Leesfragment: Inkijk

27 november 2015 , door Hella S. Haasse

6 augustus verschijnt van Hella S. Haasse Inkijk. Reflecties van een lezer, gekozen en van een nawoord voorzien door Margot Dijkgraaf en Patricia de Groot. Dit weekend mogen we er een essay uit voorpubliceren, dat over Elias Canetti's Het martyrium. (Zie ook Maarten Asschers nawoord bij de Perpetua-uitgave, dat we eerder op deze site publiceerden.)

‘Voor een goed begrip en een volle waardering van Hella S. Haasse zijn haar essays, die soms expliciet maar anders wel indirect ook een autobiografisch aspect hebben, onmisbaar. In de essays zien we de denkende, lezende, analyserende en vooral reflecterende Haasse aan het werk.’ Elsbeth Etty in Een nieuwer firmament

Hella S. Haasse heeft naast haar romans ook altijd essays, beschouwingen en recensies geschreven over binnen- en buitenlandse literatuur. Met grote nieuwsgierigheid en met een scherp inzicht volgde zij vele schrijvers in de opbouw van hun oeuvre, en deed van haar bevindingen enthousiasmerend verslag. Als eerste in Nederland ontdekte zij Elias Canetti, ze vertelt bevlogen over Witold Gombrowicz, verdiept zich in het werk van A. Alberts tot Jan Wolkers, en zet de boeken van W.F. Hermans in een nieuw licht.

Deze reflecties in Inkijk laten zien hoe Hella S. Haasse grondpatronen in oeuvres opspoort, en tonen zo haar fascinaties.

‘Voor een goed begrip en een volle waardering van Hella S. Haasse zijn haar essays, die soms expliciet maar anders wel indirect ook een autobiografisch aspect hebben, onmisbaar. In de essays zien we de denkende, lezende, analyserende en vooral reflecterende Haasse aan het werk.’ Elsbeth Etty in Een nieuwer firmament

‘Interessant, omdat Haasse verwijst naar haar eigen scheppend proza.’ Standaard der Letteren

‘Dat is dan ook meteen het belang van de bundeling: de wereld van Hella S. Haasse wordt weer even neergezet.’ De Groene

‘Zij is de humanistische essayiste bij uitstek. [...] Mensen en verhoudingen zijn uniek; zelden zullen romanfiguren zo menselijk, medelevend bijna, benaderd zijn. Niet alleen de schrijver, maar ook zijn figuren zullen zich begrepen weten.’ Kees Fens in de Volkskrant

‘Veel van deze opstellen geven, dwars door de beeltenis van de behandelde figuur heen, een zelfportret van Hella S. Haasse.’ Algemeen Dagblad

Inkijk is het vervolg op Uitzicht, het eerste deel van de verzamelde beschouwingen van Hella S. Haasse.

Het martyrium van Elias Canetti

De naam Elias Canetti ben ik voor het eerst tegengekomen in An Assessment of Twentieth Century Literature (lezingen voor het Third Programme van de bbc in boekvorm verschenen) door J. Isaacs. In deze reeks beschouwingen toont Isaacs zich een criticus op wiens eruditie, oordeelsvermogen en goede smaak je kunt vertrouwen. Bovendien is iedere vorm van literair snobisme hem vreemd; hij neemt het rustig op voor schrijvers (als bijvoorbeeld Hope Muntz en L. H. Myers) die door de keuze van hun onderwerpen en/of hun instelling buiten de stromingen van het ogenblik staan. De regels die Isaacs wijdt aan de onbekende auteur Canetti (hier in één adem vergeleken met Dante, Bunyan en Kafka) en aan diens ‘masterpiece Auto-da-Fé’, hadden, op mij althans, het effect van een uitdaging, prikkelden tot onderzoek: ‘[...] a book of giant stature, one of those books whose multitudinous intensity sweeps one along in a torrent, leaving the richness of detail to be savoured at leisure’, ‘one of the great novels of the century’ en: ‘In the treatment of evil, compared with Canetti, Mauriac and Greene are amateurs.’ De lectuur van Auto-da-Fé (Engelse vertaling door V. Wedgwood, 1946, genietbaar als een goedgeschreven Engelse roman) bevestigde de gedurfde uitspraken van Isaacs ten volle, en deed mijn verlangen het oorspronkelijke werk onder ogen te krijgen nog toenemen. Ik wist nu dat dit origineel in het Duits geschreven was en Die Blendung heette. Vragen hier en daar leverden niets op. Niemand had ooit van Elias Canetti gehoord. Tenslotte slaagde ik erin de roman te bemachtigen, en wel een Duitse heruitgave uit 1948 van de in 1935 bij Herbert Reichner Verlag in Wenen verschenen eerste druk. Intussen is er in 1963 bij Carl Hauser Verlag een door Canetti zelf vermeerderde druk van het werk verschenen. Tevens heb ik enkele gegevens over de schrijver kunnen verzamelen.
Elias Canetti is in 1905 in Rustschuk (Bulgarije) uit Spaansjoodse ouders geboren. Het schijnt dat bij hem thuis het middeleeuwse Spaans gesproken werd dat zijn voorouders gedurende de eeuwen van Turkse overheersing in de Balkan van generatie op generatie zuiver gehouden hadden. Canetti is echter zelf nooit in Spanje geweest. Toen hij zes jaar was, verhuisde zijn familie naar Engeland; daar ontving hij zijn eerste onderwijs. Door veel lezen raakte hij vertrouwd met de Engelse taal. Na de dood van zijn vader ging zijn moeder met hem in Wenen wonen. Hij was later achtereenvolgens in Parijs, Zurich en Frankfurt am Main op kostschool, in de laatstgenoemde plaats deed hij eindexamen. Daarna studeerde hij in Wenen natuur. en scheikunde. Hij behaalde ook het doctoraal in de wijsbegeerte, en vestigde zich toen als onafhankelijk letterkundige. Zijn eerste werk was een toneelstuk, Hochzeit, waarin hij, volgens eigen zeggen, getracht heeft terug te keren tot de meest wezenlijke oudste elementen van het drama; door al het bijkomstige weg te laten wilde hij een nieuwe geconcentreerde vorm van toneelkunst scheppen. In 1935 volgde Die Blendung, waarover hieronder meer. Ongeveer tegelijkertijd met die roman voltooide hij zijn Komedie der IJdelheid die, voorzover mij bekend, nooit in druk is verschenen: een poging om de komedievorm, zoals Aristophanes die beoefend heeft, met moderne middelen te doen herleven; een poging ook om de ‘onder alle omstandigheden geldige satirische noemer van onze tijd’ te vinden. In 1938 is Canetti naar Engeland geemigreerd. Daar woont hij nog steeds. Gedurende de oorlogsjaren heeft hij niet willen publiceren. Hij heeft in die tijd gewerkt aan een studie, waar hij sinds 1925 aan bezig is geweest, een Psychologie van Massa en Macht (onder de titel Massa und Macht in 1960 bij Claassen Verlag Hamburg verschenen). Canetti schijnt deze studie als zijn levenswerk te beschouwen. Intussen schrijft hij nog voortdurend aan ‘sein weitangelegter anti-individualistischer Experimentalroman’ (volgens het Autorenlexikon van Kutzbach, Bonn 1950), waarvan Die Blendung het eerste deel zou zijn. Die term ‘anti-individualistisch’ schijnt zo op het eerste gezicht niet dadelijk te rijmen met Canetti’s boek. In een toelichting bij de Duitse uitgave van Die Blendung, die kennelijk gebaseerd moet zijn op door hemzelf verstrekte gegevens, getuigt hij van ‘ein aktives Gefuhl fur den Wert jedes Menschen, das er [Canetti] sich auch in diesen Zeiten argster Gehassigkeiten gegen einzelne Menschengruppen zu bewahren verstand’. In de geestelijke emotionele elasticiteit ziet hij de enige hoop op behoud van de mensheid. Die elasticiteit maakt het de mens mogelijk deel te hebben aan al het bestaande, vooropgesteld dat hij de inspanning en de pijn waarmee die innerlijke verruiming gepaard gaat, niet schuwt. Tenslotte werkt Canetti aan een soort psychologisch dagboek, verscheidene duizenden bladzijden met aforismen en geserreerde aantekeningen; gedeelten daarvan schijnt hij te zijner tijd te willen publiceren.

De hoofdpersoon van Het martyrium (Die Blendung), dr. Peter Kien, ‘geleerde en bibliothecaris’, een sinoloog van wereldreputatie, dwangmatig ordelievend en punctueel, een mensenhater, altijd op zijn hoede ten opzichte van hen die hij ‘de mensen der menigte’ noemt, de massa, die hij gevaarlijk acht omdat zij geen ontwikkeling en geen verstand heeft, leeft letterlijk verschanst binnen de Chinese muur van zijn boeken, zijn prive-bibliotheek. Zijn blindzijn voor de werkelijkheid is de zwakke plek waardoor duivelse hardnekkige domheid zijn wereld binnen dringt in de gedaante van Therese, de huishoudster, belichaming van de materie, de grove zinnelijkheid, de gevreesde massa. Kien loopt te pletter op de Chinese muur van haar cirkelvormig gesteven rok. Haar hebzucht en nieuwsgierigheid en zijn volstrekt subjectieve interpretatie van het begrip ‘leren’ brengen hen tot elkaar. Voor Therese is leren identiek aan ‘mores leren’ volgens fatsoens. en gezagsnormen die de domme massa regeren, en voor Kien is ‘leren’ alleen kennis vergaren uit boeken. Hij geeft aan deze beginnelinge in de cultuur, de draagster van de voor hem zo angstwekkende rok, het enige boek te leen waarvoor hij zich heimelijk schaamt, De broek van Herr von Bredow. Voor Therese is de broek echter symbool van het heiligste, van hem die de broek aanheeft, de door de hysterische oude juffrouw zo vurig begeerde man. Als een priesteres aan een altaar legt zij de beduimelde roman op een fluwelen leeskussen, trekt zij witte handschoenen aan voor zij de bladzijden omslaat. Deze magie-rondom-de-broek legt Kien uit als uitzonderlijke eerbied-voor-het-boek, met verschrikkelijke gevolgen. Het huwelijk met Therese zal regelrecht leiden tot zijn ondergang en die van zijn geliefde bibliotheek. Kien, de eenling, die geen contact, geen aanraking duldt, wil noch kan overgaan tot ‘gemeenschap hebben’. Het is hem niet om een vrouw te doen, maar om een moeder voor zijn boeken. Therese kent nu zijn zwakke plek, zij gaat zijn angst voor hem letterlijk te gelde maken. Kien roept de bescherming in van de conciërge van het flatgebouw, de ex-politieman Benedikt Pfaff, een sentimentele sadistische bruut die zijn vrouw en dochter misbruikt en doodgeranseld heeft, en zich nu uitleeft op bedelaars en op huurders die in gebreke blijven. Hij bewaakt het huis: door een laag-bij-de-gronds kijkgat van eigen vinding bespiedt hij de komenden en gaanden; hij ziet geen mensen, slechts rokken en broeken. Kien sluit zijn ogen voor het brute en domme in Pfaff, hij wil hem als een trouwhartige landsknecht beschouwen, een historisch verantwoorde ‘sterke man’. Therese slaagt er desondanks na eindeloos treiteren en saboteren in Kien het huis uit te gooien. Hij zet zijn leven op dezelfde voet voort in een hotelkamer, maar nu met een denkbeeldige bibliotheek, namelijk de boeken-inzijn- hoofd. In een kroeg die De zevende hemel heet, karikatuur en negatief van het nirwana van Kiens vereerde oosterse wijsgeren, ontmoet hij de gebochelde dwerg Fischerle, een zakkenroller, oplichter en dagdromer die even bezeten is van het schaakspel als Kien van boeken en kennis, en die – net als Kien – onder de druk leeft van een vrouw, in dit geval een aftakelende prostituee. Weer is Kien als met blindheid geslagen ten aanzien van de bedoelingen van een ander mens. Hij neemt de dwerg die het alleen voorzien heeft op Kiens volle portefeuille (om zo zijn dromen van wereldkampioenschap in Amerika, en van grand-seigneuriale royaliteit tot werkelijkheid te kunnen maken) in dienst als hulp bij het vervoeren en verzorgen van de denkbeeldige boekenschat. Weldra wordt Kien, zonder dat te beseffen, het slachtoffer van Fischerles omslachtige, tot in onderdelen uitgekiende manipulaties. Kien verliest zijn geld, maar Fischerle verliest zijn leven als hij – vlak voor zijn vertrek naar Amerika – door een klant van zijn vrouw wordt vermoord en daarbij op walgelijk wrede wijze ‘beroofd’ van zijn bochel, die levenslang meegesleepte last. Een van Fischerles laatste daden heeft betrekking op Kien; in een poging de verdoolde geleerde te helpen heeft Fischerle uit Kiens naam een telegram gestuurd naar Kiens broer, die psychiater is in Parijs: ‘Ben totaal mesjokke’, onder de motivering: ‘Als iemand dat van zichzelf schrijft, moet je hem wel geloven, want wie schrijft zoiets over zichzelf.’
Georges Kien, directeur-geneesheer van een kliniek voor geestelijk gestoorden, komt onmiddellijk over, maar kan zijn broer niet meer redden, die intussen weer in de macht geraakt is van Therese en van haar minnaar, de brute huisbewaarder Pfaff. Weliswaar weet Georges met geld Therese en Pfaff tot vertrekken te bewegen, en installeert hij Kien weer in diens eigen woning, maar de geleerde is door zijn ervaringen zo geschokt, dat zijn angsten en obsessies de overhand krijgen: in een vlaag van waanzin steekt hij zijn bibliotheek in brand, hij komt met zijn boeken in de vlammen om.
Het martyrium is een grotesk spel der vergissingen, het epos van een Babylonische spraakverwarring. Tegenover het zwijgen van Kien in zijn naamloze bibliotheek, zijn overgave aan theorieën en abstracties, staan het gewauwel en gekijf van Therese, het praten als afleidingsmanoeuvre en bezwering van Fischerle, het razen en tieren en gebruik van politiejargon als begeleiding van geweld bij Benedikt Pfaff, de op contact maken en sussen gerichte dokterstaal van Georges Kien. Het tragikomische effect berust op de onderlinge onmogelijkheid tot communicatie.
Alle personages hebben hun eigen tekens, symbolen. Kien heeft zijn boeken, zijn ‘Chinees’, zijn nachtmerries van brand en roofdieren, zijn angst voor het verlies van zijn gezichtsvermogen; Therese heeft haar rok (die blauw is, de kleur die Kien haat), haar meubels, haar ‘dingen’, haar bezitsdrang. Pfaff heeft zijn rode haar, zijn roodbehaarde vuisten, zijn kijkgat, zijn pensioen, de dwanggedachten in verband met zijn dode dochter. Fischerle heeft het schaakspel, zijn droom van vrijheid en macht, en zijn bochel en jood-zijn als obsessies. Georges Kien heeft zijn theorie, dat individu-zijn een vorm van egoïsme, van ziek-zijn, krankzinnigheid is, omdat met het bewustzijn ook de problemen komen, de noodzaak tot kwellen en liefhebben, de niet te stillen verlangens naar de bevrediging van het ‘ik’; dat de mensen eigenlijk verlangen of liever terugverlangen, naar het bestaan als horde, als massa, ‘een reusachtig, wild, volbloedig warm dier’.

Dit overzicht van het ‘verhaal’ kan geen denkbeeld geven van de rijkdom aan vondsten, zowel op psychologisch, filosofisch als op romantechnisch en vertelkunstig gebied, die in Die Blendung voor het grijpen liggen. Het motief van het verbranden van de boeken, dat telkens weer in de roman opduikt, wordt op meesterlijke wijze gevarieerd, zodat het geleidelijk een steeds onheilspellender effect maakt. De stijfgesteven blauwkatoenen rok van de huishoudster Therese, een klok, een schelp, groeit in de loop van het verhaal uit tot het symbool van Kiens angst en machteloze haat voor de Vrouw.
Zelden was een romanheld zo volstrekt gespeend van medegevoelwekkende en heroïeke eigenschappen als de dorre, onhandige, bij al zijn enorme kennis beperkte en seksueel verknipte egoïst Kien, maar in bepaalde fragmenten, respectievelijk waar hij onder het houden van een grootse toespraak zijn geliefde boeken hoopt veilig te stellen voor de aartsvijandin Therese, door ze met de bandruggen tegen de muur te zetten, of waar hij, na uit zijn woning verdreven te zijn, in de hal van het stedelijke pandhuis postvat en daar ieder die boeken komt belenen uit eigen zak het gevraagde bedrag verschaft, onder voorwaarde dat de literatuur een onwaardig lot bespaard blijft, weet de waan van deze ridder van de droevige figuur de lezer werkelijk te raken.
Hetzelfde geldt voor karakter en lot van de dwerg Fischerle, voor de verhouding tussen Kiens broer, de psychiater, en zijn patiënten in het krankzinnigengesticht, en bovenal voor de passages waar Canetti ons de ellende suggereert van de vrouw en de dochter van de huisbewaarder Pfaff: de handelingen van die botte sentimentele sadist zijn als het ware gezien door diens eigen ogen, en worden verteld met een naïeve woordkeuze, waardoor het verslag van het lot van die twee vrouwen voor de lezer bijna onverdraaglijk is.
Kien is de bloedarme, afgeleefde ‘cultuur’, zinloos, omdat de wereld der abstracties doel is geworden in plaats van middel; Therese, de volstrekt cultuurloze domheid, vulgair, begerig naar bezit, met een ingeboren haat tegen de ‘cultuur’; Pfaff, het geweld, de brute vuistkracht die door ‘cultuur’ uit eigen onmacht te hulp wordt geroepen tegen domheid en heerszucht, maar tenslotte met domheid gaat samenspannen om ‘cultuur’ te vernietigen.
In Kien en zijn broer Georges (de geleerde die de mensenwereld verwerpt voor de pure wetenschap, én de geleerde voor wie studie en kennis slechts middelen zijn om de mens te begrijpen en te helpen) vinden wij de twee uiterste standpunten ten opzichte van het massaprobleem verbeeld.
De roman doet soms denken aan een poppenkastvertoning in het groot: dezelfde groteske figuren en situaties, dezelfde plotselinge vechtpartijen en verzoeningen, dezelfde dolle achtervolgingen en scènes van algehele verwarring. De personages hebben iets van het primitieve en gestileerde van poppen: zij zijn als het ware de marionetten van hun eigen bezetenheid. Het derde en laatste deel van het boek, waarin Georges Kien ten tonele wordt gevoerd als een deus ex machina, opgeroepen door Fischerle (die mijns inziens niet toevallig de centrale plaats, de rol van scharnier, heeft in de roman), bevat gegevens die voor het in de twee vorige delen vertelde nieuwe en verrassende interpretatiemogelijkheden opleveren. De lezer wordt zich bewust van de relatie tussen de broers Peter en Georges Kien, die in vele opzichten elkaars spiegelbeeld en tegenvoeter zijn: de behoede en de behoeder, de mensenhater en degene die zich met alle mensen zou willen vereenzelvigen, de vrouwenhater en de homme à femmes. Er is een relatie tussen de houding tegenover vrouwen, de verschijningsvormen van verschillende vrouwenfiguren, en de problemen van eenling en massa, macht en mensenliefde.
De wereld waarin al deze personages leven is inderdaad een gekkenhuis; de wereld, waarin de klant koning is, geweld, onrijpe seksualiteit, angsten en obsessies hoogtij vieren, geld alles goedmaakt, kennis en cultuur als fetisj, uit snobisme, geëerbiedigd, maar zelden in de werkelijkheid van vlees en bloed geïntegreerd worden, de wereld men verraad pleegt en ontrouw is, waarin armen en misdeelden in de hoop op wat vrijheid tot alles bereid zijn. Voor de consequenties van deze wereld is Kien in zijn bibliotheek gevlucht – maar in wezen staat zijn afzondering niet op een hoger niveau dan de gevangenschap van de, tot de staat van gorilla teruggezonken, krankzinnige die Georges Kien eens te zien krijgt, en die samen met zijn verzorgster, in een paradijselijke oerwereld van spel en experiment, opgesloten leeft in de villa van zijn rijke broer.
Op het allegorische karakter van Het martyrium, de Elcerlyc van een ondergaande beschaving, is eerder reeds gewezen door de Engelse criticus J. Isaacs: ‘Pure Knowledge is beset by the forces of Ignorance, Cupidity, Anger, Cunning, Hatred and Envy, and is beaten to a pulp.’ Je zou ook kunnen zeggen: ‘Wie zich boven of buiten de massa, de totaliteit van de mensheid, stelt, wordt door haar vernietigd of tot geestelijke zelfmoord gedreven. Blind zijn voor die macht is verblinding.’ Dat Elias Canetti een zo complex gegeven heeft weten te verbeelden in een verhaal vol koddige en gruwelijke verwikkelingen, dat zich voor de lezer ontrolt als een komedie van een niet zo zachtzinnige Chaplin of van een zeer grimmige Feydeau, is een literaire prestatie van hoge orde; gezien de politieke en filosofische implicaties van het geheel zou je geneigd zijn eerder dan aan Kafka of Dostojevski (wiens namen in verband met Canetti’s werk wel genoemd zijn), te denken aan Aristophanes.
Het is mijn persoonlijke overtuiging dat wij in Het martyrium een klassiek staal bezitten van het zeldzaamste (want misschien wel moeilijkst te verwezenlijken) genre in de romankunst, de allegorie, waarin een volkomen versmelting van symbool en levende werkelijkheid heeft plaatsgevonden. De middelen van satire en groteske worden tot aan de grenzen van het aanvaardbare toegepast, de hoofdfiguren met grote durf zoveel mogelijk vereenvoudigd zonder dat hierdoor aan de realiteit van de verhoudingen, de situaties en de psychologische structuur van de personages afbreuk wordt gedaan. Een allegorie dus: het verzet van de mens tegen de macht van het Kwaad en het kwaad van de Macht.

(1965 en 1967)

Copyright © 1965-2005 /2011 Hella S. Haasse
Copyright nawoord © 2011 Margot Dijkgraaf en Patricia de Groot
Copyright auteursportret © Emmy Scheele

Uitgeverij Querido

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum