald. Hij staat op. Hij moet ‘ervandoor’. Hij vraagt of ik een ‘sigaret voor straks’ wil. Zou hij me nog meer kunnen vernederen? Hij heeft geen schuldgevoel. Hij zegt me gedag zoals hij me begroette, zonder me aan te kijken. Mijn kamer stinkt naar oude rook. Ik blijf een lange tijd staan. Er zijn momenten waarop ik zou willen dat ik kon huilen. Een beetje maar. Nee. Het hart doet het niet meer. Ik prikkel het. Niks meer. ‘Het enige onverdraaglijke is dat niets onverdraaglijk is.’
Overmorgen begint het nieuwe schooljaar.

 

 

Als u naar me zou kijken op het moment dat ik tegen u praat, zou u niets zien. Niets interessants.
Ik lig in het gras, tussen een appelboom en een struik. Een huis van leisteen lijkt zó naast me neergezet. Een grijze kat rent achter een onzichtbare muis aan. Behalve de stilte is er niets boeiends aan dit landschap. De treurige en middelmatige stilte van het platteland die alles een beetje ernstig en onheilspellend maakt. U zult niets anders uit de omgeving halen, u zult zich op mij concentreren. Niks anders te zien op dit moment. Ik ben nog in zwembroek, ik ben nog glad, nog puur, nog ongerept. U zou niet kunnen zeggen hoe oud ik ben. Ik doe sowieso mijn best om leeftijdloos te zijn. Ik moet toegeven dat het behoorlijk vervelend is om naar een jongen te kijken die in het gras ligt en niks doet. Ga dus verder weg, of kom dichterbij. Kom maar. Mijn gezicht groot in beeld. Close-up van mijn ogen. Ziet u de spanning in mijn ogen, het ongeduld? In mijn hersenen, in mijn lichaam, misschien zelfs in mijn hart, zit namelijk een tijdbom. U zult het tikken horen, en u zult het er benauwd van krijgen. Over een paar seconden of dagen zal ik ontploffen, en dan zult u zien hoe de overblijfsels, de brokstukken, zich zullen verspreiden over het asfalt, de tafel of uw vloer. Miljoenen van ons dragen een tijdbom met zich mee.
U bent het waarschijnlijk vergeten, maar ook u bent zich op een dag bewust geworden van de verveling in uw leven, en op dat moment is die onverdraaglijk geworden.
Net als ik hebt u op een dag bij het aanbreken van de schemering naar de hemel gekeken en zich afgevraagd waarom de sterren niet kwamen.
Net als ik hebt u begrepen dat uw leven ging beginnen zonder dat u er iets aan kon doen.
Omdat u net als ik veertien jaar bent geweest.

 

 

De trein verlaat het station van Lisieux en het begint te regenen. Ik kijk door het raampje, er spatten druppels tegenaan en het landschap begint steeds meer op een mislukt schilderij te lijken. De synthetische bankjes stinken naar tranen, herinneringen en teleurstelling. Een man naast mij eet een peer en staart in de leegte. Welk liefdesavontuur heeft hij op het strand achtergelaten? Welke smaak sorbet? Welke beschermingsfactor?
En wat ligt er achter mij? Een zomer die alweer bijna voorbij is en waar ik maar half naar terugverlang. Een zomer vol fantasieën, in mijn kamer, ’s avonds laat, op een tijdstip waarop niemand de stompzinnige dromen van pubers kan veroordelen.
De trein rijdt recht op Parijs af. Ik zeg ‘recht’ uit gewoonte, want de weg naar de hoofdstad is vol kronkelingen, gevaarlijke bochten en dead ends.
De man naast me kijkt me nu strak aan, en aangezien ik me ongemakkelijk voel, begin ik in mijn tas te rommelen. Mijn moeder leest een tijdschrift. Ik haal het opschrijfboekje tevoorschijn dat ik van haar heb gekregen. Het is van zwart, vrij stijf leer. Ik weet niet waarom ze het me cadeau heeft gedaan, toen we een keer doelloos over La Cienega Boulevard reden en de gigantische oranje zon in het zwart van haar zonnebril weerkaatste. Zonder haar blik van de weg los te maken zei ze dat zij op mijn leeftijd in zo’n soort opschrijfboekje was gaan schrijven. Ieder jaar geeft ze me opschrijfboekjes. Ik heb nog nooit iets de moeite waard gevonden om op te schrijven.
In het rijtuig staat de airco nog steeds aan, hoewel het helemaal niet meer warm is.
‘Sacha, wil jij alsjeblieft koffie voor me gaan halen? Het is hier om te vernikkelen,’ zegt mijn moeder terwijl ze in de Elle blijft lezen, een artikel over besnijdenis in Afrika.
Ik loop door de schommelende trein naar de bar. Er zit een stelletje te zoenen bij de regen die op de ramen geplakt zit. Een oude man maakt zijn bril schoon achter een fles wijn. Een beetje verderop zit een jongen met zijn rug naar me toe een sigaret te roken. Zijn capuchon valt over de helft van zijn gezicht. Hij drinkt een Pepsi. Ik loop achter hem langs naar het buffet.
‘Sorry?’ De jongen met de capuchon heeft zich naar me omgedraaid. Zijn ogen zijn diepzwart.
‘Ja?’ De trein schommelt opnieuw en ik val bijna op hem.
Hij vervolgt: ‘Sorry, heb jij misschien een euro voor mij? Ik heb net te weinig voor een sandwich.’
Hij leunt een beetje achterover en kijkt me raar aan. ‘Heet jij niet Sacha?’ Het lukt me niet te antwoorden, ik weet niet waarom. Hij glimlacht. ‘Ik ben Augustin, we hebben elkaar al eens ontmoet. Ik ben een vriend van Jane, ik was vorig jaar op haar verjaardag. Jij zit toch op de École de Lorraine?’ Als ik hem eerder had gezien, had ik dat zeker nog geweten. Ik antwoord: ‘Ja, op de École de Lorraine, en jij?’
‘Daar vlakbij, op het Montaigne.’
Ik bewonder mensen die je recht kunnen blijven aankijken, zelf kan ik het niet. Ik geef hem een euro.
‘Bedankt, aardig van je... Waar ben jij geweest?’
Ik bestel koffie en antwoord: ‘In Deauville. Mijn moeder heeft een huis in de buurt van Deauville. En jij?’
Hij steekt een nieuwe sigaret op en antwoordt: ‘Mijn vader ook, in de buurt van Lisieux.’
Voordat hij verder praat, duwt hij zijn capuchon van zijn hoofd. Hij heeft bruin haar, met iets nog donkerders erin. Hij vervolgt: ‘Ga jij ook naar de derde?’
De fles wijn van de man met de bril valt van het tafeltje. Een rode plas verspreidt zich langzaam over de grond en de man reageert niet. Terwijl ik naar de plas kijk antwoord ik: ‘De derde, ja.’
De serveerster reikt me mijn koffie aan. Ik zeg: ‘Nou, tot ziens, hè...’
Ik neem de beker aan.
‘We hebben nog een dik uur voordat de trein aankomt... Ik wacht hier wel, als je wilt.’
‘Oké, misschien...’
Hij glimlacht opnieuw naar me.
In het rijtuig zit mijn moeder nog steeds te lezen. Ik ga niet terug naar de bar. Ik blijf liever hier, om wat muziek te luisteren, misschien een dutje te doen. De man vlak bij het raam begint te huilen. Hij haalt zachtjes zijn neus op. Mijn moeder is verdiept in haar tijdschrift en trekt zich niets van de huilende man aan. Dit rijtuig is te triest voor woorden. Ik heb dorst. Ik heb zin in een Coca-Cola. Ik ga terug naar de bar, die nu helemaal leeg is. Toen ik nog klein was, zeurde ik soms uren bij mijn moeder om met me naar een speelgoedwinkel te gaan. Als ik er eenmaal was, schaamde ik me. Dan deed ik onaardig en wilde niks meer. Mijn moeder was uiteraard razend. Toch had ik ontzettend veel zin om van alles te kopen. Dan gingen we weer weg en begon ik te huilen. Ik had meteen naar de bar terug moeten gaan. Ik wou dat mijn moeder mijn verlangens kon raden. Pech gehad.
‘Een Coca-Cola alstublieft.’
De trein remt en het is net alsof iemand zijn orgasme inhoudt. Het regent niet meer en ik heb bereik. Ik bel Rachel.

 

 

Rachel spuugt haar kauwgom in de goot voor de etalage van de Bon Marché. Ze moet een paar schoenen kopen voor het nieuwe schooljaar. Ze vertelt wat ze in de vakantie allemaal heeft gedaan. Ik verveel me. Op de handtassenafdeling komen we een meisje tegen dat erg op Gabriëlle lijkt. Gabriëlle was in de zomer een beetje mijn vriendinnetje. Ze heeft ook een buitenhuis in Deauville. Ze ziet er leuk uit. Ze heeft haren die overdag krullerig zijn en ’s nachts steil. We waren elkaar op het strand tegengekomen. Ze was niet heel interessant, maar ze had een mooie diepe stem. Ze rook naar kokosnoot en Nutella. Net een pannenkoekje. Op een avond, toen het nog heel warm was op het strand, gingen we in het zand liggen. Ze droeg een spijkerbroek en een trui van kasjmier en ik had zin om haar te zoenen. Ze had haar trui uitgedaan. Haar zware haren plakten aan haar lippen waar een dikke laag frambozenlipgloss op zat. Haar haren plakten overal op, op haar lippen, haar borsten, haar schouders en haar wangen. Ik ging met mijn hand in het onderbroekje van Gabrielle en toen liet ze merken dat het zo wel goed was en dat het tijd was om te stoppen. Ik wist dat ik haar nooit meer zou terugzien. Toen ik thuiskwam, masturbeerde ik terwijl ik aan haar dacht en toen was het over. Ik had Gabriëlle geloosd bij het ejaculeren.
Rachel vindt een paar All Stars die ‘parelgrijs’ worden genoemd, maar die voor mij marineblauw zijn. Ze betaalt. ‘U ook bedankt,’ zegt de verkoper, terwijl we niks hebben gezegd. Als we naar buiten lopen, kijk ik om als ik een grijze capuchon zie. Het is de jongen uit de trein. Een stomp in mijn maag en ik weet niet waarom. Geen logische echo, geen objectieve reden. Hij gooit zijn peuk weg. Hij glimlacht rustig, alsof hij al had voorzien dat hij me nog eens tegen zou komen. Hij vraagt: ‘Volg je mij of zo?’
Hij reikt me zijn hand, ik schud hem.
‘Wat doe jij hier?’ vraag ik.
‘Ik heb schoenen gekocht,’ antwoordt hij terwijl hij zijn tasje ophoudt.
Rachel, die ik helemaal vergeten was, zegt dat zij ook schoenen heeft gekocht. Lange stilte. Ik heb ze niet aan elkaar voorgesteld.
‘Rachel, dit is...’
Ik weet niet meer hoe hij heet. Hij vult aan: ‘... Augustin.’
Rachel lacht en antwoordt: ‘Ben jij niet een vriend van Jane? Volgens mij heb ik je wel eens gezien.’
Hij denkt het ook. We praten een paar seconden en Rachel vraagt of hij zin heeft om iets met ons te gaan drinken.
Rachel kijkt me aan, ik geloof dat ze hem aantrekkelijk vindt. Hij praat zachtjes tegen haar en buigt zijn hoofd een beetje naar haar toe. Hij vindt haar waarschijnlijk ook leuk, zij heeft het niet in de gaten. Ze is niet gewend om versierd te worden door jongens als Augustin. Ik blijf buiten het gesprek. Ik kijk door het caféraam. De hemel is grijs en dreigend. De lucht is drukkend. Hij wil zijn laatste zomerwarmte kwijt. Augustin biedt Rachel een sigaret aan. Ze neemt hem aan en dat verbaast me. Twee maanden geleden rookte ze niet. Naast ons gaat een stel zitten. Het meisje huilt. Ze hebben het waarschijnlijk net uitgemaakt. Augustin en Rachel letten niet op ze. Ik ben waarschijnlijk de enige die de onbekenden met hun tranen opmerkt. Het meisje lacht, oprecht, en het lucht me op. Rachel moet naar huis. Voordat ze weggaat geeft ze Augustin haar nummer.
We blijven alleen achter naast het stelletje, dat de rekening vraagt. Hij lijkt het geen probleem te vinden. Hij moet wel veel zelfvertrouwen hebben. Hij is zo iemand die een uur niks kan zeggen zonder zich ongemakkelijk te voelen. Ik moet altijd de ruimte, de stiltes vullen. Ik begin van alles en nog wat te vertellen om maar geen stilte te laten vallen. Hij vindt het grappig. Hij plaagt me gemoedelijk. Hij begint me uit te leggen wat hij leuk vindt aan Rachel. Hij vindt haar aantrekkelijk, maar ik krijg de indruk dat hij ook een beetje op haar neerkijkt.
Nadat hij me heeft verteld dat hij de benen van Rachel mooi vindt, zegt hij: ‘Maar het belangrijkste bij een meisje zijn niet haar haren, haar lichaam of haar benen...’
Hij stopt met praten, alsof hij wil analyseren wat hij daarnet zei, en vervolgt dan afwezig: ‘... waar het om gaat is de houding...’
Hij stopt opnieuw, en besluit dan: ‘Een houding kun je niet faken.’
Ik begrijp niet wat hij wil zeggen. Ik weet bijna zeker dat het nergens op slaat. Ik zeg niks meer. Serge Gainsbourg klinkt op de achtergrond. Ik ken het liedje niet. Het heeft een strak ritme en ik herken alleen de stem.

Sur son coeur on lisait: ‘personne’,
sur son bras droit: ‘raisonne’.
*

 

 

* In vertaling luidt de tekst: ‘Op zijn hart stond te lezen: ‘niemand’, / op zijn rechterarm: ‘redeneer’.

Oorspronkelijke titel Mes illusions donnent sur la cour
Copyright © 2009 Sacha Sperling
Copyright Nederlandse vertaling © 2011 Kiki Coumans en J.M. Meulenhoff bv, Amsterdam

Uitgeverij Meulenhoff

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum